Gemeenteblad van Oosterhout

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
OosterhoutGemeenteblad 2019, 184081Verordeningen



Besluit van de raad van de gemeente Oosterhout van 2 juli 2019 tot vaststelling van de Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019

De raad van de gemeente Oosterhout:

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 mei 2019;

 

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 van de Jeugdwet;

 

Overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;

  • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening,

  • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen,

  • de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld,

  • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet,

  • en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan

  • overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019

Artikel 1. Begripsbepalingen

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    ambulante begeleiding; hulp, ondersteuning en begeleiding dichtbij huis- en leefomgeving van het gezin;

  • -

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • -

    formele ondersteuning: Ondersteuning door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder, of zzp-er niet zijnde een familielid in de eerste of tweede graad en die of is opgenomen in het BIG-register of staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als zorgverlener; die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in het Besluit Jeugdwet;

  • -

    gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 5 van de verordening;

  • -

    goedkoopst adequaat: Dit uitgangspunt brengt met zich dat indien meer dan één voorziening als ondersteuning voor de vastgestelde beperkingen kan worden aangemerkt, de goedkoopste voorziening wordt verstrekt;

  • -

    hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

  • -

    individuele voorziening: de gemeente biedt individuele (niet vrij-toegankelijke) jeugdhulpvoorzieningen, namelijk op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorzieningen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarvoor een beschikking van het college nodig is;

  • -

    Informele ondersteuning: Ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk (familie of anderen waarmee een sociale relatie bestaat).

  • -

    ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Oosterhout;

  • -

    jeugdhulp: in de Jeugdwet (art 1.1) wordt onder jeugdhulp het volgende verstaan:

    • ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen;

    • het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

    • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

  • -

    Jeugdige: In de Jeugdwet (artikel 1.1) wordt onder jeugdige het volgende verstaan: een persoon die:

    • de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt,

    • de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

    • de meerderjarigheidsleeftijd doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaren heeft bereikt, en voor wie voortzetting van jeugdzorg, die was aangevangen of waarvan de aanvraag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, was ingediend vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdzorg die was aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, binnen een termijn van een half jaar hervatting van jeugdzorg noodzakelijk is.

  • -

    melding: kenbaar maken van de hulpvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de verordening, niet zijnde een vraag om informatie en advies:

  • -

    ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;

  • -

    overige voorziening: de gemeente biedt overige (vrij toegankelijke) jeugdhulpvoorzieningen, namelijk voorzieningen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, waar voor geen beschikking van het college nodig is;

  • -

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • -

    Sociaal wijkteam: op wijkniveau georganiseerd generalistisch team dat de hulpvraag van jeugdigen of hun ouders kan afhandelen;

  • -

    wet: Jeugdwet.

Artikel 2. Vormen van Jeugdhulp

  • 1.

    Ingezetenen die een beroep wensen te doen op een vrij-toegankelijke voorziening kunnen zich rechtstreeks wenden tot aanbieders van deze vrij toegankelijke voorzieningen.

    De volgende vormen van vrij-toegankelijke, voorliggende voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • Informatie en advies;

    • Opvoedondersteuning;

    • Praktijk Ondersteuning Huisartsen Jeugd;

    • Activiteiten zoals trainingen, cursussen en themabijeenkomsten;

    • Jeugdmaatschappelijk werk;

    • Jongerenwerk;

    • Cliëntondersteuning voor jeugdigen met een beperking;

    • Onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 2.

    De volgende overige voorziening is beschikbaar: Ambulante generalistische begeleiding voor ouders en jeugdigen, uitgevoerd door het sociale wijkteam Oosterhout, gericht op:

    • vraagverheldering en toeleiding naar zorg;

    • ondersteunen er regisseren van zorg op het gebied van opvoeden en opgroeien volgens het principe één gezin/huishouden, één plan, één regisseur;

    • toegang tot specialistische zorg.

  • 3.

    De volgende vormen van niet vrij-toegankelijke individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • Begeleiding bij het dagelijkse leven en persoonlijke verzorging

    • Respijtzorg;

    • Ambulante behandeling van ontwikkelingsproblematiek en/of (licht) verstandelijke beperking;

    • Ambulante behandeling van psychische/psychiatrische problematiek;

    • Ambulante behandeling Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED);

    • Opgroeien in een gezinsachtige situatie (waaronder pleegzorg en opvang in gezinshuizen);

    • Vervoer;

    • Verblijfszorg;

    • Jeugdzorg Plus.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente/Sociaal Wijkteam Oosterhout en melding hulpvraag

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college/Sociaal Wijkteam.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

  • 3.

    Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.

  • 4.

    Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

Artikel 4. Aanvraag

Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.

Artikel 5. Procedureregels omtrent aanvraag individuele of overige jeugdhulpvoorziening

Het college bepaalt bij nadere regeling op welke procedurele wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een individuele of overige jeugdhulpvoorziening in aanmerking komt.

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Het college spreekt met de huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten het uitgangspunt af dat de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g van de wet en artikel 6 lid 1 van deze verordening, vanuit het medisch domein alleen plaatsvindt naar jeugdhulp in de vorm van Jeugd-GGZ (generalistische basis-GGZ of specialistische GGZ). De verwijzing geschiedt met behulp van de daartoe gestandaardiseerde verwijsbrief Huisartsen/medisch specialisten.

  • 3.

    Het college spreekt met de huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten het uitgangspunt af dat indien er geen sprake is van verwijzing naar jeugdhulp op medische gronden, de huisartsen, jeugdartsen / medisch specialisten ouders en jeugdigen in contact brengen met de gemeentelijke toegang tot de jeugdhulp (sociaal wijkteam Oosterhout)

  • 4.

    Het college maakt afspraken met de jeugdhulpaanbieders ten aanzien van het bepalen van de duur en omvang van de jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts wordt ingezet.

  • 5.

    De jeugdhulpaanbieder stelt het college desgevraagd in kennis over de inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp van de doorverwezen jeugdige, rekening houdend met hetgeen hierover in de artikel 6a1, lid 1 van de Regeling Jeugdwet is opgenomen.

  • 6.

    Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

Artikel 7. Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Gebruikelijke hulp aan jeugdigen is de ondersteuning, persoonlijke verzorging en/of opvoeding die in redelijkheid mag worden verwacht van de (pleeg)ouders.

  • 2.

    De gemeente onderzoekt de hulpbehoefte van een jeugdige mede op basis van het “Afwegingskader gebruikelijke hulp” (zie bijlage 1).

  • 3.

    De jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening zoals bedoeld onder artikel 2.2 wordt toegekend voor zover deze de gebruikelijke hulp overstijgt.

Artikel 8. Regels voor persoonsgebonden budget (pgb)

  • 1.

    Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen kan het college een pgb verstrekken, in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.

  • 2.

    Het tarief voor een persoonsgebonden budget:

    • a.

      is toereikend om veilige, doeltreffende, effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en

    • b.

      bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 4.

    Een persoonsgebonden budget voor jeugdhulp dient binnen drie maanden na toekenning te worden ingezet om de beschikte ondersteuning te bekostigen.

  • 5.

    Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt voor informele ondersteuning mag dit budget niet aanwenden om tussenpersonen of belangenbehartigers te betalen.

  • 6.

    Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.

  • 7.

    Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 8.

    Als het college een beslissing op grond van het zevende lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 9.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 10.

    Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb budgetten.

Artikel 9. Voorwaarden tot verstrekking pgb

  • 1.

    Om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb dienen jeugdigen of ouders dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan aan te vragen.

  • 2.

    Het plan bevat minimaal de volgende onderdelen:

    • a.

      Een probleemanalyse waarin wordt aangetoond dat de jeugdigen en/of ouders zich voldoende hebben georiënteerd op een voorziening in natura;

    • b.

      De beoogde resultaten van de hulpverlening en ondersteuning;

    • c.

      Waar en hoe de budgethouder de hulp en ondersteuning zal inkopen;

    • d.

      Hoe de kwaliteit van de hulp en ondersteuning gewaarborgd is;

    • e.

      De verwachte / gewenste omvang en duur van de ondersteuning;

    • f.

      Een begroting

  • 3.

    Om na te gaan of de budgethouder op verantwoorde wijze om kan gaan met een pgb worden de volgende beoordelingscriteria gehanteerd:

    • a.

      Is de budgethouder in staat de eigen situatie en de situatie van de jeugdige te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en aan te sturen?

    • b.

      Is de budgethouder goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een pgb en kan hij/zij hiermee omgaan?

    • c.

      Is de budgethouder in staat de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals een aanbieder uitzoeken, sollicitatiegesprekken voeren, contracten afsluiten, facturen afhandelen, bewaken van de kwaliteit en de voortgang van de hulp?

  • 4.

    Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden:

    • a.

      problematische schuldenproblematiek;

    • b.

      ernstige verslavingsproblematiek;

    • c.

      aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

    • d.

      een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

    • e.

      een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

    • f.

      een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

    • g.

      het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

    • h.

      twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid.

  • 5.

    Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een vertegenwoordiger alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien:

    • a.

      hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden;

    • b.

      er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.

Artikel 10. Weigeringsgronden voor een pgb

Een aanvraag pgb wordt geweigerd indien:

  • a.

    Blijkt dat de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • b.

    De cliënt niet voldoet aan de aan het toekennen van een pgb verbonden voorwaarden;

  • c.

    De cliënt het pgb niet gebruikt of voor een ander doel gebruikt;

  • d.

    er overwegende bezwaren zijn tegen de budgethouder, naar aanleiding van de beoordelingscriteria genoemd in artikel 9 van deze verordening.

Artikel 11. Pgb sociaal netwerk/informele ondersteuning

  • 1.

    Een pgb voor jeugdhulp uit het sociaal netwerk kan in principe alleen betrekking hebben op begeleiding en/of persoonlijke verzorging en logeerzorg.

  • 2.

    De aanvrager moet een gemotiveerd plan maken waarin de wens wordt uitgesproken om informele ondersteuning in te willen zetten.

  • 3.

    De financiële vergoeding van informele ondersteuning blijft in elk geval beperkt tot die gevallen waarin deze hulp de gebruikelijke hulp als bedoeld in artikel 7 van deze verordening overstijgt.

  • 4.

    Bij de beoordeling van informele ondersteuning moet in aanvulling op lid 2 voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De geboden hulp is passend, adequaat en veilig;

    • b.

      De geboden hulp leidt niet tot overbelasting van de persoon/personen die de hulp biedt/bieden.

  • 5.

    In aanvulling op het vierde lid, wordt inzet van informele ondersteuning met een pgb in ieder geval passend geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn:

    • a.

      de hulp is vooraf niet goed in te plannen;

    • b.

      de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

    • c.

      de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

    • d.

      de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

    • e.

      de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

    • f.

      de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie de jeugdige vertrouwd is en goed contact heeft.

  • 6.

    De ouders dragen de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de kwaliteit van de jeugdhulp die zij betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren.

Artikel 12. Beschikking pgb

Een beschikking voor een pgb wordt voor de duur van maximaal 1 jaar afgegeven.

Artikel 13. De zorgovereenkomst

  • 1.

    De budgethouder en/of diens vertegenwoordiger komt met de zorgverlener een zorgovereenkomst overeen.

  • 2.

    De toetsing van de zorgovereenkomst op arbeidsrechtelijke zaken wordt uitgevoerd door de SVB. De gemeente is verantwoordelijk voor de goedkeuring van de zorgovereenkomst. Daarbij worden zowel de inhoud als de financiën beoordeeld.

Artikel 14. Voorwaarden voor besteding pgb

  • 1.

    De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij de besteding van een pgb:

    • a.

      Er is geen verantwoordingsvrij bedrag.

    • b.

      Voor budgethouders met meerdere pgb budgetten is schuiven tussen de verschillende budgetten niet toegestaan, tenzij hierover schriftelijke afspraken zijn gemaakt met de gemeente.

  • 2.

    Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven wel doen:

    • a.

      Vervoerskosten voor zover hiervoor een beschikking is afgegeven die samenhangt met een individuele voorziening voor begeleiding en/of behandeling in het kader van de jeugdhulp. Een beschikking voor vervoer wordt alleen afgegeven indien dit vervoer naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheidhttps://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-228575.html.

    • b.

      Het pgb mag worden besteed bij een jeugdhulpaanbieder zowel binnen als buiten de regio West Brabant Oost. De aanbieder moet te allen tijde voldoen aan de in de wet gestelde kwaliteitseisen.

  • 3.

    Budgethouders mogen vanuit het budget in ieder geval de volgende uitgaven niet doen:

    • a.

      kosten voor bemiddeling;

    • b.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb;

    • d.

      extra beloningen, zoals eindejaarsuitkering en gratificaties;

    • e.

      contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal;

    • f.

      alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet valt;

    • g.

      alle zorg en ondersteuning (door aanbieders) buiten EU-landen. Controle op kwaliteit en financiën is dan nauwelijks mogelijk.

Artikel 15. Beëindiging pgb

In aanvulling op artikel 11 van de verordening wordt het pgb tussentijds beëindigd wanneer:

  • a.

    de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken;

  • b.

    de budgethouder aan geeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet;

  • c.

    de budgethouder geen verantwoording af legt;

  • d.

    uit de gegevens van de SVB blijkt dat binnen 3 maanden na accordering door de gemeente geen besteding van het pgb heeft plaatsgevonden. In overleg met de pgb aanvrager vindt beëindiging, of voortzetting naar hulp in natura plaats;

  • e.

    bij verhuizing naar een andere gemeente de verantwoordelijkheid bij een andere gemeente komt te liggen;

  • f.

    bij overlijden de jeugdhulp niet meer wordt verleend;

  • g.

    de budgethouder zijn pgb laat omzetten in ZIN.

Artikel 16. Hoogte van het pgb en tarieven

De hoogte van het pgb is afgeleid van de tarieven waarvoor de gemeente deze diensten heeft gecontracteerd bij verstrekking van ZIN. Daarbij geldt dat een pgb maximaal de kosten van ZIN mag bedragen). De pgb tarieven voor jeugdhulp worden als volgt bepaald:

  • a.

    Bij formele ondersteuning is het tarief gebaseerd op de tariefstelling van deze aanbieder, tot een maximum van het gecontracteerde tarief van ZIN (100%).

  • b.

    Bij informele ondersteuning is het tarief € 20,- per uur. Bij logeerzorg door een niet professionele aanbieder is het tarief € 30,- per etmaal.

  • c.

    Bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

Artikel 17. Evaluatie pgb

  • 1.

    Het college kan aan de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger verzoeken om in een (tussen)evaluatie van het pgb aan te geven wat de behaalde resultaten zijn van de met het pgb ingekochte jeugdhulp en of deze voldoen aan de in het ondersteuningsplan gestelde doelen.

  • 2.

    Bij onderbesteding kan het college een onderzoek instellen naar de oorzaak van de onderbesteding.

  • 3.

    Het college kan op basis van de evaluatie besluiten tot aanpassing van de beschikking die is afgegeven op grond van deze verordening.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

Artikel 19. Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon

  • 2.

    Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 20. Klachtregeling

Het college behandelt klachten van jeugdigen of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de klachtenverordening / reglement van de gemeente Oosterhout.

Artikel 21. Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college ontwikkelt vormen van cliëntenparticipatie die passen bij de doelgroep Jeugd.

Artikel 22. Nadere regels

Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels stellen.

Artikel 23. Afwijken van bepalingen: hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

  • 2.

    Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kan het college advies vragen aan een door haar aangewezen adviesinstantie of deskundigen.

Artikel 24. Gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2015 wordt ingetrokken per 1 juli 2019

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Oosterhout, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de werkingsperiode van de Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van DE GEMEENTERAAD VAN OOSTERHOUT

Griffier

Voorzitter

Bijlage 1. – Afwegingskader Gebruikelijke hulp

 

Bij iedere hulpvraag dient onderzocht te worden wat de eigen mogelijkheden zijn en het probleemoplossend vermogen is van de jeugdige en/of zijn ouders met inbegrip van het sociale netwerk om in de hulpvraag te voorzien.

Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp aan jeugdigen is de ondersteuning bij het dagelijkse leven, de persoonlijke verzorging en/of de opvoeding die in redelijkheid mag worden verwacht van de ouders (zie artikel 2).

Voor deze gebruikelijk hulp wordt in beginsel géén individuele voorziening afgegeven. Het valt onder de opvoedende taak van de ouder(s).

Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook zorg omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomt. Het gaat dan om zorg die gebruikelijke zorg vervangt, zoals sondevoeding in plaats van eten, of om zorg die in samenhang met reguliere zorg kan worden geboden, zoals het geven van medicijnen.

Boven-gebruikelijke hulp

Het is boven-gebruikelijke hulp als de oorzaak van de extra begeleiding/verzorging ligt bij de problematiek van de jeugdige. Niet alle extra handelingen die gedaan worden ten behoeve van een jeugdige, leiden automatisch tot de noodzaak om een voorziening te treffen. Bedenk immers dat meer ouders hun kind naar een willekeurige vorm van therapie moeten brengen en halen en thuis hun kind moeten stimuleren om oefeningen te doen hiervoor (bijv. fysiotherapie of logopedie).

De boven-gebruikelijke zorg kan bestaan uit:

  • toezicht op het gedrag van de jeugdige;

  • begeleiding en aansturing;

  • ondersteuning;

  • het overnemen van taken en handelingen;

  • het voorstructuren van de dag-planning of van activiteiten, als dit voor de leeftijd van het kind niet meer gebruikelijk is.

Vanuit het gesprek met ouders en jeugdige ontstaat voor de jeugdprofessional een beeld over het dagelijks functioneren van de jeugdige en de momenten waarbij deze extra begeleiding, toezicht, aansturing en verzorging nodig heeft in vergelijking met leeftijdgenoten.

Situaties waarin geen of minder gebruikelijke hulp wordt verwacht

In de volgende 2 situaties kan er mogelijk (casusafhankelijk te beoordelen) geen of minder gebruikelijke hulp van de ouder verwacht worden:

  • als de ouder geobjectiveerde beperkingen heeft of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke begeleiding of persoonlijke verzorging voor de jeugdige uit te voeren én deze vaardigheden niet kan aanleren. Er wordt van deze ouder geen of minder bijdrage verwacht in de gebruikelijke hulp.

  • als de ouder overbelast is of dreigt te raken. Het is belangrijk te onderzoeken of andere opties mogelijk zijn, zoals het inzetten van het eigen sociale netwerk, om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Om zorg voor de jeugdige toe te kennen vanwege de (dreigende) overbelasting van de ouder, moet er wel verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die de ouder biedt aan de jeugdige.

Hoe ‘bepaal’ je (dreigende) overbelasting van ouders?

De (extra) zorg voor een jeugdige kan voor ouders zo zwaar worden dat sprake is van overbelasting. De draagkracht en draaglast zijn dan fors uit balans.

Het kan heel duidelijk zijn dat de ouder overbelast is of dreigt te raken. In andere gevallen is dat minder duidelijk en zal dit tijdens het gesprek en/of nader onderzoek moeten worden uitgediept. Overbelasting kan zich uiten door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft.

Om zorg voor de jeugdige toe te kennen vanwege de (dreigende) overbelasting van de ouder, moet er wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de zorg die de ouder biedt aan de jeugdige.

 

Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de mate waarin het kind permanent toezicht nodig heeft, hebben invloed op de belastbaarheid van de ouder/verzorger. In de meeste gevallen is het afgeven van een beschikking voor (een deel van) de boven-gebruikelijke zorg voldoende om de overbelasting van de ouder(s) te voorkomen of te reduceren. Als ouders zichzelf als zorgverlener inzetten en hierna aangeven dat er sprake is van overbelasting is het logischer dat zij de zorg in dit geval laten verlenen door iemand anders.

Overzicht gebruikelijke hulp

Onderstaand overzicht biedt een handvat voor de inschatting van gebruikelijke hulp en gaat uit van jeugdigen met een gezonde ontwikkeling. Hierbij geldt dat ook jeugdigen van dezelfde leeftijd kunnen verschillen; een kind kan meer of minder zorg of begeleiding vragen dan een leeftijdsgenoot. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of zelfstandiger dan het andere kind. En ook enige strubbeling is normaal of passend bij een leeftijdsfase. Voor kinderen van 0-5 jaar zal ongeveer alle zorg gebruikelijke hulp zijn. Houdt bij de leeftijdsindeling in onderstaand schema de kalenderleeftijd van de jeugdige in gedachten; de verwachtingen bij een 7 jarige zijn anders dan bij een 11 jarige (zij staan wel in dezelfde leeftijdscategorie). Weeg ook de opvoedingsinsteek van ouders mee. Een zorgzame ouder neemt van nature sneller taken over van haar kinderen en levert mogelijk veel uren zorg en begeleiding. De oorzaak van deze tijdsinvestering ligt dan echter bij de ouder en niet bij het kind. Belangrijk is daarom te kijken waar ontwikkelingsmogelijkheden van de jeugdige liggen.

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • -

    Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig.

  • -

    Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig.

  • -

    Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen.

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • -

    Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • -

    Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand zijn (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer).

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • -

    Kunnen zelf zitten, op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen.

  • -

    Hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang.

  • -

    Hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen.

  • -

    Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding.

  • -

    Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.

  • -

    Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Jeugdigen van 5 tot 12 jaar

  • -

    Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week.

  • -

    Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand zijn (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is).

  • -

    Hebben vanaf 8 jaar minder zorg en begeleiding in directe nabijheid nodig.

  • -

    Hebben tot 8 jaar op geplande en soms ongeplande momenten hulp bij of overname van persoonlijke verzorging nodig.

  • -

    Hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie.

  • -

    Zijn overdag zindelijk en 's nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers.

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • -

    Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan.

  • -

    Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Jeugdigen van 12 tot 18 jaar

  • -

    Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen.

  • -

    Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden.

  • -

    Kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

  • -

    Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen.

  • -

    Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig.

  • -

    Hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig.

  • -

    Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding.

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen).

  • -

    Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • -

    Hebben tot en met 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Jong volwassenen van 18 tot 23 jaar

kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben een dagbesteding in de vorm van opleiding / arbeid.

Toelichting bij verordening jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019

Aanleiding

De verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout (hierna: de verordening) is gebaseerd op de “Wet houdende regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen”, kortweg de Jeugdwet.

Algemeen

Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Het doel van het jeugdzorgstelsel is: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Opdrachten Jeugdwet aan de gemeente

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen;

  • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;

  • over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en

  • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Deze verordening vloeit voort uit de door de gemeenteraad reeds vastgestelde beleidsmatige, financiële en juridische kaders in de Startnotie Jeugdzorg, het plan van aanpak ‘Samenwerken voor de jeugd in West Brabant Oost’ het Regionaal transitiearrangement West Brabant Oost en het inkoopkader.

 

Niet onder de werking van de Jeugdwet vallen:

  • Het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg, zoals onder verantwoordelijkheid van gemeenten aan ouders en kinderen aangeboden op grond van de Wet publieke gezondheid.

  • Onderwijsgebonden leerlingenzorg in school.

  • Huisartsenzorg aan jeugdigen, praktijkondersteuning huisartsen aan jeugdigen en extramurale psychofarmaca verstrekt aan jeugdigen (minderjarigen), vallende onder de basisverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet.

  • Zorg verleend op basis van de Wet Langdurige Zorg.

Onderwijsgebonden leerlingenzorg in school wordt geregeld in de ondersteuningsplannen van Samenwerkingsverbanden van scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs in opdracht van de Wet passend onderwijs.

 

Bovendien is artikel 1.2 van de Jeugdwet van belang, waarin ingegaan wordt op samenloop met andere wetten die een recht op een voorziening regelen. Dit artikel luidt als volgt:

 

  • 1.

    Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen:

    • a.

      indien er met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet Langdurige Zorg of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, of

    • b.

      indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de jeugdige in staat stelt dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover regie te voeren.

  • 2.

    Indien er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een aanspraak op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet Langdurige Zorg of een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van deze wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van deze wet te treffen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is het college gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen, indien jeugdhulp voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing

Toeleiding naar de jeugdhulp

De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden:

  • 1.

    Vrij toegankelijk

    In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste, respectievelijk derde lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de uitvoerende instantie wenden.

    In het tweede lid wordt de overige voorziening beschreven die door het sociaal wijkteam Oosterhout wordt uitgevoerd.

  • 2.

    Toegang jeugdhulp via de gemeente / Sociaal Wijkteam Oosterhout.

    Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een overige (vrij-toegankelijke) voorziening is of een individuele (niet vrij-toegankelijke voorziening). Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige na overleg met jeugd en ouders, namens het college, een besluit en schakelt hij de jeugdhulpaanbieder in die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek van de jeugdige aan te pakken.

  • 3.

    Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist

    De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij Multi problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.

Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 18). In artikel 6 lid 2, 3 en 4 wordt wel een mogelijkheid geboden om tot afspraken te komen met de medische verwijzers en jeugdhulpaanbieders. Artikel 19 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing.

De volgende twee vormen van toegang worden in de Jeugdwet zelf geregeld en komen verder niet terug in deze verordening:

  • 1.

    Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

    Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.

  • 2.

    Toegang via de advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)

    Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.

Toelichting artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De individuele voorzieningen en overige voorzieningen zijn opgenomen in artikel 2. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 3 [e.v.].

De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen niet zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal spraakgebruik. De melding is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 3) is iets anders dan de aanvraag om een individuele voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 7. Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.

De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Wel is ervoor gekozen het centrale begrip ‘jeugdhulp’ en ‘ouder’ en een verwijzing van het begrip ‘jeugdige’ (art. 1.1 jeugdwet) ook in de begripsbepaling van de verordening op te nemen.

Onder het begrip jeugdige wordt in de jeugdwet verstaan:

persoon die:

  • 1°.

    de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,

  • 2°.

    de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

  • 3°.

    de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.

Ten tijde van het opstellen van de verordening jeugdhulp lag het wetsvoorstel invoeringswet Jeugdwet ter behandeling voor bij de Tweede Kamer. De invoeringswet regelt dat de Jeugdwet juridisch en wetstechnisch past tussen de andere wetten. Ook zijn enkele tekstuele verbeteringen aangebracht. Eén van de verbeteringen betreft de definitie van begrip jeugdige, onderdeel 3. Als dit wordt aangepast in de wet, zal dit in een volgende versie van de verordening worden verwerkt.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

De begrippen formele en informele ondersteuning zijn dezelfde als in de Wmo verordening. Hiermee wordt ondersteuning aangeduid uit het sociaal netwerk of andere niet-professionele ondersteuning.

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.

Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.

Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp. Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.

Artikel 2 van deze verordening biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan vrij toegankelijke, overige en individuele voorzieningen dat het college ter beschikking staat. Omdat het aanbod van overige en individuele voorzieningen zich in de praktijk zal moeten ontwikkelen, biedt artikel 23 het college de mogelijkheid om desgewenst ten behoeve van de uitvoering nadere regels te stellen. In nadere regels kunnen onderwerpen uit de verordening nader worden uitgewerkt.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente / Sociaal Wijkteam en melding hulpvraag

Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit alles ter uitvoering van artikel 2.9, onder a, van de wet waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.

Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.

Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. In Oosterhout is ervoor gekozen om deze toegang via het Sociaal Wijkteam te laten verlopen.

Tweede lid; in dit artikel staat dat het college van burgemeester en wethouders in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kunnen treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of een andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in spoedeisende gevallen in artikel 6.1.3 en 6.1.8.

Derde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure. In Oosterhout is ervoor gekozen de overige voorzieningen door het Sociaal Wijkteam uit te laten voeren.

 

Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure.

Artikel 4. Aanvraag

Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen.

In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af.

Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Overigens kan het college een ondertekend verslag van het gesprek, als bedoeld in artikel 6, aanmerken als aanvraag.

Beslistermijnen Awb

In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb).

Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.

Artikel 5. Procedureregels omtrent aanvraag individuele- of overige jeugdhulpvoorziening

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente in ieder geval de voorwaarden bepaalt voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).

De in lid 2 en 3 genoemde afspraken met artsen en andere verwijzers zullen verder uitgewerkt worden in het Uitvoeringsbesluit Jeugdhulp gemeente Oosterhout.

De in lid 4 genoemde afspraken met jeugdhulpaanbieders zullen eveneens verder worden uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Jeugdhulp gemeente Oosterhout.

Een aanbieder die voor een in de wet bedoelde dienst bij een gemeente een bedrag in rekening brengt, vermeldt daarbij de volgende gegevens:

  • a.

    gegevens ter identificatie van de aanbieder, te weten van die aanbieder:

    • 1°.

      naam en adres,

    • 2°.

      instellingscode,

    • 3°.

      praktijkcode, of

    • 4°.

      zorgverlenerscode;

  • b.

    het in rekening gebrachte bedrag alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen de rekening dient te worden voldaan;

  • c.

    gegevens ter identificatie van de jeugdige ten behoeve van wie de dienst is of zal worden verleend, te weten van die jeugdige:

    • 1°.

      burgerservicenummer, of indien de aanbieder niet over dat nummer kan beschikken,

    • 2°.

      naam, adres en geboortedatum;

  • d.

    tenzij door of namens het college is aangegeven dat daar geen behoefte aan bestaat: de datum waarop de dienstverlening is aangevangen of naar verwachting zal aanvangen;

  • e.

    tenzij door of namens het college is aangegeven dat daar geen behoefte aan bestaat: de datum waarop de dienstverlening is beëindigd of naar verwachting zal eindigen;

  • f.

    het voor het gedeclareerde bedrag relevante aantal eenheden of tijdseenheden gedurende welke de diensten zijn of zullen worden verricht;

  • g.

    indien verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts heeft plaatsgevonden, van de desbetreffende arts:

    • 1°.

      naam en adres, of

    • 2°.

      zorgverlenerscode;

  • h.

    indien in een beschikking van het college is neergelegd dat de jeugdige op de verleende dienst is aangewezen of indien een opdrachtnummer is toegekend: het nummer van de beschikking of het opdrachtnummer.

Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben.

Art 7. Gebruikelijke hulp

Met gebruikelijke hulp wordt de hulp en zorg bedoeld waarvan naar algemeen aanvaardbare maatstaven gangbaar wordt geacht dat ouders die aan hun kind bieden. Vanuit jurisprudentie is inmiddels duidelijk dat gemeenten het afwegingskader van het CIZ mogen gebruiken om te bepalen welke ondersteuning gebruikelijk is en welke ondersteuning het gebruikelijke te boven gaat. Door dit te borgen in de gemeentelijke verordening kan een afwijzing worden gebaseerd op dit artikel, voor zover deze zorg gebruikelijk kan worden geacht.

Art 8. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)

In dit artikel wordt geregeld dat het college een pgb kan toekennen en welke regels hierbij gelden.

Zo wordt gesteld dat het pgb binnen 3 maanden dient te worden verzilverd. Deze termijn is gesteld omdat er van uit wordt gegaan dat de toegekende ondersteuning/behandeling noodzakelijk is voor de jeugdige.

In dit artikel is tevens opgenomen dat het college nadere regels kan bepalen over de controle. Dit ziet vooral op de besteding van het pgb: wordt het budget op een rechtmatige en doeltreffende manier ingezet voor de voorziening die is toegekend.

Art 9. Voorwaarden tot verstrekking pgb

In deze voorwaarden staan regels opgenomen over de voorwaarden waaronder pgb kan worden verstrekt. Door middel van een door de ouders opgesteld plan met een duidelijke motivatie wordt beoordeeld of de keuze voor het pgb een goede optie is. Tevens wordt beoordeeld of ouders in staat zijn het pgb te beheren en de benodigde zorg op een goede manier in te kopen. Door hierover duidelijke criteria op te nemen en concrete omstandigheden is een eenduidige beoordeling in de praktijk mogelijk. Ook is op deze manier goed uit te leggen om welke reden het collega eventueel afziet van een pgb verstrekking en kiest voor een zorg in natura verstrekking.

 

In lid 5 wordt ten slotte een scheiding aangebracht tussen het beheer van het pgb en de uitvoering van de zorg (a) en de beschikbaarheid van de vertegenwoordiger (b)

Art 10. Weigeringsgronden voor het pgb

Door deze gronden vast te leggen in de verordening wordt juridische onderbouwing van afwijzingen mogelijk gemaakt.

De weigeringsgronden spreken verder voor zich.

Art 11. PGB sociaal netwerk

In dit artikel is beschreven in welke gevallen een pgb kan worden ingezet voor ondersteuning vanuit het sociaal netwerk.

In lid 2 is de beperking opgenomen ten opzichte van de gebruikelijk hulp door ouders/verzorgers. Het is belangrijk hier in de verordening een grondslag voor op te nemen, zodat bij afwijzingen hiernaar kan worden verwezen.

 

In lid 4 is opgenomen hoe de ingezette inzet kan worden beoordeeld. Dit gebeurt in relatie met het plan van aanpak dat bij de toekenning van de voorziening wordt opgesteld door ouders/verzorgers, samen met de medewerker van het sociaal wijkteam.

Ook zijn criteria opgenomen om te beoordelen of inzet van het sociaal netwerk passend wordt geacht. Dit zorgt er voor dat de beoordeling in de uitvoering op een eenduidige manier wordt uitgevoerd.

In lid 6 wordt tot slot de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de kwaliteit van de ingezette zorg bij de jeugdigen en ouders neergelegd.

Art 12. Beschikking pgb

Spreekt voor zich. Bij inzet van een pgb is het belangrijk zeer regelmatig te toetsen aan de doelen en de resultaten. Hoewel dit ook bij tussentijdse evaluaties gebeurd, is het niet wenselijk om de beschikking voor lange tijd af te geven.

Art 13. De zorgovereenkomst

Hierin wordt de werking van het trekkingsrecht pgb beschreven, zoals bedoeld in artikel 8.1.8 Jeugdwet.

Art 14. Voorwaarden voor besteding pgb

Dit artikel beschrijft waaraan het pgb mag worden uitgegeven en waaraan niet. Vooral dit laatste is belangrijk, omdat deze uitgaven er voor kunnen zorgen dat het budget niet toereikend is voor het inkopen van de benodigde zorg. Het is dan ook belangrijk de opsomming in lid 3 in de toekenningsbeschikking kenbaar te maken aan de aanvrager.

Art 15. Beëindiging pgb

Spreekt voor zich.

Art 16. Hoogte van het pgb en tarieven

Voor wat betreft de in dit artikel opgenomen tarieven zijn de regionale afspraken en landelijk geaccepteerde normen gevolgd.

De hoogte van een pgb moet zodanig zijn dat de jeugdige of zijn ouders hiermee in staat worden gesteld de noodzakelijke jeugdhulp daadwerkelijk te kunnen kopen. Hoofdregel is dat het pgb niet hoger hoeft te zijn dan wat de gemeente kwijt zou zijn aan de verstrekking in natura. Concreet betekent dit dat het tarief hoog genoeg moet zijn om de hulp bij ten minste één passende jeugdhulpaanbieder te kunnen inkopen.

Veelal hanteert de gemeente vaste pgb-tarieven voor bepaalde hulp. Daarbij is van belang dat het college altijd toetst of het vastgestelde tarief ook in het individuele geval toereikend is om de noodzakelijke jeugdhulp te kunnen inkopen. Als de jeugdige in deze casus in staat is de aangewezen hulp met het pgb bij een passende aanbieder in te kopen, is het tarief dus hoog genoeg. Wenst hij desondanks de hulp te betrekken van een duurdere aanbieder, dan kan hij ervoor kiezen het verschil zelf te betalen.

 

De gemeente heeft de mogelijkheid om een lager tarief te hanteren voor niet-professionele (of: informele) jeugdhulp, mits met dat lagere bedrag de jeugdhulp die in de specifieke situatie passend en kwalitatief verantwoord is, met het lagere pgb-tarief kan worden ingekocht. Dit moet de gemeenteraad dan wel in de verordening vastleggen (artikel 2.9 sub c Jeugdwet en TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 152). Ook de vraag wanneer het formele of informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen.

 

Het pgb-tarief voor informele hulp moet toereikend zijn om tenminste het wettelijke minimumloon en vakantiegeld te betalen. Er kan namelijk sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. In andere gevallen is er sprake van een overeenkomst van opdracht. Door een wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) per 1 januari 2018 moet de cliënt ook bij een overeenkomst van opdracht het wettelijk minimumloon en vakantiegeld betalen. Door de wijziging geldt het recht op minimumloon en vakantiebijslag namelijk voor alle personen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht, tenzij zij dit doen in de zelfstandige uitoefening van beroep of bedrijf. De relatie tussen informele zorgverlener en cliënt is door de wijziging van de Wml dus aangemerkt als een arbeidsrelatie.

Art 17. Evaluatie pgb

Dit artikel regelt dat tussentijds kan worden beoordeeld of het pgb nog passend is en voldaan wordt aan de gestelde doelen.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is tenminste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Artikel 19. Vertrouwenspersoon

In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.

De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een zo compleet mogelijk overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) is nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.

Artikel 20. Klachtregeling

Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

Artikel 21. Inspraak en medezeggenschap

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet.

Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Op basis van lid drie ontwikkelt het college vormen van cliëntenparticipatie die passen bij de doelgroep jeugd.

Artikel 22. Nadere regels

Omdat het aanbod van overige en individuele voorzieningen zich in de praktijk zal moeten ontwikkelen en andere onderwerpen uit de verordening mogelijk nadere uitwerking nodig hebben, biedt artikel 23 het college de mogelijkheid om desgewenst ten behoeve van de uitvoering nadere regels te stellen.

Artikel 23. Afwijken van bepalingen; hardheidsclausule

Er kunnen altijd bepalingen zijn die in een situatie onbillijk uitpakken. Voor die gevallen is deze bepaling opgenomen.

Artikel 24. Gevallen waarin de verordening niet voorziet

Een soortgelijke bepaling als het vorige artikel. Alleen betreft dit geen afwijking maar voorzien in situaties die onvoorzien zijn bij het opstellen van deze verordening. Zo nodig zullen die leiden tot aanpassing van de verordening.