Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018

De raad van de gemeente Rijssen-Holten;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 januari 2018;

gelet op de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

besluit vast te stellen de volgende verordening: Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.

§ 1. Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

  • gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het

  • gemeentelijk erfgoedregister;

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden.

Artikel 1.2 Gemeentelijk erfgoedregister

  • 1.

    Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister).

  • 2.

    Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

Artikel 1.3 Adviescommissies

  • 1.

    Het college vraagt over erfgoedzaken advies aan:

    • a.

      de monumentencommissie en

    • b.

      de erfgoedadviesraad.

  • 2.

    Leden van het gemeentebestuur maken geen deel uit van de in het eerste lid genoemde adviescommissie en -raad.

  • 3.

    De monumentencommissie:

    • a.

      bestaat uit enkele leden die deskundig zijn op het gebied van cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving;

    • b.

      adviseert het college over de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikelen 2.10, 3.9 en 4 en een aanwijzing zoals bedoeld in artikelen 2.1, 2.7, 3.1, 3.2 en 3.7;

      en vindt haar grondslag in het ‘Instellingsbesluit gemeentelijke monumentencommissie Rijssen-Holten 2009’.

  • 4.

    De erfgoedadviesraad:

    • a.

      bestaat uit leden die betrokken zijn en kennis en ervaring hebben op het gebied van cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving en beschikken over lokale erfgoedkennis;

    • b.

      adviseert het college op zijn verzoek of uit eigen beweging over gemeentelijk erfgoedbeleid;

en vindt zijn grondslag in het ‘Reglement erfgoedadviesraad gemeente Rijssen-Holten 2017’.

§ 2. Gemeentelijk monumenten

Artikel 2.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument

  • 1.

    Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

  • 2.

    Het college kan ten behoeve van de aanwijzing als gemeentelijk monument bepalen dat nader onderzoek wordt verricht.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten, en

    • b.

      monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 2.2 Voornemen tot aanwijzing

  • 1.

    Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 2.3 Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming als bedoeld in artikel 2.9 tot en met artikel 2.12, is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.2 is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter onherroepelijk wordt vernietigd.

Artikel 2.4 Advies aanwijzing gemeentelijk monument

  • 1.

    Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1 advies aan de monumentencommissie.

  • 2.

    De monumentencommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk advies uit.

Artikel 2.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

  • 1.

    Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 2.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 2.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

  • 1.

    In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 2.4 wordt in dat geval aan de gemeentelijke monumentencommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 2.

    Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.1.

  • 3.

    De bescherming zoals bedoeld in artikel 2.9 tot en met 2.12 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 2.6 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 2.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Als het schrappen uit het register het doel is van de wijziginging, dan zijn artikel 2.1 tot en met 2.8 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 3.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 2.9 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 2.10 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het eerste lid, gelden niet indien de activiteit betrekking heeft op:

    • a.

      gewoon onderhoud zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit Omgevingsrecht, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of

    • b.

      een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

  • 3.

    Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.11 Intrekken van de omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken:

  • a.

    als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

  • b.

    voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.

Artikel 2.12 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 2.13 Advies omgevingsvergunning gemeentelijke monument

  • 1.

    In het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning vraagt het bevoegd gezag advies aan de monumentencommissie.

  • 2.

    De monumentencommissie brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk advies uit.

§ 3. Gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuren

Artikel 3.1 Aanwijzing als gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur

  • 1.

    Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, besluiten een beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur.

  • 2.

    Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een structuur als gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur bepalen dat nader onderzoek wordt verricht.

Artikel 3.2 Voornemen tot aanwijzing

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.1 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Artikel 3.3 Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming in artikel 3.9 tot en met 3.11, is van overeenkomstige toepassing op de onroerende zaak of structuur ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 3.2 is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter onherroepelijk wordt vernietigd.

Artikel 3.4 Advies aanwijzing gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur

  • 1.

    Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.1 advies aan de monumentencommissie.

  • 2.

    De monumentencommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Artikel 3.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

  • 1.

    Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van de gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving.

Artikel 3.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 3.7 Aanwijzing als voorlopige gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur

  • 1.

    In een spoedeisend geval kan het college een beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur aanwijzen als voorlopige gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur. In afwijking van artikel 3.4 wordt in dat geval aan de monumentencommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopige gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur.

  • 2.

    Een aanwijzing als bedoeld in lid 1 vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing als bedoeld in artikel 3.1.

  • 3.

    De bescherming is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van de structuur als voorlopige gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur.

  • 4.

    Artikel 3.6 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 3.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van een (voorlopige) gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Als het schrappen uit het register het doel is van de wijziging, dan is artikel 3.1. tot en met artikel 3.8 van overeenkomstige toepassing, tenzij de gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 3.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop de gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur of het gemeentelijk karakteristiek pand waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 3.9 Omgevingsvergunning gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur of delen ervan:

    • a.

      te wijzigen, gebruiken of het laten gebruiken op een wijze waardoor de kenmerkende structuur in gevaar wordt gebracht, of

    • b.

      te beschadigen, slopen of tenietdoen ervan.

  • 2.

    Het gestelde in lid 1 is niet van toepassing op activiteiten die noodzakelijk zijn in verband met de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden dan wel van ondergeschikte aard zijn.

  • 3.

    De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de actviteiten zoals bedoeld in lid 1 niet leiden tot een achteruitgang van de waarde van de gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur, als bedoeld in artikel 3.1

Artikel 3.10 Intrekken van de omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken:

  • a.

    als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

  • b.

    voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.

Artikel 3.11 Advies omgevingsvergunning gemeentelijke stedelijke of landschappelijke structuur

  • 1.

    In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoel in artikel 3.9 vraagt het bevoegd gezag advies aan de monumentencommissie voordat het beslist op de aanvraag.

  • 2.

    De monumentencommissie brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk advies uit.

§ 4. Rijksmonumenten

Artikel 4. Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de monumentencommissie, zoals bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, sub a. Het tweede en derde lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Handhaving en toezicht

Artikel 5.1 Strafbepaling

Degene die handelt in strijd met artikelen 2.9 of het bepaalde krachtens artikel 2.10, derde lid, van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 5.2 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de toezichthouders en ambtenaren belast met erfgoedzaken.

  • 2.

    Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekken oude verordening

De Erfgoedverordening 2014 gemeente Rijssen-Holten wordt ingetrokken.

Artikel 6.2 Overgangsrecht

Een krachtens de Erfgoedverordening 2014 gemeente Rijssen-Holten aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

Aanvragen om vergunningen die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening 2014 gemeente Rijssen-Holten.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag nadat deze bekendgemaakt is.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Rijssen-Holten op 15 februari 2018.

De griffier, De voorzitter,

G.H. Veerman, A.C. Hofland.

Toelichting

ALGEMEEN DEEL

Inleiding

Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de door de gemeenteraad vastgestelde Erfgoednota 2015-2019 Rijssen-Holten. De daarin geformuleerde ambitie is om het cultureel erfgoed van Rijssen-Holten in gebruik en beleving een waardevol onderdeel te laten uitmaken van de samenleving. Op die manier kan een bijdrage worden geleverd aan de identificatie met de gemeente, de stad, het dorp, de straat en het landschap. Met het begrip worden de gebouwde, archeologische en (cultuur)landschappelijke objecten en gebieden die kenmerkend zijn en identiteit geven aan de gemeente Rijssen-Holten aangeduid. Ook het roerende erfgoed, zoals kunst- en gebruiksvoorwerpen, en immaterieel erfgoed, waar verhalen, tradities en de streektaal onder vallen, behoren tot het terrein van cultureel erfgoed.

De nota bevat drie uitgangspunten, namelijk:

• Behouden: van al het erfgoed dat als waardevol en belangrijk voor de samenleving geacht wordt (archeologie, cultuurlandschap, beschermde monumenten).

• Ontwikkelen: behoud gaat in deze nota hand in hand met ontwikkeling. Cultureel erfgoed kan

ook een belangrijke inspiratiebron zijn voor het verbinden van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aan de vorm en geschiedenis van de bestaande omgeving, zodat de ruimtelijke kwaliteit en identiteit verder versterkt worden.

• Beleven: het zien en beleven van erfgoed maakt dat burgers en bezoekers de gemeente nog meer gaan waarderen. Maar erfgoed zien is goed (leren) kijken. De gemeente kan burgers en bezoekers hierbij helpen. Door erfgoed, in de meest brede zin van het woord, meer onder de aandacht te brengen, kan een groter of juist specifieker publiek bereikt worden.

Daarnaast wordt in de nota aangegeven met het gemeentelijk erfgoedbeleid aan te willen sluiten op de doelstelling van de provincie. De provincie beoogt om door behoud en duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed de identiteit en eigenheid van Overijssel beleefbaar te maken.

Op het gemeentelijke erfgoedbeleid is een tweetal landelijke wetswijzigingen van invloed. De bundeling van wetgeving in één Erfgoedwet die in 2016 inwerking is getreden en de verwachte invoering van de Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving.

De Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018 vervangt de Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2014. De nieuwe erfgoedverordening fungeert als kader voor de omgang met erfgoed in de gemeente waarbij wordt gereageerd op bovengenoemde ontwikkelingen en wordt geanticipeerd op de Omgevingswet. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de inhoud van de erfgoedverordening overgaan naar het omgevingsplan.

Landelijke wetswijzigingen

De VNG heeft naar aanleiding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet een nieuwe model-erfgoedverordening opgesteld. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed, namelijk de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988 (Mw 1988), de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc), de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede model-erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen).

Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet. In de Omgevingswet zal materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één worden overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen zullen overgaan naar de Omgevingswet. Archeologische waarden moeten worden geborgd via het ruimtelijke spoor (namelijk de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wabo) op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht en straks het omgevingsplan.

Reikwijdte

De VNG model-erfgoedverordening maakt het mogelijk om in navolging van de Erfgoedwet erfgoed in brede zin te beschermen. Naast gemeentelijke (archeologische) monumenten kunnen ook cultuurgoederen en –verzamelingen in gemeentelijk bezit en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten worden aangewezen en beschermd. Daarnaast is in de model-erfgoedverordening in een vangnetbepaling voorzien voor de bescherming van archeologische verwachtingszones.

De Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018 richt zich op ‘cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving’ waarmee dat deel van het cultureel erfgoed wordt bedoeld dat zich richt op (historische) stedenbouwkunde, bouwkunst, tuin- en landschapsarchitectuur, (cultuur)landschap en archeologie. Daarbij is de VNG model-erfgoedverordening gevolgd waarbij is toegespitst op de situatie in Rijssen-Holten voor de volgende punten:

• Het roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen) wordt niet in de Erfgoedverordening Rijssen-Holten geregeld, omdat dit onderdeel beperkt blijft tot cultuurgoederen die in bezit zijn van de gemeente. Het beheer van de Nagelhoutcollectie die in gemeentelijk bezit is, is op basis van contractuele afspraken ondergebracht bij de Stichting Collectie Nagelhout Holten. Op basis van het legaat van mevrouw Nagelhout aan de toenmalig gemeente Holten, nu gemeente Rijssen-Holten, wordt de Nagelhoutcollectie geëxposeerd op het grondgebied van de voormalige gemeente Holten. Daarvoor is specifiek een expositieruimte in het Kulturhus Holten gecreëerd. Overig roerend cultureel erfgoed dat betrekking heeft op de gemeente Rijssen-Holten valt buiten bereik van de gemeente. Daaronder zijn de verschillende collecties voortkomende uit particuliere verzamelingen, legaten en geschenken in bezit van de Stichting Rijssense Musea en ondergebracht in het Rijssens Museum en deels in bruikleen bij het Rijksmuseum Twenthe in Enschede.

• Het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten waarin de model-erfgoedverordening voorziet, is in Rijssen-Holten ruimer geïnterpreteerd en richt zich niet alleen, zoals in het geval van stads- en dorpsgezichten, op het kunnen aanwijzen en beschermen van groepen van onroerende zaken maar ook van structuren. Op die manier wordt invulling gegeven aan een integrale benadering van erfgoed. In de erfgoedverordening is daartoe paragraaf 3 ‘Gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuren’ opgenomen. Hiermee wordt een ruimtelijke structuur in dorp of stad bedoeld, die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege haar verschijningsvorm, haar samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld of omdat de structuur deel uitmaakt van een (cultuur)landschappelijk (deel)gebied.

Een aantal van deze structuren is reeds globaal geïnventariseerd maar nog niet gewaardeerd en beschermd. Daaronder zijn onder meer beeldbepalende straten en kerkenpaden in het centrum van Rijssen en holle wegen, leemkuilen of wallen in het buitengebied van de gemeente.

Door dergelijke structuren op gemeentelijk niveau te beschermen kan verder verval of verdwijning worden voorkomen. De structuren dragen bij aan de identiteit van Rijssen-Holten. Door deze te bewaren en waar nodig te versterken ontstaat een uniek bezoekmotief.

Een deel van het cultureel erfgoed in het fysieke domein is geborgd in bestemmingsplannen en maakt om die reden geen deel uit van deze Erfgoedverordening. Daarbij gaat het om:

• Karakteristieke panden. In het bestemmingsplannen kan er sprake zijn van een aanduiding ‘Wonen-karakteristiek’ of ‘Karakteristieke bebouwing’. Doel van de aanduiding is het behoud van het straatbeeld en van de uitwendinge hoofdvorm van de gebouwen, waarbij een verschillend beschermingsregime geldt afhankelijk van het bestemmingsplangebied.

• Archeologische waarden en verwachtingen. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening is gehouden. Voor gemeenten waar nog bestemmingsplannen gelden van voor de invoering van dit artikel, is hiertoe een facultatieve bepaling in de model-erfgoedverordening opgenomen. De gemeente heeft in 2010 een archeologisch onderzoek laten uitvoeren dat geleid heeft tot een archeologische verwachtingskaart waaraan beleidsadviezen zijn gekoppeld. Per kaartcategorie is een advies gegeven hoe met deze archeologische waarden kan worden omgegaan. In alle bestemmingsplannen in de gemeente is de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgenomen. Om die reden is de bepaling in de erfgoedverordening achterwege gelaten. Omdat de Archeologische verwachtings- en beleidskaart echter niet eerder officieel zijn vastgesteld, zal dit tegelijktijdig met deze Erfgoedverordening plaatsvinden.

Het alsnog vaststellen ervan zorgt voor een bredere juridische verankering.

Samenvattend wordt op hoofdlijnen met de verordening het volgende geregeld:

• De aanwijzing van gemeentelijke (archeologische) monumenten en gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuren.

• De bescherming en vergunningplicht voor de wijziging van gemeentelijke (archeologische) monumenten.

• De bescherming en vergunningplicht voor geheel of gedeeltelijke sloop van gemeentelijke beeldbepalende stedelijke en landschappelijke structuren.

Wettelijke grondslag

De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en, op de voet van het overgangsrecht van artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 12 ,15 en 38 van de Monumentenwet 1988. Deze laatste wetgeving blijft op grond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Daarnaast zijn ook de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van belang in verband met de bescherming van monumenten door middel van omgevingsvergunningen.

ARTIKELSGEWIJS

Enkel de bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

§ 1. Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen “gemeentelijk monument”, “minister”, “omgevingsvergunning” en “stads- en dorpsgezichten” waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven.

Het begrip “omgevingsvergunning” uit de Wabo heeft betrekking op artikel 2.2, eerste lid, aanhef en

onder b daar waat het de omgevingsvergunning voor monumenten betreft en op het tweede lid van dit artikel in het geval van de omgevingsvergunning voor stedelijke of landschappelijke structuren.

De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet worden hierna gegeven:

- archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;

- cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden;

- cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;

- kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;

- monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;

- normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

- rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;

- rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet;

- verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.

Voor begrippen die specifiek de situatie in de gemeente Rijssen-Holten duiden, is een definitie bepaald:

- archeologische verwachtings- en beleidskaart: kaart van de gemeente Rijssen-Holten met daarop aangegeven de archeologische waarden gekoppeld aan beleidsadviezen die aangeven hoe met die waarden wordt omgegaan.

- beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuur: ruimtelijke structuur in dorp of stad die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed vanwege haar verschijningsvorm, haar samenhang met het stedenbouwkundig of architectonisch beeld of omdat de structuur deel uitmaakt van een (cultuur)landschappelijk (deel)gebied

- college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten

- karakteristiek pand: onroerende zaak die deel uitmaakt van het cultureel erfgoed omdat deze een bijzondere waarde voor de omgeving heeft. Dit kan een architectonische of cultuurhistorische achtergrond hebben.

Artikel 1.2 Gemeentelijk erfgoedregister

Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. In Rijssen-Holten gaat het om door het gemeentebestuur zelf aangewezen (archeologische) monumenten en in de toekomst mogelijk om beeldbepalende stedelijke en landschappelijke structuren. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister.

Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening.

Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen.

De ambitie is om het gemeentelijk register ook uit te breiden met onroerend cultureel erfgoed dat via het ruimtelijke spoor wordt geborgd, waaronder de karakteristieke panden.

Artikel 1.3 Advies gemeentelijke adviescommissie

Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. Vooruitlopend op de Omgevingswet kan gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit.

In Rijssen-Holten wordt aan bovenstaande uitvoering gegeven in de vorm van de monumentencommissie georganiseerd door Het Oversticht. De monumentencommissie adviseert over de aanvraag van de omgevingsvergunning én over aanwijzingen tot beschermd erfgoed. Op verzoek kan door Het Oversticht worden voorzien in een brede gemeentelijke adviescommisse omgevingskwaliteit waarvoor adviseurs binnen de verschilende disciplines beschikbaar zijn.

Daarnaast is gekozen voor de instelling van een erfgoedadviesraad die het college gevraagd en ongevraagd adviseert op het gebied van cultureel erfgoed in fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer over zaken als erfgoedinventarisaties en -selecties, de uitvoering en organisatie van het gemeentelijk erfgoedbeleid, het creëren van draagvlak voor erfgoed(zorg) en het stimuleren van kennisvergaring, kennisdeling en publieksactiviteiten. De inbreng van lokale erfgoedkennis, het meer betrekken van de inwoners van Rijssen-Holten en het creëren van draagvlak voor het lokale erfgoed vormen de belangrijkste redenen voor het oprichten van de erfgoedadviesraad.

Nu een voorwaarde van de Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van de gemeentelijke adviescommissie (onder de Monumentewet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening en eveneens van toepassing verklaard op het ‘Reglement Erfgoedadviesraad gemeente Rijssen-Holten 2017’.

§ 2. Gemeentelijk monumenten

Artikel 2.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.

Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.

Artikel 2.2 Voornemen tot aanwijzing

Eerste lid

Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw of bouwwerk). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigenden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.

Tweede lid

De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

Artikel 2.3 Voorbescherming

Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).

Artikel 2.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Wat betreft de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).

Artikel 2.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Eerste lid

Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.

Tweede lid

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

Artikel 2.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de monumentencommissie zoals bedoeld in artikel 1.3, lid 1, onder a pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van artikel 2.9 en verder, geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.

Artikel 2.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

Dit artikel bepaalt dat voor het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.

Artikel 2.9 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. De instandhoudingsplicht is uitgebreid met een verbod en strafbepaling op het onthouden van onderhoud aan een gemeentelijk monument. Een eigenaar moet zorgen dat zijn of haar monument zodanig onderhouden wordt dat behoud gewaarborgd is.

Artikel 2.10 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude verordening.

Artikel 2.12 Weigeringsgronden

In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.

§ 3. Gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuren

De begrippen beeldbepalende stedelijke of landschappelijke stucturen zijn in het algemene deel van deze toelichting onder ‘Reikwijdte’ uiteengezet.

Het onderscheid met paragraaf 2 over het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten, is dat voor gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuren een beschermingsregime van toepassing is dat minder ingrijpt in de private sfeer. Dat betekent dat de instandhoudingsplicht die geldt voor gemeentelijke monumenten (artikel 2.9), achterwege is gelaten. Bij de aanwijzing tot gemeentelijke beeldbepalende stedelijke of landschappelijke structuren zullen de karakteristieken en waarden worden benoemd in het aanwijzingsbesluit. Voor landschappelijke structuren kan het daarbij ook gaan om de beplanting. Het aanwijzingsbesluit fungeert als toetsingkader in het geval van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.

Verwezen wordt naar de toelichting bij § 2 voor overeenkomende artikelen.

§ 4. Rijksmonumenten

Artikel 4. Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Zie de toelichting bij artikel 1.3. De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988). In Rijssen-Holten is dat de monumentencommissie zoals bedoeld in artikel 1.3, lid 3.

§ 5. Handhaving en toezicht

Artikel 5.1 Strafbepaling

Deze strafbepaling is uitsluitend voor overtreding van de instandhoudingsplicht van artikel 2.9 en de nadere regels krachtens artikel 2.10, derde lid, noodzakelijk. De strafbaarstelling van handelen zonder of in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is via de Wabo en de Wet op de economische delicten (artikel 1a) geregeld. Langs deze weg is ook overtreding van artikelen 2.10, eerste lid en 3.9, eerste lid, van deze verordening strafbaar.

Artikel 5.2 Toezichthouders

Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend.

Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Uit artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de ambtenaren die op grond van artikel 22, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor zover het betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, daarnaast ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

 

Naar boven