33 930 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2013

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2013 wijzigingen aan te brengen in:

  • a. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • b. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

B. BEGROTINGSTOELICHTING SLOTWET

Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de verplichtingen te verhogen met € 334,3 miljoen. De uitgaven worden verlaagd met € 16,1 miljoen. De ontvangsten worden verhoogd met € 16,7 miljoen. De aansluiting van dit wetsvoorstel met de ontwerpbegroting en de 1e en 2e suppletoire begroting 2013 is als volgt:

Bedragen x € 1.000
 

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Stand ontwerpbegroting 2013

34.256.829

34.074.608

1.190.482

Nota van wijziging

15.000

15.000

0

Amendement

263.000

263.000

0

Oorspronkelijk vastgestelde begroting 2013

34.534.829

34.352.608

1.190.482

Mutaties eerste suppletoire begroting en ISB 2013

1.113.934

822.086

– 31.766

Mutaties tweede suppletoire begroting 2013

127.746

2.021

80.562

Mutaties slotwet 2013 opgenomen in dit wetsvoorstel

334.318

– 16.060

16.733

Stand rekening 2013

36.110.827

35.160.655

1.256.011

ISB = Incidentele suppletoire begroting

Algemene toelichting op de mutaties

In deze slotwet worden alleen de mutaties groter dan € 2,2 miljoen toegelicht waar het gaat om autonome mutaties en desalderingen (van uitgaven en ontvangsten). Mutaties van boekhoudkundig aard die voornamelijk zijn ontstaan door overboekingen van en naar andere departementen en voor het totaal van de rijksbegroting budgettair neutraal zijn, worden niet toegelicht.

Voor de verplichtingen geldt dat deze in de begrotingsadministratie worden bijgehouden met een vaste relatie tot de uitgaven. In de praktijk kan dat tot verschillen leiden tussen de begrotingsstand van de verplichtingen en de daadwerkelijke realisatiestand uit de financiële administratie. Bij slotwet wordt ten alle tijden aangesloten bij de daadwerkelijk gerealiseerde verplichtingenstand. In deze slotwet wordt toegelicht of de verschillen een beleidsmatige oorzaak hebben (hoofdzakelijk garantieverplichtingen die in het 4e kwartaal 2013 zijn aangegaan) of een technisch karakter hebben (aansluiting op de realisatiestand van de verplichtingen). De beleidsmatige verplichtingenmutaties zijn ook via een aparte brief aan de Tweede Kamer gemeld.

De beleidsartikelen

Artikel 1: Primair onderwijs

Op artikel 1 worden de verplichtingen verhoogd met € 97,3 miljoen en de uitgaven met € 19,6 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 77,7 miljoen) wordt veroorzaakt door garantieverplichtingen aan onderwijsinstellingen die in het 4e kwartaal van 2013 zijn aangegaan en waar OCW garant voor staat (€ 4,1 miljoen) en bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013 (€ 73,6 miljoen).

De ontvangsten worden verhoogd met € 3,2 miljoen.

De uitgavenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Bij de bekostiging is per saldo sprake van meer uitgaven dan geraamd (€ 18,9 miljoen). Dit komt onder meer door een toename van de vaste voet (som van directietoeslag, kleine scholen toeslag en fusieregeling), bijzondere bekostiging, de groeiregeling en correcties van oude jaren. Daartegenover staan lagere uitgaven bij de zorgbekostiging en de prestatiebox.

  • Bij de invoering van verantwoord begroten is een raming gemaakt van de verwachte uitgaven voor subsidies en opdrachten. In de loop van het jaar heeft er een verschuiving plaatsgevonden in de instrumentkeuze. Hierdoor zijn de uitgaven voor het instrument opdrachten lager uitgevallen dan oorspronkelijk geraamd (– € 6,2 miljoen) terwijl de uitgaven voor het instrument subsidies hoger zijn uitgevallen (8,9 miljoen). De verschuiving in instrumentkeuze heeft onder andere gespeeld bij het Plan van Aanpak Pesten.

De ontvangstenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Door afhandeling van de jaarrekeningen van scholen en afrekening van diverse subsidies is € 3,2 miljoen meer ontvangen dan geraamd.

Artikel 3: Voortgezet Onderwijs

Op artikel 3 worden de verplichtingen verhoogd met € 320,0 miljoen en de uitgaven verlaagd met € 0,3 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 320,3 miljoen) wordt veroorzaakt door garantieverplichtingen aan onderwijsinstellingen die in het 4e kwartaal van 2013 zijn aangegaan en waar OCW garant voor staat (€ 64,6 miljoen) en bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013 (€ 255,7 miljoen). In de begroting is voor dit artikel uitgegaan van een «kas is verplichting»-relatie: de veronderstelling is dan dat de uitgaven voor het jaar 2013 in 2013 worden verplicht. Maar feitelijk worden de uitgaven voor het jaar 2013 in 2012 verplicht en in 2013 worden de uitgaven voor het jaar 2014 en later verplicht. Dit wordt gecorrigeerd in deze slotwet.

De ontvangsten worden verhoogd met € 0,8 miljoen.

De uitgavenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Een bijstelling van € 2,2 miljoen op de regeling leerplusarrangement VO, onderdeel opvang vreemdelingen. Eerder is hiervoor bij de Najaarsnota een bijstelling van – € 4,9 miljoen verwerkt. Het aantal aanvragen voor de regeling is echter onverwacht hoger geweest, waardoor het budget alsnog moet worden opgehoogd met € 2,2 miljoen.

  • Een bijstelling van € 3,3 miljoen op het totaal aan bekostiging in het VO. Oorzaken hiervoor zijn divers: zo worden er in de loop van het jaar naar aanleiding van de accountantscontrole wijzigingen aangebracht in het aantal leerlingen die consequenties hebben voor de bekostiging. Ook waren er meer IGVO-leerlingen dan waarmee in de raming rekening was gehouden en was sprake van een bijstelling van – € 2,2 miljoen op het budget voor de diagnostische toetsen.

Artikel 4: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op artikel 4 worden de verplichtingen verlaagd met € 30,0 miljoen en de uitgaven met € 20,2 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (– € 9,8 miljoen) wordt veroorzaakt door garantieverplichtingen aan onderwijsinstellingen die in het 4e kwartaal van 2013 zijn aangegaan en waar OCW garant voor staat (€ 9,8 miljoen) en bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013 (– € 19,6 miljoen).

De ontvangsten worden verhoogd met € 5,4 miljoen.

De uitgavenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Er zijn in 2013 minder aanvragen dan verwacht ingediend voor Leerling Gebonden Financiering (LGF). Hierdoor is € 3,1 miljoen minder uitgegeven.

  • Er zijn minder deelnemers aan VM2 dan geraamd, waardoor er hierop een onderuitputting is van € 3,8 miljoen.

  • Er is sprake van onderuitputting op verschillende budgetten van in totaal € 3,6 miljoen (Platform beta en techniek, afrekening Skills, actieplan laaggeletterdheid, pilots laaggeletterdheid en evaluatie laaggeletterdheid).

  • Op het subsidiebudget is vrijval van middelen ter waarde van € 5,2 miljoen ontstaan door onderuitputting op het budget voor laaggeletterdheid (€ 0,5 miljoen); het niet uitvoeren van een aantal plannen op het gebied van internationalisering (€ 0,04 miljoen) en het niet plaatsvinden van een aantal themabijeenkomsten (€ 0,5 miljoen). Door een verandering in de liquiditeitsbehoefte zijn de middelen die waren gereserveerd voor loopbaanoriëntatie in 2013 (€ 3,0 miloen) niet tot uitbetaling gekomen. Een bedrag van € 1,2 miljoen op het budget voor invoering van de digitale examensoftware FACET voor aansluiting op BRONen een bedrag van € 1,0 miljoen voor ECBO zijn wel verplicht maar niet meer tot betaling gekomen in 2013.

De ontvangstenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Afrekeningen van in totaal € 5,4 miljoen als gevolg van afrekeningen op de educatie, aanvullende vsv-afrekeningen, oude LGF-afrekeningen en diverse afrekeningen van onder andere subsidies.

Artikel 6: Hoger beroepsonderwijs

Op artikel 6 worden de verplichtingen verhoogd met € 14,5 miljoen en de uitgaven met € 0,1 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 14,4 miljoen) wordt veroorzaakt door garantieverplichtingen aan onderwijsinstellingen die in het 4e kwartaal van 2013 zijn aangegaan en waar OCW garant voor staat (€ 4,5 miljoen), een correctie op de reeds geboekte garantieverplichtingen (– € 6,5 miljoen) en bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013 (€ 16,4 miljoen).

De ontvangsten worden verhoogd met € 0,5 miljoen.

Artikel 7: Wetenschappelijk onderwijs

Op artikel 7 worden de verplichtingen verhoogd met € 8,6 miljoen en de uitgaven met € 1,4 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 7,3 miljoen) wordt veroorzaakt door de bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013.

De ontvangsten worden verhoogd met € 0,8 miljoen.

Artikel 8: Internationaal beleid

Op artikel 8 worden de verplichtingen verlaagd met € 1,2 miljoen en de uitgaven met € 1,3 miljoen. De ontvangsten worden verhoogd met € 0,7 miljoen.

Artikel 9: Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Op artikel 9 worden de verplichtingen verlaagd met € 34,7 miljoen en de uitgaven met € 15,6 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (– € 19,2 miljoen) wordt veroorzaakt door de bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013.

De ontvangsten worden verhoogd met € 1,6 miljoen.

De uitgavenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Op de Lerarenbeurs (inclusief zij-instroom) is uiteindelijk een beperkt bedrag overgebleven (€ 4,0 miljoen).

  • Op de Regeling versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen is een meevaller van € 5,0 miljoen omdat de aanvragen/aangevraagde bedragen achterblijven bij het aantal/bedragen opgenomen in de regeling en de begroting.

  • Doordat op Impuls lerarentekorten de ontwikkeling van beleidsinstrumenten en het overleg met het veld erover meer tijd vergt, valt in 2013 een bedrag van € 2,6 miljoen vrij.

  • Diverse voor 2013 geraamde subsidies (€ 2,9 miljoen) ten behoeve van regionale arbeidsmarktproblematiek, professionalisering en overig lerarenbeleid zijn vertraagd en worden in 2014 betaald uit het voor dat jaar beschikbare budget.

Artikel 11: Studiefinanciering

Op artikel 11 worden de uitgaven en de verplichtingen verhoogd met € 15,1 miljoen. De ontvangsten worden verhoogd met € 6,1 miljoen.

De uitgavenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • De relevante uitgaven basisbeurs en aanvullende beurs zijn in totaal € 17,7 miljoen lager uitgevallen. Deze meevaller is het saldo van diverse posten:

    • minder relevante uitgaven voor de basisbeurs (€ 2,6 miljoen)

    • minder omzettingen van de basisbeurs in een gift (€ 6,7 miljoen).

    • minder uitgaven dan geraamd bij de relevante uitgaven aanvullende beurs (€ 16,2 miljoen).

    • meer uitgaven dan geraamd bij de omzettingen aanvullende beurs in gift (€ 7,8 miljoen).

  • De relevante uitgaven voor de reisvoorziening zijn € 17,1 miljoen lager dan geraamd. Dit is het saldo van minder uitgaven voor de contractuele verplichtingen aan de OV-vervoerbedrijven, minder toegekende OV-prestatieleningen dan geraamd en minder omzettingen van OV-prestatieleningen in een gift.

  • De niet-relevante uitgaven voor de prestatiebeurs komen € 31,3 miljoen hoger uit dan geraamd. Dit verschil tussen raming en realisatie 2013 ontstaat door meer toekenningen van de basis-(prestatie)beurs, minder toekenningen van de aanvullende-(prestatie)beurs, meer toekenningen prestatiebeurs in relatie tot de reisvoorziening en hogere technische bijstellingen op dit artikel.

De niet-relevante uitgaven voor de rentedragende leningen zijn per saldo € 20,6 miljoen hoger dan geraamd.

De ontvangstenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • De lagere realisatie relevante rente-ontvangsten bij de langlopende rentedragende leningen bedraagt € 7,1 miljoen.

  • De overige relevante ontvangsten zijn € 6,9 miljoen hoger dan geraamd. Dit komt voornamelijk doordat er meer op de kortlopende vorderingen (ontvangsten uit achterstallige rechten, incasso reisvoorziening en overige vorderingen) is ontvangen.

  • Er zijn meer niet-relevante ontvangsten (€ 6,3 miljoen), hoofdzakelijk door meer extra aflossingen bij de langlopende rentedragende leningen.

Artikel 12: Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Op artikel 12 worden de uitgaven en de verplichtingen verlaagd met € 1,2 miljoen. De ontvangsten worden verlaagd met € 0,01 miljoen.

Artikel 13: Lesgelden

Op artikel 13 worden de uitgaven en de verplichtingen verhoogd met € 0,02 miljoen. De ontvangsten worden verlaagd met € 8,7 miljoen.

De ontvangstenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Er is € 8,7 miljoen minder lesgeld ontvangen dan geraamd. Zowel de realisatie van lesgeldontvangsten voor het schooljaar 2013/2014 (minder lesgeldplichtigen hebben dat in 2013 betaald) als de ontvangsten van lesgelden uit voorgaande schooljaren zijn lager dan geraamd voor 2013.

Artikel 14: Cultuur

Op artikel 14 worden de verplichtingen verlaagd met € 35,2 miljoen en de uitgaven met € 10,2 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (– € 25,0 miljoen) wordt veroorzaakt doordat er per saldo minder garantieverleningen zijn toegekend op de garanties voor achterborgleningen / indemniteit (– € 7,2 miljoen) en door de bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013 (– € 17,8 miljoen).

De ontvangsten worden verhoogd met € 2,7 miljoen.

De uitgavenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Er is sprake van minder uitgaven van € 10,1 miljoen op diverse budgetten: het budget voor de tijdelijke regeling artiesten en musici SZW is niet volledig uitgeput, lagere uitvoeringskosten voor de cultuurkaart, minder uitgaven in verband met innovatie Letteren en Bibliotheken en Cultuur en ICT en Cultuur en Economie, minder internationale uitgaven in verband met Wereld- en Immaterieel Erfgoed en Unesco, en minder uitgaven voor digitalisering Erfgoed, samenwerking musea en oorlogskunst.

Artikel 15: Media

Op artikel 15 worden de verplichtingen verhoogd met € 13,9 miljoen. De uitgaven zijn niet gewijzigd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 13,9 miljoen) wordt veroorzaakt door de bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013.

De ontvangsten worden verhoogd met € 0,04 miljoen.

Artikel 16: Onderzoek en wetenschapsbeleid

Op artikel 16 worden de verplichtingen verlaagd met € 25,7 miljoen en de uitgaven met € 1,0 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (– € 24,7 miljoen) wordt veroorzaakt door de bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013.

De ontvangsten worden verlaagd met € 0,8 miljoen.

Artikel 25: Emancipatie

Op artikel 25 worden de verplichtingen verlaagd met € 4,7 miljoen en de uitgaven met € 0,03 miljoen. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (– € 4,7 miljoen) wordt veroorzaakt door de bijstelling van de verplichtingenraming om aan te sluiten bij de realisatie van de verplichtingen 2013.

De ontvangsten worden verhoogd met € 0,02 miljoen.

Niet-beleidsartikelen

Artikel 91: Nominaal en onvoorzien

Artikel 91 dient als intermediair totdat de exacte verdeling over de betrokken artikelen bekend is. Op dit artikel worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

Artikel 95: Apparaatskosten

Op artikel 95 worden de uitgaven en verplichtingen verlaagd met € 2,4 miljoen. De ontvangsten worden verhoogd met € 4,5 miljoen.

De uitgavenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • Er is € 7,7 minder gerealiseerd dan geraamd. Dit komt onder meer doordat OCW erg terughoudend is geweest met het vervullen van vacatures en het investeren in nieuwe materiële voorzieningen als gevolg van de taakstellingen op het apparaat. Daarnaast heeft een aantal ICT-projecten vertraging opgelopen.

  • OCW staat garant voor onderwijsinstellingen die bij de Staat lenen (schatkistbankieren). Voor het risico dat OCW hierdoor loopt, ontvangt OCW een vergoeding (premie). Deze premie wordt toegevoegd aan de begrotingsreserve schatkistbankieren (desaldering). De premie voor de jaren 2012 en 2013 bedraagt € 2,4 miljoen.

  • De uitgaven van de RCE (Rijksdienst Cultureel Erfgoed) zijn gestegen met € 2,4 miljoen (desaldering). Dit betreft onder andere de uitvoering van projecten ten laste van externe financiering (waaronder EU-subsidies en NWO bijdragen) en doorbelasting van de exploitatiekosten van het Rijksbedrijvencentrum Rijswijk.

De ontvangstenmutaties groter dan € 2,2 miljoen:

  • OCW staat garant voor onderwijsinstellingen die bij de Staat lenen (schatkistbankieren). Zie hiervoor ook de toelichting bij de uitgavenmutaties.

  • De ontvangsten van de RCE zijn gestegen met € 2,4 miljoen (desaldering). Zie hiervoor ook de toelichting bij de uitgavenmutaties.

Naar boven