34 813 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet bekostiging financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek en de Wet handhaving consumentenbescherming ter implementatie van richtlijn nr. 2015/2366/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PbEU 2015, L 337) (Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten)

Nr. 12 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 20 juni 2018

Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel I, onderdeel A, wordt gewijzigd als volgt:

1. In subonderdeel 1 wordt in de definitie betaalinitiatiedienstverlener «richtlijn betaalrekeningen» vervangen door: richtlijn betaaldiensten.

2. Er wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

4. De definitie van betaalrekening komt te luiden:

betaalrekening: op naam van een of meer betaaldienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt, als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn betaaldiensten;

B

Artikel I, onderdeel B, wordt gewijzigd als volgt:

1. In het in het tweede subonderdeel, onder c, opgenomen onderdeel k wordt voor «diensten die gebaseerd zijn op specifieke betaalinstrumenten:» ingevoegd: het verlenen van.

2. In het in het tweede subonderdeel, onder c, opgenomen onderdeel k, subonderdeel 2, wordt «een zeer beperkt aantal» vervangen door: een zeer beperkte reeks.

3. In het in het tweede subonderdeel, onder d, opgenomen onderdeel l wordt «betalingstransacties die door een aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten worden verricht en» vervangen door: het verrichten van betalingstransacties door een aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten.

4. Het tweede subonderdeel, onder f, komt te luiden:

f. Aan onderdeel o wordt een volzin toegevoegd, luidende: Met dien verstande dat aan de cliënt de informatie over eventuele kosten voor geldopname ingevolge artikel 4:22 wordt verstrekt, zowel voor de geldopname als na ontvangst van het chartaal geld aan het einde van de transactie na de geldopname.

5. Het derde subonderdeel, komt te luiden:

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een verplichting tot het doen van een kennisgeving aan de Nederlandsche Bank door verleners van de diensten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen k en l.

C

In artikel I wordt na onderdeel B, een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Aan artikel 1:24 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De Nederlandsche Bank heeft, gelet op de bevoegdheid van de Autoriteit persoonsgegevens als bedoeld in artikel 21a van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, niet tot taak toezicht op betaaldienstverleners uit te oefenen voor zover dat betrekking heeft op de naleving van het bepaalde krachtens artikel 3:17, zevende lid.

D

In artikel I wordt na onderdeel G een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ga

In artikel 1:62, onderdelen a tot en met c, wordt «of schadeverzekeraar» telkens vervangen door: , schadeverzekeraar of betaalinstelling.

E

Artikel I, onderdeel M, komt te luiden:

Aan artikel 2:3e worden vier leden toegevoegd, luidende:

3. Indien een betaaldienstverlener met een zetel in een andere lidstaat voornemens is om vanuit een bijkantoor in Nederland of door middel van het verrichten van diensten, al dan niet door tussenkomst van een betaaldienstagent, in Nederland haar diensten aan te bieden, beoordeelt de Nederlandsche Bank aan de hand van de daarop betrekking hebbende gegevens binnen een maand na ontvangst van die gegevens van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat of er sprake is van bedenkingen tegen toelating op de Nederlandse markt en stelt zij die instantie daarvan in kennis, met name indien het vermoeden bestaat dat met de voorgenomen vestiging van het bijkantoor of de inschakeling van de betaaldienstagent in strijd wordt gehandeld met wettelijke voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

4. In geval van het voornemen om diensten aan te bieden door tussenkomst van een betaaldienstagent die zelf geen betaaldienstverlener is, is op de betaaldienstagent de betrouwbaarheidseis, bedoeld in artikel 3:9, van overeenkomstige toepassing.

5. Op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten wijst een betaaldienstverlener als bedoeld in het derde lid, overeenkomstig artikel 29, vijfde lid, van de richtlijn betaaldiensten een centraal contactpunt aan. Het centraal contactpunt draagt zorg voor het aanleveren van de door de Autoriteit Financiële Markten verzochte informatie met betrekking tot de naleving van de bij of krachtens het deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen gestelde regels.

6. Een betaaldienstverlener als bedoeld in het derde lid, overlegt op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten een periodiek verslag over de in Nederland verrichte activiteiten. De Autoriteit Financiële Markten gebruikt het verslag uitsluitend voor informatieve en statistische doeleinden en voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens het deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen gestelde regels.

F

Artikel I, onderdeel W, subonderdeel 2, komt te luiden:

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

h. betaalinstelling die een of meer van de in bijlage I, punt 1 tot en met 7, van de richtlijn betaaldiensten bedoelde bedrijfsactiviteiten uitoefent; of

i. elektronischgeldinstelling.

G

Aan artikel I, onderdeel BB, wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

4. In de opsomming van de artikelen uit het Algemeen deel wordt voor «1:10» ingevoegd: 1:5a, tweede lid, onderdelen k en l, en derde lid,.

H

Aan artikel I, onderdeel CC, wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

4. In de opsomming van de artikelen uit het Algemeen deel wordt voor «1:10» ingevoegd: 1:5a, tweede lid, onderdelen k en l, en derde lid,.

I

In artikel I worden na onderdeel Y twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ya

Artikel 3:108a vervalt.

Yb

Artikel 4:2b vervalt.

J

Aan het in artikel I, onderdeel AA, opgenomen artikel 5:88a wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toegang van betaaldienstverleners die geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld van artikel 2:3a, eerste lid.

K

Artikel II, onderdeel A, komt te luiden:

A

Aan de tabel in Bijlage I, onderdeel Wft.D4, worden in numerieke volgorde de volgende onderdelen toegevoegd:

Wft.D4.08a

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet op het financieel toezicht, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag niet meer dan 15 uur nodig heeft

€ 1.600

Wft.D4.08b

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet op het financieel toezicht, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 15 uur en niet meer dan 150 uur nodig heeft

€ 5.000

Wft.D4.08c

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet op het financieel toezicht, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft

€ 30.500

Wft.D4.08d

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet op het financieel toezicht, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag niet meer dan 15 uur nodig heeft

€ 1.600

Wft.D4.08e

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet op het financieel toezicht, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 15 uur en niet meer dan 150 uur nodig heeft

€ 5.000

Wft.D4.08f

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet op het financieel toezicht, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft

€ 30.500

L

Na artikel III, onderdeel E, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ea

In artikel 519, tweede lid, wordt na «Indien voor het initiëren van een betalingstransactie» ingevoegd: bij een geldautomaat,.

M

In artikel IV wordt voor onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

aA

Artikel 1.1, onderdeel e, onder 5°, komt te luiden:

5°. een betalingsdienst als bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG.

N

Na artikel IV wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IVA

De Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 21a

1. De taak van de Autoriteit persoonsgegevens, bedoeld in artikel 6, derde lid, omvat mede het toezicht op de naleving van de krachtens artikel 3:17, zevende lid, van de Wet op het financieel toezicht gestelde verplichtingen met betrekking tot de toegang van betaaldienstverleners tot de persoonsgegevens van betaaldienstgebruikers.

2. Met betrekking tot het toezicht, bedoeld in het eerste lid, vindt de samenwerking en uitwisseling van informatie met De Nederlandsche Bank N.V. en andere relevante toezichthouders plaats overeenkomstig artikel 26 van de richtlijn betaaldiensten, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

3. De Autoriteit persoonsgegevens kan in geval van overtreding van de krachtens artikel 3.17, zevende lid, van de Wet op het financieel toezicht gestelde verplichtingen aan de overtreder een last opleggen om waar passend, op een nader bepaalde manier en binnen een nader bepaalde termijn, verwerkingen in overeenstemming te brengen met het daar bepaalde. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.

4. De Autoriteit persoonsgegevens kan in geval van een overtreding van de krachtens artikel 3.17, zevende lid, van de Wet op het financieel toezicht gestelde verplichtingen aan de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 20.000.000 euro of, indien dit meer is, ten hoogste 4% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar. Artikel 83, tweede en derde lid, van de verordening is van overeenkomstige toepassing.

5. De bestuurlijke boete en de te betalen geldsom van een verbeurde dwangsom komen toe aan de Staat.

O

Artikel V wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Aan een betaalinstelling of een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid wordt ambtshalve een vergunning verleend op grond van de artikelen 2:3b respectievelijk 2:10b van de Wet op het financieel toezicht en deze instellingen blijven ingeschreven in het openbaar register als bedoeld in artikel 1:107 van die wet, indien De Nederlandsche Bank N.V. reeds over het bewijs beschikt dat aan de in die artikelen genoemde eisen wordt voldaan. Indien De Nederlandsche Bank N.V. op 13 juli 2018 niet over dit bewijs beschikt, kan De Nederlandsche Bank N.V. maatregelen nemen om de naleving van deze eisen te waarborgen, dan wel de op grond van de artikelen 2:3b respectievelijk 2:10b van de Wet op het financieel toezicht verleende vergunning intrekken.

2. In het vierde lid, wordt «van rechtswege» vervangen door: ambtshalve.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging bevat verbeteringen van het wetsvoorstel Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten (PSD II), waaronder een belangrijke verbetering op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens. PSD II bevat het vereiste dat een betaaldienstverlener voor het verkrijgen van toegang tot persoonsgegevens die nodig zijn voor het verlenen van betaaldiensten uitdrukkelijke toestemming nodig heeft van de betaaldienstgebruiker (artikel 94(2) PSD II). In deze nota van wijziging wordt voorgesteld het toezicht op dit vereiste toe te delen aan de Autoriteit persoonsgegevens, die daarvoor het best geëquipeerd is. De wijzigingen betreffen verder enkele technische reparaties van het wetsvoorstel en enkele aanvullingen. De wijzigingen worden hieronder toegelicht.

Onderdelen

A

In onderdeel A wordt een verschrijving hersteld. Daarnaast wordt bij de definitie van het begrip betaalrekening verwezen naar de richtlijn betaaldiensten. Dit begrip is in de Wft opgenomen bij de implementatie van PSD I. De wetgever heeft toen bepaald dat een rekening als betaalrekening kan worden aangemerkt indien de rekening wordt aangehouden met als hoofddoel het kunnen verrichten van betalingen. Deze interpretatie is te beperkt voor een goede werking van PSD II, omdat PSD II twee nieuwe betaaldiensten introduceert (zie de bijlage bij de richtlijn). Deze uitbreiding heeft ook gevolgen voor de reikwijdte van het begrip betaalrekening. Daarnaast zijn sinds PSD I in de praktijk allerlei nieuwe vormen van betaalrekeningen ontstaan, waarbij niet altijd duidelijk is of deze onder het in PSD I gedefinieerde begrip betaalrekening vallen. Om een goede werking van PSD II te bevorderen dient bij de interpretatie van het begrip betaalrekening het doel van PSD II leidend te zijn, alsmede de praktische implementatie van de in PSD II geregelde toegang tot de betaalrekening. De technische aspecten van een rekening mogen geen reden zijn voor een betaaldienstverlener om het recht van een betaaldienstgebruiker om gebruik te maken van de in PSD II geïntroduceerde nieuwe betaaldiensten te beperken. Om dit te bewerkstelligen wordt voorgesteld om in de definitie van het begrip betaalrekening te verwijzen naar de richtlijn betaaldiensten.

B en L

In onderdeel L is «geldautomaat» alsnog ingevoegd in artikel 519 van Boek 7 van het BW. Artikel 519 implementeert artikel 59 van de richtlijn (artikel 49 van PSD I). Dit artikel is iets gewijzigd ten opzichte van PSD I in de zin dat in artikel 59 van de richtlijn «geldautomaat» is toegevoegd. Deze toevoeging is abusievelijk niet meegenomen in het wetsvoorstel. Met dit onderdeel is dit gerepareerd. Als gevolg daarvan is in het vierde subonderdeel van onderdeel B de verwijzing in artikel 1:5a, tweede lid, onderdeel o, naar artikel 519 Boek 7 BW verwijderd. De informatieverplichting uit artikel 59 van de richtlijn is met onderdeel L immers geregeld in artikel 519 van Boek 7 BW.

In het vijfde subonderdeel van onderdeel B is – kort gezegd – het begrip toepassing vervangen door kennisgeving in artikel 1:5a, derde lid. Daarmee wordt verduidelijkt dat de grondslag voor het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur beperkt is tot regels met betrekking tot de verplichting tot het doen van een kennisgeving aan DNB door verleners van de in artikel 1:5a, tweede lid, onderdelen k en l, genoemde diensten.

C en N

Krachtens het voorgestelde artikel 3:17, zevende lid, wordt artikel 94, tweede lid, van PSD II geïmplementeerd in het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel 94, tweede lid, PSD II schrijft voor dat een betalingsdienstaanbieder alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de betalingsdienstgebruiker toegang mag krijgen tot persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het aanbieden van betalingsdiensten, deze verwerken en bewaren. Dit vereiste is een aanvullende PSD II-eis die geldt bovenop de eisen die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving stellen aan de verwerking van persoonsgegevens. Voor het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van het verlenen van betaaldiensten moet zowel aan het vereiste in artikel 94, tweede lid, PSD II als aan de eisen uit de AVG worden voldaan.

Vanuit de Tweede Kamer zijn zorgen geuit over het toezicht op het in artikel 94, tweede lid, van PSD II gestelde uitdrukkelijke toestemmingsvereiste. Om deze zorgen weg te nemen en om tegemoet te komen aan de wens van de Autoriteit persoonsgegevens (AP) omtrent het toezicht op dit vereiste, is het in dit specifieke geval wenselijk om de AP toe te laten zien op de naleving van dit vereiste. Daarom wordt voorgesteld om uitsluitend de AP doorlopend toezicht te laten houden op de naleving van dit uitdrukkelijke toestemmingsvereiste en deze taak voor de AP uitdrukkelijk vast te leggen in de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG). Over de praktische uitvoering van dit toezicht dienen samenwerkingsafspraken te worden gemaakt tussen DNB en de AP, zodat het toezicht goed op elkaar is afgestemd.

Het uitdrukkelijke toestemmingsvereiste uit PSD II ligt in het verlengde van de AVG, aangezien handelen in strijd met dit vereiste vrijwel altijd betekent dat tevens sprake is van een onrechtmatige gegevensverwerking en dat dus in strijd wordt gehandeld met de AVG. Daarnaast is de toestemming in de AVG één van de rechtsgrondslagen voor verwerking van persoonsgegevens (artikel 6, eerste lid, onderdeel a, AVG) die in artikel 7 van de AVG nader is uitgewerkt. Voor de invulling van het uitdrukkelijke toestemmingsvereiste uit PSD II kan daarom, waar mogelijk, worden aangesloten bij de eisen die de AVG stelt ten aanzien van het verlenen van toestemming (artikel 7 AVG).

Artikel 21a UAVG

Lid 1

In geval van overtreding van de krachtens het voorgestelde artikel 3.17, zevende lid, van de Wft gestelde verplichtingen voor betaaldienstverleners heeft de AP tot taak om toe te zien op de naleving en kan daartoe handhavingsmaatregelen treffen. Met de formulering van het eerste lid wordt verduidelijkt dat de taak van de AP, bedoeld in artikel 6, derde lid, UAVG, mede omvat het toezicht op de naleving van de krachtens artikel 3:17, zevende lid, Wft gestelde verplichtingen.

Een belangrijke reden om aan te sluiten bij het regime van de UAVG ligt in de uitvoerbaarheid van het toezicht: de AP kan bij overtreding van de AVG en van de bij of krachtens artikel 3:17, zevende lid, Wft gestelde verplichtingen door middel van dezelfde maatregelen en procedure optreden. Verder is van belang dat het slechts één verplichting betreft (namelijk het toezien op de naleving van het vereiste van uitdrukkelijke toestemming) waarop de AP toeziet, welke nauw aansluit bij de naleving van de eisen waarop de AP op grond van de UAVG en de AVG toeziet. Daarom is, in dit specifieke geval, afgezien van het opnemen van de toezichttaak van de AP in de Wft.

Lid 2

Voor de samenwerking en informatie-uitwisseling conform artikel 26 PSD II wordt aangesloten bij de toepasselijkheid van artikel 19 van de Uitvoeringswet.

Lid 3

Met het derde lid wordt een bevoegdheid tot het nemen van een corrigerende maatregel die de Autoriteit persoonsgegevens heeft op grond van de AVG, ook toegekend ten behoeve van de handhaving van de krachtens artikel 3:17, zevende lid, Wft gestelde verplichtingen. Dit betreft de in artikel 58, tweede lid, onderdeel d, van de AVG genoemde corrigerende maatregel waarbij de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker kan worden gelast, waar passend, op een nader bepaalde manier en binnen een nader bepaalde termijn, verwerkingen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de AVG. Met het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 16 UAVG wordt de mogelijkheid voor de Autoriteit persoonsgegevens geïntroduceerd om ter handhaving van deze verplichting een last onder bestuursdwang op te leggen.

Lid 4

Op grond van het vierde lid kan een geldboete worden opgelegd tot 20 mln euro of tot 4% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorafgaande boekjaar, indien dit bedrag hoger is. Met dit boetemaximum is aangesloten bij de boetemaxima uit de AVG en deze maximale boetehoogte komt overeen met het hoogste boetebedrag in artikel 1:81, derde lid, Wft, waarin boetemaxima bij overtreding van normen ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen zijn opgenomen.

Lid 5

Lid 5 regelt dat de opbrengsten van de bestuurlijke boetes en de verbeurde dwangsommen die door de Autoriteit persoonsgegevens worden opgelegd, ten bate komen van de staat en, in afwijking van artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet van het vermogen van de rechtspersoon Autoriteit persoonsgegevens.

D

Door de voorgestelde toevoeging van betaalinstellingen aan artikel 3:95, eerste lid, is een verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank vereist voor het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een betaalinstelling. Deze kan ook worden aangevraagd door een betaalinstelling die in een andere lidstaat een vergunning heeft. De voorgestelde toevoeging van betaalinstellingen aan artikel 1:62 voorziet in de mogelijkheid voor de Nederlandsche Bank om in dat geval de toezichthouder van de andere lidstaat in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen.

Toevoeging van betaalinstellingen aan artikel 1:62 is aangewezen, omdat voor betaalinstellingen, evenals voor de reeds in artikel 1:62 genoemde instellingen, geldt dat deze in veel gevallen de Nederlandse markt betreden door het – in een met deze toetreder vergelijkbaar type instelling – houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95.

E

Dit onderdeel voorziet in de eerste plaats in de toevoeging van een viertal leden aan artikel 2:3e Wft, welke zien op de situatie waarin een in een andere lidstaat gevestigde betaaldienstverlener in Nederland haar diensten wil aanbieden middels een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten, al dan niet door tussenkomst van een betaaldienstagent. In dat geval rust op de Nederlandsche Bank de verplichting om de daarop betrekking hebbende gegevens van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat te beoordelen en aan die instantie te melden als er redelijke gronden tot ongerustheid zijn wat betreft witwassen van geld of financiering van terrorisme. Deze situatie vormt de tegenhanger van de situatie waarin een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener haar diensten via een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten wil aanbieden in een andere lidstaat. Beide situaties worden geregeld in artikel 28 van PSD II. De eerstgenoemde situatie, waarin een in een andere lidstaat gevestigde betaaldienstverlener in Nederland haar diensten wil aanbieden, is ten onrechte niet opgenomen in het wetsvoorstel. Deze omissie wordt met deze wijziging hersteld. De tweede situatie, waarin een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener haar diensten wil aanbieden in een andere lidstaat, is reeds opgenomen in het in het wetsvoorstel gewijzigde artikel 2:106a.

Verder is in het in het wetsvoorstel voorgestelde artikel 2:3e, tweede lid, Wft ten onrechte niet opgenomen dat het centrale contactpunt moet voldoen aan de eisen van de technische reguleringsnormen waar artikel 29, vijfde lid, van de richtlijn naar verwijst. De regeling van het centrale contactpunt is thans opgenomen in de voorgestelde leden vijf en zes van artikel 2:3e. In het voorgestelde vijfde lid is alsnog een verwijzing naar artikel 29, vijfde lid, van de richtlijn opgenomen.

F, I en K

De verplichting tot het beschikken over een verklaring van geen bezwaar voor het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in de in artikel 3:95 Wft genoemde ondernemingen is in het wetsvoorstel uitgebreid met betaalinstellingen. Met dit onderdeel wordt bewerkstelligd dat genoemde verplichting tot het beschikken over een verklaring van geen bezwaar niet geldt voor een gekwalificeerde deelneming in een betaalinstelling die uitsluitend rekeninginformatiediensten aanbiedt. Reden hiervoor is dat in artikel 33, eerste lid, van PSD II rekeninginformatiedienstverleners zijn vrijgesteld van de toepassing van een aantal bepalingen van de richtlijn, waaronder artikel 6 van de richtlijn. Dat artikel is onder meer geïmplementeerd in artikel 3:95 Wft. De in het wetsvoorstel voorgestelde wijziging van artikel 3:95 Wft hield echter ten onrechte geen rekening met genoemde vrijstelling voor rekeninginformatiedienstverleners. Met dit onderdeel wordt dit hersteld.

De thans in artikel 3:108a Wft neergelegde verplichting voor elektronischgeldinstellingen (egi’s) om een wijziging van een gekwalificeerde deelneming aan DNB te melden is gebaseerd op artikel 3, derde lid, van richtlijn 2009/110/EG. Aangezien die bepaling nagenoeg geheel overeenkomt met de verplichting voor betaalinstellingen in artikel 6 van PSD II en er geen inhoudelijke argumenten zijn om op dit punt een onderscheid in de verplichtingen tussen betaalinstellingen en egi’s te rechtvaardigen, wordt voorgesteld om voor beide soorten instellingen eenzelfde verplichting te hanteren in de vorm van een verklaring van geen bezwaar. Hiertoe wordt voorgesteld de egi toe te voegen aan artikel 3:95, eerste lid, Wft en artikel 3:108a Wft te laten vervallen aangezien aan die bepaling in dat geval geen behoefte meer bestaat.

De verplichting voor egi’s om, bij het houden of verwerven van een gekwalificeerde deelneming, een verklaring van geen bezwaar aan te vragen, wordt ook opgenomen in de Wbft. Hierbij wordt aangesloten bij de methodiek die de Wbft reeds hanteert voor andere financiële ondernemingen.

Artikel I, onderdeel Yb, is een gevolg van de wijziging in reikwijdte van PSD II ten opzichte van PSD I. De algemene reikwijdte van PSD II is vastgelegd in artikel 1:5a, eerste lid, van de Wft (zie onderdeel B van het wetsvoorstel). Artikel 1:5a bepaalt dat het mogelijk is om op een andere plek in de Wft of in lagere regelgeving aanvullende regels vast te stellen omtrent de reikwijdte. Dit is noodzakelijk omdat PSD II voor titel III en IV een afwijkende reikwijdte kent. Deze specifieke reikwijdte is vastgelegd in artikel 4:2b. Er is voor gekozen om de reikwijdte op te nemen daar waar de bepalingen van titel III en IV daadwerkelijk worden geïmplementeerd, namelijk in lagere regelgeving. Omdat de reikwijdte van titel III en IV daar wordt opgenomen, kan artikel 4:2b vervallen.

Met onderdeel K wordt beoogd de tarieven voor de eenmalige toezichthandelingen voor aanvragen van een verklaring van geen bezwaar voor het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling vast te leggen in Bijlage I van de Wet bekostiging financieel toezicht.

G en H

Deze onderdelen voorzien in de bevoegdheid voor de Nederlandsche Bank om bij overtreding van de meldplicht van artikel 37 PSD II, die (in bepaalde gevallen) geldt voor verleners van de in artikel 3, onderdelen k en l, PSD II genoemde diensten, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete op te kunnen leggen. In het wetsvoorstel waren deze bevoegdheden ten onrechte niet opgenomen.

J

Met het voorgestelde derde lid van artikel 5:88a Wft wordt artikel 32, derde lid, van de richtlijn geïmplementeerd. In dit artikel is bepaald dat geheel of gedeeltelijk vrijgestelde betaaldienstverleners voor het gedeelte van PSD II waar ze niet van zijn vrijgesteld, dienen te worden behandeld als betaalinstellingen. Dit betekent dat vrijgestelde betaaldienstverleners onder dezelfde voorwaarden toegang moeten kunnen krijgen tot betaalrekeningdiensten. Met deze bepaling wordt hierin voorzien.

M

Dit onderdeel voorziet in de bevoegdheid van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) om toezicht te houden op een aantal generieke consumentenbeschermingsbepalingen uit Boek 6 van het BW ten aanzien van betaaldiensten, die thans nog bij de ACM zijn belegd. De bestaande overlap ten aanzien van toezichtbevoegdheden van de ACM en de AFM betreffende deze gedragsvereisten voor betaaldienstverleners wordt hiermee weggenomen.

Dit vindt plaats door alle betaaldiensten als bedoeld in PSD II, als financiële dienst of activiteit te definiëren in de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc). De bevoegdheid om toezicht te houden op betaaldienstverleners ten aanzien van gedragsvereisten in de Whc wordt hiermee geheel aan de AFM toegedeeld. Dit is in lijn met de reeds bestaande bevoegdheidsverdeling in de Whc ten aanzien van financiële diensten als bedoeld in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht (Wft). Hiermee wordt voorkomen dat betaaldienstverleners te maken krijgen met verschillende toezichthouders voor de betreffende consumentenbeschermngsbepalingen en is voor de toezichthouders duidelijker wie de toezichtverantwoordelijkheid draagt. Ook voor de consument zal begrijpelijker zijn bij welke toezichthouder hij terecht kan om melding te doen van een mogelijke inbreuk.

Op betaaldienstverleners zijn zowel gedragsnormen uit de Wft, het BW en de Whc van toepassing. De wettelijke gedragsvereisten in de Wft ten aanzien van betaaldiensten zijn specifiek op betaaldiensten gericht en voor een groot deel verwerkt in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo). De AFM is de bevoegde toezichthouder op deze gedragnormen voor betaaldienstverleners op grond van de Wft.

Tegelijkertijd zijn ook de generieke consumentenbeschermingsregels van Boek 6 van het BW van toepassing op betaaldienstverleners. Het betreft hier het verbod op oneerlijke handelspraktijken (Boek 6, afdeling 3, titel 3A) en de bepalingen voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten (Boek 6, afdeling 5, titel 2b). Bovendien zijn betaaldienstverleners eraan gehouden in hun algemene voorwaarden geen bedingen te hanteren die onverenigbaar zijn met Boek 6, afdeling 5, titel 3. De bevoegde toezichthouder op deze consumentenbeschermingsregels is aangewezen in de Whc. In beginsel is de ACM de aangewezen toezichthouder, tenzij het een in de Whc gedefinieerde financiële dienst of activiteit betreft. In dat geval is de AFM de aangewezen toezichthouder.

Betaaldiensten vallen in de Whc niet onder de definitie van financiële dienst of activiteit, nu zij in de Wft niet als financiële dienst gedefinieerd zijn, met uitzondering van het aanbieden van een betaalrekening. Betaaldiensten zijn nu ook niet specifiek aangewezen in de Whc-definitie, behoudens geldtransfers. De nieuw in PSD II gereguleerde betaaldiensten, te weten betaalinitiatiediensten en rekeninginformatiediensten, worden in de Wft ook niet als financiële dienst aangemerkt. Voor wat betreft de genoemde consumentenbeschermingsregels zouden deze betaaldiensten op basis van de thans geldende wetgeving onder de toezichtbevoegdheid van de ACM vallen. Om versnippering van het toezicht zoveel mogelijk tegen te gaan, wordt in dit onderdeel voorgesteld om voor alle betaaldiensten het toezicht op genoemde consumentenbeschermingsregels toe te delen aan één toezichthouder. De AFM is hiervoor de meest geschikte toezichthouder, aangezien de AFM het gedragstoezicht op basis van de Wft reeds uitoefent ten aanzien van alle betaaldiensten en ook het toezicht op de consumentenbeschermingsregels al uitoefent ten aanzien van geldtransfers en het aanbieden van betaalrekeningen.

Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de AFM enkel de bevoegde toezichthouder wordt op betaaldienstverleners voor zover het de financiële dienst of activiteit betreft. Zo geldt bijvoorbeeld ten aanzien van rekeninginformatiediensten dat eventuele diensten die aangeboden worden als vervolg op de rekeninginformatiedienst, als aparte dienst moeten worden gezien. Indien deze aanvullende dienst zelf geen financiële dienst of activiteit is, dan is de ACM ten aanzien van die dienst de bevoegde Whc-toezichthouder. Te denken valt hierbij aan de situatie waarin de consument binnen zijn rekeninginformatie-applicatie, een aanbod krijgt om niet-financiële producten (met korting) aan te schaffen, of een aanbod om over te stappen naar een andere telecomaanbieder. Dit is in lijn met de bestaande toezichtbevoegdheidsverdeling bij financiële ondernemingen wanneer deze ook niet-financiële diensten of activiteiten aanbieden.

O

In dit onderdeel wordt «van rechtswege» vervangen door ambtshalve. De reden voor deze wijziging is dat de Nederlandsche Bank als vergunningverlener een actieve handeling dient te verrichten in de hier bedoelde gevallen van overgangsrecht, namelijk door te controleren of de betreffende betaalinstelling of elektronischgeldinstelling het benodigde bewijs heeft geleverd waarmee is aangetoond dat aan de gestelde eisen wordt voldaan. Verder wordt voorgesteld om aan het tweede lid een zin toe te voegen die ziet op het geval dat De Nederlandsche Bank op 13 juli 2018 niet over het bewijs beschikt dat een betaalinstelling of een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de daar genoemde eisen. Hiermee wordt voorzien in een grondslag voor de mogelijkheid van De Nederlandsche Bank om in dat geval te besluiten tot het nemen van maatregelen die de naleving van de gestelde eisen waarborgen of te besluiten tot intrekking van de verleende vergunning. Deze bevoegdheid van de Nederlandsche Bank (uit artikel 109, eerste lid, tweede alinea, PSD II) is ten onrechte niet opgenomen in het wetsvoorstel.

Deze nota van wijziging wordt mede namens de Minister voor Rechtsbescherming ingediend.

De Minister van Financiën, W. Hoekstra

Naar boven