Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert houdende regels omtrent verplichtingen van burgers (Beleidsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Weert 2020)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert,

 

overwegende dat het wenselijk is om burgers aan te zetten tot het nakomen van verplichtingen die de Wet basisregistratie personen aan hen oplegt en om fraude en andere onwenselijke gedragingen rondom die verplichtingen te voorkomen en te bestrijden;

 

overwegende dat het wenselijk is om de kwaliteit van de gegevens over de ingeschrevenen in de Basisregistratie Personen verder te verhogen;

 

overwegende dat het wenselijk is om de uitvoering van het handhavingsinstrument van de bestuurlijke boete uit artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen voor de gemeente Weert in beleidsregels vast te leggen;

 

gelet op de artikelen 1.1, 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51, 2.52, en 4.17 van de Wet basisregistratie personen en titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

 

B E S L U I T

Vast te stellen de:

 

“Beleidsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen

gemeente Weert 2020”, met bijbehorende toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      de wet: de Wet basisregistratie personen;

    • b.

      college: college van burgemeester en wethouders;

    • c.

      toezichthouder: op grond van het bepaalde in artikel 4.2 van de wet door het college aangewezen ambtenaar;

    • d.

      boete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 van de wet;

    • e.

      overtreder: degene die verwijtbaar niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 4.17, onder a, van de wet, dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 4.17, onder b, van de wet of een valse aangifte heeft gedaan;

    • f.

      ingeschrevene: ingeschrevene als bedoeld in artikel 1.1, onder e, van de wet;

    • g.

      gelegenheidsgever: persoon als bedoeld in artikel 4.17, onder b, van de wet.

  • 2.

    De begripsbepalingen van de wet zijn op deze beleidsregels onverkort van toepassing.

Artikel 2 Doel

De boete heeft ten doel de burger te bewegen alsnog te voldoen aan zijn verplichtingen, zoals genoemd in artikel 4.17 van de wet.

Artikel 3 Algemene bepalingen

  • 1.

    Bij de toepassing van deze beleidsregels is titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing.

  • 2.

    Het college kan de boete opleggen bij een overtreding genoemd in artikel 4.17 van de wet.

  • 3.

    De boete als bedoeld in het tweede lid wordt alleen opgelegd als de overtreder vooraf is geïnformeerd over het risico van oplegging van een bestuurlijke boete bij het niet voldoen aan de verplichtingen als genoemd in de wet.

  • 4.

    Een boete wordt binnen drie jaar nadat het college de overtreding heeft geconstateerd, opgelegd.

  • 5.

    De boete wordt opgelegd aan de overtreder.

  • 6.

    In het geval de verplichtingen als bedoeld in de wet moeten worden vervuld door een ander dan de ingeschrevene of aangifteplichtige zelf, wordt de boete opgelegd aan degene op wie de verplichting ingevolge de wet rust.

  • 7.

    Als er op grond van de wet aan meerdere personen een boete kan worden opgelegd ten aanzien van dezelfde overtreding en het college besluit de boete ook aan meerdere personen op te leggen, dan zijn deze personen afzonderlijk hoofdelijk voor de gehele boete aansprakelijk.

Artikel 4 Hoogte van de boete

  • 1.

    De hoogte van de op te leggen standaardboete bedraagt € 200,-.

  • 2.

    De hoogte van de op te leggen hogere boete bedraagt € 325,-, indien:

    • a.

      het aannemelijk is, dat de verplichting op het gebied van migratie, als bedoeld in de artikelen 2.38, 2.39, 2.43, 2.45 en 2.47 van de wet, bewust niet is nagekomen;

    • b.

      bewust geen brondocumenten in de zin van artikel 2.8 in samenhang met de artikelen 2.44 en 2.46 van de wet worden overgelegd, terwijl vast is komen staan dat verkrijging van documenten uit het betreffende land heel goed mogelijk is;

    • c.

      de overtreder eerder een overtreding heeft begaan waarvoor de boete is opgelegd, dan wel opgelegd kan worden;

    • d.

      de overtreder aan te merken is als gelegenheidsgever in de zin van artikel 4.17, onder b, van de wet;

    • e.

      de overtreder valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

Artikel 5 Verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden

  • 1.

    Voor het opleggen van de boete moet er sprake zijn van verwijtbaarheid.

  • 2.

    Van het opleggen van een boete kan worden afgezien, of het boetebedrag kan worden gematigd, als er sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    Omstandigheden die in beginsel niet leiden tot een vermindering van de mate van verwijtbaarheid, zijn in ieder geval de volgende situaties waarin de persoon in kwestie:

    • a.

      al eerder eenzelfde overtreding in de zin van artikel 4.17 van de wet heeft begaan;

    • b.

      zegt de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet te begrijpen, daaronder mede begrepen vanwege (vast)gestelde onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal;

    • c.

      stelt niet op de hoogte te zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de wet;

    • d.

      stelt reeds in een eerder stadium aan zijn verplichting te hebben voldaan, maar dit is niet aantoonbaar;

    • e.

      stelt langere tijd niet in staat te zijn geweest zijn belangen te behartigen, doordat hij tijdelijk niet op het adres zegt te wonen. Hieronder wordt ook begrepen tijdelijk verblijf in het buitenland, tijdelijk verblijf in een instelling voor de gezondheidszorg, instelling op het gebied van kinderbescherming of penitentiaire instelling;

    • f.

      stelt door slechte postbezorging of gebreken aan of ontbreken van een brievenbus geen post te hebben ontvangen;

    • g.

      aangemerkt wordt als gelegenheidsgever, die een verklaring heeft getekend dat de andere persoon woont op zijn adres, terwijl vastgesteld is dat die persoon er niet woont;

    • h.

      aangemerkt wordt als gelegenheidsgever in de zin van sub g van dit artikel en stelt dat de andere persoon niet langer op het adres woont, terwijl hij niet aantoont dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 2.39 en 2.43 van de wet aangifte heeft gedaan.

Artikel 6 Niet twee keer voor hetzelfde (Ne bis in idem)

  • 1.

    De boete kan niet worden opgelegd aan de overtreder, indien aan hem een boete is opgelegd voor hetzelfde feit.

  • 2.

    Er is in ieder geval geen sprake van hetzelfde feit, indien de overtreder:

    • a.

      eerder niet voldaan heeft aan zijn aangifte of informatieverplichting ten aanzien van een inschrijving op een adres, een adreswijziging of een vertrek naar het buitenland;

    • b.

      niet voldaan heeft aan zijn verplichting andere brondocumenten in de zin van artikel 2.8 van de wet te overleggen, waarvoor hem een boete is opgelegd;

    • c.

      eerder een boete is opgelegd voor het niet voldoen aan zijn identificatieplicht ten aanzien van een andere situatie;

    • d.

      eerder een boete opgelegd heeft gekregen vanwege het optreden als gelegenheidsgever in geval van artikel 4.17, onder b, van de wet ten aanzien van een andere ingeschrevene dan wel ten aanzien van dezelfde ingeschrevene op een ander moment;

    • e.

      eerder een boete is opgelegd vanwege de overtreding van de verplichting tot het verstrekken van informatie door een ander dan de ingezetene of ingeschrevene aan de gemeente ten behoeve van de bijhouding in de Basisregistratie Personen, als het een andere persoon betreft dan wel als het een andere overtreding ten aanzien van dezelfde persoon betreft.

Artikel 7 Valsheid in geschrifte

  • 1.

    Indien een persoon een valse of vervalste aangifte doet, zich uitgeeft voor iemand anders dan wel valse of vervalste documenten overlegt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken, is er sprake van valsheid in geschrifte.

  • 2.

    Van valsheid in geschrifte wordt aangifte bij de politie gedaan.

  • 3.

    In het geval strafvervolging plaatsvindt, wordt geen bestuurlijke boete als in deze beleidsregels bedoeld opgelegd.

Artikel 8 Onvoorziene omstandigheden en afwijkingsbevoegdheid

  • 1.

    In de gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.

  • 2.

    Het college of de door hen gemandateerde kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels.

Artikel 9 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Weert 2020”.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2020.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 december 2019.

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,

M.J.M. Meertens

de burgemeester,

A.A.M.M. Heijmans

Toelichting “Beleidsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Weert 2020”

 

Algemeen

 

De Wet basisregistratie personen (Wet BRP) biedt de gemeenten een aantal instrumenten voor de handhaving van de plichten die de burgers op grond van de Wet BRP hebben, waaronder het tijdig aangifte doen van een adresverandering, het overleggen van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen. Een en ander ten behoeve van de borging en/of verbetering van de integriteit (juistheid, volledigheid en tijdigheid) van de in de Basisregistratie Personen (BRP) opgenomen gegevens.

 

Toezichthouders BRP

Op grond van het bepaalde in artikel 4.2 van de Wet BRP wijst het college een of meer ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger (toezichthouders BRP). In Weert zijn onder andere de medewerkers die binnen het team Publiekszaken belast zijn met adresonderzoeken, aangewezen als toezichthouder BRP. Om deze taak te kunnen uitvoeren heeft de toezichthouder een aantal bevoegdheden toebedeeld gekregen. Deze bevoegdheden, vastgelegd in artikel 5:15 tot en met 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mogen vanzelfsprekend alleen worden gebruikt als dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak nodig is.

 

Het gaat om onder andere de volgende bevoegdheden:

  • De toezichthouder is bevoegd elke plaats te betreden en apparatuur (laptop, tablet, telefoon, fotocamera etc.) mee te nemen. Het betreden van een woning is alleen toegestaan met toestemming van een bewoner;

  • De toezichthouder kan zich indien nodig toegang verschaffen met behulp van de sterke arm;

  • De toezichthouder is bevoegd zich te laten vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen;

  • De toezichthouder is bevoegd alle (relevante) inlichtingen te vorderen;

  • De toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen in het identiteitsbewijs van betrokkene(n);

  • De toezichthouder is bevoegd inzage in (zakelijke) gegevens en bescheiden te vorderen, kopieën te maken of documenten om te kopiëren mee te nemen;

  • De toezichthouder is bevoegd nader onderzoek te doen.

     

Op grond van artikel 5:20 van de Awb is een ieder verplicht aan de toezichthouder de gevraagde medewerking te verlenen.

 

Toezichthouders worden ingezet als instrument om de integriteit (juistheid, volledigheid en tijdigheid) van de in de BRP opgenomen gegevens te kunnen borgen en/of verbeteren. Een ander instrument is de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

 

Bestuurlijke boete

In artikel 4.17 van de Wet BRP is de mogelijkheid opgenomen tot het opleggen van een bestuurlijke boete in het geval de burger (verwijtbaar) niet aan de verplichtingen als bedoeld in de Wet BRP voldoet. Het heffen van de bestuurlijke boete is geen doel op zich. Het moet de burgers aanzetten tot het nakomen van de verplichtingen die de Wet BRP aan hen oplegt.

 

De bestuurlijke boete is een handhavingsinstrument in het bestuursrecht. Het is een boete die een bestuursorgaan of aangewezen toezichthouder kan opleggen voor een overtreding van een wettelijke regel. Het gaat hier om een zogenaamde punitieve sanctie, dat wil zeggen een sanctie die wordt opgelegd met het doel te bestraffen.

 

De opgelegde sanctie is onvoorwaardelijk. Dat betekent dat de opgelegde boete niet kan worden ingetrokken of gewijzigd als alsnog aan de verplichting(en) wordt voldaan. Tegen het opleggen van de bestuurlijke boete is wel bezwaar en beroep mogelijk.

 

Het bepaalde in titel 5.4 van de Awb is onverkort van toepassing. In deze titel is onder meer bepaald wanneer een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wie de boete oplegt, hoe de boete wordt opgelegd en wanneer de opgelegde boete vervalt. Bij het opstellen van deze beleidsregels is rekening gehouden met het in titel 5.4 bepaalde.

 

Bevoegdheid en mandatering

Een bestuurlijke boete kan alleen worden opgelegd als daarvoor een wettelijke basis is. De noodzakelijke wettelijke basis is opgenomen in artikel 4.17 van de Wet BRP en luidt: ‘Het college van burgemeester en wethouders kan een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opleggen: a. ter zake van overtreding van de artikelen 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52; b. aan degene met een woonadres in de gemeente die bewust toelaat dat een andere persoon met datzelfde woonadres is ingeschreven, terwijl hij weet dat dit onjuist is.’

 

Blijkens dit artikel heeft het college de bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen. Uit praktische overwegingen (snelheid, effectiviteit) is er echter voor gekozen de bevoegdheid te mandateren aan de directeur. De directeur heeft de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete doorgemandateerd aan het hoofd van de afdeling en de medewerkers.

 

Pilot

De bestuurlijke boete is geheel nieuw voor de met de bijhouding van de BRP belaste medewerkers. Om deze reden wordt het opleggen van een bestuurlijke boete in 2020 in pilotvorm uitgevoerd. Een pilot geeft de mogelijkheid om met een beperkte set overtredingen, waarvoor de boete in beginsel wordt gehanteerd, de werking aan te leren en eigen te maken. Ook geeft deze periode de mogelijkheid de bedachte uitvoering te testen en bij te stellen.

 

De pilot zal de volgende vorm hebben:

 

  • -

    De pilot zal plaatsvinden van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2021;

  • -

    Deze periode kan worden bijgesteld;

  • -

    De boete wordt opgelegd voor bepaalde soorten adresgerelateerde overtredingen en het niet inleveren van brondocumenten, namelijk:

    • *

      het niet voldoen aan de aangifteplicht op het gebied van migratie (artikel 2.38, 2.39 en 2.43 Wet BRP);

    • *

      het niet verstrekken van inlichtingen of het niet overleggen van geschriften   (artikel 2.45 en 2.47 Wet BRP);

    • *

      het niet verstrekken van inlichtingen of het niet overleggen van geschriften (brondocumenten) afkomstig uit een EU-land (artikel 2.44 en 2.46 Wet BRP);

    • *

      het niet verstrekken van inlichtingen of het niet overleggen van geschriften met betrekking tot een ingezetene die in een EU-land is overleden (artikel 2.51 Wet BRP);

  • -

    In het eerste kwartaal van 2021 vindt een evaluatie plaats. Hierin zal onder meer aan de orde komen op welke punten het werkproces moet worden aangepast, of en op welke manier de bestuurlijke boete ook voor andere verplichtingen kan worden opgelegd, of en hoe de communicatie ten aanzien van de boete moet worden aangepast, wat de gevolgen van de invoering van de boete zijn voor de interne organisatie en of er gevolgen zijn te constateren in het gedrag van burgers.

  

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de in deze beleidsregels gebruikte begrippen nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de wettelijke begripsomschrijvingen, die onverkort van toepassing zijn.

 

Artikel 2 Doel

Invoering van de bestuurlijke boete dient als prikkel voor de burger om de gegevens die nodig zijn voor een juiste, volledige en actuele bevolkingsregistratie (BRP), tijdig door te geven aan de gemeente. De kwaliteit van de persoonsgegevens in de BRP wordt hiermee verbeterd en fraude wordt tegengegaan. Het heffen van de bestuurlijke boete is geen doel op zich. Het moet burgers aanzetten tot het nakomen van de verplichtingen die de Wet BRP aan hen oplegt. Hierbij wordt uitgegaan van een preventieve werking.

 

Artikel 3 Algemene bepalingen

Lid 1

In titel 5.4 van de Awb zijn bepalingen opgenomen omtrent de bestuurlijke boete. Voor het opleggen van de bestuurlijke boete gelden de bepalingen zoals vermeld in deze titel. Dit laat onverlet dat ook de overige in deze beleidsregels niet genoemde bepalingen uit titel 5.4, van toepassing zijn op de bestuurlijke boete in de Wet BRP.

 

Lid 2 

In artikel 4.17 Wet BRP is vermeld voor welke overtredingen de gemeente een boete kan opleggen van maximaal € 325,-. In onderstaand overzicht is vermeld welke overtredingen het betreft.

 

Overtreding

Wetsartikelen Wet BRP

Het niet doen van aangifte van vestiging vanuit het buitenland, adreswijziging of vertrek naar het buitenland

2.38, 2.39, 2.43

Niet geven van informatie, overleggen van geschriften, in persoon verschijnen

2.44, 2.45 lid 1, 2.46 en 2.47

Niet voldoen aan informatie of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente als briefadresgever of hoofd van een instelling

artikelen 2.40 lid 5, 2.45 leden 2 tot en met 5 en 2.50

Niet voldoen aan identiteitsplicht

2.52

Het niet overleggen van een buitenlandse overlijdensakte

2.51

Het niet overleggen van akten en andere brondocumenten

2.44 en 2.46

Gelegenheidsgever

4.17 onder b

Valsheid in geschrifte

2.38, 2.39, 2.43, 2.44, 2.45, 2.46, 2.47, 2.51 en 2.52

  

Voorbeelden van overtredingen waarvoor de boete geldt:

 

Om duidelijk te maken in welke gevallen de boete opgelegd kan worden staan hieronder een aantal voorbeelden van de belangrijkste drie categorieën, namelijk:

 

  • het niet doen van een aangifte van verhuizing of vertrek (voorbeeld 1);

  • het handelen als gelegenheidsgever (voorbeeld 2);

  • het niet overleggen van een brondocument (voorbeeld 3).

     

Voorbeeld 1: het niet doen van een aangifte van verhuizing of vertrek

 

Het woonadres in de BRP is het adres waar iemand feitelijk woont (artikel 1.1 Wet BRP). Indien het woonadres wijzigt, is er een verplichting om aangifte van deze adreswijziging te doen (artikel 2.39 Wet BRP).

 

Twee partners bezitten allebei een eigen huis in Weert. De ene partner trekt in bij de ander. Hij behoudt zijn eigen huis en verhuurt dit aan iemand anders, die zich inschrijft op dit adres. De verhuurder geeft zijn eigen verhuizing naar het woonadres van zijn partner niet door. Redenen hiervoor kunnen zijn het verlies van een parkeervergunning of een huurbeding in de hypotheekakte.

 

Er wordt een adresonderzoek gestart naar de verhuurder op basis van een melding van een nieuwe bewoner. Tijdens het (administratieve) adresonderzoek wordt de persoon ten minste twee keer verzocht om alsnog aangifte van verhuizing te doen. Hij wordt er daarbij op gewezen dat hem een bestuurlijke boete kan worden opgelegd wanneer hij dit niet doet. Blijft hij verklaren dat hij woont op het BRP-adres, terwijl de gemeente na onderzoek aannemelijk heeft bevonden dat dit niet het geval is, dan neemt de gemeente een beslissing. Is het nieuwe adres bekend, dan verhuist de gemeente hem ‘administratief’ naar zijn feitelijke adres. Is er geen adres bekend, dan neemt de gemeente hem in de BRP op als ‘vertrokken naar adres onbekend’. De persoon is dan onvindbaar voor overheidsinstanties en kan hij geen gebruik meer maken van overheidsvoorzieningen. Omdat deze persoon geen aangifte heeft gedaan van zijn verhuizing, tracht de gemeente hem een bestuurlijke boete op te leggen.

 

Voorbeeld 2: het handelen als gelegenheidsgever

 

Het woonadres in de BRP is het adres waar de ingeschrevene feitelijk woont (artikel 1.1 Wet BRP).

 

Een student, die bij zijn ouders woont, wordt over twee maanden 18 jaar. Hij geeft bij de gemeente aan dat hij verhuist naar een ander adres, maar in werkelijkheid blijft hij wonen op het adres van zijn ouders. Door inschrijving op het nieuwe adres krijgt de student een hogere studiefinanciering. De hoofdbewoner van het zogenaamde nieuwe adres weet dit. Desondanks geeft de hoofdbewoner schriftelijk toestemming aan de gemeente, dat de student zich inschrijft op dit adres. Daarmee verklaart de hoofdbewoner dat de student op zijn adres woont én dat hij de gemeente informeert zodra de student daar niet (meer) woont.

 

Er wordt een adresonderzoek gestart naar aanleiding van een melding van de Dienst Uitvoering Onderwijs naar de bewoning van de student. Geconfronteerd met de onderzoeksresultaten, geven de student en de hoofdbewoner van het adres toe dat de student er nooit heeft gewoond en er ten onrechte aangifte van verhuizing is gedaan. Het financiële verschil tussen de in- en uitwonendenbeurs is de reden van de schijnverhuizing. De gemeente geeft de hoofdbewoner een boete voor het handelen als gelegenheidsgever en de student voor het doen van een onjuiste aangifte.

 

 

Voorbeeld 3: het niet overleggen van een brondocument

 

In de BRP kunnen alleen persoonsgegevens worden geregistreerd die kunnen worden ontleend aan een brondocument. De afstamming wordt onder meer ontleend aan de geboorteakte en voor zover van belang aan de huwelijksakte (artikel 2.8 in samenhang met de artikelen 2.44 en 2.46 Wet BRP).

 

Een man doet aangifte van inschrijving in de BRP van een kind. Hij overlegt hierbij een paspoort van het kind. Hij heeft geen geboorteakte bij zich van het kind. Hierdoor kan de gemeente alleen de persoonsgegevens van het kind registreren in de BRP. Het kind wordt ingeschreven in de BRP met alleen zijn eigen personalia. Ten aanzien van de afstamming naar zijn moeder en vader zijn er geen gegevens opgenomen. De gemeente geeft de man een brief mee met het verzoek om binnen een bepaalde periode een originele gelegaliseerde geboorteakte en huwelijksakte van de ouders, en beëdigde Nederlandse vertalingen daarvan, te overleggen. In dit verzoek wordt hem meegedeeld dat er aan de moeder of aan hem een bestuurlijke boete opgelegd kan worden als hij niet op tijd voldoet aan het verzoek.

 

De man overlegt de akten niet binnen de gestelde termijn. De gemeente stuurt hem een tweede schriftelijk verzoek tot overlegging van de akten. Hij krijgt een tweede mogelijkheid om de akten te overleggen binnen een bepaalde termijn. In de brief staat de waarschuwing opgenomen dat aan hem een boete kan worden opgelegd, als hij niet aan deze verplichting voldoet. Hij overlegt de akten nog steeds niet binnen de gestelde termijn. De gemeente legt hem hiervoor nu een boete op.

 

Lid 3

Van belang is dat de burger op de hoogte is van het feit dat hem een bestuurlijke boete opgelegd kan worden, als hij niet alsnog voldoet aan de gevraagde verplichting overeenkomstig de Wet BRP. De burger zal hiervan op de hoogte worden gesteld door middel van ten minste één brief. Als een burger naar aanleiding van een brief, waarin voor de boete wordt gewaarschuwd, alsnog aan zijn verplichting voldoet, wordt er geen bestuurlijke boete opgelegd.

 

Dit is anders in de situatie dat betrokkene valsheid in geschrifte pleegt bij zijn aangifte, zoals bedoeld in artikel 7 van deze beleidsregels, of wanneer betrokkene een gelegenheidsgever betreft. In deze gevallen is er geen mogelijkheid voor de overtreder om alsnog aan zijn verplichting te voldoen, dan wel zijn overtreding ongedaan te maken. Zij overtreden immers door hetzij een vals document in te leveren, hetzij gelegenheid te geven, al de bepalingen van de Wet BRP. Daarom zal de boete worden opgelegd, zonder dat aan hen gevraagd wordt om de overtreding ongedaan te maken. Wel zal gevraagd worden naar het juiste adres van de ingeschrevene ten aanzien waarvan de overtreding is begaan.

 

Als de beslissing tot het opleggen van de bestuurlijke boete eenmaal is genomen, kan de burger niet meer voorkomen dat hij de bestuurlijke boete moet betalen door alsnog aan zijn wettelijke verplichting te voldoen. Evenwel ontslaat de oplegging van de boete de burger niet van het voldoen aan zijn verplichting overeenkomstig de Wet BRP.

 

Lid 4

De boete moet opgelegd worden binnen drie jaar nadat het college de overtreding heeft geconstateerd. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden (artikel 5:45 Awb). Hierbij is het van belang te bepalen op welke datum de overtreding van een verplichting op grond van de Wet BRP is begaan. Uitgangspunt is dat de overtreding wordt begaan op het moment dat het college constateert dat niet aan de wettelijke verplichtingen is voldaan. Na overtreding van bijvoorbeeld de aangifteplicht blijft de overtreding actueel. Elke dag dat de burger in gebreke blijft, overtreedt hij de wet. De termijn schuift daarmee op.

 

Lid 5 en 6 

Uit artikel 4.17, onder a, van de Wet BRP blijkt dat een bestuurlijke boete opgelegd kan worden aan degene die een overtreding heeft begaan ten aanzien van artikel 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51 en/of 2.52 en de gelegenheidsgever als bedoeld onder b van artikel 4.17 Wet BRP. In beginsel wordt de boete opgelegd aan de ingeschrevene of degene die verplicht is voor zichzelf aangifte te doen. In het geval dat de verplichtingen van de Wet BRP rusten op de wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen tot 16 jaar of onder curatele gestelden, wordt de bestuurlijke boete opgelegd aan die wettelijke vertegenwoordiger(s) of de curator. De minderjarige jonger dan 16 jaar oud bijvoorbeeld, is niet bevoegd om zelf aangifte van verhuizing te doen, terwijl aan hem ook niet de verplichting tot het overleggen van (bron)documenten kan worden opgelegd. Die verplichtingen rusten op de wettelijke vertegenwoordiger(s) of de curator, die op deze verantwoordelijkheid, middels oplegging van een bestuurlijke boete, kunnen worden aangesproken.

 

Lid 7

Ten aanzien van een aantal overtredingen geldt dat er niet één persoon, maar meerdere personen eenzelfde verplichting hebben op grond van de wet BRP. Dit geldt onder meer voor:

 

  • 1.

    het overleggen van een buitenlandse overlijdensakte;

  • 2.

    het overleggen van brondocumenten die betrekking hebben op minderjarigen en onder curatele gestelden;

  • 3.

    het doen van een aangifte van vestiging vanuit het buitenland, adreswijziging of vertrek naar het buitenland voor minderjarigen en onder curatele gestelden;

  • 4.

    het verschaffen van informatie ten aanzien van gegevens die geregistreerd staan in de BRP over minderjarigen en onder curatele gestelden.

 

Als er meerdere personen zijn die verplichtingen hebben, dan zijn deze personen hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat elke persoon afzonderlijk een boete opgelegd kan worden, ook al zijn anderen ook aansprakelijk. Als een van de personen de boete betaald heeft, dan vervalt automatisch de betalingsplicht van de andere personen.

 

Artikel 4 Hoogte van de boete

In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen lage en hoge bestuurlijke boetes. Voor lage bestuurlijke boetes gelden minder voorschriften en administratieve regels dan voor hogere boetes. De grens tussen lage en hoge bestuurlijke boetes ligt op € 340,-. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, heeft de wetgever voor het opleggen van een bestuurlijke boete ingevolge de Wet BRP gekozen voor een maximum boetebedrag van € 325,-. De werkgroep Bestuurlijke Boete van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken heeft geadviseerd om twee boetebedragen te hanteren, te weten een standaardboete van € 200,- en een maximale boete van € 325,-. Dit met de reden dat het beoogde effect wordt bereikt.

 

Een boete kan alleen worden opgelegd als betrokkene er van tevoren op gewezen is, dat bij niet voldoen aan de verplichting mogelijk een boete zal worden opgelegd. Communicatie over dit onderwerp is dus van groot belang, temeer daar van dit handhavingsinstrument ook een preventieve werking dient uit te gaan.

 

In het algemeen wordt de standaardboete van € 200,- opgelegd. In een aantal gevallen, zoals genoemd in lid 2 van dit artikel, wordt de maximale, hogere boete van € 325,- opgelegd. De reden voor het opleggen van een hogere boete is:

  • 1.

    de soort overtreding,

  • 2.

    de ernst van de overtreding,

  • 3.

    de soort overtreder,

  • 4.

    het belang van de BRP bij het nakomen van de verplichting, en

  • 5.

    het eerder begaan hebben van de overtreding.

     

De hogere boete wordt opgelegd, indien:

 

  • a.

    het aannemelijk is, dat de verplichting op het gebied van migratie, als bedoeld in de artikelen 2.38, 2.39, 2.43, 2.45 en 2.47 van de wet, bewust niet is nagekomen;

Bij het niet voldoen aan de aangifteverplichting is er een onderscheid te maken tussen personen die een keer vergeten, dan wel nalatig zijn geweest om aangifte te doen en personen die bewust geen aangifte doen van verhuizing naar een ander adres. Deze laatste groep personen is niet vergeten aangifte te doen, maar blijft om hen moverende redenen stellen op het oude adres te wonen, terwijl inmiddels aannemelijk is dat ze niet meer op dat adres verblijven. Deze personen reageren tijdens het onderzoek met het bericht dat ze nog steeds wonen op het adres. In dit geval is de overtreding dermate ernstig, dat aan hen een hogere boete opgelegd wordt.

 

  • b.

    bewust geen brondocumenten in de zin van artikel 2.8 in samenhang met de artikelen 2.44 en 2.46 van de wet worden overgelegd, terwijl vast is komen staan dat verkrijging van documenten uit het betreffende land heel goed mogelijk is;

     

Het is van groot belang dat feiten betreffende de burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, in de BRP worden geregistreerd. In bijvoorbeeld de situatie dat een ingeschrevene in het buitenland is gehuwd, dient hij van dit rechtsfeit geschriften te overleggen. Dit ter bijhouding van de BRP. Is verkrijging van documenten uit het betreffende land heel goed mogelijk, maar laat de ingeschrevene dit bewust na, dan is er sprake van een dermate ernstige overtreding, dat een hogere boete wordt opgelegd.

 

  • c.

    de overtreder eerder een overtreding heeft begaan waarvoor de boete is opgelegd, dan wel opgelegd kan worden;

     

Voorkomen moet worden dat een ingeschrevene vaker niet voldoet aan zijn verplichting waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd. Daarom wordt een hogere bestuurlijke boete opgelegd in zogenaamde recidive gevallen.

 

  • d.

    de overtreder aan te merken is als gelegenheidsgever in de zin van artikel 4.17, onder b, van de wet;

     

De gelegenheidsgever geeft toestemming aan een ingeschrevene om zich als wonend op zijn adres in te schrijven in de BRP, terwijl hij weet dat dit onjuist is. Hierdoor laat hij bewust een onjuiste registratie van betrokkene toe in de BRP. Dit heeft ernstige gevolgen voor de kwaliteit van de BRP en is derhalve aan te merken als ernstig verwijtbaar gedrag.

 

  • e.

    de overtreder valsheid in geschrifte heeft gepleegd;

     

Degene die valsheid in geschrifte heeft gepleegd, bijvoorbeeld bij het aangeven van zijn verhuizing, heeft bewust meegewerkt aan een kwalitatief onjuiste registratie van zijn adresgegeven in de BRP. Dit is aan te merken als ernstig verwijtbaar gedrag en daarom wordt de hoge boete opgelegd.

 

   

Onderstaand een overzicht van de beboetbare overtredingen en de hoogte van de bestuurlijke boete.

Overtreding

Wetsartikelen Wet BRP

Boete

Niet voldoen aan aangifteverplichting (bewust niet voldoen niet aannemelijk gemaakt)

2.38, 2.39, 2.43

€ 200,-

Niet geven van informatie, overleggen van geschriften/brondocumenten, in persoon verschijnen

2.44, 2.45 lid 1, 2.46, 2.47 en 2.51

€ 200,-

Niet voldoen aan informatie of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente

artikelen 2.40 lid 5, 2.45 leden 2 tot en met 5 en 2.50

€ 200,-

Niet voldoen aan identiteitsplicht

2.52

€ 200,-

Bewust niet voldoen aan aangifteverplichting en overleggen geschriften

2.38, 2.39, 2.43, 2.45 en 2.47

€ 325,-

Het bewust niet overleggen van akten en andere brondocumenten, terwijl verkrijging van documenten heel goed mogelijk is

2.44 en 2.46 (in samenhang met 2.8)

€ 325,-

Overtreder heeft eerder een overtreding begaan, waarvoor de boete opgelegd is of kan worden (recidive)

Alle artikelen

€ 325,-

Gelegenheidsgever

4.17 onder b

€ 325,-

Valsheid in geschrifte

2.38, 2.39, 2.43, 2.44, 2.45, 2.46, 2.47, 2.51 en 2.52

€ 325,-

 

Artikel 5 Verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden

Lid 1

Een voorwaarde voor het opleggen van een bestuurlijke boete is dat de overtreding van de burger alleen gesanctioneerd kan worden als er sprake is van verwijtbaar gedrag.   De mate van verwijtbaarheid wordt volgens vaste jurisprudentie bepaald op grond van objectieve verwijtbaarheid en subjectieve verwijtbaarheid.

 

Bij objectieve verwijtbaarheid gaat het om het handelen of nalaten van betrokkene: heeft betrokkene feitelijk een wettelijke regel overtreden? Bepalend daarbij is of er op hem een verplichting rustte op grond van de Wet BRP. Als uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat op hem geen verplichting rustte, is er geen reden tot opleggen van de boete. Of er sprake is van objectief verwijtbaar gedrag moet blijken uit het dossier op grond waarvan uiteindelijk een boete wordt opgelegd. Als kan worden vastgesteld dat betrokkene niet voldaan heeft aan zijn verplichting, wordt de verwijtbaarheid van de gedraging in beginsel aangenomen.

 

Bij subjectieve verwijtbaarheid gaat het om de persoon zelf: wist of kon hij redelijkerwijs weten, dat hij een verplichting had moeten nakomen? De mate waarin de gedragingen verwijtbaar zijn, wordt beoordeeld naar de situatie op het moment waarop de verplichtingen nagekomen hadden moeten worden. Aan de hand van de gestelde subjectieve omstandigheden, waardoor iemand niet aan zijn verplichting heeft kunnen voldoen, wordt geoordeeld of er een boete opgelegd wordt en welk bedrag aan boete wordt opgelegd. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden waarin de burger zich ten tijde van de verplichting bevond wordt bepaald of er sprake is van een overmachtsituatie, waardoor het de burger op subjectieve gronden niet verweten kan worden dat hij niet aan zijn verplichting voldoet. Een voorbeeld daarvan kan zijn een spoedopname in een ziekenhuis, waardoor iemand niet tijdig aan zijn verplichting kan voldoen. Hierbij is het wel van belang dat de overtreder zo snel mogelijk nadat hij ontslagen is uit het ziekenhuis alsnog aan zijn verplichting voldoet. Blijft hij nalatig in het voldoen aan deze verplichting, dan is hij immers nog steeds in overtreding, terwijl de subjectieve omstandigheden waardoor het nalaten niet verwijtbaar zijn niet meer aanwezig zijn.

 

Lid 2

In beginsel wordt de boete opgelegd zoals bepaald in artikel 4 van deze beleidsregels. Bij de toepassing van het opleggen van de boete moet rekening worden gehouden met het bepaalde in artikel 5:46 van de Awb. Dit artikel gaat over de evenredigheid van de boete die het bestuursorgaan in acht moet nemen bij niet wettelijk vastgelegde boetes.

 

Het college moet bij het opleggen van de boete ingevolge artikel 5:46, tweede lid van de Awb, het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

 

Indien vaststaat dat de overtreding is begaan, mag ervan worden uitgegaan dat de boete zoals bepaald in artikel 4 van deze beleidsregels evenredig is. In dat geval staat verwijtbaarheid van de gedraging of het nalaten vast en kan de boete gezien de hoogte van het bedrag niet tot gevolg hebben dat de burger daardoor onevenredig getroffen wordt.

 

Ernst van de overtreding

In artikel 4 van deze beleidsregels is aangegeven welke overtredingen het college ziet als ernstige overtredingen en welke overtredingen als minder ernstig worden gezien. Bij de oplegging van de boetes zal hier ook van uitgegaan worden.

 

Verwijtbaarheid

In het geval dat er bijzondere omstandigheden zijn waaronder de overtreding is begaan, die tot gevolg hebben dat het de overtreder in dit geval niet of minder verweten kan worden dat hij de overtreding heeft begaan, kan in afwijking van artikel 4, van de boete worden afgezien, dan wel de boete worden gematigd.  Hierbij kan gedacht worden aan de eerder genoemde omstandigheid dat iemand ten tijde van een verhuizing met spoed opgenomen is in een ziekenhuis en daardoor op dat moment niet heeft kunnen voldoen aan zijn verplichting aangifte van adresverandering te doen.

 

Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of overtreding te voorkomen.

 

  

Draagkracht

Bij de afweging of daadwerkelijk een bestuurlijke boete wordt opgelegd, worden aspecten als verminderde draagkracht (bijvoorbeeld personen met een bijstandsuitkering) en maatschappelijke impact (bijvoorbeeld alleenstaande ouder) meegenomen.

 

Als het opleggen van de boete onevenredige gevolgen heeft voor de overtreder, dan kan hem gevraagd worden dit door middel van stukken aan te tonen. Aan de hand hiervan kan dan beoordeeld worden in hoeverre er sprake is van onevenredig getroffen zijn door het opleggen van de boete. Hierbij kan in aanmerking worden genomen of dit nog steeds het geval is, als de betaling van de boete kan geschieden door middel van een betalingsregeling.

 

Lid 3

In het derde lid zijn omstandigheden aangegeven waarin er in ieder geval geen sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid. Dit is een niet-limitatieve opsomming van omstandigheden. Dat betekent dat er ook andere omstandigheden kunnen worden aangevoerd, die niet leiden tot het ontbreken van verwijtbaarheid.

 

De genoemde omstandigheden leiden niet tot het ontbreken van verwijtbaarheid om de volgende redenen:

  • de onder a genoemde omstandigheid geeft aan dat de overtreder die eerder een overtreding die genoemd is in artikel 4.17 Wet BRP heeft begaan, verwijtbaar handelt als hij het nogmaals doet. Deze bepaling is opgenomen omdat de overtreder in dat geval wist of kon weten dat het college de bevoegdheid heeft om een boete op te leggen voor de overtreding. In geval van overtreding wordt de overtreder namelijk gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat een boete kan worden opgelegd;

  • de onder b genoemde omstandigheid heeft geen ontbreken van de verwijtbaarheid tot gevolg omdat van elke burger in de gemeente verwacht mag worden dat hij ervoor zorgt dat hij correspondentie van de gemeente begrijpt, dan wel daarbij de hulp inroept van een ander, die zorgt dat betrokkene de inhoud van de correspondentie begrijpt. Dit geldt ook voor de situatie dat betrokkene de Nederlandse taal onvoldoende machtig is;

  • de onder c genoemde omstandigheid leidt niet tot het ontbreken van de verwijtbaarheid, omdat de burger geacht wordt de wet te kennen. Daarnaast wordt de burger ook geïnformeerd over de op te leggen boete door middel van correspondentie voorafgaande aan het opleggen van de boete of mondelinge waarschuwingen in geval van boete oplegging op grond van een boeterapport. Het feit dat de overtreder deze correspondentie niet heeft gelezen of gezien, omdat hij inmiddels niet meer woont op het adres waar hij volgens de BRP stond ingeschreven, zorgt niet voor het ontbreken van verwijtbaarheid. Zolang de burger namelijk niet zijn verhuizing doorgeeft overeenkomstig zijn verplichting, kan en mag de gemeente ervan uitgaan dat de burger bereikbaar is op het adres waar hij in de BRP staat ingeschreven;

  • de onder d genoemde omstandigheid dat de burger stelt eerder aan zijn verplichting voldaan te hebben ontslaat hem niet van het ontbreken van verwijtbaarheid, als hij niet aantoont dat hij eerder aan zijn verplichting heeft voldaan. De burger zal moeten aantonen dat hij eerder aan zijn verplichting heeft voldaan, maar dat dit niet geleid heeft tot een aanpassing in de BRP. De burger zal met schriftelijke bewijzen moeten komen dat hij vóór de datum van de constatering van de overtreding voldaan heeft aan zijn verplichting. Hierbij zal hij moeten aantonen dat de aangifte of informatie inzake adres of het overleggen van de verzochte documenten is ontvangen bij de gemeente of dat hij ervan uit mocht gaan dat dit het geval was. Mondelinge (getuige) verklaringen dat de burger aan zijn verplichting heeft voldaan zijn onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat de gemeente kennis had kunnen nemen van het voldoen aan de verplichting. Het is onvoldoende dat de burger aangeeft de intentie gehad te hebben om aan zijn verplichting te voldoen. De burger zal aannemelijk moeten maken dat de documenten vóór de datum van overtreding zijn verstuurd naar het correspondentieadres van de gemeente Weert. Het is onvoldoende dat de burger correspondentie, al dan niet per e-mail, toont dat gericht is aan een adres dat of geen adres van de gemeente Weert is, of wel een adres van de gemeente Weert is, maar dat niet leidt of kan leiden tot een verplichting tot doorzending van het bericht naar het daarvoor bevoegde onderdeel van de gemeente;

  • de onder e genoemde omstandigheid dat de burger langere tijd elders op een adres verblijft, zorgt niet voor het ontbreken van verwijtbaarheid. De burger wordt geacht bereikbaar te zijn op het adres waar hij ingeschreven staat in de BRP. Indien hij tijdelijk, ongeacht de reden, niet in staat is om zijn post te lezen, dan moet hij zorgen dat een ander dit namens hem doet;

  • voor de onder f bedoelde omstandigheid geldt hetzelfde: de burger wordt geacht bereikbaar te zijn op zijn adres. Dat betekent ook dat hij moet zorgen dat hij zijn post kan ontvangen. Derhalve moet de brievenbus bereikbaar en aanwezig zijn. Ten aanzien van slechte postbezorging geldt dat de burger meerdere malen op de hoogte wordt gesteld van de mogelijkheid van het opleggen van de boete. Het is niet aannemelijk dat de burger beide brieven waarin de waarschuwing vermeld staat niet ontvangt. Bovendien vloeien de verplichtingen en de oplegging van bestuurlijke boete voort uit de Wet BRP. Op die gronden wordt de burger geacht te weten dat hij aan zijn verplichting moet voldoen en dat bij het nalaten daarvan een bestuurlijke boete opgelegd kan worden;

  • uit de ondertekening van inwoning blijkt in geval van de onder g genoemde omstandigheid dat de burger verwijtbaar handelt door te verklaren dat een ander persoon woont op het adres en weet dat hij niet op dat adres woonachtig is;

  • de onder h genoemde omstandigheid dat de gelegenheidsgever stelt dat de ingeschrevene er niet meer woont, ontslaat hem niet van verwijtbaarheid, als hij niet aantoont dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in de artikelen 2.39 en 2.43 van de Wet BRP aangifte heeft gedaan. De gelegenheidsgever zal moeten aantonen dat betrokkene tot de verhuisdatum daadwerkelijk gewoond heeft op het adres en dat betrokkene binnen de wettelijke termijn voor de constatering van de overtreding is verhuisd naar een ander adres of is vertrokken naar het buitenland, waarvan betrokkene geen aangifte heeft gedaan. Het gaat in dit geval om het toestemming geven voor een woonadres. De feitelijke bewoning van betrokkene zal dan ook bewezen moeten worden. Derhalve is het onvoldoende dat de gelegenheidsgever met post aangeeft dat de ander tot de datum van verhuizing gewoond heeft op het adres. Dit bewijst namelijk alleen dat de burger gebruik maakte van het adres als postadres.

     

Artikel 6 Niet twee keer voor hetzelfde (Ne bis in idem)

 

Op grond van artikel 5:43 van de Awb kan één overtreding slechts éénmaal worden beboet. Dit wordt het ne bis in idem beginsel genoemd.

 

Ter voorkoming van onduidelijkheid wat wel en wat niet onder eenzelfde feit verstaan wordt, is in lid 2 van dit artikel opgenomen wat niet verstaan wordt onder hetzelfde feit. Deze opsomming is niet limitatief. Dat betekent dat er ook andere omstandigheden dan in lid 2 genoemd zijn waarbij er geen sprake is van eenzelfde feit.

 

Er is geen sprake van hetzelfde feit, indien de overtreder:

  • a.

    eerder niet voldaan heeft aan zijn aangifte of informatieverplichting ten aanzien van een inschrijving op een adres, een adreswijziging of een vertrek naar het buitenland.

     

Hiermee wordt gedoeld op de situatie dat de overtreder eerder geen verhuizing, vertrek of inschrijving in de BRP heeft aangegeven en dat nu nog een keer niet doet. Het kan hierbij gaan om de aangifte van verhuizing naar een ander adres of vertrek naar een ander land, maar ook om de aangifte van verhuizing naar hetzelfde adres of vertrek naar hetzelfde land. Het gaat in dit geval niet om hetzelfde feit omdat op een ander moment eenzelfde overtreding wordt begaan.

 

  • b.

    niet voldaan heeft aan zijn verplichting andere brondocumenten in de zin van artikel 2.8 van de wet te overleggen, waarvoor hem een boete is opgelegd.

     

De verplichting om brondocumenten te overleggen voor bijhouding van de BRP kan allerlei brondocumenten betreffen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een geboorteakte, huwelijksakte, echtscheidingsvonnis, paspoort, rijbewijs of verklaring van ongehuwd zijn. Het is goed mogelijk dat aan de overtreder eerder gevraagd is een brondocument te overleggen en dat hem voor het niet nakomen van deze verplichting een boete is opgelegd. Als op een later tijdstip aan de overtreder verzocht wordt een ander brondocument te overleggen, dan kan hem een andere boete opgelegd worden voor het niet voldoen aan de verplichting om het andere brondocument te overleggen. Er is in dit geval geen sprake van hetzelfde feit, omdat het een ander brondocument betreft.

 

Ditzelfde geldt ook voor de situatie dat aan betrokkene gevraagd wordt meerdere brondocumenten te overleggen. Als de overtreder geen van deze brondocumenten overlegt, dan kan hem voor het niet overleggen van elk brondocument een afzonderlijke bestuurlijke boete worden opgelegd.

 

  • c.

    eerder een boete is opgelegd voor het niet voldoen aan zijn identificatieplicht ten aanzien van een andere situatie.

     

De burger is op verschillende momenten verplicht zich te identificeren bij de gemeente op grond van de wet BRP. Als een burger eerder verzocht is zich te identificeren en ten gevolge van een weigering van hem om dit te doen hem een boete is opgelegd, dan kan hem op een later tijdstip bij een andere weigering nogmaals een boete opgelegd worden. Het gaat dan niet om hetzelfde feit, aangezien het tijdstip en mogelijke locatie en reden verschillend zijn.

 

  • d.

    eerder een boete opgelegd heeft gekregen vanwege het optreden als gelegenheidsgever in de zin van artikel 4.17, onder b, van de wet ten aanzien van een andere ingeschrevene dan wel ten aanzien van dezelfde ingeschrevene op een ander moment.

     

Ook een gelegenheidsgever kan vaker een boete opgelegd krijgen wanneer het een andere ingeschrevene betreft of dezelfde ingeschrevene op een ander moment. In dit geval is er geen sprake van hetzelfde feit van tijdstip en/of de persoon die het betreft is een ander. Het is derhalve mogelijk dat een gelegenheidsgever, die meerdere personen tegelijkertijd gelegenheid geeft om zich als wonend op zijn adres te registreren, terwijl hij weet dat ze er niet woonachtig zijn, beboet wordt voor de overtredingen ten aanzien van alle personen afzonderlijk. Ook is het mogelijk dat een gelegenheidsgever eerst voor de ene overtreding beboet wordt en dan voor de andere overtreding;

 

  • e.

    eerder een boete is opgelegd vanwege de overtreding van de verplichting tot het verstrekken van informatie door een ander dan de ingezetene of ingeschrevene aan de gemeente ten behoeve van de bijhouding in de Basisregistratie Personen, als het een andere persoon betreft dan wel als het een andere overtreding ten aanzien van dezelfde persoon betreft.

     

Het is mogelijk dat er eerder aan een ander dan de ingeschrevene verzocht is om informatie te geven over de ingeschrevene of over een ander dan de ingeschrevene ten behoeve van bijhouding in de BRP. Deze verzoeken worden gedaan aan onder meer de briefadresgever, het hoofd van een instelling waar iemand verblijft, wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen en curatoren. Als dit verzoek op een ander tijdstip gedaan is en/of het een andere ingeschrevene betreft, dan is er geen sprake van hetzelfde feit.

 

Artikel 7 Valsheid in geschrifte

Er is sprake van valsheid in geschrifte wanneer iemand een geschrift, dat bestemd is om als bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken. Uit deze wettelijke definitie blijkt dat het om een schriftelijk document moet gaan dat een bewijsbestemming heeft en dat valselijk is opgemaakt of vervalst met de intentie het als echt en onvervalst te gaan gebruiken. Ook het opzettelijk gebruiken van een door iemand anders valselijk opgemaakt of vervalst geschrift is valsheid in geschrifte.

 

Bij een valse aangifte kan een bestuurlijke boete worden opgelegd vanwege overtreding van de aangifteplicht. Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 5:44 van de Awb. Als er naast het overtreden van de aangifteplicht tevens sprake is van valsheid in geschrifte, dient de zaak eerst aan het Openbaar Ministerie (OM) te worden voorgelegd. Besluit het OM niet strafrechtelijk te vervolgen, dan kan alsnog een bestuurlijke boete worden opgelegd. Er dient in een dergelijk geval dus aangifte van valsheid in geschrifte bij de politie te worden gedaan. Daarna moet er met het OM worden overlegd: of strafvervolging of een gemeentelijke bestuurlijke boete. Op grond van artikel 5:44 Awb mag voor hetzelfde feit niet beide sancties worden opgelegd.

 

Artikel 8 Onvoorziene omstandigheden en afwijkingsbevoegdheid

Conform artikel 4:84 Awb wordt gehandeld overeenkomstig deze beleidsregels. In een geval waarin deze beleidsregels niet voorzien, kan het college besluiten om geen boete op te leggen of het boetebedrag te matigen. Dit is onder meer het geval als: 1. er sprake is van bijzondere in de beleidsregels onvoorziene omstandigheden die met zich brengen dat de gevolgen van handelen overeenkomstig de beleidsregels onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen; 2. het niet nakomen van een verplichting niet aan degene die in overtreding is kan worden verweten, omdat hij op het moment dat hij aan de verplichting moest voldoen verkeerde in onvoorziene of ongewenste omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het de belanghebbende feitelijk onmogelijk maakte om aan zijn verplichtingen te voldoen.

 

De grondslag om af te wijken vloeit voort uit de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 3:4 lid 2 in samenhang met artikel 4:84 van de Awb. Het gaat hierbij om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter als bijzondere omstandigheden.

 

Artikel 9 Citeertitel

Artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 10 Inwerkingtreding

Artikel spreekt voor zich.

Naar boven