36 178 Voorstel van wet van de leden Paulusma, Becker, Westerveld, Van Nispen en Kostić tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit (Wet strafbaarstelling conversiehandelingen)

D BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 januari 2026

Inleiding

In het verslag over het voorstel van wet van de leden Paulusma, Becker, Westerveld, Van Nispen en Kostić tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit (36 178) zijn door de leden van de fracties van de BBB en D66 verschillende vragen gesteld over voormeld wetsvoorstel die (mede) aan de regering zijn gericht. De leden van de fractie Volt hebben zich bij de vragen van de leden van de D66-fractie aangesloten. Graag ben ik bereid deze vragen namens de regering te beantwoorden. Bij de beantwoording is de indeling van het verslag gevolgd.

Het wetsvoorstel strekt tot strafbaarstelling van conversiehandelingen zowel in het Europese deel van Nederland (artikel 285ba van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als in Caribisch Nederland (artikel 297b van het Wetboek van Strafrecht BES). Omwille van de leesbaarheid wordt in het navolgende steeds alleen verwezen naar de Europees Nederlandse strafbepaling. Dat neemt niet weg dat de hierna genoemde overwegingen eveneens gelden ten aanzien van de Caribisch Nederlandse strafbepaling.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Vraag 1

De leden van de BBB-fractie verwijzen naar het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en de wetenschapstoets waaraan het wetsvoorstel is onderworpen. Zij vragen wat er met de daarin verwoorde vraagpunten omtrent het doel, de reikwijdte, de effectiviteit en de onderbouwing is gedaan.

De leden van de fractie van de BBB hebben deze vraag ook gesteld aan de initiatiefnemers. In de nota naar aanleiding van het verslag hebben zij nader uiteengezet op welke wijze de advies- en vraagpunten uit respectievelijk het advies van de Afdeling en de wetenschapstoets zijn geadresseerd.1 Vanuit mijn rol als adviseur, namens het kabinet, van het parlement verwijs ik de leden van de fractie van de BBB graag naar die reactie.

Vraag 2

De leden van de BBB-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen de punten die zijn genoemd in de verworpen motie van de leden Diederik van Dijk en Bikker,2 waarin de initiatiefnemers werd verzocht om, alvorens het wetsvoorstel in stemming te brengen, de tweede nota van wijziging ter advisering aan de Afdeling voor te leggen.

Met de genoemde nota van wijziging3 hebben de initiatiefnemers de reikwijdte van het voorgestelde artikel 285ba, eerste lid, Sr verhelderd, met als doel tegemoet te komen aan daarover gestelde vragen in de consultatieadviezen en vanuit de Tweede Kamer. Daartoe zijn twee begrenzingen die al in de memorie van toelichting waren opgenomen in de wet vastgelegd. De toevoeging van het bestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» drukt uit dat de beoogde strafbaarstelling zich alleen uitstrekt tot fysieke en psychische inwerkingen die stelselmatig worden verricht of een anderszins indringend karakter hebben. De formulering «met het oogmerk om» vervangt het aanvankelijk opgenomen bestanddeel «die ertoe strekken». Zo komt duidelijk in de voorgestelde wettelijke delictsomschrijving tot uitdrukking dat voor strafbaarheid steeds is vereist dat de dader het specifieke oogmerk moet hebben om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken. Met deze gewijzigde formulering geeft het wetsvoorstel nog helderder weer waar het om gaat, zonder dat de voorgestelde strafbaarstelling inhoudelijk is gewijzigd. Het uitgangspunt is dat de Afdeling alleen bij ingrijpende wijzigingen van een wetsvoorstel over die wijzigingen hoeft te worden gehoord.4 Van zo’n ingrijpende wijziging was in dit geval geen sprake en daarom was een verzoek om voorlichting ook naar het oordeel van het kabinet (zoals tot uitdrukking gebracht in de appreciatie van de motie) niet nodig. Dat doet zeker niet af aan de betekenis van deze nota van wijziging. Het is van belang dat er zoveel mogelijk duidelijkheid wordt verschaft over de gedragingen die wel of niet onder de strafbaarstelling vallen.

Vraag 3

De aan het woord zijnde leden vragen wat de toegevoegde waarde van de beoogde strafbepaling is ten opzichte van bestaande strafbepalingen, waaronder de strafbaarstellingen van dwang (artikel 284 Sr) en mishandeling (artikel 300 Sr).

De leden van de fractie van de BBB constateren terecht dat bepaalde schadelijke praktijken die samenhangen met conversiehandelingen nu al strafbaar zijn. Het initiatiefvoorstel bevat evenwel een bredere strafbepaling. Allereerst wordt het enkele verrichten van conversiehandelingen ten aanzien van minderjarigen en kwetsbare volwassenen strafbaar (voorgesteld artikel 285ba, eerste en derde lid, Sr). Die gedraging is nu op zichzelf niet strafbaar. Zo is het verrichten van conversiehandelingen op grond van artikel 284 Sr alleen strafbaar als dwang wanneer het slachtoffer zich niet, of zeer moeilijk, aan die handelingen heeft kunnen onttrekken (onvermijdbaarheid). Een dergelijk vereiste geldt niet in het kader van de voorgestelde strafbepaling. Anders dan ten aanzien van mishandeling hoeft bij de beoogde strafbepaling niet te worden bewezen dat de verrichte conversiehandelingen pijn of letsel tot gevolg hebben gehad. Daarmee bestrijkt deze strafbaarstelling situaties die nu niet strafbaar zijn als dwang of mishandeling. Verder introduceert het initiatiefvoorstel voor bepaalde situaties een strafrechtelijk verbod op het aanbieden van diensten die bestaan uit conversiehandelingen (voorgesteld artikel 285ba, vierde lid, Sr). Deze gedraging is op dit moment evenmin strafbaar. De voorgestelde strafbepaling verruimt dus de strafrechtelijke aansprakelijkheid en heeft daarmee toegevoegde waarde ten opzichte van bestaande strafbepalingen.

Vraag 4

De BBB-fractieleden vragen of van het begrip «conversiehandelingen» een duidelijker juridische definitie kan worden gegeven.

Het initiatiefvoorstel introduceert een specifieke strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen ten aanzien van minderjarigen (voorgesteld artikel 285ba, eerste lid, Sr) of kwetsbare meerderjarigen (derde lid). Voor strafbaarheid is steeds vereist dat die handelingen (i) zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie, (ii) een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben en (iii) zijn verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van – kort gezegd – een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. Door het bestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» komt duidelijk in de wettelijke delictsomschrijving tot uitdrukking dat het delict zich alleen uitstrekt tot fysieke en psychische inwerkingen die stelselmatig worden verricht of een anderszins indringend karakter hebben. Met het oog op de beoordeling of hiervan in een concreet geval sprake is, bevatten de parlementaire stukken, waaronder de toelichting op de tweede nota van wijziging, beoordelingsfactoren en voorbeelden. Relevante factoren zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, alsook de omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Als voorbeelden van situaties die onder het bereik van de strafbaarstelling kunnen vallen worden genoemd het stelselmatig psychische druk uitoefenen op een persoon om diens seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken dan wel het eenmalig toedienen van elektroshocks. Laatstgenoemde fysieke inwerkingen hebben een indringend karakter vanwege de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de persoon die deze elektroshocks krijgt toegediend. Daarentegen valt een incidenteel pastoraal of psychotherapeutisch getint gesprek door bijvoorbeeld een jeugdwerker over seksuele gerichtheid of genderidentiteit buiten de reikwijdte van de beoogde strafbaarstelling, ook als in zo’n gesprek (zijdelings) enige psychische druk op die persoon wordt uitgeoefend. Bij pastorale of psychotherapeutische gesprekken zal pas aan het bestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» zijn voldaan als over een zekere periode en met een hoge mate van intensiteit druk wordt uitgeoefend op de betreffende persoon om diens seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken.

Naar het oordeel van het kabinet is het voorgestelde strafrechtelijk verbod op het verrichten van conversiehandelingen helder afgebakend en handhaafbaar. Uit de wettekst blijkt duidelijk op welke gevallen de strafbaarstelling zich richt en er worden toereikende aanknopingspunten geboden om niet-laakbare gedragingen daarbuiten te houden. Op basis daarvan zal per geval moeten worden beoordeeld of sprake is van strafbaarheid. Daarbij is van belang dat het OM in zijn advies heeft aangegeven dat de strafbepaling voldoende handvatten biedt voor handhaving en vervolging. Met het oog op de rechtszekerheid is ook van betekenis dat – als gevolg van het aangenomen amendement van het lid Wijen-Nass5 – het voorgestelde zevende lid van de strafbepaling expliciet bevestigt dat artsen en andere zorgverleners, zonder voor strafrechtelijke vervolging te hoeven vrezen, de ruimte behouden om volgens de professionele standaarden van hun beroepsgroep zorg te verlenen.

Naar aanleiding van de referte van de leden van de BBB-fractie aan de schadelijkheid van conversiehandelingen merk ik tot slot nog op dat het schadebeginsel geen dwingend criterium is voor de beoordeling van de wenselijkheid van een strafbaarstelling of de afgrenzing daarvan. Er zijn meer strafbepalingen waarin bepaalde gedragingen op zichzelf strafbaar zijn gesteld, zonder dat de delictsomschrijving vereist dat die gedragingen daadwerkelijk (al) schade hebben toegebracht. Te denken valt aan het bezit van drugs, het voorhanden hebben van een vuurwapen of het bedreigen van een persoon. De initiatiefnemers hebben aangegeven het toebrengen van «psychische schade» niet als delictsbestanddeel te hebben opgenomen, onder andere om te voorkomen dat in de praktijk op dit punt onnodige bewijsmoeilijkheden zullen ontstaan. Ik kan die afweging goed volgen.

Vraag 5

De leden vragen in hoeverre pastorale, hulpverlenende en ouderlijke gesprekken over identiteit onder de reikwijdte van de strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen vallen, in het bijzonder wanneer bij dergelijke gesprekken het delictsbestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» is vervuld.

Bedoelde strafbepaling strekt zich alleen uit tot handelingen die zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie. Gesprekken tussen ouders en kind in de privésfeer vallen dus buiten de reikwijdte van die strafbaarstelling. Pastorale en andere hulpverlenende gesprekken over identiteit zijn alleen strafbaar als deze een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben en daarnaast zijn verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. Met de tweede nota van wijziging is de formulering «met het oogmerk om» ingevoegd, zodat – zo blijkt uit de daarop gegeven toelichting – heel duidelijk tot uitdrukking komt dat voor strafbaarheid is vereist dat de dader de specifieke bedoeling heeft gehad om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken dan wel heeft beseft dat dit het noodzakelijk gevolg van zijn handelen zal zijn. Wat mij betreft geeft het wetsvoorstel geeft hiermee nog helderder weer waar het om gaat bij deze strafbaarstellingen.

Vraag 6

De leden van de fractie van de BBB vragen naar de definitie van de begrippen «stelselmatig» en «op indringende wijze».

Voor strafbaarheid is vereist dat de handelingen die zijn verricht – met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken – een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben gehad. De parlementaire stukken, waaronder de toelichting op de tweede nota van wijziging, bevatten beoordelingsfactoren en voorbeelden. Daaruit blijkt dat strafbaarheid wegens het verrichten van conversiehandelingen alleen in beeld komt als die handelingen een bepaalde intensiteit hebben gehad, die bijvoorbeeld spreekt uit de duur of frequentie van het handelen. Op dit punt verwijs ik graag naar mijn eerdere reactie op vraag 4 van de leden van de BBB-fractie. In aanvulling daarop kan hier nog worden genoemd dat de begrippen «stelselmatig» en «indringend» al in het Wetboek van Strafrecht voorkomen, als delictsbestanddeel van belaging (artikel 285b, eerste lid, Sr) onderscheidenlijk als bestanddeel van verschillende seksuele delicten (artikelen 251, eerste lid, onderdeel a, en 429ter Sr).

Vraag 7

Verder verzoeken de leden om een definitie van het begrip «genderidentiteit».

De initiatiefnemers zijn – naar aanleiding van de wetenschapstoets – in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer nader ingegaan op de term «genderidentiteit».6 Daarbij hebben zij aangegeven aan te sluiten bij «de concepten zoals die reeds wettelijk bestaan en worden toegepast», waarbij onder andere is gewezen op artikel 1, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling. De keuze voor aansluiting bij al bestaande definities komt mij begrijpelijk voor en biedt naar mijn oordeel voldoende handvatten voor de invulling van dit begrip.

Vraag 8

De aan het woord zijnde leden constateren dat in de considerans van het wetsvoorstel wordt gesproken van «openbaar» aanbieden en in de strafbepaling van artikel 285ba, vierde lid, onderdeel a, Sr van «openlijk» aanbieden. Zij informeren naar waarom hier verschillende begrippen worden gebruikt en welk aanbieden is beoogd strafbaar te stellen.

Een algemeen uitgangspunt is dat voor strafbaarheid wegens het begaan van een delict is vereist dat aan alle bestanddelen van de wettelijke delictsomschrijving is voldaan. De wettekst is op dit punt dus leidend. Voor de strafbaarstelling van het aanbieden van diensten die bestaan uit het verrichten van conversiehandelingen als bedoeld in artikel 285ba, vierde lid, onderdeel a, Sr, betekent dit dat moet zijn voldaan aan de delictsbestanddelen die in dat artikel zijn opgenomen. Wellicht ten overvloede merk ik daarbij op dat het begrip «openlijk» ook nu al in het Wetboek van Strafrecht voorkomt, waaronder bijvoorbeeld in artikel 132 Sr. De initiatiefnemers hebben eerder toegelicht dat met «openlijk aanbieden» wordt gedoeld op situaties waarin dat aanbieden is gedaan tegenover een bredere kring van personen. Daaronder valt het in het openbaar aanbieden van conversiehandelingen.7

Vragen 9 en 10

Wat is de definitie van de door conversiehandelingen veroorzaakte «schade», zo vragen de leden van de BBB-fractie. Zij vragen ook of conversiehandelingen zonder schade voor het slachtoffer strafbaar zijn en of wordt overwogen voor het OM een strafvorderingsrichtlijn op te stellen.

De initiatiefnemers hebben aangegeven het toebrengen van (psychische) schade niet als delictsbestanddeel te hebben opgenomen, onder andere om bewijsmoeilijkheden op dit punt te voorkomen. Ik kan die afweging goed volgen, zo heb ik toegelicht in mijn reactie op vraag 4 van de aan het woord zijnde leden. De rechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid, zodat de strafoplegging in concrete gevallen kan worden afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige omstandigheden. In voorkomende gevallen kan de rechter bij het bepalen van de op te leggen straf dus ook betrekken dat conversiehandelingen geringe gevolgen voor het slachtoffer hebben gehad. Op grond van artikel 130, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is het aan het College van Procureurs-Generaal om te bepalen voor welke strafbare feiten een strafvorderingsrichtlijn wordt vastgesteld.

Vraag 11

De leden van de BBB-fractie vragen of de formulering van de voorgestelde strafbepaling naar het oordeel van de regering in overeenstemming is met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel.

Naar mijn oordeel is de beoogde strafbepaling in het licht van het bepaaldheidsgebod, dat onderdeel is van het (inter)nationaal erkende legaliteitsbeginsel,8 voldoende nauwkeurig omschreven. Daarbij betrek ik dat de wettelijke delictsomschrijving bij tweede nota van wijziging is aangescherpt en dat de parlementaire stukken beoordelingsfactoren en voorbeelden bevatten die nader licht werpen op de reikwijdte van de strafbepaling. Verder is van betekenis dat het OM in zijn advies heeft aangegeven dat de strafbepaling voldoende handvatten biedt voor handhaving en vervolging. Voor een nadere toelichting op deze punten verwijs ik de aan het woord zijnde leden graag naar mijn eerdere reactie op vraag 4. Bij elkaar genomen is voor burgers en justitiële autoriteiten in voldoende mate voorzienbaar welk gedrag onder de strafbepaling valt. Dit laat onverlet dat onvermijdelijk is dat zich in de praktijk op het vlak van de bewijsvoering grensgevallen kunnen voordoen. Ook voor veel andere delicten in het Wetboek van Strafrecht geldt dat de desbetreffende strafbare gedragingen algemeen zijn omschreven, waarbij – binnen de door de wetgever getrokken grenzen – langs de weg van wetsgeschiedenis en jurisprudentie nader helderheid wordt geboden over de specifieke gedragingen die onder het bereik van de delictsomschrijving vallen. Het strafrechtelijk uitgangspunt dat algemene delictsomschrijvingen nader inhoud krijgen in jurisprudentie is naar het oordeel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet alleen verenigbaar met het legaliteitsbeginsel, maar tevens een «well entrenched and necessary part of legal tradition in the Convention» (Grote Kamer 21 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1021JUD004275009 (Del Río Prada v. Spain), rov. 91–93.

Vraag 12

Gevraagd wordt of de strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen ook ingrepen in het lichaam, zoals het toedienen van medicatie, kan omvatten. In dat verband informeren de aan het woord zijnde leden ook naar waar de grens ligt tussen de beoogde strafbaarstelling enerzijds en besnijdenis, genitale verminking en het wegnemen van lichaamsdelen anderzijds.

Voor strafbaarheid ter zake van het verrichten van conversiehandelingen (voorgesteld artikel 285ba, eerste en derde lid, Sr) is steeds vereist dat die handelingen (i) zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie, (ii) een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben en (iii) zijn verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van – kort gezegd – een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. Dit betekent dat fysieke inwerkingen die een indringend karakter hebben onder het bereik van de strafbaarstelling kunnen vallen. Per geval zal moeten worden beoordeeld of het toedienen van medicatie – waarmee inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit van de persoon aan wie deze medicatie wordt verstrekt – een stelselmatig of anderszins indringend karakter heeft zoals de delictsomschrijving vereist, waarbij steeds geldt dat voor strafbaarheid eveneens is vereist dat ook aan alle delictsvereisten is voldaan, waaronder het oogmerk. Het is mogelijk dat handelingen in een concreet geval zowel onder de voorgestelde strafbaarstelling als onder een of meer andere strafbaarstellingen vallen. Te denken valt aan samenloop met mishandeling (artikel 300 Sr). De wettelijke samenloopregeling, die is neergelegd in Titel VI van Boek 1 van het Wetboek van Strafrecht, voorziet voor die gevallen in voorschriften om te komen tot een passende bestraffing.

Vragen 13 en 14

De leden van de BBB-fractie vragen tegen de achtergrond van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst in hoeverre de strafbepaling een chilling effect kan hebben op ouders, hulpverleners en betrokkenen bij maatschappelijke organisaties, en hoe het wetsvoorstel waarborgt dat legitieme religieuze uitingen buiten het bereik van het strafrecht blijven.

Vooropgesteld zij dat er geen reden is te veronderstellen dat de strafbepaling niet verenigbaar zou zijn met fundamentele rechten. Het grondwettelijk en verdragsrechtelijk kader laat ruimte om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst te beperken via een wettelijke strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen.9 Ik wijs erop dat een dergelijke strafbepaling juist ook kan bijdragen aan het beschermen van rechten en vrijheden van anderen. Voor de verhouding met de genoemde fundamentele rechten is van belang dat het strafrechtelijk verbod op conversiehandelingen zich beperkt tot – kort gezegd – handelingen die zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie, waarbij een minderjarige of kwetsbare meerderjarige stelselmatig of op anderszins indringende wijze onder druk wordt gezet om diens seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken (zie hierover nader de reactie op de vragen 4, 5 en 12 van de aan het woord zijnde leden). Dit betekent dat de strafbepaling zich niet uitstrekt tot gesprekken tussen ouders en kind. Datzelfde geldt voor het vanuit een bepaalde (geloofs)overtuiging delen van opvattingen of het geven van adviezen. Pastorale en andere hulpverlenende gesprekken over identiteit zijn, zoals gezegd, alleen strafbaar als deze een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben en daarnaast zijn verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. Daarbovenop is voor zorgverleners geëxpliciteerd dat het handelen in overeenstemming met de voor diegene geldende zorgvuldigheidseisen niet strafbaar is (voorgesteld artikel 285ba, zevende lid). Tegen deze achtergrond ben ik niet bevreesd dat dit wetsvoorstel een onwenselijk chilling effect zal hebben.

Vragen 15 en 16

De leden vragen naar de waarborging van de vrijheid van beroepsuitoefening door psychologen en therapeuten en of er voorbeelden zijn van personen die niet vallen onder «de arts of andere zorgverlener» die niet strafbaar zijn zolang zij in de uitoefening van hun beroep handelen in overeenstemming met de voor hen geldende zorgvuldigheidseisen (artikel 285ba, zevende lid, Sr) en hoe deze «zorgvuldigheidseisen» worden gedefinieerd.

Het wetsvoorstel tast de vrijheid van een verantwoorde beroepsuitoefening niet aan. De beoogde strafbepaling voorziet immers alleen in strafbaarheid wanneer een arts of andere zorgverlener handelingen verricht die onder de delictsomschrijving vallen (artikel 285ba, eerste tot en met derde lid, Sr) en diegene de voor hem of haar geldende professionele zorgvuldigheidseisen schendt (zevende lid). Die zorgvuldigheidseisen zijn neergelegd in professionele en kwaliteitsstandaarden, zoals protocollen, richtlijnen en procedures die binnen de desbetreffende beroepsgroep gelden. Uit de toelichting op het eerder genoemde amendement-Wijen-Nass, dat heeft geleid tot het voorgestelde zevende artikellid, blijkt dat met het amendement is beoogd te expliciteren dat zorgverleners de ruimte behouden om volgens de professionele standaarden van hun beroepsgroep zorg te verlenen. Indien er een medische reden is om over te gaan tot een behandeling zal deze dus onverminderd binnen de bestaande professionele kaders kunnen worden uitgevoerd.

Op basis van het voorgestelde artikel 285ba, zevende lid, Sr zijn artsen en andere zorgverleners die in de uitoefening van hun beroep handelen in overeenstemming met voor hun geldende zorgvuldigheidseisen niet strafbaar. Door verschillende betrokken verenigingen van medisch specialisten is met input van patiëntenverenigingen onder andere een kwaliteitsstandaard opgesteld voor transgenderzorg. Voor zover artsen en andere zorgverleners zich hieraan houden, vallen zij onder de genoemde strafuitsluitingsgrond. Eventuele grensgevallen zullen aan de hand van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld.

Vraag 17

Met het oog op de inhoud van «conversiewetten» in andere landen, waaronder Duitsland, vragen de leden van de BBB-fractie waarom voor de voorliggende reikwijdte van de strafbepaling is gekozen.

De leden hebben deze vraag – die primair ziet op de keuzes en afwegingen die ten grondslag liggen aan dit wetsvoorstel – ook gesteld aan de initiatiefnemers. Graag verwijs ik naar hun reactie op deze vraag.10

Vraag 18

De leden van de BBB-fractie menen dat het moeilijk zal zijn kwalitatief goed bewijsmateriaal te verzamelen, ook van medische en psychiatrische aard, en vragen mede tegen die achtergrond naar de handhaafbaarheid van de wet. Zij geven de regering in overweging een uitvoeringstoets te laten uitvoeren.

Het wetsvoorstel is ter advisering voorgelegd aan onder andere de politie, het OM en de Raad voor de rechtspraak. Langs die weg zijn de genoemde organisaties in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de uitvoerings- en financiële consequenties van het wetsvoorstel, alsook de handhaafbaarheid van de beoogde strafbepaling. In zijn consultatieadvies heeft het OM aangegeven dat de voorgestelde strafbepaling de praktijk voldoende handvatten geeft voor opsporing en vervolging. Met het oog daarop heb ik er alle vertrouwen in dat deze strafbepaling daadwerkelijk kan worden toegepast. Daarbij is het aan het OM om zaken die zich aandienen te beoordelen op bewijsbaarheid en mede op basis daarvan te besluiten of vervolging wordt ingesteld. In verband daarmee verdient opmerking dat niet hoeft te worden bewezen dat het slachtoffer door het ondergaan van conversiehandelingen psychische schade heeft opgelopen (zie de reactie op vraag 4 van de aan het woord zijnde leden). Tegen deze achtergrond is er geen aanleiding om in dit stadium nog een uitvoeringstoets te laten doen.

Vraag 19

Deze leden vragen of de regering voornemens is maatregelen te nemen, zoals uitbreiding van bestuursrechtelijk toezicht, toezicht door (medische) inspecties van het Rijk, of voorlichting.

In artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is vastgelegd wat goede zorg inhoudt. Goede zorg is zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt, waarbij zorgaanbieders en zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard en de kwaliteitstandaard. Deze professionele standaarden en kwaliteitsstandaarden worden ingevuld door het veld. Zorgverleners zijn gehouden te handelen met inachtneming van de professionele standaarden en kwaliteitsstandaarden. Zij richten zich in hun behandeling naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, gecombineerd met hun klinische expertise, rekening houdend met de verwachtingen en ervaringen van de cliënt. Daar hoort bij dat een cliënt (of ouders) begrijpelijk wordt geïnformeerd over de effectiviteit, aard, duur en neveneffecten van een behandeling. Door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de zorg. Als de IGJ constateert dat zorgaanbieders zich niet aan de regels houden en de kwaliteit of veiligheid van de zorg ernstig bedreigd wordt, kan de inspectie indien nodig handhavende maatregelen nemen. De overheid bemoeit zich – afgezien van de situatie waarin sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen waartegen de IGJ op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) een tuchtklacht kan indienen – niet met de manier waarop zorgverleners zorg verlenen voor zover het medisch inhoudelijke overwegingen betreft.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

Met het oog op de rol van de beroepsgroepen vragen de leden van de D66-fractie of beroepsorganisaties, zoals het Nederlands Instituut van Psychologen of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), verplicht zijn actief op te treden als conversiehandelingen worden verricht of daarvan melding te doen, en hoe dit in de praktijk wordt vormgegeven.

De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van de zorg. Op grond van de Wkkgz is een zorgaanbieder verplicht om iedere calamiteit die bij de zorgverlening heeft plaatsgevonden, geweld in de zorgrelatie en ontslag van een zorgverlener wegens disfunctioneren bij de IGJ te melden. Eenieder kan ook bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ een zogenoemde «andere melding» doen over zorgelijke situaties aangaande de kwaliteit van zorg of het functioneren van een zorgverlener. Beroepsorganisaties kunnen dit ook doen, maar zijn hiertoe niet verplicht. Als de IGJ constateert dat een zorgaanbieder geen goede zorg biedt als bedoeld in artikel 2 Wkkgz, als sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen (artikel 25 Wkkgz) of als een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt (artikel 47 jo. artikel 65 Wet BIG) zich niet aan de regels houdt en de kwaliteit of veiligheid van de zorg ernstig bedreigd wordt, kan de inspectie indien nodig handhavende maatregelen nemen. De IGJ is op grond van artikel 162, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verplicht om aangifte te doen van misdrijven waardoor een inbreuk wordt gemaakt op een regeling waarvan de zorg voor de naleving aan de IGJ is opgedragen. Deze aangifteplicht is echter niet van toepassing als de IGJ met het doen van aangifte haar afgeleide verschoningsrecht zou doorbreken (artikel 162, derde lid, Sv). Medische gegevens of andere vertrouwelijke gegevens over cliënten vallen onder dit verschoningsrecht. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen verstrekt de IGJ gegevens die vallen onder haar (afgeleide) geheimhoudingsplicht en afgeleide verschoningsrecht aan het OM. Het OM en de IGJ hebben hierover afspraken gemaakt in het Samenwerkingsprotocol gezondheidszorg IGJ en OM 2021. Daarnaast kan het doen van aangifte in voorkomende gevallen in overleg met de officier van justitie achterwege worden gelaten (artikel 162, zesde lid, Sv).

De leden van de D66-fractie vragen de regering te bevestigen dat het advies van de Afdeling niet kan worden gelezen als een aanwijzing dat de strafbaarstelling juridisch onvoldoende is afgebakend voor toepassing in de rechtspraktijk. Ook vragen zij naar een reflectie op aanpassingen die de initiatiefnemers naar aanleiding van de ontvangen adviezen, waaronder dat van de Afdeling, hebben doorgevoerd.

Het advies van de Afdeling bevat enkele opmerkingen over de verhouding van de strafbepaling met verschillende grondrechten (paragraaf 3), de meerwaarde van de strafbepaling ten opzichte van bestaande strafbaarstellingen (paragraaf 4), de effectiviteit, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid (paragraaf 5), de verhouding tot andere maatregelen (paragraaf 6) en de vormgeving van de strafbepaling (paragraaf 8). In laatstgenoemde paragraaf adviseert de Afdeling om ten aanzien van de afbakening van de delictsomschrijving te verduidelijken of de beoogde strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen zich kan uitstrekken tot handelingen die worden verricht in de privésfeer. In de reactie van de initiatiefnemers op het advies hebben zij aangegeven de memorie van toelichting op dit punt te hebben verduidelijkt, door te verhelderen dat gedragingen die zich uitsluitend in de privésfeer afspelen – zoals gesprekken tussen ouder en kind – buiten de strafbaarstelling vallen.11 In de gewijzigde memorie van toelichting wijzen de initiatiefnemers mede op de bewoordingen van de delictsomschrijving, waaruit blijkt dat het strafrechtelijk verbod alleen handelingen omvat die zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie.12 Met de leden van de D66-fractie constateer ik dat de Afdeling niet heeft geoordeeld dat de aan haar voorgestelde strafbepaling – die nadien bij tweede nota van wijziging op onderdelen nader is afgebakend – onvoldoende duidelijk was voor toepassing in de praktijk.

Daarnaar gevraagd door de leden van de fracties van D66 en de BBB hebben de initiatiefnemers in hun nota naar aanleiding van het verslag13 toegelicht op welke specifieke punten de wettekst en de daarop gegeven toelichting is aangescherpt, naar aanleiding van de adviezen en de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Zij wijzen er in dit verband onder meer op dat de reikwijdte van wettelijke delictsomschrijving verder is verduidelijkt. Daarbij noemen zij dat in de wet is geëxpliciteerd dat alleen handelingen die een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben onder de reikwijdte van de strafbepaling vallen (voorgesteld artikel 285ba, eerste lid, Sr als gevolg van de tweede nota van wijziging) en dat de reikwijdte van het vereiste oogmerk is verhelderd (voorgesteld artikel 285ba, tweede lid, als gevolg van het aangenomen nader gewijzigd amendement-Six Dijkstra14). Daarnaast is specifiek bij deze strafbaarstelling voor zorgverleners extra bevestigd dat zij niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij gewoon hun werk doen, door vastlegging van de zogeheten medische exceptie in de wet (voorgesteld artikel 285ba, zevende lid, als gevolg van het gewijzigd amendement-Wijen-Nass15). Zoals hiervoor in reactie op vragen van de leden van de BBB-fractie ook al aan de orde gekomen, is het kabinet dan ook van oordeel dat het voorgestelde strafrechtelijk verbod op conversiehandelingen goed is afgebakend en handhaafbaar is. Uit de delictsomschrijving blijkt enerzijds duidelijk op welke situaties de strafbaarstelling zich richt, terwijl anderzijds is geëxpliciteerd dat verantwoorde medische (psychologische) behandelingen gerechtvaardigd en dus niet strafbaar zijn.

De leden van de D66-fractie houden voor dat ook herhaalde of stelselmatige gesprekken onder de reikwijdte van de strafbepaling kunnen vallen en willen vernemen onder welke omstandigheden dat het geval is. In het verlengde hiervan vragen zij naar een oordeel over de handhaafbaarheid van het wetsvoorstel in de praktijk.

Graag verwijs ik de leden van de fractie van D66 naar mijn reactie op de soortgelijke vragen 4 en 18 van de leden van de fractie van de BBB.

De leden van de fractie van D66 vragen of het zo is dat een ouder die op indringende wijze met zijn of haar kind gesprekken voert over de seksuele gerichtheid of genderidentiteit met de bedoeling om die te veranderen of te onderdrukken, niet onder de delictsomschrijving valt. Ook stellen zij de vraag of een organisatie strafbaar is wegens betrokkenheid bij het verrichten van conversiehandelingen, indien een ouder bij die organisatie te rade gaat en door die organisatie met informatie wordt gevoed of geïnstrueerd om het kind op indringende wijze onder druk te zetten teneinde de seksuele gerichtheid te veranderen of te onderdrukken.

Uit de bewoordingen van de wettelijke delictsomschrijving volgt inderdaad dat de strafbepaling zich alleen uitstrekt tot handelingen die zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie. Gesprekken tussen ouders en kind in de privésfeer vallen dus buiten de reikwijdte van die strafbepaling, zo kan ik deze leden bevestigen. Ook medeplichtigheid aan het verrichten van conversiehandelingen is strafbaar. In dat geval is voor strafbaarheid vereist dat een (rechts)persoon opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van een strafbaar grondfeit. In het voorbeeld van de leden kan van medeplichtigheid geen sprake zijn, omdat de betrokken ouders niet als pleger van het misdrijf van artikel 285ba, Sr kunnen gelden; de situatie dat «in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie» handelingen zijn verricht, doet zich immers niet voor. Dit betekent niet dat in het gegeven voorbeeld de betrokken organisatie nooit strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. In een uitzonderlijk geval kan sprake zijn van strafbaarheid wegens het doen plegen van het verrichten van conversiehandelingen als bedoeld in artikel 285ba, eerste lid, Sr, namelijk als – uitgaande van het voorbeeld – de organisatie op zeer indringende wijze druk heeft uitgeoefend op ouders om de seksuele gerichtheid van hun kind te doen veranderen of onderdrukken. Daarnaast kan zich de situatie voordoen dat de betrokken organisatie diensten die bestaan uit conversiehandelingen aanbiedt en daarmee valt onder de daarop toegespitste strafbaarstelling (voorgesteld artikel 285ba, vierde lid, Sr).

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten


X Noot
1

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, C, p. 3–4.

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 16.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 11.

X Noot
4

Zie het Draaiboek voor de regelgeving, nr. 61 in verbinding met nr. 140 en Aanwijzing 7.15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 14.

X Noot
6

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 10, p. 2–3.

X Noot
7

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 10, p. 57.

X Noot
8

Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel vindt behalve in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, ook uitdrukking in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

X Noot
9

Zie de artikelen 6 en 7 van de Grondwet, de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, de artikelen 10 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 18 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, C, p. 13.

X Noot
11

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 4, p. 20.

X Noot
12

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 6, p. 35.

X Noot
13

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, C, p. 3–4 en 13–14.

X Noot
14

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 18.

X Noot
15

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 14.


X Noot
1

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, C, p. 3–4.

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 16.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 11.

X Noot
4

Zie het Draaiboek voor de regelgeving, nr. 61 in verbinding met nr. 140 en Aanwijzing 7.15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 14.

X Noot
6

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 10, p. 2–3.

X Noot
7

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 10, p. 57.

X Noot
8

Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel vindt behalve in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, ook uitdrukking in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

X Noot
9

Zie de artikelen 6 en 7 van de Grondwet, de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, de artikelen 10 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 18 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, C, p. 13.

X Noot
11

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 4, p. 20.

X Noot
12

Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 6, p. 35.

X Noot
13

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, C, p. 3–4 en 13–14.

X Noot
14

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 18.

X Noot
15

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 14.

Naar boven