34 550 C Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2017

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

   

blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

Het beleid

5

2.1.

De beleidsagenda

5

2.1.1.

Beleidsmutaties

5

2.2.

Het beleidsartikel

6

2.2.1.

Algemene beleidsdoelstelling

6

2.2.2.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

6

2.2.3.

Beleidswijzigingen

8

2.2.4.

Budgettaire gevolgen van beleid

8

2.2.5.

Toelichting op de uitgavencategorieën

9

     

3.

Het verdiepingshoofdstuk

11

3.1.

Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting

11

3.2.

Integratie-uitkeringen

14

3.3.

Decentralisatie-uitkeringen

14

     

4.

Provinciefonds in breder perspectief

17

4.1.

Inkomstenbronnen van provincies

17

4.2.

Specifieke uitkeringen

18

4.2.1.

Inleiding

18

4.2.2.

Aantal specifieke uitkeringen

18

4.3.

Motorrijtuigenbelasting

19

     

5.

Bijlagen bij de begroting

20

Bijlage 1

Beleidsmutaties

21

Bijlage 2

Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2015–2016

22

Bijlage 3

Lijst met afkortingen

23

Bijlage 4

Lijst met belangrijke termen en hun betekenis

24

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld.

De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 3

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet hebben de provincies gezamenlijk recht op het bedrag dat in de begroting als verplichting voor het totaal van de algemene uitkering is opgenomen. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet hebben de provincies gezamenlijk recht op de bedragen die in de begroting als verplichting voor het totaal van de integratie-uitkeringen en het totaal van de decentralisatie-uitkeringen is opgenomen. De in dit wetsartikel opgenomen bedragen zijn niet rechtstreeks uit de begrotingsstaat af te leiden. De bedragen worden nader onderbouwd in paragraaf 2.2.4. van deze memorie.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, S.A. Blok

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De provinciefondsbegroting maakt onderdeel uit van de Rijksbegroting maar heeft daarbinnen een eigen karakter. Zo kent de provinciefondsbegroting in tegenstelling tot een departementale begroting slechts één beleidsartikel: het provinciefonds. Het beleid dat wordt gevoerd ter realisatie van de algemene beleidsdoelstelling is direct verbonden met dit ene beleidsartikel. Voorts zijn de fondsbeheerders systeemverantwoordelijk voor het provinciefonds en niet voor de resultaten die provincies met hun budget uit dit fonds realiseren. Provincies zijn, met inachtneming van de wet- en regelgeving, autonoom in het voeren van hun beleid bekostigd uit het provinciefonds. De begroting van het provinciefonds bevat geen output- en/of outcomegegevens. Deze worden door de provincies in hun begrotingen gepresenteerd.

De voorliggende toelichting bij de begroting 2017 van het provinciefonds kent de volgende indeling.

Na dit hoofdstuk met de leeswijzer start hoofdstuk 2 met de beleidsagenda van het provinciefonds, waarin onder meer de belangrijkste beleidsmutaties worden beschreven. Vervolgens wordt ingezoomd op het beleidsartikel: het provinciefonds. Hierin komen de met het beleid samenhangende algemene beleidsdoelstelling, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister, de beleidswijzigingen, de budgettaire gevolgen van beleid en de toelichting op de uitgavencategorieën aan bod.

Hoofdstuk 3 is het verdiepingshoofdstuk. In dit hoofdstuk wordt de opbouw aangegeven van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van het provinciefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2016 naar de stand ontwerpbegroting 2017. In hoofdstuk 3 wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de integratie- en decentralisatie-uitkeringen. In hoofdstuk 4 wordt het provinciefonds in een breder kader geplaatst, waarbij nader wordt ingegaan op de inkomstenbronnen van de provincies, zoals de specifieke uitkeringen en de motorrijtuigenbelasting. Daarna volgen in hoofdstuk 5 de bijlagen.

Tot slot van deze leeswijzer verdienen de apparaatuitgaven enige aandacht. De apparaatuitgaven in de zin van materiële en personele uitgaven van de medewerkers bij de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën die betrokken zijn bij het fondsbeheer, zijn niet in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid opgenomen. Deze kosten worden in de respectievelijke departementale begrotingen verantwoord. Dit geldt eveneens voor het algemene beleid inzake decentrale overheden als gemeenten en provincies, waarbij deze uitgaven zijn terug te vinden in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

Rol provinciefonds

Onverminderd blijft het uitgangspunt dat het provinciefonds, in combinatie met de andere provinciale inkomstenbronnen, provincies voorziet van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken.

Commissie Jansen/herziening provinciefonds

Begin 2015 heeft het IPO een externe commissie ingesteld die zich heeft gebogen over verdeelvraagstukken binnen het provinciefonds. De directe aanleiding hiervoor waren de decentralisaties van de natuurtaken en de overheveling van de middelen voor verkeer en vervoer naar het provinciefonds. In december 2015 is het eindrapport «Redelijk Verdeeld» van de commissie Jansen aangeboden aan de Minister van BZK. Om het nieuwe verdeelmodel, zoals opgenomen in het eindrapport, formeel te kunnen doorvoeren, is het nodig de Financiële-verhoudingswet (Fvw) te wijzigen. Het wetswijzigingtraject is gestart. Het streven is om het nieuwe verdeelmodel voor het uitkeringsjaar 2017 in te voeren.

Evaluatie normeringsystematiek

Onlangs is het rapport «Evaluatie normeringsystematiek gemeentefonds en provinciefonds 2010–2015» aan de Tweede Kamer aangeboden (bijlage bij Kamerstukken 34 300-B, nr. 20). Het evaluatierapport is opgesteld door een ambtelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de VNG, het IPO, het Ministerie van BZK en het Ministerie van Financiën.

De werkgroep concludeert dat de normeringsystematiek in grote lijnen voldoet aan de gestelde criteria (evenredigheid, stabiliteit, actualiteit, inzichtelijkheid en beheersbaarheid). Belangrijk aandachtspunt is de stabiliteit van de uitkomst van de normeringsystematiek. Er zijn drie beleidsvarianten uitgewerkt, vooral gericht op een verbetering van de stabiliteit. Er is een duidelijke afruil tussen de verschillende criteria. Vergaande verbeteringen van de stabiliteit kunnen bijvoorbeeld ten koste gaan van de actualiteit of de evenredigheid. Uiteindelijk zal een nieuw kabinet in overleg met de decentrale overheden een oordeel geven over de in een volgende kabinetsperiode te hanteren normeringsystematiek.

2.1.1. Beleidsmutaties

Door wijzigingen in beleid van verschillende departementen kan worden overgegaan tot het beleggen of juist weghalen van taken bij provincies. Soms gaat dit gepaard met een toevoeging aan of een uitname uit het provinciefonds. In tabel 2.1.1. worden de mutaties per uitgavencategorie weergegeven als gevolg van de beleidsmutaties. Voor een overzicht van de beleidsmatige mutaties vanaf ontwerpbegroting 2016 wordt verwezen naar bijlage 1. In tabel 3.1.2. wordt vanaf de stand ontwerpbegroting 2016 een aansluiting gegeven naar de stand ontwerpbegroting 2017. De weergegeven mutaties worden in het verdiepingshoofdstuk 3 afzonderlijk toegelicht voor zover dit nog niet gebeurd is in een eerder begrotingsstuk.

Tabel 2.1.1. Beleidsmutaties (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Opdracht

           

1. Kosten Financiële-verhoudingswet

0

0

0

0

0

0

             

Bijdragen aan medeoverheden

           

1. Algemene uitkering ca en de aanvullende uitkeringen

– 366.175

– 378.016

28.422

28.422

28.422

28.422

2. Integratie-uitkeringen

0

0

0

0

0

0

3. Decentralisatie-uitkeringen

616.866

427.211

9.580

8.094

7.937

0

Totaal mutaties (inclusief meerjarige doorwerking 1e suppletoire 2016)

250.691

49.195

38.002

36.516

36.359

28.422

2.2. Het beleidsartikel

2.2.1. Algemene beleidsdoelstelling

Via het provinciefonds wordt bewerkstelligd dat de provincies middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren. Deze doelstelling valt uiteen in twee beleidsthema’s:

  • 1. de provincies via het provinciefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken;

  • 2. een verdeling van de beschikbare financiële middelen over provincies die elk van de provincies in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

2.2.2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De fondsbeheerders, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën – i.c. de Staatssecretaris van Financiën – zijn op basis van de Financiële-verhoudingswet verantwoordelijk voor de financiële verhoudingen tussen Rijk, provincies en gemeenten. Zij dragen daarbij zorg voor een adequate omvang alsmede een goede werking van de verdeelsystematiek van het provinciefonds. Provincies zijn verantwoordelijk voor de resultaten die ze met hun bijdrage uit dit fonds realiseren. Met inachtneming van de wet- en regelgeving, zijn provincies autonoom in het voeren van hun beleid bekostigd uit het provinciefonds.

Van tijd tot tijd kunnen vragen opkomen of de provincies als collectiviteit geen andere prioriteiten zouden moeten stellen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van gezamenlijk onderschreven prioriteiten van het Rijk. In een dergelijk geval kunnen het Rijk en de provincies bestuurlijke afspraken maken over de accenten in de bestedingsrichting van de provincies. De desbetreffende vakministers spelen hier naast de fondsbeheerders een belangrijke rol. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor resultaten blijft bij de provincies.

Op grond van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) moet elk afzonderlijk begrotingsartikel periodiek (tenminste eens in de 7 jaar) worden geëvalueerd (Artikel 3.1 RPE: Al het beleid dat valt onder de beleidsartikelen in de begroting). In de doorlichting van artikel 1.1 van de begroting van BZK (H7) wordt ingegaan op de bestuurlijke en financiële verhoudingen met de decentrale overheden die ten grondslag liggen aan de geldstromen die via de fondsen lopen. Er vindt dan ook geen afzonderlijke beleidsdoorlichting plaats van het gemeentefonds en provinciefonds.

Voor de realisatie van de in paragraaf 2.2.1. beschreven beleidsthema’s zijn er een aantal instrumenten en activiteiten.

Beleidsthema 1: De provincies via het provinciefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken.

A) Normeringsystematiek

De jaarlijkse ontwikkeling van de omvang van de algemene uitkering van het provinciefonds wordt – naast taakmutaties – bepaald door de normeringsystematiek. De normeringsystematiek houdt in dat de ontwikkeling van het provinciefonds gekoppeld is aan de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven, dit wordt ook wel aangeduid als het principe «samen de trap op, samen de trap af». De jaarlijkse toe- of afname van het provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de rijksuitgaven, wordt het accres genoemd. De normeringsystematiek is in werking sinds 1995 en berust op een bestuurlijke afspraak tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO).

B) Artikel 2 Financiële-verhoudingswet

Er zijn jaarlijks diverse specifieke taakmutaties die tot toevoegingen en/of onttrekkingen aan het provinciefonds kunnen leiden. Uitgangspunt hierbij is artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Dit artikel geeft aan dat indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeenten, in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen wordt omkleed en met kwantitatieve gegevens wordt gestaafd, welke de financiële gevolgen van deze wijziging voor de provincies of gemeenten zijn. Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de provincies kunnen worden opgevangen.

C) Bestuurlijk overleg financiële verhouding

Het Bestuurlijk overleg financiële verhouding (Bofv) tussen de fondsbeheerders, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen (UvW) zal twee keer per jaar plaats vinden, rond het verschijnen van de Voorjaarsnota en de Miljoenennota. Iedere partij kan agendapunten inbrengen. Zonodig kunnen ook andere bewindslieden dan de fondsbeheerders aan het overleg deelnemen. De uitkomst van de normeringsystematiek (vgl. A) kan – indien beschikbaar – in het Bofv bestuurlijk worden gewogen.

Beleidsthema 2: Een verdeling van de beschikbare financiële middelen over provincies die elk van de provincies in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lasten te kunnen leveren.

D) Verdeelmaatstaven

Het budget van de algemene uitkering van het provinciefonds wordt over de provincies verdeeld via een verdeelsysteem van verdeelmaatstaven. De fondsbeheerders zijn verantwoordelijk voor het ontwikkelen en onderhouden van het systeem van verdeelmaatstaven dat de verdeling tot stand brengt. Dit verdeelsysteem heeft als doel provincies in staat te stellen hun voorzieningen op een onderling gelijkwaardig niveau te brengen tegen globaal gelijke lastendruk en rekening houdend met de structuurkenmerken van de provincies.

Zolang voor een uitkeringsjaar de voor de verdeelmaatstaven noodzakelijke statistische gegevens nog niet bekend of definitief zijn, worden de provincies bevoorschot op basis van voorlopige cijfers. Hierbij wordt ernaar gestreefd de voorschotten zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de algemene uitkering waarop een provincie uiteindelijk recht heeft, zoals deze vastgesteld wordt nadat de statistische gegevens definitief zijn vastgesteld. Dit streven geldt ook voor integratie- en decentralisatie-uitkeringen. Het gedurende en na afloop van het uitkeringsjaar beschikbaar komen van bepaalde definitieve volumegegevens leidt tot bijstellingen in de bevoorschotting. Aangezien voor het provinciefonds de verplichtingen leidend zijn, zullen deze altijd tot uitkering komen.

2.2.3. Beleidswijzigingen

De relevante beleidswijzigingen zijn beschreven in de beleidsagenda (paragraaf 2.1). De financiële consequenties van deze beleidswijzigingen staan vermeld in de tabellen 2.1.1 en 3.1.2 en bijlage 1. De toelichting staat in paragraaf 3.1.

2.2.4. Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel worden voor zowel de verplichtingen, de uitgaven als de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het provinciefonds weergegeven.

Tabel 2.2.1. Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen:

2.411.173

2.199.585

2.032.582

2.025.177

2.018.661

1.944.105

             

Uitgaven:

2.411.025

2.199.585

2.032.582

2.025.177

2.018.661

1.944.105

Waarvan juridisch verplicht

 

100%

       
             

Opdracht

           

1. Kosten Financiële-verhoudingswet

100

100

100

100

100

100

             

Bijdragen aan medeoverheden

           

1. Algemene uitkering ca en de aanvullende uitkeringen

229.138

212.371

607.959

603.094

598.100

593.100

2. Integratie-uitkeringen

0

0

0

0

0

0

3. Decentralisatie-uitkeringen

2.181.787

1.987.114

1.424.523

1.421.983

1.420.461

1.350.905

             

Ontvangsten:

2.411.025

2.199.585

2.032.582

2.025.177

2.018.661

1.944.105

In tegenstelling tot een departementale begroting zijn bij een fonds als het provinciefonds de verplichtingen leidend. Dit houdt in dat zij, eenmaal geaccordeerd, altijd geheel tot uitbetaling komen. Geld dat in enig jaar nog niet aan provincies wordt uitgekeerd, wordt automatisch aan het volgende begrotingsjaar toegevoegd.

Op basis van de Financiële-verhoudingswet (voor de uitkeringen aan de gemeenten en provincies) is het percentage juridisch verplicht bijna 100%. Alleen een deel van de «Kosten Financiële-verhoudingswet» is op voorhand niet juridisch verplicht.

Ontvangsten

Wetsartikel 4, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet regelt dat bij (begrotings)wet voor ieder uitkeringsjaar een bedrag aan middelen voor het Rijk wordt afgezonderd ten behoeve van het provinciefonds. Op grond van het tweede lid zijn de uitgaven en de inkomsten over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Gelet hierop is ten behoeve van de dekking van de uitgaven ten laste van het provinciefonds een post Ontvangsten ex artikel 4 van de Financiële-verhoudingswet geraamd (zie in tabel 2.2.1.).

Ter informatie geeft figuur 2.2.2. het verloop van de uitkering uit het provinciefonds (totaal Bijdragen aan medeoverheden) per inwoner van 2003–2021 weer. De bedragen 2003 tot en met 2015 zijn op basis van de jaarverslagen. De bedragen 2016 tot en met 2021 zijn op basis van de cijfers in de voorliggende begroting.

Figuur 2.2.2. Uitkering provinciefonds in euro's per inwoner

Figuur 2.2.2. Uitkering provinciefonds in euro's per inwoner

De provincies ontvangen in 2017 uit het provinciefonds € 2.199.485.000. Per inwoner komt de uitkering uit op een landelijk gemiddelde van € 129 per inwoner. Ten opzichte van 2016 betekent dit een mutatie van € – 13 per inwoner.

2.2.5. Toelichting op de uitgavencategorieën

In tabel 2.2.1. Budgettaire gevolgen van beleid staan een aantal uitgavencategorieën. Deze worden hier nader toegelicht.

Kosten Financiële-verhoudingswet

Dit betreft het budget dat elk jaar is gereserveerd voor de uitvoering van onderzoeken op het vlak van de omvang en verdeling van het provinciefonds en het onderhoud van het betaalsysteem.

Algemene uitkering ca en de aanvullende uitkeringen

Dit betreft de uitkering aan alle provincies, die ten goede komt aan de algemene middelen van de provincies. De uitkering is gebaseerd op de artikelen 5 en 6 van de Financiële-verhoudingswet.

Integratie-uitkeringen

Dit betreft de uitkering die wordt toegepast als overheveling van een specifieke uitkering of andere middelen naar de algemene uitkering bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang naar de algemene uitkering. De uitkering is gebaseerd op artikel 5 lid 2 van de Financiële-verhoudingswet.

De fondsbeheerders zijn een traject gestart om het uitkeringenstelsel te vereenvoudigen. Onderdeel hiervan is het beëindigen van de integratie-uitkering; hiervoor is een wijziging van de Financiële-verhoudingswet noodzakelijk. Voor meer informatie wordt verwezen naar de Kamerbrief over dit onderwerp (Kamerstuk 34 000-B, nr. 24). Voor een overzicht van de integratie-uitkeringen wordt verwezen naar paragraaf 3.2.

Decentralisatie-uitkeringen

Sinds 2008 bestaat binnen het provinciefonds naast de algemene uitkering en de integratie-uitkering ook de decentralisatie-uitkering. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het provinciefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van tevoren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn. Voor een overzicht van de decentralisatie-uitkeringen wordt verwezen naar paragraaf 3.3.

3. HET VERDIEPINGSHOOFDSTUK

In paragraaf 3.1. wordt de opbouw van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de stand ontwerpbegroting provinciefonds 2016 naar de stand van de voorliggende ontwerpbegroting 2017 beschreven. In paragraaf 3.2. wordt een overzicht van de integratie-uitkeringen gegeven en in 3.3 van de decentralisatie-uitkeringen.

3.1. Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting

Verplichtingen

Onderstaande tabel geeft de opbouw aan van de verplichtingen van het provinciefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2016 naar de stand ontwerpbegroting 2017.

Tabel 3.1.1. Opbouw verplichtingen provinciefonds (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand ontwerpbegroting 2016

2.160.334

2.150.390

1.994.580

1.988.661

1.982.302

1.915.683

Mutaties 1e suppletoire begroting 2016

141.559

2.114

4.794

4.961

4.864

– 3.073

Stand 1e suppletoire begroting 2016

2.301.893

2.152.504

1.999.374

1.993.622

1.987.166

1.912.610

Nieuwe mutaties

109.280

47.081

33.208

31.555

31.495

31.495

Stand ontwerpbegroting 2017

2.411.173

2.199.585

2.032.582

2.025.177

2.018.661

1.944.105

Waarvan verplichtingenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet

100

100

100

100

100

100

Waarvan verplichtingenbedrag algemene uitkering

229.285

212.371

607.959

603.094

598.100

598.100

Waarvan verplichtingenbedrag integratie-uitkeringen

0

0

0

0

0

0

Waarvan verplichtingenbedrag decentralisatie-uitkeringen

2.181.788

1.987.114

1.424.523

1.421.983

1.420.461

1.350.905

Uitgaven

Onderstaande tabel geeft de opbouw aan van de uitgaven van het provinciefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2016 naar de stand ontwerpbegroting 2017.

Tabel 3.1.2. Opbouw uitgaven provinciefonds (x 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand ontwerpbegroting 2016

2.160.334

2.150.390

1.994.580

1.988.661

1.982.302

1.915.683

Mutaties 1e suppletoire begroting 2016

141.411

2.114

4.794

4.961

4.864

– 3.073

Stand 1e suppletoire begroting 2016

2.301.745

2.152.504

1.999.374

1.993.622

1.987.166

1.912.610

Mutaties nog niet eerder opgenomen in een begrotingsstuk:

           

1) Programma Rijke Waddenzee (decentralisatie-uitkering)

75

         

2) Groei op het spoor (decentralisatie-uitkering)

4.011

         

3) Landelijk Meldpunt Afval (algemene uitkering)

 

– 1.995

– 1.995

– 1.995

– 1.995

– 1.995

4) Versnellingsagenda melkveehouderij Noord NL (decentralisatie-uitkering)

60

60

60

60

   

5) Programma Impuls Omgevingsveiligheid (decentralisatie-uitkering)

 

14.286

       

6) Duurzaam Door (decentralisatie-uitkering)

1.500

         

7a) DU Ontwikkel/OEM variabel (decentralisatie-uitkering)

400.921

406.438

       

7b) DU Ontwikkel/OEM variabel (algemene uitkering)

– 400.921

– 406.438

       

8) Programma Rijke Waddenzee (decentralisatie-uitkering)

826

1.240

1.653

     

9) Aansluiting Lelystad Airport (decentralisatie-uitkering)

6.671

         

10) RSP Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

60.944

         

11) Erfgoed en ruimte (decentralisatie-uitkering)

269

         

12) Uitvoeringstafel Eindhoven Airport (decentralisatie-uitkering)

33

         

13) Accres tranche 2016 (algemene uitkering)

6.315

6.315

6.315

6.315

6.315

6.315

14) Accres tranche 2017 (algemene uitkering)

 

27.175

27.175

27.175

27.175

27.175

15) Plafond BTW-compensatiefonds (algemene uitkering)

28.576

         

Totaal nieuwe mutaties

109.280

47.081

33.208

31.555

31.495

31.495

Stand ontwerpbegroting 2017

2.411.025

2.199.585

2.032.582

2.025.177

2.018.661

1.944.105

Waarvan uitgavenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet

100

100

100

100

100

100

Waarvan uitgavenbedrag algemene uitkering

229.138

212.371

607.959

603.094

598.100

593.100

Waarvan uitgavenbedrag integratie-uitkeringen

0

0

0

0

0

0

Waarvan uitgavenbedrag decentralisatie-uitkeringen

2.181.787

1.987.114

1.424.523

1.421.983

1.420.461

1.350.905

Toelichting op de nieuwe mutaties

Onderstaand worden de mutaties toegelicht voor zover nog niet eerder toegelicht in een begrotingsstuk. De «mutaties 1e suppletoire begroting 2016» zijn toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2016 (Kamerstukken 34 485-C, nr. 1 en Kamerstukken 34 485-C, nr. 2).

1) Programma Rijke Waddenzee (decentralisatie-uitkering)

Dit betreft een bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken, vanuit het Programma Rijke Waddenzee, in de kosten van het MIRT-onderzoek Holwerd aan Zee.

2) Groei op het spoor (decentralisatie-uitkering)

Dit betreft een bijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu aan vier provincies voor het actieprogramma Groei op het spoor.

3) Landelijk Meldpunt Afval (algemene uitkering)

Vanaf januari 2017 zal de opdrachtverlening aan Rijkswaterstaat voor de uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afval (LMA) vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu verzorgd worden, ook voor de provincies en gemeenten. Voorheen verliep de financiering via provincies. De middelen worden overgeheveld van het provinciefonds naar de begroting van het Ministerie van IenM.

4) Versnellingsagenda melkveehouderij Noord NL (decentralisatie-uitkering)

Dit betreft een bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken voor de versnellingsagenda melkveehouderij Noord Nederland. Friesland is de coördinerende provincie en tevens beheerder van de middelen.

5) Impuls omgevingsveiligheid (decentralisatie-uitkering)

Provincies ontvangen voor 2017 een bedrag van in totaal € 14,286 miljoen voor het Programma Impuls Omgevingsveiligheid. De provincie Zuid-Holland voert het secretariaat en is er verantwoordelijk voor dat alle uitvoerende partijen de beschikbare middelen voor enkele deelprogramma’s ontvangen. Voor één deelprogramma krijgen de diverse provincies rechtstreeks middelen voor hun bijdrage aan dit deelprogramma en verzorgt de provincie Zuid-Holland daarnaast de toedeling aan de Veiligheidsregio’s.

6) Duurzaam Door (decentralisatie-uitkering)

De overboeking betreft een bijdrage aan alle provincies voor het kennisprogramma DuurzaamDoor: sociale innovatie voor een groene economie 2013–2016.

7) DU Ontwikkel/OEM variabel (decentralisatie-uitkering)

In het verdeelmodel van het provinciefonds wordt per 1 januari 2012 onderscheid gemaakt tussen beheer- en ontwikkeltaken, omdat beide andere verdeelcriteria vragen. Het beheerdeel omvat de vaste jaarlijks terugkerende kosten, bijvoorbeeld het betalen van de salarissen, onderhoud provinciehuis, wegen, groen, etc. Het ontwikkeldeel van het provinciefonds betreft taken zoals aanleg van nieuwe wegen, integrale gebiedsontwikkeling in het landelijk gebied, natuur en bodemsanering, maar ook taken met betrekking tot buitengewone groei en krimp. Om verdeeltechnische redenen is er voor gekozen om een deel van het bedrag dat gemoeid is met de ontwikkeltaken via een decentralisatie-uitkering (DU Ontwikkel/OEM variabel) uit te betalen aan de provincies.

In het verdeelmodel wordt er ook rekening mee gehouden dat provincies in staat zijn een deel van hun taken (ijkpunten) te financieren met eigen inkomsten uit de zogenaamde «overige eigen middelen» (OEM). De maatstaf OEM in het verdeelmodel wordt samengesteld uit twee onderdelen. Er is een vast deel van 5,48% dat wordt verondersteld voor alle provincies. Dit vaste deel is op voorhand in mindering gebracht op alle maatstaven en op de nieuwe decentralisatie-uitkering. Voor het variabele deel is gekozen om 35% van de inkomsten uit energiebedrijven (situatie in 2016) mee te nemen met een fictief rendement van 3%. Dit deel wordt in mindering gebracht op de bovenstaand beschreven bedragen van de decentralisatie-uitkering.

De op deze manier ontstane «DU Ontwikkel/OEM variabel» bedraagt in 2016 € 400,921 miljoen. In 2017 bedraagt de uitkering naar huidig inzicht € 406,438 miljoen.

8) Programma Rijke Waddenzee (decentralisatie-uitkering)

In het kader van het programma Rijke Waddenzee wordt vanuit het Ministerie van Economische Zaken een bijdrage geleverd aan de provincie Friesland voor de realisatie van een vismigratierivier in de Afsluitdijk.

9) Aansluiting Lelystad Airport (decentralisatie-uitkering)

Vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu wordt een bijdrage beschikbaar gesteld aan de provincie Flevoland voor het verbeteren van de aansluiting van Lelystad Airport. Van de bijdrage voor 2016 is € 6,011 miljoen bestemd voor grondverwerving, voorbereidingskosten en andere noodzakelijke verplichtingen en is € 0,66 miljoen bestemd voor planstudiekosten voor de halve aansluiting A6.

10) RSP Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

Voor een aantal concrete projecten binnen het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn vervult Noord-Nederland de rol van contracterende partij. Om deze rol te kunnen vervullen stort het Ministerie van Infrastructuur en Milieu delen van het taakstellend budget in het provinciefonds voor de provincies Groningen en Friesland.

11) Erfgoed en ruimte (decentralisatie-uitkering)

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft aan een aantal provincies bijdragen toegekend vanuit de beleidsnota Erfgoed en Ruimte (Kiezen voor Karakter).

12) Uitvoeringstafel Eindhoven Airport (decentralisatie-uitkering)

De provincie Noord-Brabant ontvangt vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een bijdrage voor het aanstellen van een onafhankelijk voorzitter van de Uitvoeringstafel Eindhoven Airport. Deze uitvoeringstafel ziet toe op de uitvoering van de aan de Alderstafel gemaakte afspraken over de groei van de luchthaven.

13) en 14) Accres tranche 2016 en 2017 (algemene uitkering)

Het gemeentefonds en het provinciefonds ontwikkelen zich evenredig met de netto gecorrigeerde rijksuitgaven (NGRU). Nemen de NGRU van jaar op jaar toe, dan neemt ook de algemene uitkering van de fondsen toe. Bij een afname van de NGRU geldt het omgekeerde. De groei of krimp van de fondsen als gevolg van deze normeringsystematiek wordt accres genoemd. Het accres van tranche 2016 bedraagt € 44,2 miljoen positief. Dat is een positieve bijstelling van € 6,3 miljoen ten opzichte van de 1e suppletoire begroting 2016 van het provinciefonds. Het accres van tranche 2017 bedraagt € 27,2 miljoen.

15) Plafond BTW-compensatiefonds (algemene uitkering)

De ontwikkeling van het BTW-compensatiefonds en het bijbehorende plafond leiden conform het Financieel Akkoord Rijk/VNG/IPO met ingang van 2015 tot een toename of afname van de algemene uitkering van de fondsen. Voor 2016 is sprake van ruimte onder het plafond, met als gevolg een toevoeging aan de algemene uitkering van € 28,6 miljoen.

3.2. Integratie-uitkeringen

Als een toevoeging aan de algemene uitkering van het provinciefonds in één keer bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten wordt normaliter gesproken een integratie-uitkering toegepast. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang van specifieke uitkering of eigen inkomsten naar de algemene uitkering. Het provinciefonds bevat momenteel geen integratie-uitkeringen. Dientengevolge is tabel 3.2.1. (overzicht integratie-uitkeringen provinciefonds) niet opgenomen.

3.3. Decentralisatie-uitkeringen

De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het provinciefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van tevoren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn. In tabel 3.3.1. is een overzicht opgenomen.

Tabel 3.3.1. Overzicht decentralisatie-uitkeringen provinciefonds (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Ontwerpbegroting 2016:

           

Afsluitdijk

500

         

Besluit Risico Zware Ongevallen-inrichtingen

11.171

10.050

10.050

10.050

10.050

10.050

Bodemsanering

35.988

32.988

27.988

27.988

27.988

 

Brede Doeluitkering Verkeer en vervoer

995.994

1.001.925

966.814

965.760

964.395

945.977

Monumenten

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Natuur

446.000

446.000

346.000

346.000

346.000

346.000

Programma Impuls Omgevingsveiligheid

15.256

         

Sterke regio's

1.000

         

Waddenfonds

28.878

28.878

28.878

28.878

28.878

28.878

Zuiderzeelijn REP-middelen

10.134

20.062

15.213

15.213

15.213

 

Stand ontwerpbegroting 2016

1.564.921

1.559.903

1.414.943

1.413.889

1.412.524

1.350.905

1e suppletoire begroting 2016:

           

Afsluitdijk

3.574

         

Beter Benutten

58.444

         

Big Start Giro D'Italia

2.500

         

Bodemsanering

3.099

5.162

7.842

8.009

7.937

 

Dubbele dijkzone Eemshaven-Delfzijl

200

         

Erfgoed en ruimte

724

         

Fieldlab Region of Smart Factories

2.000

         

Hydrologische maatregelen

5.000

         

Projectstimuleringsregeling V

285

         

Regionale luchthavens

934

         

RSP Zuiderzeelijn

57.777

         

Waddenslib

100

         

Weidevogels

25

25

25

25

   

Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2015

– 1

         

Zoetwatermaatregelen

6.895

         

Stand 1e suppletoire begroting 2016

1.706.477

1.565.090

1.422.810

1.421.923

1.420.461

1.350.905

Aansluiting Lelystad Airport

6.671

         

DU Ontwikkel/OEM variabel

400.921

406.438

       

Duurzaam Door

1.500

         

Erfgoed en ruimte

269

         

Groei op het spoor

4.011

         

Programma Impuls Omgevingsveiligheid

 

14.286

       

Programma Rijke Waddenzee (MIRT-onderzoek Holwerd aan Zee)

75

         

Programma Rijke Waddenzee (Vismigratierivier Afsluitdijk)

826

1.240

1.653

     

RSP Zuiderzeelijn

60.944

         

Uitvoeringstafel Eindhoven Airport

33

         

Versnellingsagenda melkveehouderij Noord NL

60

60

60

60

   

Stand ontwerpbegroting 2017

2.181.787

1.987.114

1.424.523

1.421.983

1.420.461

1.350.905

In artikel 13, lid 5, van de Financiële-verhoudingswet wordt bepaald dat jaarlijks, in overleg met de ministers die het aangaat, wordt bezien of een decentralisatie-uitkering kan worden gewijzigd in een integratie-uitkering of een algemene uitkering. In de volgende alinea wordt hiervan verslag gedaan.

In tabel 3.3.1. zien we dat de meeste bij ontwerpbegroting 2016 en 1e suppletoire begroting 2016 opgenomen decentralisatie-uitkeringen niet structureel zijn. Van omzetting naar integratie-uitkering of algemene uitkering is voor die decentralisatie-uitkeringen dan ook vooralsnog geen sprake. Voor de decentralisatie-uitkeringen «Besluit Risico Zware Ongevallen-inrichtingen», «Brede Doeluitkering Verkeer en vervoer», «Monumenten», «Natuur» en «Waddenfonds» geldt dat deze niet aan alle provincies worden uitgekeerd en/of nu nog niet kunnen worden verdeeld via de maatstaven van de algemene uitkering.

4. PROVINCIEFONDS IN BREDER PERSPECTIEF

In dit hoofdstuk wordt het provinciefonds in een breder perspectief geplaatst. Daarbij wordt een overzicht gegeven van de (overige) inkomstenbronnen van provincies en hoe die zich verhouden tot de uitkering uit het provinciefonds (paragraaf 4.1). Daarnaast wordt nader ingegaan op de specifieke uitkeringen (paragraaf 4.2) en de motorrijtuigenbelasting (paragraaf 4.3).

4.1. Inkomstenbronnen van provincies

De uitgaven van provincies worden uit verschillende inkomstenbronnen bekostigd. In tabel 4.1.1. staat een overzicht van de verschillende inkomstenbronnen van de provincies voor de periode 2010–2016. De cijfers tot en met 2014 zijn op basis van de jaarrekeningen. De cijfers 2015 en 2016 zijn op basis van de begrotingen.

Tabel 4.1.1. Inkomsten provincies (x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

20141

2015

20161

 

rekening

rekening

rekening

rekening

rekening

begroting

begroting

Provinciefonds

1.482

1.268

1.686

1.553

1.296

952

2.160

Specifieke uitkeringen

2.385

2.451

2.336

2.299

2.138

1.945

47

Motorrijtuigenbelasting

1.433

1.439

1.438

1.415

1.534

1.537

1.533

Heffingen en rechten

18

25

25

25

33

30

27

Onttrekkingen reserves

3.902

3.308

6.409

3.554

3.390

2.974

3.551

Overige middelen

1.857

2.864

2.139

1.429

1.489

263

1.380

               

Totaal

11.077

11.355

14.033

10.275

9.880

7.701

8.698

Bron: CBS (Statline) met uitzondering van:

1 Provinciefonds. Bron Ministerie van BZK: jaarrekeningcijfers conform slotwetten provinciefonds en begrotingscijfers conform ontwerpbegrotingen provinciefonds.

2 Specifieke uitkeringen. Bron jaarrekeningcijfers: CBS: informatie aangeleverd door gemeenten en gecorrigeerd door het CBS (Informatie voor Derden). Bron begrotingscijfers: Ministerie van BZK. 2015: Overzicht specifieke uitkeringen 2016. Bron 2016: Bijlage specifieke uitkeringen in de ontwerpbegrotingen 2016 van het Ministerie van BZK (met bewerking door het Ministerie van BZK).

3 Overige middelen: CBS (Statline) en bewerking BZK

X Noot
1

Voorlopige cijfers.

Zie voor meer informatie de bronvermelding op de themapagina Inkomsten gemeenten op de website Kennisbank Openbaar Bestuur.

Een inkomstenbron voor de provincies is het provinciefonds. Het opgenomen bedrag betreft de verplichtingenbedragen van de algemene uitkering, de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen. Het provinciefonds is verantwoordelijk voor 25% van de totale inkomsten in 2016. Een beschrijving van de opbouw is te vinden in hoofdstuk 3 van de ontwerpbegroting 2016. De stijging van het provinciefonds in 2016 heeft voornamelijk te maken met de toevoeging van de brede doeluitkering verkeer en vervoer aan het provinciefonds.

Een tweede inkomstenbron wordt gevormd door de specifieke uitkeringen (1% in 2016). Op de specifieke uitkeringen wordt in paragraaf 4.2. nader ingegaan.

Naast de uitkeringen van het Rijk hebben de provincies inkomsten uit de motorrijtuigenbelasting (18% in 2016). Hierop wordt in paragraaf 4.3. dieper ingegaan.

4.2. Specifieke uitkeringen

4.2.1. Inleiding

De belangrijkste informatiebron voor specifieke uitkeringen is het Onderhoudsrapport Specifieke Uitkeringen (OSU). Het doel van het OSU is inzicht geven in het stelsel van specifieke uitkeringen en in het onderhoud van het stelsel. Het rapport bevat een overzicht van de specifieke uitkeringen en de daarmee gemoeide bedragen. Het OSU wordt op grond van artikel 20 van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) jaarlijks aan de Tweede Kamer aangeboden. Tot en met het OSU 2014 bevatte het OSU cijfers over het verwachte aantal uitkeringen en de financiële omvang van die uitkeringen op basis van de ontwerpbegrotingen van de betreffende departementen. Met ingang van het OSU 2015 geeft het OSU nauwkeuriger invulling aan artikel 20 van de Fvw en bevat het de definitieve cijfers (rekeningcijfers) over aantal en omvang van specifieke uitkeringen op basis van de jaarverslagen van de betreffende departementen. Het OSU kijkt sinds 2015 dus niet meer vooruit, maar terug.

Het gevolg hiervan is dat het OSU 2016 geen informatie bevat over specifieke uitkeringen in het lopende begrotingsjaar, in dit geval 2016. De cijfers voor het lopende begrotingsjaar zijn daarom afkomstig uit de bijlage specifieke uitkeringen in de ontwerpbegroting 2016 van het Ministerie van BZK. Deze bijlage bevat een overzicht van de bedragen die de diverse departementen in hun ontwerpbegrotingen hebben opgenomen voor specifieke uitkeringen

4.2.2. Aantal specifieke uitkeringen

Uit het OSU 2016 blijkt dat het aantal specifieke uitkeringen verder is afgenomen.

Tabel 4.2.1. geeft inzicht in het aantal specifieke uitkeringen in de periode 2011–2016 en omvat niet alleen de specifieke uitkeringen aan gemeenten, maar ook die aan provincies en gemeenschappelijke regelingen.

Tabel 4.2.1. Aantal specifieke uitkeringen per departement (2011–2016)

Ministerie

2011 (oud)

2011 (nieuw)

2012

2013

2014

2015

2016

 

begroting

begroting

begroting

begroting

rekening

rekening

begroting

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

3

7

5

3

     

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

 

15

9

       

Economische Zaken

10

   

8

6

4

6

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

5

           

Financiën

             

Infrastructuur en Milieu

 

31

24

20

15

9

6

Verkeer en Waterstaat

7

           

Veiligheid en Justitie

 

3

3

2

2

2

2

Justitie

3

           

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

4

4

3

2

2

3

3

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

7

7

6

5

5

2

 

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

5

8

5

5

4

2

2

Jeugd en Gezin

3

           

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

24

           

Wonen, Wijken en Integratie

4

           

Totaal

75

75

55

45

34

22

19

Bron 2011–2015: Onderhoudsrapportages Specifieke Uitkeringen (OSU)

Bron 2016: Ontwerpbegroting BZK 2016 (begrotingcijfers met bewerking BZK).

Voor 2011 is ter vergelijking het aantal specifieke uitkeringen vermeld naar ongewijzigde departementale indeling (oud) en huidige departementale indeling (nieuw).

Het OSU is in 2015 van methodiek veranderd. In plaats van begrotingscijfers wordt vanaf het OSU 2015 gebruik gemaakt van rekeningcijfers. Dus het OSU 2015 bevat rekeningcijfers 2014 en het OSU 2016 bevat rekeningcijfers 2015.

4.3. Motorrijtuigenbelasting

Provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting mogen door provincies worden geheven op basis van artikel 222 Provinciewet. De opcenten worden geheven bovenop het rijkstarief van de motorrijtuigenbelasting. De hoogte van de provinciale opcenten is wettelijk gemaximeerd. De vaststelling van de opcenten geschiedt door Provinciale Staten. Omdat het een algemene belasting betreft komt de opbrengst toe aan de algemene middelen van de provincie.

Tabel 4.3.1 geeft een meerjarige weergave van het gemiddeld door de provincies geheven aantal opcenten. In 2016 mogen de opcenten ten hoogste 110,6% bedragen van het rijkstarief. Geen enkele provincie heft de maximale opcenten en gemiddeld wordt er 80,26 aan opcenten geheven door de provincies.

Tabel 4.3.1. Meerjarige weergave opcenten motorrijtuigenbelasting (MRB) provincies o.b.v. begroting
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Gemiddelde opcenten MRB provincies

78,33

79,08

79,87

81,04

79,12

82,2

80,26

Maximaal te heffen opcenten MRB

116,7

119,4

105

107,3

109,2

109,2

110,6

Rekentarief PF opcenten MRB

55,52

55,52

65,9

65,9

65,9

65,9

65,9

5. BIJLAGEN BIJ DE BEGROTING

BIJLAGE 1: BELEIDSMUTATIES

Beleidsmutaties (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2015

– 147

         

Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2015

– 1

         

Accres tranche 2015 (incidenteel)

3.784

         

Accres tranche 2015 (structureel)

3.784

3.784

3.784

3.784

3.784

3.784

Accres tranche 2016

– 6.857

– 6.857

– 6.857

– 6.857

– 6.857

– 6.857

RSP Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

57.777

         

Dubbele dijkzone Eemshaven-Delfzijl (decentralisatie-uitkering)

200

         

Beter Benutten (decentralisatie-uitkering)

58.444

         

Big Start Giro D'Italia (decentralisatie-uitkering)

2.500

         

Erfgoed en ruimte (decentralisatie-uitkering)

724

         

Waddenslib (decentralisatie-uitkering)

100

         

Regionale luchthavens (decentralisatie-uitkering)

934

         

Projectstimuleringsregeling V (decentralisatie-uitkering)

285

         

Bodemsanering (decentralisatie-uitkering)

3.099

5.162

7.842

8.009

7.937

 

Afsluitdijk (decentralisatie-uitkering)

3.574

         

Hydrologische maatregelen (decentralisatie-uitkering)

5.000

         

Zoetwatermaatregelen (decentralisatie-uitkering)

6.895

         

Weidevogels (decentralisatie-uitkering)

25

25

25

25

   

Fieldlab Region of Smart Factories (decentralisatie-uitkering)

2.000

         

Plafond BTW-compensatiefonds (algemene uitkering)

– 709

         

Programma Rijke Waddenzee (decentralisatie-uitkering)

75

         

Groei op het spoor (decentralisatie-uitkering)

4.011

         

Landelijk Meldpunt Afval (algemene uitkering)

 

– 1.995

– 1.995

– 1.995

– 1.995

– 1.995

Versnellingsagenda melkveehouderij Noord NL (decentralisatie-uitkering)

60

60

60

60

   

Programma Impuls Omgevingsveiligheid (decentralisatie-uitkering)

 

14.286

       

Duurzaam Door (decentralisatie-uitkering)

1.500

         

DU Ontwikkel/OEM variabel (decentralisatie-uitkering)

400.921

406.438

       

DU Ontwikkel/OEM variabel (algemene uitkering)

– 400.921

– 406.438

       

Programma Rijke Waddenzee (decentralisatie-uitkering)

826

1.240

1.653

     

Aansluiting Lelystad Airport (decentralisatie-uitkering)

6.671

         

RSP Zuiderzeelijn (decentralisatie-uitkering)

60.944

         

Erfgoed en ruimte (decentralisatie-uitkering)

269

         

Uitvoeringstafel Eindhoven Airport (decentralisatie-uitkering)

33

         

Accres tranche 2016 (algemene uitkering)

6.315

6.315

6.315

6.315

6.315

6.315

Accres tranche 2017 (algemene uitkering)

 

27.175

27.175

27.175

27.175

27.175

Plafond BTW-compensatiefonds (algemene uitkering)

28.576

         

Totaal mutaties (inclusief meerjarige doorwerking 1e suppletoire 2016)

250.691

49.195

38.002

36.516

36.359

28.422

BIJLAGE 2: MOTIES EN TOEZEGGINGEN IN HET VERGADERJAAR 2015–2016

Moties: Onderdeel A.1 Afgedaan

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken

De motie van de leden Veldman en Wolbert; Verzoekt de regering in samenspraak met de bestuurlijke koepels VNG en IPO te komen tot een fundamentele herziening van de financiële grondslagen van het Gemeentefonds en het Provinciefonds, gericht op een vereenvoudiging van het systeem, en daarbij te onderzoeken hoe verschillen in economische groei tussen de diverse regio's in Nederland kunnen worden gefaciliteerd

Gemeente- en provinciefonds

Afgedaan. De Tweede Kamer is op 7 juli 2016 per brief geïnformeerd (Kamerstukken, 34 300-B, nr. 22).

De motie van de leden Albert de Vries en Van Dekken; Verzoekt de regering, bij het opstellen van de actieplannen en de daarop te baseren convenanten ook de betreffende provincies te betrekken alsmede de besteding van de aan die provincies uit te keren extra middelen voor beleid ten aanzien van bevolkingsdaling

Gemeente- en provinciefonds

Afgedaan. De Tweede Kamer is op 17 maart 2016 per brief geïnformeerd (Kamerstukken, 31 757, nr. 89)

Moties: Onderdeel A.2 In behandeling

Omschrijving van de motie

Vindplaats

Stand van zaken

     

Toezeggingen: Onderdeel B.1 Afgedaan

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Van Bijsterveld (CDA) en Meijer (SP), toe om, als bij de overgang van taken van de gemeenschappelijke Wgr-plusstructuren naar de provincie de belangen van de gemeenten in de knel komen, dit in het overleg over de financiële verhoudingen tussen Rijk, provincies en gemeenten aan de orde te stellen en zich in te zetten voor een goede balans tussen de provincies en de gemeenten.

Gemeente- en provinciefonds

Afgedaan. Toezegging wordt meegenomen in het reguliere BZK-beleid.

Toezeggingen: Onderdeel B.2 In behandeling

Omschrijving van de toezegging

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Van Bijsterveld (CDA), Huijbregts-Schiedon (VVD) en Koole (PvdA), toe over een half jaar te rapporteren over de oprichting van vervoerregio's. Als sprake is van onvoldoende vordering, grijpt de Minister in.

Gemeente- en provinciefonds

De Minister heeft in een bestuurlijk overleg met provincie Zuid-Holland en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag toegezegd de Kamers pas te informeren wanneer het samenwerkingscomnvenant getekend is.

BIJLAGE 3: LIJST MET AFKORTINGEN

BCF

BTW-compensatiefonds

Bofv

Bestuurlijk overleg financiële verhouding

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

DU

Decentralisatie-uitkering

Fvw

Financiële-verhoudingswet

GF

Gemeentefonds

IPO

Interprovinciaal Overleg

IU

Integratie-uitkering

Iv3

Infomatievoorziening voor derden

MRB

Motorrijtuigen belasting

NGRU

Netto gecorrigeerde Rijksuitgaven

OEM

Overige Eigen Middelen

OSU

Onderhoudsrapport Specifieke Uitkeringen

OZB

Onroerende-zaakbelastingen

PF

Provinciefonds

POR

Periodiek Onderhoudsrapport

Rfv

Raad voor de financiële verhoudingen

RPE

Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek

UvW

Unie van Waterschappen

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

BIJLAGE 4: LIJST MET BELANGRIJKE TERMEN EN HUN BETEKENIS

Accres

Bedrag waarmee het beschikbare bedrag van het provinciefonds jaarlijks wordt aangepast, gebaseerd op een bestuurlijk overeengekomen normeringsystematiek (zie ook normeringsystematiek).

   

Algemene uitkering uit het provinciefonds

Uitkering aan alle provincies die ten goede komt aan de algemene middelen.

   

Cluster

Samenhangend geheel van beleidsterreinen uit oogpunt van kostenoriëntatie en verdeling.

   

Decentralisatie-uitkering uit het provinciefonds

Sinds 2008 bestaat binnen het provinciefonds naast de algemene uitkering (zie algemene uitkering uit het provinciefonds) en de integratie-uitkering (zie integratie-uitkering uit het provinciefonds) ook de decentralisatie-uitkering. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het provinciefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van tevoren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn.

   

Financiële-verhoudingswet (Fvw)

Wet waarin is vastgelegd dat er een gemeentefonds en provinciefonds is. De wet regelt daarnaast globaal de wijze van verdeling van het provinciefonds. Sinds 1 januari 1998 maakt de regeling voor het provinciefonds onderdeel uit van de Financiële-verhoudingswet.

   

Integratie-uitkering uit het provinciefonds

Uitkering die wordt toegepast als overheveling van een specifieke uitkering of eigen middelen naar de algemene uitkering bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang naar de algemene uitkering.

   

IJkpunten

Geobjectiveerde kostennormen per taakgebied, rekening houdend met structuurkenmerken, die voor alle provincies respectievelijk gemeenten beschikbaar zijn.

   

Normeringsystematiek

Bepaling van het accres van het provinciefonds op basis van een norm. De norm is de jaarlijkse procentuele ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. De netto gecorrigeerde rijksuitgaven zijn de bruto-rijksuitgaven minus de niet-belastingontvangsten van het Rijk gecorrigeerd voor onder meer de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking, de Europese Unie, het gemeentefonds en het provinciefonds. Als de netto gecorrigeerde rijksuitgaven stijgen (dalen), nemen het gemeentefonds en het provinciefonds met hetzelfde percentage toe (af). Deze systematiek staat ook wel bekend onder het principe van «samen de trap op en samen de trap af».

   

Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv)

Adviesorgaan op het terrein van de gemeentelijke en provinciale financiën.

   

Uitkeringsbasis

De uitkeringsbasis wordt berekend door de vermenigvuldiging van het aantal eenheden van een set van verdeelmaatstaven met de bijbehorende gewichten (bedragen per eenheid).

   

Uitkeringsfactor

Via de normeringsystematiek wordt jaarlijks de omvang van het provinciefonds bepaald (voeding). De uitkeringsfactor is de verhouding tussen de voeding en de totale landelijke uitkeringsbasis. De uitkeringsfactor wordt afgerond op 3 decimalen achter de komma. Het derde decimaal achter de komma wordt ook wel een «punt» uitkeringsfactor genoemd. Als de uitkeringsfactor bijvoorbeeld stijgt van 1,253 naar 1,265 is dit een stijging van 12 punten.

   

Uitkeringsjaar

Het kalenderjaar waarover het recht op uitkering ontstaat.

   

Verdeelmaatstaf

Maatstaf ter verdeling van de algemene uitkering die verband houdt met de provinciale behoefte aan algemene middelen.

   

Verdeelreserve

Gedeelte van de algemene uitkering dat niet aan de provincies wordt uitgekeerd, maar als reservering apart wordt gehouden. De verdeelreserve dient om onverwachte effecten bij de meting van maatstaven op te vangen. Op het moment dat maatstaven definitief zijn of geen onverwachte ontwikkelingen meer kunnen doormaken wordt de verdeelreserve verrekend.

Naar boven