Gemeenteblad van Eemnes

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
EemnesGemeenteblad 2019, 165254Beleidsregels



Beleidsregels behorende bij de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes,

 

overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor de uitvoering van de wetten in het sociaal domein (Participatiewet, Wet op het primair onderwijs (Wpo), Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo), Wet op de expertisecentra (Wec), (Passend onderwijs) en Wmo) en de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018;

 

gelet de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 10b, 36 en 36b en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ artikel 4 van Wpo, Wvo en Wec (Passend onderwijs), de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018;

 

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels behorende bij de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018:

Hoofdstuk 1 en 2 Algemene bepalingen, Integrale benadering

 

Geen beleidsregels

 

(Hoofdstuk 3 reserve)

 

 

Hoofdstuk 4 en 5 Inkomensvoorziening Participatie

 

 

Artikel 4.1. Begrippen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • Geldlening: geldlening als bedoeld in artikel 50, lid 2 van de Participatiewet;

  • Krediethypotheek: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op registergoederen;

  • Stil pandrecht: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op niet-registergoederen;

  • Woning: woning als bedoeld in 50 lid 1 en artikel 3, lid 6 van de Participatiewet;

 

Artikel 4.2. Uitsluitingen individuele inkomenstoeslag

Niet voor een individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de cliënt:

  • a.

    die uit Rijkskas bekostigd onderwijs volgt of tijdens de referte periode heeft gevolgd.

  • b.

    van wie het perspectief op inkomensverbetering is verminderd ten gevolge van enige schending van de arbeids- of re-integratieverplichting.

 

Artikel 4.3. Uitsluitingen studietoeslag

Niet voor een individuele studietoeslag komt in aanmerking de cliënt die een uitkering op grond van de Wajong ontvangt.

 

Artikel 4.4. Verlaging bij ontbreken woonkosten (indien geen kostendelersnorm van toepassing is)

Het college verlaagt de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 met 15% van de norm van gehuwden als bedoeld in artikel 21 onderdeel b, van de Participatiewet als de cliënt lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of het niet aanhouden van een woning.

 

Artikel 4.5. Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Het college maakt behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot:

  • a.

    het opschorten van het recht op een bijstand of uitkering als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 17, eerste lid, van de IOAW, artikel 17, eerste lid, van de IOAZ;

  • b.

    herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ indien ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand of uitkering is verleend, anders dan als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW en artikel 13, eerste lid, van de IOAZ;

  • c.

    het terugvorderen van de kosten van bijstand of uitkering zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, en artikel 59, van de Participatiewet, paragraaf 5 van de IOAW, paragraaf 5, van de IOAZ;

  • d.

    invorderen bij dwangbevel zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 28, van de IOAW of artikel 28, van de IOAZ;

  • e.

    het betekenen van een dwangbevel per post als bedoeld in artikel 60, vijfde lid, Participatiewet, of artikel 28, vijfde lid, IOAW en artikel 28, vijfde lid, IOAZ;

  • f.

    verrekening van een vordering zoals bedoeld in artikel 60a, van de Participatiewet.

  • g.

    verrekening van een geldlening als bedoeld in artikel 48, vierde lid, van de Participatiewet.

 

Artikel 4.6 Afzien van terugvordering

Het college kan afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit:

  • a.

    indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150;

  • b.

    voor zover het betalingen betreft die zijn gedaan na een periode van zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het college had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel werd betaald, tenzij de cliënt de inlichtingenplicht heeft geschonden;

  • c.

    indien hiertoe naar oordeel van het college een dringende reden aanwezig is.

 

Artikel 4.7 Kwijtschelding bij schuldregeling (vordering niet het gevolg van schending van de inlichtingenplicht)

Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ indien naar het oordeel van het college:

  • a.

    de cliënt niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en

  • b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 4.8 bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

  • c.

    de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand, uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • d.

    de vordering is niet het gevolg van schending van de inlichtingenplicht

 

Artikel 4.8 Afzien van kwijtschelding bij schuldregeling

Kwijtschelding als bedoeld in artikel 4.7 is niet mogelijk indien de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

 

Artikel 4.9 Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering, als bedoeld in artikel 4.7, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en cliënt een schuldregeling tot stand is gekomen.

 

Artikel 4.10 Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering als bedoeld in artikel 4.7 wordt ingetrokken of ten nadele van de cliënt gewijzigd indien:

  • a.

    de cliënt zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  • b.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid

  • c.

    niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen.

 

Artikel 4.11 Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting bij terugvordering

Het college kan besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, met uitzondering van de gevallen waarbij de vordering door schending van de inlichtingenplicht is ontstaan, indien de cliënt:

  • a.

    gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en tenminste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of;

  • b.

    gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of;

  • c.

    gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

  • d.

    een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten in één keer aflost, of;

  • e.

    naar oordeel van het college op grond van dringende redenen voor kwijtschelding in aanmerking komt.

 

Artikel 4.12 Geen kwijtschelding bij pand of hypotheekrecht

Kwijtschelding als bedoeld in artikel 4.11 vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.

 

Artikel 4.13 Verplichtingen met betrekking tot de invordering

  • 1.

    De verplichting tot betaling en de betalingstermijn worden in het besluit tot terugvordering medegedeeld.

  • 2.

    Het college kan op verzoek van cliënt of in het kader van een schuldregeling uitstel van betaling verlenen. Indien uitstel van betaling wordt verleend stelt het college een betalingsregeling vast.

  • 3.

    Het aflossingsbedrag in het besluit tot terugvordering of het aflossingsbedrag van de betalingsregeling geldt als opgelegde betalingsverplichting.

  • 4.

    Indien tijdens de looptijd van de betalingsregeling een tweede vordering ontstaat, kan de betalingsregeling wordenbeëindigd.

  • 5.

    Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van de vordering.

  • 6.

    Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.

 

Artikel 4.14 Verrekening en beslaglegging

  • 1.

    Indien de cliënt algemene bijstand of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ontvangt wordt de opgelegde betalingsverplichting als bedoeld in artikel 4.13 verrekend met de algemene bijstand of de uitkering.

  • 2.

    Indien verrekening als bedoeld in het eerste lid niet (geheel) mogelijk is en cliënt de opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

  • a.

    een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • b.

    beslag in de zin van het Tweede boek van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of

  • c.

    een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

 

Artikel 4.15 Afzien van verrekening met vorderingen op het college

Het college kan afzien van verrekening zoals bedoeld in artikel 60a, vierde lid van de Participatiewet indien hiertoe naar oordeel van het college een dringende reden aanwezig is.

 

Artikel 4.16 Rente en kosten

  • 1.

    De kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder worden bij de cliënt in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb).

  • 2.

    Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb).

  • 3.

    Indien het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder ten uitvoer wordt gelegd, wordt het te vorderen bedrag verhoogd met de aanmaningskosten (artikel 4:113 Awb) en de wettelijke rente (artikel 4:98 lid 1 Awb). De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment waarop de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder.

 

Artikel 4.17 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt behoudens de in deze regels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot:

  • a.

    het opleggen van de verplichting ingevolge artikel 55 van de Participatiewet een verzoek in te stellen tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor kinderen krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de cliënt hierop aanspraak heeft;

  • b.

    het verhalen van de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in artikel 62 van de Participatiewet;

  • c.

    het verhalen van de kosten van bijstand op de ontvanger van een schenking zoals bedoeld in artikel 62 f, onderdeel a van de Participatiewet;

  • d.

    het verhalen van kosten van bijstand op een nalatenschap als bedoeld in artikel 62 f, onderdeel b van de Participatiewet;

  • e.

    Het doen van een verzoek aan de rechter tot wijziging van de vastgestelde verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet.

 

Artikel 4.18 Afzien van verhaal

Het college kan afzien van het nemen van een verhaalbesluit indien:

  • a.

    de kosten van bijstand meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt;

  • b.

    het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen;

  • c.

    de periode waarover bijstand is verstrekt beperkt is en het verhaalsbedrag op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 600,00;

  • d.

    daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.

 

Artikel 4.19 Kwijtschelding bij schuldregeling

Het college kan op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:

  • a.

    redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

  • b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van alle schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

  • c.

    de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

 

Artikel 4.20 Inwerkingtreding van het besluit tot kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal, als bedoeld in artikel 4.19, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en persoon een schuldregeling tot stand is gekomen.

 

Artikel 4.21 Intrekking besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal als bedoeld in artikel 4.19 wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:

  • a.

    de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  • b.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

  • c.

    niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen.

 

Artikel 4.22 Verhaal in rechte

  • 1.

    In het besluit tot verhaal, anders dan met toepassing van artikel 62b van de Participatiewet, wordt het verhaalsbedrag en de betalingstermijn medegedeeld.

  • 2.

    Indien de cliënt niet alle informatie aan het college verstrekt die voor verhaal van belang is dan wel niet, of niet tijdig de verlangde gelden aan het college betaalt, gaat het college over tot verhaal in rechte.

  • 3.

    Het college ziet, in afwijking van het tweede lid, af van verhaal in rechte indien het te verhalen bedrag een bedrag van € 600,00 per jaar niet te boven gaat.

 

Artikel 4.23 Verhaal volgens rechterlijke uitspraak (artikel 62b van de Participatiewet)

  • 1.

    Met inachtneming van het recht van degene die bijstand ontvangt om zelf de inning van alimentatie over te dragen aan het LBIO, vindt inning van alimentatieverplichtingen bij onderhoudsplichtigen, voor zover niet vrijwillig door deze onderhoudsplichtigen aan de betalingsverplichting wordt voldaan, plaats volgens lid 2 t/m 4 van dit artikel.

  • 2.

    Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak ongeacht de hoogte van het verhaalsbedrag.

  • 3.

    Het besluit tot verhaal wordt aan cliënt medegedeeld, met de aanmaning het verschuldigde binnen dertig dagen na verzending van het besluit te voldoen.

  • 4.

    Indien aan de aanmaning geen gevolg wordt gegeven vordert het college het verschuldigde met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt.

 

Artikel 4.24 Rente en kosten

  • 1.

    De kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder worden bij de cliënt in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb).

  • 2.

    Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb).

  • 3.

    Indien het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder ten uitvoer wordt gelegd, wordt het te vorderen bedrag verhoogd met de aanmaningskosten (artikel 4:113 Awb) en de wettelijke rente (artikel 4:98 lid 1 Awb). De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment waarop de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder.

 

Artikel 4.25 Onderzoek naar draagkracht

  • a.

    Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbedrag.

  • b.

    Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.

  • c.

    Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van het verhaalsbedrag indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen.

  • d.

    Er wordt geen verzoek aan de rechter gedaan tot wijziging van het verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand.

 

Artikel 4.26 Hoogte geldlening

De geldlening als bedoeld in artikel 50, tweed lid van de Participatiewet bedraagt ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden.

 

Artikel 4.27 Krediethypotheek

  • 1.

    De algemene bijstand voor de cliënt die eigenaar is van een woning, heeft de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek indien de overwaarde in de woning, na toepassing van de vermogensvrijlating van artikel 34, tweede lid, onder d van de Participatiewet, hoger is dan € 10.000,00.

  • 2.

    Indien het, in de situatie als bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is een hypotheek te vestigen, dan wordt pandrecht gevestigd.

  • 3.

    Als de verwachting bestaat dat de woning binnen korte tijd verkocht kan worden, dan kan worden afgezien van het vestigen van hypotheek.

 

Artikel 4.28 Medewerkingsplicht

  • 1.

    Bij verlening van de algemene bijstand onder verband van hypotheek of pandrecht wordt aan de cliënt de verplichting opgelegd dat hij meewerkt aan de vestiging van de hypotheek of het stil pandrecht.

  • 2.

    Het niet verlenen van de medewerking als bedoeld in het eerste lid heeft tot gevolg dat de in de vorm van een geldlening verleende uitkering wordt teruggevorderd (artikel 58, tweed lid, onderdeel b, van de Participatiewet.

 

Artikel 4.29 Vaststelling waarde woning

  • 1.

    Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de cliënt wordt aangewezen.

  • 2.

    De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, het opmaken van de akte van pandrecht, inschrijving van het pandrecht in de registers van de Inspectie der Registratie en Successie van de Belastingdienst, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van de cliënt. De eventuele uitkering voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand

 

Artikel 4.30 Voorwaarden

  • 1.

    Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in artikel 4.31 en artikel 4.32 van deze regels.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte of akte van pandrecht.

 

Artikel 4.31 Aflossing en rente geldlening

  • 1.

    De aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstand en vindt maandelijks plaats.

  • 2.

    Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld overeenkomstig de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand.

  • 3.

    Bij een inkomen, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3 van de Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd.

  • 4.

    Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.

  • 5.

    Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vierde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van cliënt komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.

  • 6.

    Indien cliënt tijdens de aflossingsperiode in verzuim is met het voldoen van de vastgestelde aflossingen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is de wettelijke rente verschuldigd over de achterstallige aflossingstermijnen gedurende de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

  • 7.

    Over een rentevordering is geen rente verschuldigd.

 

Artikel 4.32 Verkoop woning

  • 1.

    Bij verkoop, overdracht of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 4.31, lid 6 bijgeschreven rente, terstond afgelost.

  • 2.

    Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van cliënt dan wel wegens werkaanvaarding elders door cliënt, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat cliënt het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het vierde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.

  • 3.

    Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

 

Artikel 4.33 Tussentijdse herbeoordeling geldlening

  • 1.

    Gedurende de periode van bijstandsverlening vindt herbeoordeling van de waarde van de woning plaats en wordt bezien of de verlening van bijstand om niet in die vorm kan worden gehandhaafd.

  • 2.

    Indien de situatie als omschreven in het eerste lid zich voordoet, wordt met toepassing van deze regels een (nieuwe) geldlening verstrekt.

 

Artikel 4.34 Opnieuw recht binnen twee jaar

Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek of akte van pandrecht.

 

Artikel 4.35 Opgave stand van de geldlening en rentevorderingen

Aan cliënt wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.

 

Hoofdstuk 6 Leerlingenvervoer

 

6.1 Begeleiding van leerling

De begeleiding van een leerling naar school mag een begeleider maximaal 2,5 uur per dag kosten. Als wijze van berekening wordt gehanteerd: heenreis = vertrek thuis tot aanvang of einde schooltijd; terugreis = na aanvang of einde schooltijd tot aankomst thuis (met gebruikmaking van kortst aansluitend OV, volgens 9292.nl).

 

Hoofdstuk 7 Wet maatschappelijke ondersteuning

 

Deze beleidsregels hebben als doel om de uitkomsten van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, te objectiveren. Tegelijkertijd bieden de beleidsregels ruimte tot maatwerk. Dat betekent automatisch dat gelijke gevallen leiden tot een gelijke uitkomst en dat ongelijke gevallen leiden tot een ongelijke uitkomst.

 

7.1 Resultaat

Het belangrijkste resultaat waar de maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp voor kan worden ingezet is een ‘schoon en leefbaar huis’. Een schoon en leefbaar huis betekent dat het huis niet vervuilt, dat gezondheidsrisico’s worden voorkomen en dat periodiek wordt schoongemaakt om zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van schoon te realiseren. Dit betekent dat de cliënt gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes (inclusief schoon beddengoed), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap, hierna aangeduid als de noodzakelijke ruimtes. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat te worden schoongemaakt. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Een leefbaar huis staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

Naast een schoon en leefbaar huis kan huishoudelijke hulp ook worden ingezet voor enkele andere resultaten, deze resultaten worden in 7.2 benoemd.

 

7.2 Indicatiestelling

Indien er beperkingen zijn in het voeren van het huishouden, komt de cliënt mogelijk in aanmerking voor de maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden. De resultaten die bij deze maatwerkvoorziening horen zijn:

  • zelfstandig wonen in een schoon en leefbaar huis;

  • beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

  • beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften (boodschappen kunnen doen);

  • beschikken over maaltijden; brood- en warme maaltijden;

  • het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

  • dagelijkse organisatie van het huishouden.

 

Huishoudelijke hulp kan worden ingezet om één of meer van deze resultaten te behalen.

Een indicatie voor huishoudelijke hulp wordt afgegeven in de vorm van een budget per vier weken. De cliënt heeft daarmee de mogelijkheid flexibele afspraken te maken met de aanbieder over de inzet van dit budget binnen vier weken.

De (hoogte van de) indicatie voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp wordt bepaald aan de hand van de gegevens uit het onderzoek. Indien nodig wordt er extra informatie opgevraagd. De volgende factoren worden in elk geval onderzocht en zijn van invloed op de indicatie:

  • aard en omvang van de beperkingen;

  • aanwezigheid van gebruikelijke/particuliere hulp;

  • aanwezigheid van minderjarige kinderen;

  • woonvorm;

  • mogelijke inzet van voorzieningen op basis van andere wetgeving, of algemene voorzieningen.

 

Op basis van de persoonlijke situatie van de cliënt stelt de consulent van de gemeente op maat een indicatie op. Om tot een objectief oordeel te komen wordt gebruikgemaakt van normtijden per deeltaak. (zie 7.4)

 

7.3 Gebruikelijke Hulp

Er wordt geen maatwerkvoorziening getroffen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp als bedoeld in bijlage 2 van de Verordening sociaal domein 2018.

 

7.4 Algemene uitgangspunten

a. Indicaties worden per 4 weken afgegeven in combinatie met het daarvoor gestelde budget. Hierdoor kan de cliënt samen met zorgaanbieder de taken over de tijd verdelen.

b. De gemeente ziet erop toe dat de huishoudelijke hulp duurzaam, passend en proportioneel wordt ingezet. Vanuit deze gedachte worden voor het frequente schoonmaakwerk alleen de ‘noodzakelijke ruimtes’ meegenomen in de indicatie. De noodzakelijke ruimtes zijn ruimtes die schoon moeten zijn om het zelfstandig wonen en participeren van de cliënt te kunnen realiseren. Indien er overige ruimtes aanwezig zijn, wordt voor deze ruimten in totaal maximaal 20 minuten per 4 weken gerekend om vervuiling te voorkomen. De omvang van de overige ruimtes kan vanuit de visie van de gemeente niet leiden tot een hogere indicatie, omdat de cliënt een eigen verantwoordelijkheid draagt om in een geschikt huis te wonen.

 

Overige uitgangspunten:

  • voor achterstallig werk wordt geen extra tijd geïndiceerd;

  • er wordt geen extra tijd geïndiceerd vanwege aanwezigheid van huisdieren;

  • de cliënt is zelf verantwoordelijk dat de hulp zijn/haar werk goed kan doen. Bijv. zorgen voor opgeruimde kamer, zodat de hulp kan stofzuigen;

  • de cliënt is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van de noodzakelijke schoonmaakmiddelen en materialen.

 

Het college kan extra tijd indiceren, indien er sprake is van specifieke aandoeningen. Deze aandoeningen kunnen om twee redenen leiden tot een hogere indicatie:

1. Als gevolg van de aandoening raakt het huishouden ernstiger en sneller vervuild, waardoor het schoonhouden meer tijd kost;

2. Als gevolg van de medische aandoening worden aantoonbaar hogere eisen gesteld aan de hygiëne dan gebruikelijk.

 

De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is.

 

7.4.1 Normtijden

De normtijden zijn gebaseerd op de ‘Richtlijnen indicatieadvisering hulp bij het Huishouden’ van de MO-zaak (voorheen CIZ). De normtijden zijn getoetst aan jurisprudentie en het onafhankelijk onderzoek dat KPMG in opdracht van de gemeente Utrecht uitvoerde en in september 2016 is gepubliceerd.

 

7.4.2 Maatwerk

Het college bekijkt met de cliënt, wat de cliënt met hulp van het netwerk, zelf kan en wat vanuit de Wmo 2015 aangevuld moet worden. Op basis van het onderzoek wordt bepaald welke taken er worden genomen als uitgangspunt en welke deeltaken moeten worden gecompenseerd, de frequentie waarin deze moeten worden uitgevoerd en de tijdsinzet per deeltaak. Aan de hand hiervan wordt het budget per vier weken bepaald.

 

Per huishoudelijke taak geldt de onderstaande normtijd per taak (per week) als uitgangspunt.

 

Zwaar huishoudelijk werk

Omschrijving

Normtijd per week

 

Stofzuigen

Schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken

Bedden verschonen

Ramenlappen

Eenpersoonshuidhouden, max 2 kamers

90 minuten

 

Een persoonshuishouden, 3 of meer kamers

180 minuten

 

Meerpersoonshuishouden

180 minuten

Factoren meer hulp

Kind(eren) <12 jaar

30 minuten extra (max. 90 min)

 

Psychogeriatrische problematiek/gedragsproblematiek

30 minuten

 

Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning

60 minuten

 

Grote woning met hoge bezettingsgraad

60 minuten

 

Licht Huishoudelijk werk

Omschrijving

Normtijd per week

 

Stof afnemen/raggen

Opruimen

Afwassen

Bed opmaken

Eenpersoonshuidhouden

 

60 minuten

 

 

Meerpersoonshuishouden

90 minuten

Factoren meer hulp

Kind(eren) <12 jaar

30 minuten

 

Psychogeriatrische problematiek/gedragsproblematiek

30 minuten

 

 

Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning

30 minuten

Bijzonderheden

Indien er ook een maaltijdvoorziening wordt geïndiceerd, dan tijd in mindering brengen bij licht huishoudelijk werk voor het afwassen. Afwassen is namelijk ook meegenomen bij maaltijdvoorziening.

 

Wassen en strijken

Omschrijving

Normtijd per week

 

Wasgoed sorteren en wassen in de wasmachine

Wasgoed ophangen en afhalen

Wasgoed drogen in de droger

Wasgoed vouwen en opbergen

Wasgoed strijken

Eenpersoonshuidhouden

 

60 minuten

 

 

Meerpersoonshuishouden

90 minuten

Factoren meer hulp

Kind(eren) <16 jaar

30 minuten per kind

 

Bedlegerige cliënten

30 minuten

 

 

Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning

30 minuten

 

Extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc.

30 minuten

Bijzonderheden

Strijken van bovenkleding is opgenomen in de normtijd. Extra tijd voor strijken van onderkleding en/of beddengoed is alleen mogelijk indien dit medisch noodzakelijk is.

 

Boodschappen

Omschrijving

Normtijd per week

 

Boodschappenlijst samenstellen

Boodschappen inkopen

Boodschappen opslaan

60 minuten

 

Factoren meer hulp

Leefeenheid > 4 personen

60 minuten

 

Kind(eren) < 12 jaar

60 minuten

 

Afstand tot dichtstbijzijnde winkel is > 2 km

30 minuten

Bijzonderheden

Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen. Alleen als dit medisch noodzakelijk is, kan men extra tijd krijgen.

 

Maaltijden

Omschrijving

Normtijd per week

 

Broodmaaltijden bereiden (smeren)

Broodmaaltijden klaarzetten, tafel dekken

Koffie/thee zetten

Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine

15 minuten per keer, maximaal 2 x per dag

 

Warme maaltijden opwarmen

Warme maaltijden klaarzetten, tafeldekken

Koffie/thee zetten

Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine

15 minuten per dag

Warme maaltijden koken

Warme maaltijden klaarzetten, tafeldekken

Koffie/thee zetten

Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine

30 minuten per dag

Factoren meer hulp

Kind(eren) < 12 jaar

20 minuten per maaltijd

Bijzonderheden

Maaltijdenservice, kant en klare maaltijden, etc. gelden als voorliggende oplossingen

 

Tijdelijke verzorging van kinderen

Omschrijving

Normtijd per week

 

Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging van gezonde kinderen uit te voeren.

Denk aan persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten.

Naar bed brengen/uit bed halen

10 minuten per kind per keer

 

Wassen en kleden

30 minuten per dag per kind

 

Eten en/of drinken geven

20 minuten per broodmaaltijd

25 minuten per warme maaltijd

 

Babyvoeding: flesje/borstvoeding

20 minuten per keer per kind

 

Luier verschonen

10 minuten per keer per kind

 

Naar school/crèche brengen/halen

15 minuten per keer per gezin

Factoren meer hulp

Indien opvang noodzakelijk is

Tot 40 uur per week

Bijzonderheden

Maximale duur voor de opvang/ondersteuning is 3 maanden. Afstemming met andere specifieke oplossingen, welke: zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussentijdse opvang (gastouder), SMI etc.

 

Dagelijkse organisatie van het huishouden

Omschrijving

Normtijd per week

 

Organisatie van het huishouden

Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden

30 minuten

Factoren meer hulp

Kind(eren) < 16 jaar

30 minuten

 

Psychogeriatrische problematiek/ gedragsproblematiek

30 minuten

 

Communicatie problemen door beperking. Niet door taalbarrière

30 minuten

 

Advies instructie en voorlichting gericht op het huishouden

Omschrijving

Normtijd per week

 

Instructie omgaan met (technische) hulpmiddelen

Instructie huishoudelijke taken, boodschappen doen, maaltijden bereiden, het licht huishoudelijk werk, zwaar huishoudelijk werk, de wasverzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden.

30 minuten per activiteit, maximaal 90 minuten

Dit komt bovenop de normtijd die geldt voor het overnemen van de activiteiten.

Bijzonderheden

Maximale duur 6 weken

 

7.4.3 Richttijden per deeltaak

Onderstaande tabel laat zien wat de richttijden en frequenties zijn per deeltaak. De gemeente gebruikt deze richttijden om tot een objectiveerbare indicatie te komen. Op basis van het onderzoek wordt bepaald welke deeltaken vanuit de Wmo 2015 moeten worden gecompenseerd, de frequentie waarin deze moeten worden uitgevoerd en de tijdsinzet per deeltaak. Aan de hand hiervan wordt het budget per vier weken bepaalt.

 

Zwaar huishoudelijk werk

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Stofzuigen

Woonkamer inclusief hal/gang, keuken, toilet en 1 slaapkamer.

1x p.w.

20

+ 5 bij elke vaste trap

+ 5 voor elke extra (slaap)kamer die in gebruik is door bewoners

+ 10 hulphond

Slaapkamer of hobbykamer in gebruik door bewoners, logeerkamers worden niet meegerekend.

Sanitair (badkamer / toilet)

Inclusief dweilen

1x p.w.

30

+ 10 bij specifieke aandoeningen

(bv. stoma, thuisdialyse, chemo, PG)

 

Keuken, inclusief dweilen

 

1x p.w.

15

 

 

Bed verschonen

1x 2 weken,

10 minuten

5

- 5 als persoonlijke verzorging bed dit overneemt

+ 5 bij incontinentie

+ 5 voor elk extra bed wat in gebruik is door bewoners

Ongeacht één of tweepersoonsbed, bepaald op basis van het KMPG onderzoek Utrecht.

 

Als continentiemateriaal niet toereikend is

Dweilen van overige ruimtes (indien nodig i.v.m. type vloer)

 

 

10

 

 

Ramen wassen (binnen)

Inclusief raambekleding

1x per 6 weken, 60 minuten

10

 

Het wassen van de ramen aan de buitenkant valt niet onder de Huishoudelijke Hulp binnen de Wmo 2015. De cliënt kan hiervoor een glazenwasser inschakelen.

 

Licht huishoudelijk werk

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Stof afnemen nat en/of droog

1x p.w.

20

+5 bij elke vaste trap

+5 voor elke extra (slaap)kamer die in gebruik is door bewoners

+ 10 hulphond

Slaapkamer of hobbykamer in gebruik door bewoners, logeerkamers worden niet meegerekend.

Opruimen

1x p.w

20

 

Minderen als leefeenheid dit volledig of gedeeltelijk zelf doet.

 

Afwassen

 

10

Minder factor: indicatie maaltijd klaarzetten/opwarmen/ bereiden

Vaatwasser of afwassen kost ongeveer net zoveel tijd.

 

Bezoek kan eigen vaat afwassen.

 

Wassen en strijken

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Sorteren + inladen

1x p.w.

5

+ 5 bij 2 persoons huishouden

 

Ophangen / in droger doen

1x p.w.

10

+ 5 bij 2 persoons huishouden

 

Was afhalen/vouwen / opbergen

1x p.w

15

+ 5 bij 2 persoons huishouden

 

Strijken

1x p.w

15

+ 5 bij 2 persoons huishouden

+15 wanneer er een medische noodzaak is voor strijken onderkleding/ bed- en linnengoed.

Alleen bovenkleding

 

Ophogen tijd

 

 

+ 20 bij elk kind

+ 20 bij ernstige incontinentie

+ 20 bij bedlegerigheid

 

Normtijd halveren als alleen beddengoed/linnengoed overgenomen wordt

Deze meer/minder factoren gelden over de hele indicatie wasverzorging en niet per deeltaak

 

Boodschappen

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Lijstje maken en bestellen

1x p.w.

10

 

De boodschappendienst is als algemene voorziening beschikbaar voor de meeste cliënten. Indien nodig kan de hulp helpen bij de bestelling.

Boodschappen doen

1x p.w.

20

+10 reistijd naar dichtstbijzijnde winkel > 2km

+10 per extra persoon

 

Boodschappen opruimen

1x p.w

10

 

 

 

Maaltijden

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Broodmaaltijd

1x per dag

15

Tijd verdubbelen als de cliënt het de lunch niet zelf uit de koelkast kan halen.

Voor dagen dat de maaltijd door mantelzorger/bezoek kan worden verzorgd geen tijd indiceren.

Lunch kan tegelijk met ontbijt worden klaargemaakt en in koelkast worden gezet.

Warme maaltijd opwarmen.

1x per dag

15

 

 

Koken

1x per dag

30

10 minuten extra bij meer dan 4 gezinsleden

10 minuten extra bij gezinnen met kinderen jonger dan 4 jaar.

Het opwarmen van de maaltijd is in de meeste gevallen de goedkoopst passende oplossing.

 

Algemeen

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Plannen over te nemen taken, taakverdeling maken bij samen opwerken

1x p.w

10

Ernstige gedragsproblemen of communicatieproblemen als gevolg van beperkingen kunnen aanleiding zijn om extra tijd te indiceren.

 

Instructie en advies

 

30

 

Samen activiteiten uitvoeren, resultaat binnen 6 weken bereiken.

 

Check houdbaarheid levensmiddelen

1x p.w

10

 

 

Indirecte tijd

1x p.w

10

 

Het standaard toekennen van indirecte tijd is overgenomen uit het KPMG rapport dat in opdracht van de gemeente Utrecht is uitgevoerd. De omvang van de directe tijd is lokaal bepaald. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat in Gooise Meren op onderdelen al extra tijd wordt toegekend (maatwerk).

Overige ruimtes

 

5

 

Er wordt maximaal 20 min per periode van vier weken toegekend om vervuiling van de ruimtes die niet frequent worden schoongemaakt te voorkomen.