35 093 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening

Nr. 13 AMENDEMENT VAN HET LID ELLEMEET

Ontvangen 27 maart 2019

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel A, wordt in artikel 2.1.4 na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4a. In afwijking van het derde lid is artikel 2.1.4a, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid, van toepassing op de bijdrage voor een aangewezen algemene voorziening, bedoeld in het derde lid, indien de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen:

    • a. over het kalenderjaar dat voorafging op het jaar waarin die aangewezen algemene voorziening is verstrekt een verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoot of genoten dat meer bedroeg dan € 55.000; of

    • b. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, een het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van loon dat als een eindheffingsbestanddeel in de zin van die wet is belast, genoot of genoten dat meer bedroeg dan € 55.000 over het kalenderjaar dat voorafging op het jaar waarin de aangewezen algemene voorziening is verstrekt.

II

Het in artikel I, onderdeel A, opgenomen artikel 2.1.4a wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5a. Het vierde lid is niet van toepassing indien de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen:

    • a. over het kalenderjaar dat voorafging op het jaar waarin de aanvraag voor de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is gedaan een verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoot of genoten dat meer bedroeg dan € 55.000; of

    • b. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, een het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van loon dat als een eindheffingsbestanddeel in de zin van die wet is belast, genoot of genoten dat meer bedroeg dan € 55.000 over het kalenderjaar dat voorafging op het jaar waarin de aanvraag voor de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is gedaan.

2. In het zesde lid wordt «De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel, een woningaanpassing of een bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid, gaat de kostprijs daarvan niet te boven.» vervangen door «De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor de cliënt of de gehuwde cliënten in het geval, bedoeld in lid 5a, alsmede voor een hulpmiddel, een woningaanpassing of een bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid, gaat de kostprijs daarvan niet te boven.»

3. In het zevende lid wordt «regels gesteld over de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor beschermd wonen en opvang» vervangen door «regels gesteld over de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor de cliënt of de gehuwde cliënten in het geval, bedoeld in lid 5a, alsmede voor beschermd wonen en opvang».

III

Het in artikel I, onderdeel A, opgenomen artikel 2.1.4b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 2.1.4, derde en vierde lid» vervangen door «artikel 2.1.4, derde lid, vierde lid en lid 4a».

2. In het vierde lid wordt «2.1.4, derde lid» vervangen door «2.1.4, derde lid en lid 4a» en wordt «2.1.4a, vierde lid» vervangen door «2.1.4a, vierde lid en lid 5a».

Toelichting

Middeninkomens vallen vaak buiten de boot als het gaat om compensatie of tegemoetkoming voor zorgkosten. Voor deze inkomensgroepen is het dan ook belangrijk om de stapeling van eigen bijdragen terug te brengen. Inkomens boven de € 55.000 bruto zijn daarentegen wel weer beter in staat om een inkomensafhankelijke bijdrage te leveren aan de maatschappelijke ondersteuning die vanuit de WMO wordt geboden. Deze inkomensgrens wordt ook gehanteerd bij sociale verzekeringen. Daarom geldt het abonnementstarief tot een bruto inkomen van € 55.000, en kan de gemeente daarboven een inkomensafhankelijke bijdrage vragen. Mochten er individuele omstandigheden zijn waardoor een hogere eigen bijdrage voor een cliënt boven deze inkomensgrens alsnog ongewenst is dan kan een gemeente een lagere bijdrage vaststellen afhankelijk van de betalingscapaciteit van de cliënt.

Ellemeet

Naar boven