33 552 Slachtofferbeleid

Nr. 89 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 maart 2022

In uw brief van 21 januari jongstleden vraagt u een reactie op het advies van de Nationale ombudsman over de positie van het slachtoffer bij de afdoening van een strafzaak met een OM-strafbeschikking. Met grote belangstelling hebben wij van deze brief kennisgenomen. In de brief roept de Nationale ombudsman op om te bevorderen dat het openbaar ministerie (OM) bij het afdoen van zaken met een strafbeschikking actief informatie vergaart bij het slachtoffer. De ombudsman wijst erop dat slachtoffers meer betrokken en geïnformeerd willen worden bij de procedure van de OM-strafbeschikking. Daarnaast roept de ombudsman op om te verzekeren dat de rechten van de slachtoffer voldoende zijn geborgd in regelgeving en praktijk.

Het is van groot belang dat slachtofferrechten worden gerespecteerd, ook als er wordt gekozen voor afdoening van een strafzaak met een OM-strafbeschikking. Wij zijn ermee bekend dat de toepassingspraktijk van de OM-strafbeschikking de afgelopen tijd niet in alle gevallen overeen kwam met de procedure voor de toepassing van OM-strafbeschikkingen. Wij betreuren dit zeer. Onder andere haperende ICT was daarvan de oorzaak. Signalen over onvolkomenheden in het betrekken van slachtoffers vormde voor het Ministerie van JenV al eerder aanleiding om met het OM in overleg te gaan over de OM-strafbeschikking en wijze waarop slachtoffers daarbij worden betrokken. Het OM werkt eraan om daarin verbetering te brengen. Daarom is de desbetreffende beleidsregel door het OM aangescherpt om de belangen van slachtoffers beter te kunnen borgen en hebben OM en Slachtofferhulp Nederland inmiddels werkafspraken gemaakt over de werkwijze rondom de betrokkenheid van slachtoffers.

Inzet van het OM is altijd om het slachtoffer zo goed als mogelijk te ondersteunen bij het verkrijgen van een vergoeding van zijn materiële en immateriële schade, ook wanneer een zaak wordt afgedaan met een strafbeschikking. Bij de keuze voor een afdoening van een misdrijf houdt het OM – naast de ernst van het misdrijf en de persoon van de verdachte – rekening met de belangen van slachtoffers.

Zo is in de desbetreffende beleidsregels vastgelegd dat ernstige spreekrechtwaardige feiten, zoals ernstige mishandelings- en zedenzaken, waarbij het slachtoffer of familieleden van het overleden slachtoffer te kennen hebben gegeven van het spreekrecht gebruik te willen maken, geldt als contra-indicatie voor afdoening met een strafbeschikking. Dit is in de Aanwijzing OM-strafbeschikking opgenomen om het belang van een goede afweging van het slachtofferperspectief te benadrukken.

Indien het OM – in overeenstemming met de desbetreffende regelgeving en het OM-beleid – kiest voor afdoening van een strafzaak met een OM-strafbeschikking, dan neemt het OM daarbij de wensen en de schade van het slachtoffer mee. In de genoemde beleidsregel is dan ook vastgelegd dat het OM het slachtoffer tijdig op de hoogte brengt van de datum van het OM-hoorgesprek met de verdachte, zodat het slachtoffer stukken ter onderbouwing van een mogelijk schadeverhaal tijdig kan indienen. Deze informatie wordt door het OM vervolgens meegenomen. Daarnaast is vastgelegd dat het OM het slachtoffer informeert over de inhoud van een strafbeschikking en of aan de voorwaarden van de OM-strafbeschikking door de bestrafte is voldaan.

Borging van de positie van het slachtoffer is voor ons een belangrijk onderwerp en één van onze speerpunten in deze kabinetsperiode. Gebleken is dat in het merendeel van de gevallen recht wordt gedaan aan slachtoffers. Gelet op het bovenstaande zijn wij dan ook van mening dat er op dit moment onvoldoende aanleiding is om de rechten van slachtoffers in de beleidsregels van de OM-strafbeschikking te wijzigen. Wel onderkennen wij het belang van een zorgvuldige toepassing van deze regels in de praktijk. Het OM zal de ervaringen met het proces rondom de OM-strafbeschikking doorlopend monitoren en waar nodig het werkproces aanpassen.

Een reactie van deze strekking zonden wij ook aan de Nationale ombudsman.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind

Naar boven