34 968 Wijziging van de Aanpassingswet studiefinanciering BES

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het wetsvoorstel voor de Aanpassingswet studiefinanciering BES aan te passen, vanwege een verduidelijking van de bepaling betreffende de gevolgen van gebruik van het reisproduct bij een beëindigd reisrecht en de introductie van een grondslag voor de uitwisseling van de voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid, benodigde gegevens;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Indien het bij koninklijke boodschap van 29 oktober 2015 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van onder meer de Wet studiefinanciering BES met het oog op codificatie van de ontstane uitvoeringspraktijk van de studiefinanciering BES, verruiming van het toepassingsbereik van de studiefinanciering BES naar Canada en doorvoering van diverse technische verbeteringen en kleine beleidsmatige wijzigingen (Aanpassingswet studiefinanciering BES) (Kamerstukken 34 331) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift komt te luiden:

Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes

B

De beweegreden komt te luiden:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de Wet studiefinanciering 2000 enkele maatregelen door te voeren met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes;

C

De artikelen I tot en met IV vervallen.

D

In artikel V wordt voor onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

aA

Artikel 3.23, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. In afwijking van artikel 1.7 gebruikt Onze Minister in contacten met RSR het burgerservicenummer van:

    • a. een studerende voor de toekenning en beëindiging van diens reisrecht; en

    • b. de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen en van wie nadat sprake was van één van de situaties genoemd in artikel 3.27, eerste lid, onder a en b, het reisproduct niet tijdig is stopgezet, voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid.

E

Artikel V, onderdeel A, komt te luiden:

A

Artikel 3.27 komt te luiden:

Artikel 3.27. Beëindiging reisrecht

  • 1. De persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen is verplicht er zorg voor te dragen dat het reisproduct is stopgezet op uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand waarin:

    • a. zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd; of

    • b. zijn reisproduct op grond van artikel 3.7, tweede of derde lid, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.

  • 2. Indien het reisproduct niet is stopgezet na de termijn, genoemd in het eerste lid, aanhef, en er gebruik van is gemaakt, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019:

    • a. € 75,00 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en

    • b. € 150,00 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft.

  • 3. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van die maand.

  • 4. De opbouw van de bedragen, genoemd in het tweede lid, vangt aan op het moment dat sprake is van één van de situaties genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, waarbij voor de eerste halve kalendermaand waarin € 75,00 verschuldigd is uitsluitend wordt gekeken naar het gebruik van het reisproduct tijdens de elfde tot en met de vijftiende dag van die maand.

  • 5. Er is geen bedrag verschuldigd over de halve kalendermaanden waarin geen gebruik gemaakt is van het reisproduct.

  • 6. Indien een studerende na het beëindigen van zijn aanspraak op het reisrecht opnieuw een reisrecht toegekend heeft gekregen, is na het beëindigen van het laatst toegekende reisrecht wederom sprake van een eerste halve kalendermaand, als bedoeld in het tweede lid, onder a.

  • 7. Het tweede lid is niet van toepassing op een periode waarin het degene aan wie het reisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet.

  • 8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het zevende lid, moet worden aangetoond.

F

In artikel V worden na onderdeel A twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 3.29, eerste lid, eerste volzin, wordt na «artikel 3.27, tweede lid,» ingevoegd «onder b,».

Ab

In artikel 4.8, eerste lid, wordt «eentwaalfde deel» vervangen door «een twaalfde deel» en wordt in de tweede volzin «het voorafgaande kalenderjaar» vervangen door «het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar».

G

Artikel V, onderdeel B, komt te luiden:

B

In artikel 5.3, eerste lid, wordt «eentwaalfde deel» vervangen door «een twaalfde deel».

H

In artikel V wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Artikel 9.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 2. RSR verstrekt op verzoek van Onze Minister voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid, het gegeven of een persoon in een bepaalde periode nadat zijn reisproduct op grond van artikel 3.27, eerste lid, zou moeten zijn stopgezet, gebruik heeft gemaakt van het reisproduct.

  • 3. Voor de uitvoering van het eerste lid, verstrekt de rechtspersoon die tot taak heeft de uitgifte van OV-chipkaarten en het beheer van de aan de OV-chipkaart gekoppelde reisgegevens, op verzoek van RSR het gegeven of binnen een bepaalde periode gebruik is gemaakt van het reisproduct op een bepaalde OV-chipkaart.

  • 4. Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid.

I

In artikel V wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

D

Na paragraaf 12.3 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oogop het verminderen van het aantal OV-boetes

Artikel 12.26. Overgangsbepaling artikel 3.27

  • 1. Artikel 3.27, zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331), blijft van toepassing op de bedragen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren.

  • 2. De persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes (Kamerstukken 34 331) reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf de inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de genoemde wet op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de studerende wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op het moment van inwerkingtreding van dat artikel V, onderdeel A.

J

Artikel VI komt te luiden:

ARTIKEL VI. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL II INWERKINGTREDING

Indien het bij koninklijke boodschap van 29 oktober 2015 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van onder meer de Wet studiefinanciering BES met het oog op codificatie van de ontstane uitvoeringspraktijk van de studiefinanciering BES, verruiming van het toepassingsbereik van de studiefinanciering BES naar Canada en doorvoering van diverse technische verbeteringen en kleine beleidsmatige wijzigingen (Aanpassingswet studiefinanciering BES) (Kamerstukken 34 331) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt deze wet op hetzelfde tijdstip in werking.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Naar boven