34 109 Bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet)

Nr. 16 AMENDEMENT VAN HET LID PECHTOLD

Ontvangen 28 mei 2015

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In paragraaf 4.2 wordt na het opschrift een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.16.a. Bekendmaking voornemen tot vervreemding

  • 1. Voordat Onze Minister, gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders besluit een advies te vragen als bedoeld in artikel 4.17, maakt hij een voornemen tot vervreemding van een cultuurgoed of verzameling gedurende ten minste zes maanden openbaar in een daartoe door Onze Minister aangewezen openbaar toegankelijk register.

  • 2. Het register, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval een beschrijving van dat cultuurgoed of die verzameling en een motivering van de voorgenomen vervreemding.

  • 3. Gedurende opneming van het voornemen tot vervreemding in het register kunnen derden Onze Minister, gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen, voldoende onderbouwde, wijze adviseren over de vraag of het te vervreemden cultuurgoed of de te vervreemden verzameling een bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft, of onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit.

II

Artikel 4.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houden Onze Minister, gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders rekening met advies als bedoeld in artikel 4.16.a, derde lid.

Toelichting

De Erfgoedwet moet waarborgen dat op het moment dat er een voornemen is tot vervreemding van cultuurgoederen of (deel)collecties die mogelijk van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis en onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit zijn er een advies wordt gevraagd aan een deskundigencommissie. Het is aan de eigenaar die het voornemen tot vervreemding heeft om te besluiten of het advies van een deskundigencommissie nodig is. Ook is het vervolgens aan de eigenaar om de deskundigencommissie samen te stellen. De indiener is van mening dat deze procedure nog onvoldoende bescherming voor ons erfgoed biedt. Het is immers mogelijk dat de eigenaar de te vervreemden kunst onvoldoende op waarde weet te schatten en daarom (ten onrechte) geen deskundigenadvies inwint. De indiener wil om die reden graag dat het voornemen tot vervreemding openbaar gemaakt wordt en voor een periode van zes maanden wordt opgenomen in een openbaar register, zodat de procedure rondom (het voornemen tot) de vervreemding transparant wordt. De vermelding in het register bevat een beschrijving van het cultuurgoed of de verzameling en een motivering voor het voornemen tot vervreemding. Dit stelt derden in de gelegenheid een oordeel te vormen over de cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde en het onmisbare of onvervangbare karakter. Daarbij is het belangrijk dat voldoende wordt onderbouwd dat er sprake is van een cultuurgoed of verzameling, op grond waarvan er deskundigenadvies gevraagd zou moeten worden voorafgaand aan de vervreemding. Aan welke eisen deze onderbouwing moet voldoen kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald. Het is vervolgens aan de eigenaar om de reacties te wegen en te bepalen of het deskundigenadvies moet worden ingewonnen.

Pechtold

Naar boven