35 097 Europees voorstel: Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling van een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen COM(2018)387

34 998 EU-voorstellen: Meerjarig Financieel Kader voor 2021–2027

A1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 november 2018

De leden van de vaste commissie voor Financiën2 hebben in hun vergadering van 2 oktober 2018 gesproken over enkele van de voorstellen van de Europese Commissie voor de toekomstige sectorspecifieke financiële programma's in het kader van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de periode 2021–2027.3 De leden van de fractie van de PvdA hebben in het bijzonder kennisgenomen van het BNC-fiche dat de regering heeft opgesteld naar aanleiding van het voorstel voor een verordening voor een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (COM(2018)387).4 Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de Minister van Financiën op 30 oktober 2018 vragen gesteld.

De Minister heeft op 23 november 2018 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIEN

Aan de Minister van Financiën

Den Haag, 30 oktober 2018

De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben in hun vergadering van 2 oktober 2018 gesproken over enkele van de voorstellen van de Europese Commissie voor de toekomstige sectorspecifieke financiële programma's in het kader van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de periode 2021–2027.5 De leden van de fractie van de PvdA hebben in het bijzonder kennisgenomen van het BNC-fiche dat de regering heeft opgesteld naar aanleiding van het voorstel voor een verordening voor een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (COM(2018)387).6 Deze leden hebben daarover de volgende vragen.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de behoefte aan een stabilisatiefunctie voor investeringen reeds werd geuit in het verslag van de vijf voorzitters over de voltooiing van Europa’s economische en monetaire unie van 22 juni 2015.7 Hierin heeft de toenmalige Nederlandse Minister van Financiën, in zijn rol als voorzitter van de Eurogroep, een belangrijke rol gespeeld. In dit kader verrast de huidige opstelling van de regering deze leden. Kunt u aangeven wat de consistentie is in de stellingname van de regering over het genoemde verslag van de vijf voorzitters vanaf 22 juni 2015 tot heden?

De aan het woord zijnde leden wijzen er graag op dat de behoefte aan een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen in belangrijke mate wordt ingegeven door het gericht bestrijden van extreme werkloosheid in geval van asymmetrische schokken. Dergelijke werkloosheid heeft zich onder andere voorgedaan in Griekenland en Spanje, met een jeugdwerkloosheid die op haar dieptepunt rond de 50% schommelde. Deelt u het standpunt van de leden van de fractie van de PvdA dat het op die momenten weinig zin heeft om louter over de schuldvraag van de financieel-economische crisis te spreken, maar dat gerichte werkgelegenheidsbevorderende investeringen aan de orde moeten zijn?

De afgelopen jaren is herhaaldelijk gesproken over de inflexibiliteit van de EMU-normen, zo memoreren de leden van de PvdA-fractie tot slot. Ook Nederland heeft zich hiertegen verzet, in het bijzonder gedurende de periode (2009–2013) dat ons land zich zelf in de procedure van buitensporige tekorten bevond. Ons land beschikte destijds over voldoende leencapaciteit en kon gebruikmaken van een aantrekkelijke inleenrente, maar dit is lang niet voor alle EMU-landen weggelegd. Is het – zeker zolang er nog geen sprake is van obligaties voor gezamenlijke rekening van de landen van de eurozone – dan niet juist wenselijk dat er in aanvullende stabilisatie-instrumenten wordt voorzien?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de beantwoording van bovenstaande vragen met belangstelling en bij voorkeur binnen vier weken na dagtekening van deze brief tegemoet.

Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën M.A.J. Knip

BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 november 2018

Bijgevoegd vindt u de antwoorden op de door de PvdA-fractie gestelde vragen over het BNC-fiche bij een voorstel tot een verordening tot instelling van een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (kenmerk 163447.01u).

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Vragen van de leden van de fractie van de PvdA in de Eerste Kamer aan de Minister van Financiën over het BNC-fiche bij een voorstel tot een verordening tot instelling van een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (kenmerk 163447.01u).

Vraag 1:

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de behoefte aan een stabilisatiefunctie voor investeringen reeds werd geuit in het verslag van de vijf voorzitters over de voltooiing van Europa’s economische en monetaire unie van 22 juni 2015. Hierin heeft de toenmalige Nederlandse Minister van Financiën, in zijn rol als voorzitter van de Eurogroep, een belangrijke rol gespeeld. In dit kader verrast de huidige opstelling van de regering deze leden. De leden vragen daarom aan te geven wat de consistentie is in de stellingname van de regering over het genoemde verslag van de vijf voorzitters vanaf 22 juni 2015 tot heden?

Antwoord:

In het vijfpresidenten rapport van 1 juni 2015 wordt aangeraden voor de lange termijn een eurozone brede stabilisatiefunctie te creëren. Het rapport geeft daarbij aan dat een dergelijke stap een culminatiepunt zou moeten zijn van een proces dat als basisvoorwaarde significante economische convergentie, financiële integratie en verdere coördinatie en pooling van besluitvorming met nationale begrotingen vereist.

Het toenmalig kabinet heeft zich bij de appreciatie van het vijfpresidenten rapport tegen een budgettaire stabilisatiefunctie uitgesproken.8 Hierbij is aangegeven dat er betere manieren zijn om schokken op te vangen, zoals via eigen nationale begrotingsbuffers, goed functionerende kapitaalmarkten en flexibele economieën. De standpunten van het huidige kabinet zijn in lijn met deze positie. Een uitgebreide toelichting waarom het huidige kabinet geen voorstander is van een stabilisatiefunctie is te vinden in o.a. de brief over de toekomst van de Europese en Monetaire Unie (EMU) van 27 november 20179 en het verslag van de eurogroep van 7/8 september jl.10

Vraag 2:

De aan het woord zijnde leden wijzen er graag op dat de behoefte aan een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen in belangrijke mate wordt ingegeven door het gericht bestrijden van extreme werkloosheid in geval van asymmetrische schokken. Dergelijke werkloosheid heeft zich onder andere voorgedaan in Griekenland en Spanje, met een jeugdwerkloosheid die op haar dieptepunt rond de 50% schommelde. De leden vragen daarom of het kabinet het standpunt van de leden van de fractie van de PvdA deelt dat het op die momenten weinig zin heeft om louter over de schuldvraag van de financieel-economische crisis te spreken, maar dat gerichte werkgelegenheidsbevorderende investeringen aan de orde moeten zijn?

Antwoord:

Verstandige investeringen kunnen bijdragen aan groei van werkgelegenheid, ook voor jongeren. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat landen in geval van economische schokken blijven investeren. Om dit mogelijk te maken is het belangrijk dat landen zelf in goede tijden werken aan het vergroten van de duurzaamheid van de groei alsook het aanpassingsvermogen van hun economieën via structurele hervormingen. Ook het tijdig en voldoende afbouwen van publieke schulden, en het streven naar begrotingsevenwicht over de economische cyclus heen is belangrijk om in een nieuwe crisis publieke investeringen te kunnen blijven doen. Het automatisch ondersteunen van landen die dergelijke maatregelen niet of onvoldoende willen of kunnen treffen biedt geen duurzame oplossing voor de onderliggende problemen van deze landen. Bovendien kan een automatische stabilisatiefunctie de motivatie van landen om goed beleid te maken reduceren en, gegeven de grote verschillen in Europa, tot permanente inkomensoverdrachten leiden.

Vraag 3:

De afgelopen jaren is herhaaldelijk gesproken over de inflexibiliteit van de EMU-normen, zo memoreren de leden van de PvdA-fractie tot slot. Ook Nederland heeft zich hiertegen verzet, in het bijzonder gedurende de periode (2009–2013) dat ons land zich zelf in de procedure van buitensporige tekorten bevond. Ons land beschikte destijds over voldoende leencapaciteit en kon gebruikmaken van een aantrekkelijke inleenrente, maar dit is lang niet voor alle EMU-landen weggelegd. De leden van de PvdA-fractie vragen daarom of het – zeker zolang er nog geen sprake is van obligaties voor gezamenlijke rekening van de landen van de eurozone – dan niet juist wenselijk is dat er in aanvullende stabilisatie-instrumenten wordt voorzien?

Antwoord:

Het kabinet is van mening dat het niet wenselijk is dat er op Europees niveau stabilisatie-instrumenten worden ingericht om lidstaten met hoge inleenrentes te ondersteunen. Lidstaten hebben binnen de regels van het SGP reeds ruimte voor het opvangen van schokken. Deze regels bieden de flexibiliteit om rekening te houden met de stand van de conjunctuur. Lidstaten die voldoen aan hun zogenaamde middellangetermijndoelstelling («medium term objective») en hun overheidsschuld niet uit de hand laten lopen zijn daardoor in staat vrijwel alle economische schokken op te vangen. Het beheersbaar houden van publieke schulden bevordert bovendien de kredietwaardigheid en waarborgt voldoende lage inleenrentes. In het uiterste geval dat een lidstaat geen toegang meer heeft tot financiële markten kan een lidstaat een beroep doen op het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM). Tot slot is het kabinet van mening dat gemeenschappelijke schulduitgifte in aanvulling op de genoemde schulduitgifte in het kader van ESM-steunprogramma’s ongewenst is, omdat het geen oplossingen biedt voor de structurele uitdagingen van lidstaten en de prikkels voor verstandig beleid op nationaal niveau ondermijnt.


X Noot
1

Letter A heeft alleen betrekking op 35 097.

X Noot
2

Samenstelling:

Nagel (50PLUS), Ten Hoeve (OSF), Knip (VVD)(voorzitter), Backer (D66), Ester (CU), Postema (PvdA), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Kok (PVV), Bruijn (VVD), Vac. (PVV), Van Apeldoorn (SP), N.J.J. van Kesteren (CDA), Knapen (CDA), Köhler (SP), Prast (D66), Van Rij (CDA) (vicevoorzitter), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Van de Ven (VVD), vac. (PvdA), Reuten (SP), Wever (VVD), Van Leeuwen (PvdD), Binnema (GL)

X Noot
3

Ter bespreking stonden geagendeerd de voorstellen COM(2018)369, 371, 386, 387, 391, 442, 443.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2017–2018, 22 112, nr. 2732. Zie ook dossier E180029 op www.europapoort.nl.

X Noot
5

Ter bespreking stonden geagendeerd de voorstellen COM(2018)369, 371, 386, 387, 391, 442, 443.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2017–2018, 22 112, nr. 2732. Zie ook dossier E180029 op www.europapoort.nl.

X Noot
7

J.-C. Juncker, D. Tusk, J. Dijsselbloem, M. Draghi en M. Schulz, De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie (Verslag van vijf voorzitters), 22 juni 2015. Zie ook dossier E150013 op www.europapoort.nl.

X Noot
8

Kamerstukken 2014–2015 II, 21 501-20, nr. 996

X Noot
9

Kamerstukken 2017–2018 II, 21 501-20, nr. 1262

X Noot
10

Kamerstukken 2018–2019 II, 21 501-07, nr. 1544

Naar boven