33 953 Initiatiefnota van de leden Voortman en Gesthuizen over het kinderpardon

Nr. 3 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 9 maart 2015

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de initiatiefnemers over de Initiatiefnota van de leden Voortman en Gesthuizen over het kinderpardon (Kamerstuk 33 953, nr. 2).

De vragen en opmerkingen zijn op 8 september 2014 aan de initiatiefnemers voorgelegd. Bij brief van 9 maart 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Ypma

Adjunct-griffier van de commissie, Tielens-Tripels

Inhoudsopgave

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

1.

Doel en aanleiding

2

 

2.

Belang van het kind

3

 

3.

Beslispunten

4

   

3.1.

Gewortelde jongeren 21+

4

   

3.2.

Gewortelde jongeren zonder asielaanvraag

5

   

3.3.

Rijkstoezicht

5

         

II.

Reactie van de initiatiefnemers

7

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

1. Doel en aanleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota van de leden Voortman en Gesthuizen over het kinderpardon (hierna: de initiatiefnota). Zij waarderen het dat de initiatiefnemers opkomen voor de belangen van de hier gewortelde kinderen van vreemdelingen, zoals ook de leden Spekman en Voordewind deden bij de indiening van hun initiatiefwet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 houdende versterking van de positie van in Nederland gewortelde minderjarige vreemdelingen (Kamerstuk 33 068). Deze leden zijn verheugd dat de huidige regering een eenmalige en een permanente regeling voor gewortelde kinderen in Nederland in het leven heeft geroepen die momenteel worden uitgevoerd. Meer dan 700 kinderen plus gezinsleden hebben door de eenmalige kinderpardonregeling een verblijfsvergunning in Nederland gekregen en kunnen hun toekomst in Nederland verder opbouwen. Ook voor de permanente regeling zijn inmiddels al tientallen asielkinderen in aanmerking gekomen. De resultaten van de kinderpardonregelingen zijn qua aantallen kinderen ongeveer in lijn met de prognoses die zowel in 2012 bij de initiatiefwet (Kamerstuk 33 068) als in 2013 door de regering bij het kinderpardon zijn gegeven.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota. Zij danken de initiatiefnemers voor de geleverde inspanningen om deze nota tot stand te brengen. Deze leden delen de behoefte van de initiatiefnemers om kinderen die al lange tijd in Nederland verblijven duidelijkheid te bieden, maar zetten vraagtekens bij de keuze voor het middel van een specifiek pardon. Zij vragen de initiatiefnemers hoe zij de definitieve regeling beoordelen, waarmee feitelijk een premie wordt gezet op het negeren van de vertrekplicht door middel van een in het vooruitzicht gestelde aanvraagprocedure voor kinderen die hier in de toekomst vijf jaar of langer verblijven. Voornoemde leden vragen de initiatiefnemers hoe zij het risico beoordelen dat de definitieve regeling nieuwe procedures kan uitlokken en op termijn dientengevolge een voedingsbodem kan vormen voor een nieuw kinderpardon. De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers of zij hebben overwogen in onderhavige initiatiefnota voor te stellen de definitieve regeling ongedaan te maken. Waarom hebben de initiatiefnemers er niet voor gekozen te benoemen dat met de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en het buitenschuldbeleid adequaat ingespeeld kan worden op de problematiek van langdurig in Nederland verblijvende kinderen?

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende initiatiefnota. Deze leden zijn echter, zoals bekend, tegen iedere pardonregeling en zien de voorgestelde verruiming van het kinderpardon dan ook als ongewenst.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de initiatiefnota. Zij onderstrepen het belang van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat voorschrijft dat het belang van het kind voorop moet staan bij beleid dat kinderen raakt. Zij achten het van groot belang dat het verschil tussen Rijks- en gemeentoezicht in de uitvoering van het kinderpardon gecorrigeerd wordt. Deze leden danken de initiatiefnemers dan ook voor hun inspanning. Wel willen de leden benadrukken dat het politieke debat over de Regeling langdurig verblijvende kinderen al eerder gevoerd is in de Kamer, waarna heldere criteria zijn opgesteld. Voornoemde leden pleiten voor een ruimhartige maar vooral rechtvaardige uitvoering van het kinderpardon. Het huidige kinderpardon geldt nu alleen voor kinderen die tijdens de asielprocedure onder Rijkstoezicht hebben gestaan.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggende initiatiefnota. Zij ondersteunen van harte de veronderstelling dat uitvoering van de Regeling langdurig verblijvende kinderen onnodig stringent wordt uitgevoerd.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota. Zij onderschrijven de noodzaak zorgvuldig om te gaan met de belangen van kinderen die als vreemdeling in Nederland verblijven.

2. Belang van het kind

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in weerwil van wat de initiatiefnemers stellen, de belangen van kinderen centraal staan bij de initiatieven en de regelingen voor de asielkinderen. Dat er criteria zijn gesteld op grond waarvan er helaas ook kinderen buiten de kinderpardonregeling vallen, betekent dat de regeling uitgaat van de belangen van kinderen. Die vormen daarvan de basis en zijn het uitgangspunt. Het is volgens deze leden met het stellen van voorwaarden altijd onvermijdelijk en kwellend dat er ook kinderen buiten die voorwaarden vallen. Zij wijzen er bovendien op dat de criteria van het kinderpardon ruimer zijn dan die in eerdergenoemde initiatiefwet zijn opgenomen. Hoe kijken de initiatiefnemers hier tegenaan? Gelden de voorgestelde verruimingen alleen voor een eenmalig pardon of stellen de initiatiefnemers een permanente regeling voor met blijvende criteria?

De aan het woord zijnde leden wijzen erop dat in de genoemde initiatiefwet en in het kinderpardon is gekozen voor kinderen van asielzoekers, omdat asielprocedures en mogelijke vervolgprocedures regelmatig vele jaren duren. Het gaat jaarlijks om duizenden procedures. Dit is een belangrijke oorzaak waardoor worteling van asielkinderen in Nederland ontstaat. Waarom willen de indieners dit uitbreiden tot vreemdelingen die een reguliere aanvraag hebben ingediend? Geldt dit voor alle vormen van reguliere aanvragen, van gezinsleven tot arbeid en van kennismigranten tot studenten? Hoeveel kinderen komen door deze verruiming in aanmerking voor een verblijfsvergunning? Kunnen zo ongedocumenteerde vreemdelingen door het eenvoudig indienen van een reguliere verblijfsaanvraag, na vijf jaar verblijf gelegaliseerd worden? Achten initiatiefnemers dit aanvaardbaar en beheersbaar en zo ja, waarom?

De leden van de PVV-fractie merken op dat de initiatiefnemers wijzen op het belang van het kind. Realiseren de indieners zich dat door verruiming van de pardonregelingen juist meer kinderen zonder verblijfsstatus in Nederland zullen blijven omdat hun ouders in hun aanname worden bevestigd dat dit voor het hele gezin een verblijfsstatus op zal leveren? Erkennen de initiatiefnemers dat het vreemdelingenbeleid gebaat is bij duidelijkheid en dat het derhalve niet goed is dat steeds van bestaande regels wordt afgeweken, waarna vervolgens ook weer van afwijkingen wordt afgeweken zoals deze initiatiefnota beoogt? Zo nee, waarom niet? Welke waarde wordt door de initiatiefnemers toegekend aan de vertrekplicht van uitgeprocedeerde vreemdelingen en hoe wordt het met verblijfsvergunningen belonen van het negeren van deze plicht gerechtvaardigd? Hoe zorgen de initiatiefnemers er voor dat illegaal verblijf in Nederland niet wordt beloond met een verblijfsvergunning? Op welke wijze wordt de medewerking aan terugkeer van uitgeprocedeerde vreemdelingen gewaarborgd? Delen de initiatiefnemers de mening dat het niet meewerken aan vertrek door een vreemdeling niet beloond mag worden met een verblijfsvergunning? Zo ja, hoe uit zich dat in deze initiatiefnota? Hoe beoordelen de initiatiefnemers de openbare orde aspecten in de kinderpardonregeling? Behoort een door een minderjarige of zijn/haar ouders gepleegd misdrijf verblijfsrecht uit te sluiten? Hoe gaan de initiatiefnemers het indienen van meerdere verblijfsaanvragen tegen teneinde in Nederland te kunnen blijven?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de initiatiefnemers aan de rechten van kinderen een absolute status lijken toe te kennen, die bij voorbaat prioritair is aan andere rechten en belangen. De initiatiefnemers merken immers in algemene zin op dat de belangen van kinderen een groter gewicht in de schaal leggen dan het belang van de Staat om een restrictief vreemdelingenbeleid te voeren. Deze leden vragen in hoeverre met deze weergave recht wordt gedaan aan de internationale wet- en regelgeving en de jurisprudentie, waarin inderdaad groot belang wordt toegekend aan de rechten van kinderen, maar waarin ook blijkt dat altijd sprake is van een afweging van concrete belangen en beginselen. Naast de door de initiatiefnemers geciteerde kernelementen uit het arrest van de Hoge Raad van 21 juli 2012 wijzen zij er bijvoorbeeld op dat de Hoge Raad ook citeert dat een verzoening nodig is van de bescherming van fundamentele rechten en de beperkingen die door vreemdelingenbeleid worden opgelegd (rechtsoverweging 3.5.3). Graag ontvangen zij een toelichting in hoeverre de initiatiefnemers de waarde van een concrete belangenafweging onderkennen.

De aan het woord zijnde leden van vragen voorts hoe de initiatiefnemers omgaan met het spanningsveld dat de rechten die aan onwillige ouders omwille van hun kinderen worden toegekend ertoe kunnen leiden dat de instroom van kwetsbare minderjarigen zou kunnen toenemen en een groter aantal gezinnen in een onzekere en kwetsbare situatie komt te verkeren. Zij wijzen in dit verband op het feit dat ten tijde van de invoering van de Vreemdelingenwet in de Kamer breed de noodzaak werd onderkend van een restrictiever beleid inzake minderjarigen, als remedie bij uitstek teneinde de instroom van het aantal kwetsbare en kansloze minderjarigen te beperken.

3 Beslispunten

3.1 Gewortelde jongeren 21+

De leden van de CDA-fractie vragen of de argumentatie die de initiatiefnemers aanvoeren ter verdediging van de voorgestelde leeftijdsverhoging er niet feitelijk op neer komt dat een oplossing gevonden dient te worden voor die jongeren die net buiten de regeling van de afwikkeling van oude Vreemdelingenwet (generaal pardon) zijn gevallen. Hoe beoordelen de initiatiefnemers het risico dat op basis van dit argument het in de toekomst altijd verdedigbaar zal zijn jongeren van het ene naar het volgende pardon te begeleiden? Voornoemde leden vragen de initiatiefnemers of dit voorstel daarmee blijk geeft van een inconsequent terugkeerbeleid. Ook vragen zij in hoeverre dit voorstel rekening houdt met jongeren die bewust de vertrekplicht genegeerd hebben. Meer in het algemeen vragen deze leden de initiatiefnemers hoe met een dergelijke leeftijdsverhoging nog gesproken kan worden over een regeling voor langdurig verblijvende kinderen, aangezien het inmiddels volwassenen betreft.

3.2 Gewortelde kinderen zonder asielaanvraag

De leden van de CDA-fractie merken op dat de initiatiefnemers voorstellen ook kinderen die een reguliere aanvraag hebben gedaan en ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar in Nederland verbleven, onder het Kinderpardon te laten vallen. Ongeveer 430 kinderen en gezinsleden hebben geen Kinderpardon gekregen omdat zij geen asiel hebben aangevraagd, zo stellen de initiatiefnemers. Deze leden vragen de initiatiefnemers of zij weten hoeveel kinderen van deze groep een reguliere vergunning heeft aangevraagd, aangezien dit niet in onderhavige initiatiefnota is vermeld. Mochten de initiatiefnemers niet over deze gegevens beschikken, vragen deze leden of het verlenen van een verblijfsvergunning bijdraagt aan een rechtvaardig en humaan asiel- en vreemdelingenbeleid, zonder te weten om hoeveel kinderen het gaat en wat de individuele gronden waren op basis waarvan een reguliere vergunning is aangevraagd. Ook vragen zij hoe de initiatiefnemers willen omgaan met diegenen die zijn afgewezen in de procedure voor een reguliere vergunning en de vertrekplicht vervolgens bewust hebben genegeerd.

De leden van de SGP-fractie willen graag meer zicht krijgen op het verschil tussen de vreemdelingen die zijn afgewezen vanwege het feit dat zij geen asiel hebben aangevraagd en de vreemdelingen die op andere gronden alsnog een vergunning hebben gekregen. Welke overwegingen liggen ten grondslag aan het besluit om bepaalde vreemdelingen wegens schrijnende omstandigheden een vergunning te verlenen, terwijl anderen daarvoor niet in aanmerking komen? Kunnen de initiatiefnemers deze groepen inzichtelijk maken?

3.3 Rijkstoezicht

De leden van de PvdA-fractie hebben voorts een aantal vragen over het criterium gemeentetoezicht dat door de initiatiefnemers wordt voorgesteld. In het initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 houdende versterking van de positie van in Nederland gewortelde minderjarige vreemdelingen is wat betreft toezicht gesteld dat het bijvoorbeeld moest gaan om mensen die een asielgerelateerde verblijfsvergunning hadden, een asielgerelateerde verblijfsaanvraag hadden lopen of met terugkeer bezig waren. Dit kwam voort uit de koppeling die in die wet is gemaakt tussen lange procedures, lang verblijf en de worteling van kinderen. Verwachten de initiatiefnemers dat door het loslaten van deze koppeling en deze verruiming in potentie alle illegale vreemdelingen met kinderen gelegaliseerd kunnen worden, nu alle (ook illegale) kinderen recht hebben op onderwijs en dus altijd aan het criterium zullen voldoen? Zo nee, waarom niet? Hoeveel kinderen komen extra voor een verblijfsvergunning in aanmerking door deze verruiming? Denken de initiatiefnemers niet dat deze verruiming ervoor zorgt dat een te grote verantwoordelijkheid komt te liggen bij scholen, burgemeesters, etcetera, die bijna verantwoordelijk worden voor het wel of niet kunnen verlenen van een verblijfsvergunning? Zo nee, waarom niet?

Voornoemde leden willen nogmaals benadrukken dat zij hechten aan de belangen van gewortelde asielkinderen. Kinderen horen niet de dupe te zijn van extreem lange procedures. Daarom zijn deze leden ook blij dat het kinderpardon tevens een, weliswaar strenge, permanente regeling kent. Zij wijzen er wel op dat het een afgewogen taak is om met de criteria voor een dergelijke uitzonderlijke regeling voor kinderen die hoofdzakelijk gebaseerd is op enkel een bepaalde verblijfstermijn heel zorgvuldig om te gaan, teneinde te voorkomen dat met een kinderpardon niet alle toelatingsregels en terugkeerbeleid zinledig worden. Die verantwoordelijkheid hebben ook de initiatiefnemers en deze leden vernemen graag hoe zij die verruimingen invullen. De regering heeft in de bestaande kinderpardonregeling een goede balans gevonden die aan zoveel mogelijk kinderen een verblijfsvergunning verstrekt, maar ook grenzen stelt teneinde de regeling uitvoerbaar en de uitgangspunten van het vreemdelingenbeleid overeind te houden. Voor het draagvlak voor het vreemdelingenbeleid op de langere termijn is dit van cruciaal belang.

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemers of een verruiming van de criteria voor Rijkstoezicht met gemeentetoezicht niet de facto neerkomt op een vervanging van het begrip Rijkstoezicht door gemeentetoezicht. Deze leden vernemen graag van de initiatiefnemers wat zij verstaan onder gemeentetoezicht. Wat is de reikwijdte? Heeft gemeentetoezicht überhaupt een rol in het landelijk asielbeleid en zo ja, welke? Komt gemeentetoezicht erop neer dat scholen of consultatiebureaus medeplichtig worden aan de vaststelling of mensen illegaal in Nederland verblijven? Is dat wenselijk? Welke risico’s kleven aan een dergelijke toetsing?

De leden van de CDA-fractie vragen of een burgemeestersverklaring niet overbodig is, gezien de aangenomen motie Van Hijum/Van der Staaij (Kamerstuk 19 637, nr. 1836) dat de door burgemeesters aangedragen informatie over het belang van in Nederland gewortelde kinderen wordt meegenomen in de beoordeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij het toepassen van diens discretionaire bevoegdheid. Het doet hen deugd dat de initiatiefnemers deze motie in juni 2014 hebben gesteund en zij vragen de initiatiefnemers hoe hun steun voor deze motie zich verhoudt tot het door hun voorgestelde voorstel.

De leden van de D66-fractie merken op dat de initiatiefnemers voorstellen het criterium voor Rijkstoezicht te verruimen tot gemeentetoezicht omdat ook kinderen die ingeschreven zijn bij een gemeente, school of anderszins onder gemeentetoezicht stonden en in beeld waren van de overheid. De initiatiefnemers stellen tevens voor de toetsing van gemeentetoezicht uit te voeren door middel van een burgemeestersverklaring. Hoe willen de initiatiefnemers deze rol van de burgemeester verder vormgeven? De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft deze voorwaarde opgesteld om te voorkomen dat vreemdelingen die zich jarenlang hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid en die een leven in illegaliteit hebben verkozen, nu in aanmerking kunnen komen voor de regeling (zie Kamerstuk 19 637, nr. 1597). Voornoemde leden vragen de initiatiefnemers of het inderdaad om kinderen gaat die zich bewust en actief hebben onttrokken aan het toezicht van de overheid. Kunnen de initiatiefnemers meer inzicht bieden in de situatie van de gezinnen die verondersteld worden zich actief onttrokken te hebben aan het Rijkstoezicht?

De aan het woord zijnde leden begrijpen dat de betreffende kinderen allemaal ingeschreven hebben gestaan bij onder andere scholen en sportclubs. Klopt het dat zij daarmee ook in het Basisregister Onderwijs staan, welke beheerd wordt door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?

Kan worden ingegaan op de juridische ongelijkheid die wordt gecreëerd door het kunstmatig verschil tussen Rijks- en gemeentetoezicht? Druist een dergelijk onderscheid in tegen het non-discriminatiebeginsel? Artikel 2, eerste lid, IVRK verbiedt bijvoorbeeld discriminatie bij toepassing van het rechten uit het verdrag. In het tweede lid van artikel 2IVRK is een specifiek verbod opgenomen ten aanzien van alle vormen van discriminatie die gebaseerd zijn op de status en de activiteiten van de ouders. Ook artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bevat een verbod op discriminatie. Hoe houdbaar is het onderscheid tussen Rijks- en gemeentoezicht in het licht van de internationale verdragen?

De leden van de D66-fractie vragen verder of de initiatiefnemers overwogen hebben de kinderen van ouders die een 1F-contra-indicatie hebben gekregen te betrekken bij hun initiatiefnota. Zij zijn van mening dat kinderen niet de dupe mogen worden van de status van hun ouders. Deze leden verwijzen hier nogmaals naar artikel 2, tweede lid, IVRK, waarin een specifiek verbod opgenomen is ten aanzien van alle vormen van discriminatie die gebaseerd zijn op de status en de activiteiten van de ouders.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn verheugd over het feit dat veel kinderen door deze regeling eindelijk een waardig bestaan in Nederland kunnen opbouwen. Zij betreuren echter wel dat veel kinderen die eveneens langdurig in Nederland verblijven buiten hun schuld om geen aanspraak kunnen maken op deze regeling. Zij delen de mening dat kinderen die in beeld waren bij de lokale overheid en kinderen die aan alle criteria voldoen behalve het leeftijdscriterium eveneens aanspraak moeten kunnen maken op deze regeling. Deze leden constateren dat de initiatiefnemers de regeling onder meer van toepassing willen verklaren op kinderen en gezinsleden die geen asiel hebben aangevraagd. Kan helder uiteen worden gezet of een dergelijke verbreding niet zal leiden tot een uitholling van de asielprocedure?

De leden van de SGP-fractie vragen of de initiatiefnemers van mening zijn dat binnen het voorgestelde criterium er een mogelijkheid moeten zijn voor de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een vergunning te weigeren wegens contra-indicaties indien het verlenen van een verblijfsvergunning, ondanks het voldoen aan de eis van gemeentelijk toezicht, redelijkerwijs niet acceptabel is te achten.

II. Reactie van de initiatiefnemers

1. Doel en aanleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota van de indieners om de regeling voor gewortelde kinderen van vreemdelingen te verruimen. Zij waarderen het dat de indieners opkomen voor de belangen van de gewortelde kinderen van vreemdelingen, zoals de PvdA- en CU-fractie middels de in begin 2012 ingediende initiatiefwet deden. Deze leden zijn verheugd dat de huidige regering een eenmalige en een permanente regeling voor gewortelde kinderen van asielzoekers in het leven heeft geroepen, die momenteel worden uitgevoerd. Meer dan 700 kinderen plus gezinsleden hebben door de eenmalige kinderpardonregeling een verblijfsvergunning in Nederland gekregen en kunnen hun toekomst in Nederland verder opbouwen. Ook voor de permanente regeling zijn inmiddels al tientallen asielkinderen in aanmerking gekomen. De resultaten van de kinderpardonregelingen zijn qua aantallen kinderen ongeveer in lijn met de prognoses die zowel in 2012 bij de initiatiefwet als in 2013 door de regering bij het kinderpardon zijn gegeven. In weerwil van wat de indieners stellen, staan de belangen van kinderen centraal bij de initiatieven en regelingen voor de asielkinderen. Dat er criteria zijn gesteld op grond waarvan er helaas ook kinderen buiten de kinderpardonregeling vallen, betekent niet dat de regeling niet uitgaat van de belangen van kinderen. Die vormen daarvan de basis en het uitgangspunt. Het is volgens de leden van de PvdA-fractie met het stellen van voorwaarden immer onvermijdelijk en kwellend dat er ook kinderen buiten die voorwaarden vallen. De leden wijzen er bovendien op dat de criteria van het kinderpardon ruimer zijn dan die in de eergenoemde initiatiefwet van PvdA/CU zijn opgenomen. Hoe kijken de indieners daar tegenaan? Daarnaast willen de leden van de PvdA-fractie weten of de voorgestelde verruimingen alleen voor een eenmalig pardon gelden, of stellen de indieners een permanente regeling voor met blijvend deze criteria?

De indieners zijn verheugd dat de leden van de PvdA-fractie waarderen dat de indieners opkomen voor de belangen van gewortelde kinderen en vreemdelingen. De indieners delen de opvatting van deze leden dat de huidige asielregelingen de belangen van kinderen voldoende centraal stellen echter niet, en achten deze stelling zelfs aantoonbaar onjuist te zijn. De criteria zoals nu opgenomen in de regeling doen volgens de indieners namelijk geen recht aan het belang van het kind, zoals dit is opgenomen in internationale en Europese regelgeving, in het bijzonder artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), artikel 5 juncto overweging 22 van de considerans bij de Terugkeerrichtlijn (2008/115/EU) en artikel 24 lid 3 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. Deze houden allen voor Nederland de verplichting in dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen.

De leden van de PvdA-fractie verwijzen naar de door de PvdA en de ChristenUnie ingediende initiatiefwet op dit onderwerp. Het klopt dat de kinderpardonregeling op punten verbeteringen aanbrengt ten opzichte van de destijds door de PvdA en de ChristenUnie voorgenomen initiatiefwet. Dat laat onverlet dat zowel de initiatiefwet van PvdA en ChristenUnie als de huidige kinderpardonregeling nog niet een situatie scheppen die volledig in lijn is met het IVRK en principes van billijkheid en rechtvaardigheid. De indieners vinden de initiatiefwet van PvdA en ChristenUnie op een aantal punten onrechtvaardig, zoals bijvoorbeeld op het punt van het verwijtbaarheidscriterium.

De indieners wijzen erop dat in hun initiatiefnota voorstellen worden gedaan voor het verruimen van de criteria in paragraaf 3.1 van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. Deze regeling heeft betrekking op de overgangsregeling. Dit laat onverlet dat de criteria voor zowel de overgangsregeling als de definitieve regeling een grote overlap kennen, en dat de indieners het wenselijk achten dat ook in de definitieve regeling de criteria omtrent het rijkstoezicht en het onder de regeling scharen van aanvragen voor reguliere verblijfsvergunningen worden verruimd.

De leden van de PvdA-fractie willen nogmaals zeer benadrukken dat zij hechten aan de belangen van gewortelde asielkinderen. Kinderen horen niet de dupe te zijn van extreem lange procedures. Daarom zijn de leden ook blij dat het kinderpardon tevens een, weliswaar strenge, permanente regeling kent. De leden wijzen er wel op dat het een afgewogen taak is om met de criteria voor een dergelijke uitzonderlijke regeling voor kinderen die hoofdzakelijk gebaseerd is op enkel een bepaalde verblijfstermijn, heel zorgvuldig om te gaan, om te voorkomen dat met een kinderpardon niet alle toelatingsregels en terugkeerbeleid zinledig worden. Die verantwoordelijkheid hebben ook de indieners en de leden van de PvdA-fractie vernemen graag hoe de indieners die met deze verruimingen invullen. Naar mening van de PvdA-fractie heeft de regering in de bestaande kinderpardonregeling een goede balans gevonden die aan zoveel mogelijk kinderen een verblijfsvergunning verstrekt, maar ook grenzen stelt om de regeling uitvoerbaar en de uitgangspunten van het vreemdelingenbeleid overeind te houden. Voor het draagvlak voor het vreemdelingenbeleid op de langere termijn is dit van cruciaal belang, aldus de leden.

De indieners delen de angst van deze leden niet dat de onderhavige voorstellen zullen leiden tot het zinledig worden van alle toelatingsregels en het terugkeerbeleid. Zij wijzen er op dat ook met de bescheiden uitbreiding van de criteria van de Regeling langdurig verblijvende kinderen die de indieners voorstellen een strenge regeling overblijft, maar daarin principes van billijkheid en rechtvaardigheid beter tot hun recht komen. De indieners zijn niet van mening dat hun voorstellen de uitvoerbaarheid van het vreemdelingenbeleid in gevaar brengen. Indien de suggestie van de leden van de PvdA-fractie dat de voorstellen van de indieners strijdig zijn met de uitgangspunten van het vreemdelingenbeleid klopt, dan zegt dit in de ogen van de indieners veel over deze uitgangspunten en de billijkheid en rechtvaardigheid daarvan.

De leden van de fractie van de PVV hebben met belangstelling kennis genomen van de initiatiefnota. De fractie van de PVV is echter, zoals bekend, tegen iedere pardonregeling en ziet de voorgestelde verruiming van het Kinderpardon dan ook als ongewenst. De leden van de fractie van de PVV willen voorts de volgende vragen stellen. De indieners wijzen op het belang van het kind. Realiseren zij zich dat door (verruiming van) pardonregelingen juist meer kinderen zonder verblijfsstatus in Nederland zullen worden gehouden omdat hun ouders bevestigt worden in hun aanname dat dit voor het hele gezin een verblijfsstatus op zal leveren?

De indieners zijn benieuwd naar op welke feiten en cijfers de leden van de PVV-fractie zich baseren met betrekking tot deze stelling. De indieners hebben geen aanleiding om te veronderstellen dat het billijker en rechtvaardiger maken van de criteria voor het kinderpardon zal leiden tot een aanzuigende werking.

Erkennen indieners dat het vreemdelingenbeleid gebaat is bij duidelijkheid en dat het derhalve niet goed is dat steeds van bestaande regels wordt afgeweken, waarna vervolgens ook weer van afwijkingen wordt afgeweken (zoals de nota beoogt)? Zo neen, waarom niet?

De indieners erkennen inderdaad dat het vreemdelingenbeleid gebaat is bij duidelijkheid. Dat ontslaat de overheid in de ogen van de indieners echter niet van haar plicht om omissies in de praktische uitvoering, de redelijkheid en de billijkheid van het vreemdelingenbeleid te verhelpen. In casu is het niet gerechtvaardigd om het toezichtscriterium, het onderscheid tussen asielaanvragen en reguliere aanvragen en het uitsluiten van 21+ers van de overgangsregeling in stand te laten, enkel en alleen omdat dit een afwijking is van bestaande regels. Zoals reeds door de indieners is beargumenteerd is het in stand houden van de huidige regeling immers strijdig met de rechten van het kind.

Bovendien kan worden beargumenteerd dat de huidige Regeling langdurig verblijvende kinderen juist onduidelijkheid schept, doordat het beeld wordt geschept dat alle gewortelde kinderen die zich niet hebben onttrokken aan het toezicht van overheidsinstanties als de gemeente of een onderwijsinstelling. Aan deze onduidelijkheid maken de indieners door middel van hun voorstellen juist een einde.

Welke waarde wordt door indieners toegekend aan de vertrekplicht van uitgeprocedeerde vreemdelingen en hoe wordt het (met verblijfsvergunningen) belonen van het negeren van deze plicht gerechtvaardigd? Hoe zorgen indieners er voor dat illegaal verblijf niet wordt beloond met een verblijfsvergunning? Zijn de indieners met de leden van de PVV-fractie van mening dat het niet meewerken aan vertrek door een vreemdeling niet beloond mag worden met een verblijfsvergunning? Zo ja, hoe uit zich dat in de initiatiefnota?

De door de indieners voorgestelde wijzigingen hebben geenszins tot gevolg dat het negeren van een vertrekplicht, dan wel illegaal verblijf, dan wel het niet meewerken aan vertrek wordt beloond met een verblijfsvergunning. De indieners van de nota wensen verruiming van het leeftijdsvereiste, dat de regeling ook van toepassing is op gewortelde kinderen zonder asielachtergrond en aanpassing van het criterium toezicht rijksoverheid.

Er zijn bij de indieners signalen bekend dat mensen die een vertrekplicht opgelegd krijgen, niet altijd daadwerkelijk in staat zijn om terug te reizen, bijvoorbeeld doordat het land van herkomst hen niet wil toelaten, of hun medische situatie dit niet toelaat. De indieners zijn van mening dat Nederland deze mensen niet zomaar aan hun lot kan overlaten. Indien er een vertrekplicht bestaat en vreemdelingen hier geen gehoor aan geven, heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) instrumenten om de uitzetting toch te realiseren. Indien kinderen zich langdurig onttrokken hebben aan het rijkstoezicht, maken ze geen aanspraak op de Regeling langdurig verblijvende kinderen, ook indien gemeentelijk toezicht ook onder het begrip rijkstoezicht geschaard zou worden, zoals de indieners voorstellen.

Op welke wijze wordt de medewerking aan terugkeer van uitgeprocedeerde vreemdelingen gewaarborgd? Hoe beoordelen indieners openbare orde aspecten in de Kinderpardonregeling? Behoort een door betrokkene of zijn/haar ouders gepleegd misdrijf verblijfsrecht uit te sluiten? Hoe gaan indieners het indienen van meerdere verblijfsaanvragen teneinde in Nederland te blijven tegen?

De indieners wijzigen met hun voorstellen niets aan het instrumentarium van de DT&V om medewerking aan uitzettingen te waarborgen.

De indieners doen in de initiatiefnota geen voorstellen voor aanpassingen in de criteria omtrent openbare orde en/of nationale veiligheid. Wel zijn de indieners van mening dat kinderen niet gestraft mogen worden voor het handelen van hun ouders, zoals ook is vastgelegd in artikel 2 lid 2 IVRK. Ook in de toelichting bij WBV 2013/1 staat dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de regeling is dat kinderen niet de dupe mogen zijn van het handelen en nalaten van hun ouders.

De indieners doen in de initiatiefnota geen voorstellen om hieromtrent regels te veranderen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van de initiatiefnota van de leden Voortman en Gesthuizen over het kinderpardon. Deze leden danken de indieners voor de geleverde inspanningen om deze nota tot stand te brengen.

De leden van de CDA-fractie delen de behoefte van de indieners om kinderen die al lange tijd in Nederland verblijven duidelijkheid te bieden, maar hebben al eerder vraagtekens gezet bij de keuze voor het middel van een specifiek pardon. Deze leden vragen de indieners hoe zij de definitieve regeling beoordelen, waarmee feitelijk een premie wordt gezet op het negeren van de vertrekplicht door middel van een in het vooruitzicht gestelde aanvraagprocedures voor kinderen die hier in de toekomst vijf jaar of langer verblijven. Deze leden vragen indieners hoe zij het risico beoordelen dat de definitieve regeling nieuwe procedures kan uitlokken en op termijn dientengevolge een voedingsbodem kan vormen voor een nieuw kinderpardon. De leden van de CDA-fractie vragen de indieners of zij hebben overwogen om in onderhavige nota voor te stellen de definitieve regeling ongedaan te maken en waarom zij er niet voor gekozen hebben om te benoemen dat met de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris en het buitenschuldbeleid adequaat ingespeeld kan worden op de problematiek van langdurig in Nederland verblijvende kinderen.

De indieners zijn geen voorstander van het afschaffen van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. Zij hebben niet overwogen het toekennen van verblijfsvergunningen aan schrijnende gevallen over te laten aan de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris. De indieners zijn van mening dat dit tot onwenselijke willekeur leidt en vreemdelingen afhankelijk maakt van de grilligheid van de politieke voorkeur en opvattingen van de Staatssecretaris. Dat in een aantal gevallen met succes een beroep is gedaan op de Regeling langdurig verblijvende kinderen, geeft in de ogen van de indieners aan dat in het verleden geen adequaat gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid.

De definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen moet voorkomen dat er in de toekomst opnieuw discussies ontstaan over lang in Nederland verblijvende kinderen en de rol en verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van deze, veelal uitgeprocedeerde, vreemdelingen, zo staat in de toelichting op de regeling. In de definitieve regeling is als contra-indicatie opgenomen dat de vergunning niet wordt verleend als niet is meegewerkt aan vertrek. Mits deze contra-indicatie op rechtvaardige wijze wordt toegepast in individuele zaken, is er geen reden te verwachten dat er wederom een nieuw kinderpardon zal komen.

De indieners delen de vrees van de hier aan het woord zijnde leden niet dat de voorstellen in de initiatiefnota leiden tot een grote uitbreiding van de procedeermogelijkheden. De indieners wijzen er op dat tegenwoordig ook leges worden geheven voor aanvragen o.g.v. de definitieve regeling. Ook wordt maar een zeer klein percentage van de aanvragen ingewilligd. In de ogen van de indieners zal het dan ook weinig aantrekkelijk zijn om een ongefundeerde aanvraag te doen in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de initiatiefnota van de leden Voortman en Gesthuizen over het kinderpardon. Deze leden onderstrepen het belang van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat voorschrijft dat het belang van het kind voorop moet staan bij beleid dat kinderen raakt. De leden van de D66-fractie achten het van groot belang dat het verschil tussen Rijks- en gemeentoezicht in de uitvoering van het kinderpardon gecorrigeerd wordt. De leden danken de indieners dan ook voor hun inspanning. Wel willen de leden benadrukken dat het politieke debat over de regeling langdurig verblijvende kinderen al eerder gevoerd is in de Kamer, waarna heldere criteria opgesteld zijn. De genoemde leden pleiten voor een ruimhartige maar vooral rechtvaardige uitvoering van het kinderpardon. Het huidige kinderpardon geldt nu alleen voor kinderen die tijdens de asielprocedure onder Rijkstoezicht hebben gestaan.

De leden van de D66-fractie vragen verder of de indieners overwogen hebben om de kinderen van ouders die een 1F-contraindicatie hebben gekregen te betrekken bij hun initiatiefnota. De leden van de D66-fractie zijn van mening dat kinderen niet de dupe mogen worden van de status van hun ouders. De leden verwijzen hier nogmaals naar het IVRK, artikel 2(2) waarin een specifiek verbod opgenomen is op alle vormen van discriminatie die gebaseerd zijn op de status en activiteiten van ouders.

De indieners delen de opvatting van de hier aan het woord zijnde leden dat kinderen bij een aanvraag in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen geen contra-indicatie op basis van 1F tegengeworpen horen te krijgen. Wel wijzen de indieners er op dat het scheiden van kind en ouders onwenselijk is, en zij het niet in alle gevallen wenselijk achten dat vluchtelingen met een 1F contra-indicatie een vergunning kunnen krijgen op grond van een aanvraag in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen namens hun kind. De indieners staan in beginsel positief tegen voorstellen om het tegenwerpen van 1F contra-indicaties tegen te gaan, maar oordeelden bij het opstellen van onderhavige initiatiefnota dat de 1F-problematiek bij voorkeur in breder verband en met specifieke aandacht opgelost dient te worden.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennis genomen de initiatiefnota. Zij ondersteunen van harte de veronderstelling dat uitvoering van Regeling langdurig verblijvende kinderen onnodig stringent wordt uitgevoerd.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn verheugd over het feit dat vele kinderen door deze regeling eindelijk een waardig bestaan in Nederland kunnen opbouwen. Zij betreuren echter wel dat veel kinderen die eveneens langdurig in Nederland verblijven – buiten hun schuld om – geen aanspraak kunnen maken op deze regeling. Tezamen met de indieners zijn deze leden van mening dat kinderen die in beeld waren de lokale overheid en kinderen die aan alle criteria voldoen behalve het leeftijdscriterium eveneens aanspraak moeten kunnen maken op de regeling.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de initiatiefnota. Zij onderschrijven de noodzaak om zorgvuldig om te gaan met de belangen van kinderen als vreemdeling in Nederland verblijven.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de indieners aan de rechten van kinderen een absolute status lijken toe te kennen, die bij voorbaat voorgaat op andere rechten en belangen. De indieners merken immers in algemene zin op dat de belangen van kinderen een groter gewicht in de schaal leggen dan het belang van de Staat om een restrictief vreemdelingenbeleid te voeren. Deze leden vragen in hoeverre met deze weergave recht wordt gedaan aan internationale wet- en regelgeving en jurisprudentie, waarin inderdaad groot belang wordt toegekend aan de rechten van kinderen, maar waarin ook blijkt dat altijd sprake is van een afweging van concrete belangen en beginselen. Naast de door de indieners geciteerde kernelementen uit het arrest van de Hoge Raad wijzen zij er bijvoorbeeld op dat de Hoge Raad ook citeert dat een verzoening nodig is van de bescherming van fundamentele rechten en de beperkingen die door vreemdelingenbeleid worden opgelegd (r.o. 3.5.3). Graag zouden zij een nadere toelichting ontvangen in hoeverre de indieners de waarde van een concrete belangenafweging onderkennen.

De indieners zijn inderdaad van mening dat de bescherming van de rechten van kinderen een zekere prioriteit zou moeten hebben boven andere in het spel zijnde belangen. Kinderen hebben in de ogen van de indieners geen bewuste invloed kunnen uitoefenen op hun omstandigheden en zijn maar in beperkte mate in staat zichzelf te beschermen, waardoor de plicht ontstaat voor eenieder en elke staat om zich, indien nodig, over hen te ontfermen en hen te beschermen. De indieners hechten aan de houdbaarheid van het vluchtelingenbeleid in Nederland, maar hechten zoveel waarde aan het bovengenoemde principe dat zij van mening zijn dat de, veelal arbitraire, belangen van het toelatingsbeleid in het geval van de voorstellen die zij in hun initiatiefnota doen, ondergeschikt zijn aan de rechten van het kind.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de indieners omgaan met het spanningsveld dat de rechten die aan onwillige ouders omwille van hun kinderen worden toegekend ertoe kunnen leiden dat de instroom van kwetsbare minderjarigen zou kunnen toenemen en een groter aantal gezinnen in een onzekere en kwetsbare situatie komt te verkeren. Zij wijzen in dit verband op het feit dat ten tijde van de invoering van de Vreemdelingenwet in de Kamer breed de noodzaak werd onderkend van een restrictiever beleid inzake minderjarigen, als remedie bij uitstek om de instroom van het aantal kwetsbare en kansloze minderjarigen te beperken.

De indieners delen de noodzaak die de hier aan het woord zijnde leden voelen om de instroom van minderjarige migranten te beperken niet. In de ogen van de indieners is geen enkele jongere kansloos, als zij maar voldoende mogelijkheden krijgen om mee te draaien in de samenleving. De indieners kennen veel voorbeelden van migrantenjongeren die inmiddels goed meedraaien en een aanwinst zijn voor onze samenleving.

De indieners beogen juist om meer kwetsbare minderjarigen en hun gezinnen uit hun onzekere en kwetsbare situatie te halen door hen op basis van de Regeling langdurig verblijvende kinderen een vergunning toe te kennen.

2. Gewortelde jongeren 21+

De leden van de CDA-fractie vragen of de argumentatie die de indieners aanvoeren ter verdediging van de voorgestelde leeftijdsverhoging er niet feitelijk op neer komt dat een oplossing gevonden dient te worden voor de jongeren die net buiten de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (generaal pardon) zijn gevallen. Hoe beoordelen indieners het risico dat op basis van dit argument het in de toekomst continu verdedigbaar zal zijn om jongeren van het ene naar het volgende pardon te begeleiden? De leden van de CDA-fractie vragen indieners of dit voorstel daarmee niet blijk zou geven van een inconsequent terugkeerbeleid. Ook vragen zij in hoeverre het voorstel rekening houdt met jongeren die bewust de vertrekplicht genegeerd hebben. Meer in het algemeen vragen deze leden de indieners hoe met een dergelijke leeftijdsverhoging nog gesproken kan worden over een regeling voor langdurig verblijvende kinderen, aangezien het (inmiddels) volwassenen betreft.

Het door de hier aan het woord zijnde leden veronderstelde risico van verdergaande pardonregelingen bestaat naar mening van de indieners niet, tenzij ook het volgende pardon beoogt een groep te beschermen die het niet beschermt. Aangezien dat een vrije unieke situatie is, achten de indieners die kans niet groot. De enige reden dat de indieners voorstellen de leeftijdsgrens in de Regeling langdurig verblijvende kinderen te verhogen, is dat het kinderpardon jongeren zegt te beschermen die vijf jaar of langer als minderjarige in Nederland hebben geleefd en ook op jonge meerderjarigen van toepassing is. Wat dit laatste betreft bevat het kinderpardon echter een willekeurige, niet beargumenteerde leeftijdsgrens van 21 jaar. De grens aan de verhoging die de indieners voorstellen, te weten 25 jaar, heeft te maken met het Generaal Pardon. Jongvolwassenen van ouder dan 25 hoeven immers niet onder het kinderpardon te vallen, aangezien zij logischerwijs al onder het Generaal Pardon vallen.

Hierbij valt nog aan te vullen dat het aantal te oude aanvragers relatief gezien afneemt naarmate die grens van 25 jaar bereikt wordt. Dit heeft te maken met zowel het latere moment van asiel aanvragen (na 1 april 2001) en het feit dat niet alle kinderen exact op hun 13e verjaardag asiel hebben aangevraagd, maar vaak ook nog jonger waren op dat moment. Volgens een berekening van Defence for Children kan iemand maximaal 24 jaar en bijna 7 maanden zijn indien het kinderpardon op hem of haar van toepassing is.

3. Gewortelde kinderen zonder asielaanvraag

De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat in de genoemde initiatiefwet PvdA/CU en in het kinderpardon is gekozen voor kinderen van asielzoekers, omdat asielprocedures (en mogelijke vervolgprocedures) regelmatig vele jaren duren. Het gaat om jaarlijks duizenden procedures. Dit is een belangrijke oorzaak waardoor worteling van asielkinderen in Nederland ontstaat. Waarom willen de indieners dit uitbreiden tot vreemdelingen die een reguliere aanvraag hebben ingediend? En geldt dit voor alle vormen van reguliere aanvragen, van gezinsleven tot arbeid, van kennismigranten tot studenten? Hoeveel kinderen komen door deze verruiming in aanmerking voor een verblijfsvergunning? Kunnen zo ongedocumenteerde vreemdelingen door het eenvoudig indienen van een reguliere verblijfsaanvraag, na vijf jaar verblijf gelegaliseerd worden? Achten zij dit aanvaardbaar en beheersbaar? Zo ja, waarom?

De indieners zouden graag zien dat ook kinderen met een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning onder de Regeling langdurig verblijvende kinderen komen te vallen, omdat de aard van de doorlopen procedure niets af doet aan een feit dat een kind meerdere jaren in Nederland heeft geleefd en derhalve geworteld is geraakt. Ook deze groep komt immers pas in aanmerking voor de regeling indien langer dan 5 jaar als minderjarige is verbleven in afwachting van de afhandeling van de procedure. De indieners zijn zeer benieuwd of de leden van de PvdA-fractie een onderbouwing hebben voor het onderscheid dat zij hier maken over de snelheid van afhandeling van asielvergunningen en reguliere vergunningen. Naar weten van de indieners is een dergelijk onderscheid niet te maken.

De indieners wijzen erop dat zij het de verantwoordelijkheid van het Rijk achten om adequate en tijdige afhandeling van aanvragen voor verblijfsvergunningen af te handelen, of het nu gaat om asielaanvragen of reguliere aanvragen. Indien een kind buiten de eigen schuld vijf jaar of langer moet wachten op uitsluitsel in een procedure, achten de indieners het de morele plicht van de overheid om een verblijfsvergunning te verstrekken. De indieners wijzen er voorts op dat het hier ook om zeer schrijnende gevallen kan gaan. Te denken valt bijvoorbeeld aan orthodoxe christenen uit Egypte die een beroep deden op schrijnende omstandigheden, of een kind met een moeder die slachtoffer was van mensenhandel en een tijdelijke reguliere vergunning heeft gekregen.

Ongeveer 430 kinderen en gezinsleden hebben geen kinderpardonvergunning gekregen omdat zij geen asielvergunning hebben aangevraagd. Onbekend is hoeveel van hen wel een andere, reguliere vergunning heeft aangevraagd. De indieners verwijzen de vraag van deze leden naar hoeveel extra kinderen hierdoor een kinderpardonvergunning zouden kunnen krijgen graag door aan de regering.

De indieners nemen afstand van de suggestie van de leden van de PvdA-fractie dat door de voorstellen ongedocumenteerde vreemdelingen door het «eenvoudig» indienen van een reguliere verblijfsaanvraag na vijf jaar een vergunning kunnen krijgen. Ten eerste zijn de indieners van mening dat er niet luchtig kan worden gedaan over minderjarige vreemdelingen die meer dan vijf jaar in onzekerheid zitten over hun toekomst in dit land. Ten tweede merken de indieners op dat voorts nog aan alle andere voorwaarden van de Regeling langdurig verblijvende kinderen moet worden voldaan. Overigens begrijpen de indieners niet waarom dit bezwaar in de ogen van deze leden zou bestaan bij reguliere aanvragen, maar niet bij asielaanvragen. Een asielaanvraag leent zich immers beter voor dit doel, aangezien hiervoor geen leges betaald hoeven worden.

De indieners stellen voor ook kinderen die een reguliere aanvraag hebben gedaan en ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar in Nederland verbleven, onder het Kinderpardon te laten vallen. Ongeveer 430 kinderen en gezinsleden hebben geen Kinderpardon gekregen omdat zij geen asiel hebben aangevraagd, zo stellen de indieners. De leden van de CDA-fractie vragen indieners of zij weten hoeveel kinderen van deze groep een reguliere vergunning heeft aangevraagd, aangezien dit niet in onderhavige nota stond vermeld. Mocht de indieners niet over deze gegevens beschikken, vragen deze leden hen of het verlenen van een verblijfsvergunning zonder te weten 1) om hoeveel kinderen het gaat en 2) wat de individuele gronden waren op basis waarvan een reguliere vergunning is aangevraagd, bijdraagt aan een rechtvaardig en humaan asiel- en vreemdelingenbeleid. Ook vragen zij hoe de indieners willen omgaan met hen die afgewezen zijn in de procedure voor een reguliere vergunning en de vertrekplicht vervolgens bewust genegeerd hebben.

Er zijn bij de indieners signalen bekend dat mensen die een vertrekplicht opgelegd krijgen, niet altijd daadwerkelijk in staat zijn om terug te reizen, bijvoorbeeld doordat het land van herkomst hen niet wil toelaten. De indieners zijn van mening dat Nederland deze mensen niet zomaar aan hun lot kan overlaten. Indien er een vertrekplicht bestaat en vreemdelingen hier geen gehoor aan geven, heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) instrumenten om de uitzetting toch te realiseren. Indien kinderen zich bewust hebben onttrokken aan het rijkstoezicht in het geval van een vertrekplicht zijn de indieners van mening dat geen aanspraak gedaan kan worden op het Kinderpardon, mits onder het rijkstoezicht ook het toezicht van gemeenten wordt geschaard, zoals de indieners voorstellen.

Ongeveer 430 kinderen en gezinsleden hebben geen kinderpardon gekregen omdat zij geen asielvergunning hebben aangevraagd. Onbekend is hoeveel van hen wel een andere, reguliere vergunning heeft aangevraagd. De indieners verwijzen de vraag van deze leden naar hoeveel extra kinderen hierdoor een kinderpardonvergunning zouden kunnen krijgen graag door aan de regering. Wel wensen de indieners opgemerkt te hebben dat toelatingsregels in hun ogen nimmer opgesteld zouden moeten worden op basis van een getalsmatige overweging over het aantal mensen dat er aanspraak op kan maken. Rechtvaardigheid en billijkheid kunnen immers nooit selectief worden toegepast zonder holle begrippen te worden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de indieners de regeling onder meer van toepassing willen verklaren op kinderen en gezinsleden die geen asiel hebben aangevraagd. De leden vragen de indieners helder uiteen te zetten of een dergelijke verbreding niet zou leiden tot een uitholling van de asielprocedure.

Ten aanzien van de vraag van deze leden merken de indieners het volgende op. Het is niet de bedoeling van de indieners om het criterium van een asielaanvraag op te heffen, maar dit uit te breiden met reguliere aanvragen, omdat zij van mening zijn dat hiertussen geen moreel onderscheid gemaakt kan worden in de Regeling langdurig verblijvende kinderen. De indieners wijzen erop dat hier terecht ook geen onderscheid tussen werd gemaakt bij de motie Anker/Spekman1 die de regering verzocht een regeling te creëren die álle gewortelde kinderen een verblijfsvergunning toekent.

De indieners wijzen erop dat zij het de verantwoordelijkheid van het rijk achten om adequate en tijdige afhandeling van aanvragen voor verblijfsvergunningen af te handelen, of het nu gaat om asielaanvragen of reguliere aanvragen. Indien een kind buiten de eigen schuld vijf jaar of langer moet wachten op uitsluitsel in een procedure, achten de indieners het de morele plicht van de overheid om een verblijfsvergunning te verstrekken. De indieners wijzen en voorts op dat het hier ook om zeer schrijnende gevallen kan gaan. Te denken valt bijvoorbeeld aan orthodoxe christenen uit Egypte die een beroep deden op schrijnende omstandigheden, of een kind met een moeder die slachtoffer was van mensenhandel en een tijdelijke reguliere vergunning heeft gekregen.

De leden van de SGP-fractie zouden graag meer zicht krijgen op het verschil tussen de vreemdelingen die afgewezen zijn vanwege het feit dat zij geen asiel hebben aangevraagd en de vreemdelingen die op andere gronden alsnog een vergunning hebben gekregen. Welke overwegingen liggen ten grondslag aan het besluit om bepaalde vreemdelingen wegens schrijnende omstandigheden een vergunning te verlenen, terwijl anderen daarvoor niet in aanmerking komen/ Kunnen de indieners deze groepen nader inzichtelijk maken, zo vragen zij.

De indieners gaan er vanuit dat de hier aan het woord zijnde leden doelen op vreemdelingen die een vergunning krijgen op grond van de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris. De indieners kunnen deze groep niet inzichtelijk maken, omdat de Kamer geen inzicht krijgt in welke personen een vergunning krijgen op grond van de discretionaire bevoegdheid en wat de beweegredenen daartoe zijn, anders dan dat deze bevoegdheid gebruikt wordt om vergunningen toe te kennen in het geval van schrijnende omstandigheden.

4. Rijkstoezicht

De leden van de PvdA-fractie hebben tot slot een aantal vragen over het criterium gemeentetoezicht dat door de indieners wordt voorgesteld. In de initiatiefwet van PvdA/CU is wat betreft toezicht gesteld dat het bijvoorbeeld moest gaan om mensen die een asielgerelateerde verblijfsvergunning hadden, een asielgerelateerde verblijfsaanvraag hadden lopen of met terugkeer bezig waren. Dit kwam voort uit de koppeling die in die wet is gemaakt tussen lange procedures, lang verblijf en de worteling van kinderen. Verwachten de indieners niet dat door het loslaten van deze koppeling en deze verruiming in potentie alle illegale vreemdelingen met kinderen gelegaliseerd kunnen worden, nu alle kinderen, ook illegale kinderen (gelukkig) recht hebben op onderwijs, en dus altijd aan het criterium zullen voldoen? Zo nee, waarom niet? Hoeveel kinderen komen extra voor een verblijfsvergunning in aanmerking door deze verruiming? Denken de indieners niet dat deze verruiming ervoor zorgt dat een te grote verantwoordelijkheid komt te liggen bij scholen, burgemeesters etc., die nu bijna verantwoordelijk worden voor het wel of niet kunnen verlenen van een verblijfsvergunning? Zo nee, waarom niet?

Hierover zouden de indieners graag het volgende opmerken. De scheiding tussen rijks- en lokale overheden zoals die in de Kinderpardonregeling wordt verondersteld, is in feite grotendeels fictief. Zo wordt de Basisregistratie Personen weliswaar door gemeenten uitgevoerd, maar het Ministerie van Binnenlandse Zaken beschikt over alle inschrijvingen. Via de Koppelingswet beschikken diverse rijksdiensten nu al over inzage in allerlei gemeentelijke registraties, via het BRON (basisregister onderwijs) kan het Ministerie van OCW, ofwel de rijksoverheid, nu al zien op welke school een kind onderwijs volgt. Kortom, het door deze leden gemaakte onderscheid tussen rijksoverheid en gemeentelijke overheid bestaat in de praktijk nauwelijks als het gaat om toezicht. Er zal dan ook geen grote extra verantwoordelijkheid bij scholen en burgemeesters komen te liggen.

Voorts merken de indieners op dat niet alle kinderen die een verblijfsvergunning hebben aangevraagd ook daadwerkelijk onderwijs volgen, ondanks dat zij daar recht op hebben. Ook hebben niet alle ongedocumenteerde kinderen die onderwijs volgen een verblijfsvergunning aangevraagd. Het is dus niet juist om te veronderstellen dat dit voorstel leidt tot het toekennen van verblijfsvergunningen aan alle ongedocumenteerde vreemdelingen met kinderen.

Er zijn Kinderpardonvergunningen geweigerd aan 300 kinderen omdat zij zich onttrokken zouden hebben aan het rijkstoezicht. Voor zover dit nu is te overzien, gaat het dus om maximaal 300 kinderen die in aanmerking komen voor een vergunning bij het verruimen van de criteria. De indieners achten dat een overzichtelijk aantal.2

Ten aanzien van de vraag of hiermee niet teveel verantwoordelijkheid bij gemeenten wordt gelegd verwijzen de indieners graag naar het standpunt van de VNG, dat zich in navolging van vele burgemeesters heeft uitgesproken voor het verruimen van het begrip rijkstoezicht.3

De leden van de CDA-fractie vragen de indieners of een verruiming van de criteria voor Rijkstoezicht met «gemeentetoezicht» niet de facto neerkomt op een vervanging van het begrip rijkstoezicht door gemeentetoezicht. Deze leden vernemen graag van indieners wat zij verstaan onder gemeentelijk toezicht. Wat is nu precies de reikwijdte? Heeft gemeentetoezicht überhaupt een rol in het landelijk asielbeleid en zo ja: welke? Komt gemeentetoezicht er niet op neer dat scholen of consultatiebureaus medeplichtig worden aan de vaststelling of mensen illegaal in Nederland verblijven? Is dat wenselijk? Welke risico’s kleven aan dergelijke toetsing?

De indieners merken hierover op dat gemeenten in het huidige asielbeleid al een rol hebben. Zo hebben burgemeesters vaak een adviserende stem bij het gebruik van de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris. Ook op andere vlakken hebben gemeenten een rol bij het asielbeleid, bijvoorbeeld als het gaat om opvang en handhaving door de vreemdelingenpolitie. De indieners zijn samen met de hier aan het woord zijnde leden van mening dat het niet wenselijk is dat scholen en/of consultatiebureaus medeplichtig zullen worden aan opsporing en handhaving in het geval van illegaal verblijf. Wel merken de indieners op dat gemeenten en scholen momenteel al een rol hebben bij de vaststelling van verblijf, maar dat deze rol niet in positieve zin kan gelden voor aanvragers. Zo wordt de GBA weliswaar door gemeenten uitgevoerd, maar het Ministerie van Binnenlandse Zaken beschikt over alle inschrijvingen. Via de Koppelingswet beschikken diverse rijksdiensten nu al over inzage in allerlei gemeentelijke registraties, via het BRON (basisregister onderwijs) kan het Ministerie van OCW, ofwel de rijksoverheid, nu al zien wie op welke school een kind onderwijs volgt.

De indieners stellen voor dat bij een aanvraag van een vergunning in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen een verklaring van de gemeente kan worden ingebracht als bewijs dat de aanvrager zich niet heeft onttrokken aan het toezicht van het rijk.

De leden van de CDA-fractie vragen de indieners of hun voorstel over de burgemeestersverklaring niet overbodig is, gezien de aangenomen motie dat de door burgemeesters aangedragen informatie over het belang van gewortelde kinderen wordt meegenomen in de beoordeling van de Staatssecretaris bij het toepassen van diens discretionaire bevoegdheid.4 Het deed de leden van de CDA-fractie deugd dat de indieners deze motie in juni jl. hebben gesteund en zij vragen indieners hoe hun steun voor deze motie zich verhoudt met het door hun gepresenteerde voorstel.

Ook de indieners zijn verheugd dat de door de hier aan het woord zijnde leden genoemde motie is aangenomen, aangezien de indieners het van belang vinden dat de informatie van gemeenten wordt meegewogen. De aard van de discretionaire bevoegdheid wil echter dat het voor het parlement niet inzichtelijk is of deze informatie in alle gevallen ook leidt tot het inzetten van de discretionaire bevoegdheid. Bovendien is het binnen deze constructie niet mogelijk voor aanvragers om formeel op deze informatie een beroep te doen. De indieners zouden dit daarom graag in de regeling gewijzigd zien.

De leden van de D66-fractie lezen dat de indieners voorstellen om het criteria voor Rijkstoezicht te verruimen tot gemeentetoezicht omdat ook kinderen die ingeschreven zijn bij een gemeente, school of anderszins onder gemeentetoezicht stonden in beeld waren van de overheid. De indieners stellen tevens voor de toetsing van gemeentetoezicht uit te voeren door middel van een burgemeestersverklaring. De leden vragen aan de indieners hoe ze deze rol van de burgemeesters verder vorm willen geven.

De indieners merken ten aanzien van de vraag van de hier aan het woord zijnde leden op dat de burgemeester reeds nu al een rol heeft in de procedures rond het toekennen van verblijfsvergunningen. Zo hebben burgemeesters een adviserende rol als het gaat om de inzet van de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris. De indieners pleiten slechts voor een codificering in de regeling van wat in de praktijk al gebeurt: dat burgemeesters opkomen voor de belangen van vluchtelingen binnen hun gemeente. Het lijkt de indieners alleszins redelijk dat informatie die bij gemeenten aanwezig is over het verblijf van kinderen, ook meegewogen wordt in de beoordeling of een minderjarige vluchteling al dan niet een periode van vijf jaar aaneengesloten heeft verbleven in Nederland.

Daarnaast begrijpen de leden van de D66-fractie dat de Staatssecretaris deze voorwaarde heeft opgesteld «om te voorkomen dat vreemdelingen die zich jarenlang hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid en die een leven in illegaliteit hebben verkozen, nu in aanmerking kunnen komen voor de regeling»5. De leden van de D66-fractie vragen aan de indieners of het inderdaad om kinderen gaat die zich bewust en actief hebben onttrokken aan het toezicht van de overheid. Kunnen de indieners meer inzicht bieden in de situatie van de gezinnen die verondersteld worden zich actief onttrokken te hebben aan het Rijkstoezicht?

Ten eerste wensen de indieners ten aanzien van de opmerkingen van de hier aan het woord zijnde leden op te merken dat het in vrijwel geen enkele situatie zo is dat kinderen zich bewust aan toezicht onttrekken. Indien dit al met opzet gebeurt, is dat vaak op initiatief van de ouders of andere familieleden van het kind. De indieners verwijzen graag naar de voorbeelddossiers die door de Kinderombudsman op dit gebied zijn gepubliceerd. Daaruit blijkt dat het onder andere gaat om familieleden die zich aan het rijkstoezicht hebben onttrokken, of er verwijdering uit de opvang heeft plaatsgevonden door het COA6.

De leden van de D66-fractie begrijpen dat de betreffende kinderen allemaal ingeschreven hebben gestaan voor onder andere scholen en sportclubs. Klopt het dat zij daarmee ook in het Basisregister Onderwijs staan, welke beheert wordt door Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?

De indieners kunnen dit bevestigen. Naar inzicht van de indieners betekent dit dat gegevens over inschrijving bij scholen bij de rijksoverheid beschikbaar zijn.

Verder vragen de leden van de D66-fractie aan de indieners of zij verder in kunnen gaan in de juridische ongelijkheid die gecreëerd wordt door het kunstmatige verschil tussen Rijks- en gemeentetoezicht. Druist een dergelijk onderscheid niet in tegen het non-discriminatiebeginsel? Artikel 2(1) van het kinderrechtenverdrag verbiedt bijvoorbeeld discriminatie bij toepassing van het rechten uit het verdrag. In artikel 2(2) is een specifiek verbod opgenomen van alle vormen van discriminatie die gebaseerd zijn op de status en activiteiten van ouders. Ook artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens betreft een verbod op discriminatie. Hoe houdbaar denken de indieners dat het onderscheid tussen Rijks- en gemeentoezicht is in het licht van internationale verdragen?

De indieners zijn van mening dat het kunstmatig gemaakte onderscheid tussen toezicht van het rijk en toezicht van de gemeente strijdig is met non-discriminatiebepalingen in internationale verdragen. Gemeentelijke overheden vallen immers uiteindelijk onder de bestuurlijke stelselverantwoordelijkheid van het rijk. Het is in de ogen van de indieners dan ook juridisch niet steekhoudend om een onderscheid te maken tussen toezicht van verschillende lagen van de overheid.

Voorts merken de indieners op dat zij de voorstellen die zij in hun initiatiefnota doen gesteund zien door artikel 2 lid 2 van het IVRK. Uit de voorbeelddossiers van de Kinderombudsman blijkt immers dat aanvragen in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen soms worden afgewezen omdat de ouders, en niet het kind zelf, zich onttrokken hebben aan de toezicht van het rijk. Een afwijzing van het kind op grond van handelen van de ouders is in strijd met dit artikel. Ook in de toelichting bij WBV 2013/1 staat dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de regeling is dat kinderen niet de dupe mogen zijn van het handelen en nalaten van hun ouders.

De leden van de SGP-fractie vragen of de indieners van mening dat binnen het voorgestelde criterium een mogelijkheid moeten bestaan voor de Staatssecretaris om een vergunning te weigeren wegens contra-indicaties indien het verlenen van een verblijfsvergunning, ondanks het voldoen aan de eis van gemeentelijk toezicht, redelijkerwijs niet acceptabel is te achten.

De indieners zijn van mening dat kinderen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het gedrag van hun ouders en dat daarom bij het afgeven van contra-indicaties voor kinderen, voor zover deze worden veroorzaakt door de ouders, in lijn met artikel 2 lid 2 van het IVRK uiterste terughoudendheid in acht moet worden genomen. Ook in de toelichting bij WBV 2013/1 staat dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de regeling is dat kinderen niet de dupe mogen zijn van het handelen en nalaten van hun ouders. Aan de contra-indicaties die kunnen worden tegengeworpen onder de huidige Regeling langdurig verblijvende kinderen op basis van het handelen van het kind zelf wensen de indieners niets te wijzigen.


X Noot
1

Kamerstuk 19 637, nr. 1340

X Noot
2

Kamerstuk 19 637, nr. 1809

X Noot
4

Kamerstuk 19 637, nr. 1836, Van Hijum/Van der Staaij.

X Noot
5

Debat over de Regeling langdurig verblijvende kinderen (Kamerstuk 19 637, nr. 1597)

Naar boven