32 565 Najaarsnota 2010

Nr. 2 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 december 2010

De vaste commissie voor Financiën1, heeft over de Najaarsnota 2010 de navolgende vragen ter beantwoording aan de minister van Financiën voorgelegd.

De vragen zijn op 2 december 2010 voorgelegd. Bij brief van 9 december 2010 zijn ze door de minister van Financiën beantwoord.

De voorzitter van de commissie,

Dezentjé Hamming-Bluemink

De griffier van de commissie,

Berck

1

In de begrotingsregels 2011–2015 (begrotingsregel 25) wordt gesteld dat: «De risico's van garanties en leningen moeten bepaald worden. Bij de beprijzing van risico’s geldt de vuistregel dat deze kostendekkend (inclusief uitvoeringskosten) moeten zijn. Voor de jaarlijkse premiestelling wordt een voorschrift gehanteerd van 3% van de maximale blootstelling uit de voorgestelde regeling, tenzij aangetoond kan worden dat een andere premie gerechtvaardigd is».

Is deze begrotingsregel reeds toegepast op de garanties aan Ierland? Zo ja, hoe vallen de risico's uit en hoe zijn de risico's bepaald? Hoe zijn de risico's geprijsd?

De begrotingsregels 2011–2015 zijn de regels zoals deze zijn afgesproken door het kabinet Rutte-Verhagen, derhalve voor de huidige kabinetsperiode.

De garanties op de verplichtingen die het Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM) en de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) aangaan voor de financiering van leningen aan Ierland zijn reeds gedurende de vorige kabinetperiode verwerkt middels de eerste suppletore begroting 2010. In concreto betekenen de recent verleende garanties het effectueren van de reeds bestaande regelingen. De garanties worden daardoor afgegeven onder de afspraken zoals destijds bij oprichting vastgelegd (bijvoorbeeld aangaande de forse risico-opslag), en de «nieuwe» begrotingsregel 25 is derhalve niet toegepast op deze garanties. Er kan evenwel geconstateerd worden dat de rente die verkregen wordt van Ierland op leningen uit het EFSF circa 3 procentpunt boven de actuele rente op Nederlandse staatsobligaties ligt. Voor meer informatie betreffende de garanties op leningen aan Ierland wordt verwezen naar de hierover verstuurde kamerbrief van 29 november jongstleden (zie brief «Financiële Stabiliteit in Eurogebied», d.d. 29 november 2010, Kamerstukken II 2010/2011, 21 501-07, nr. 769).

2, 6, 7 en 14

Waarom is er voor gekozen 200 miljoen aan uitgaven voor het basispakket Beheer en Onderhoud Hoofdwegennet in 2011 reeds te voldoen in 2010?

Kan uitgelegd worden wat bedoeld wordt met het optimaliseren van het kasritme?

Betekent het al in 2010 voldoen van verplichtingen waar eigenlijk in 2011 aan voldaan had moeten worden dat een meevaller naar voren wordt geschoven?

Waarom is ervoor gekozen om 100 miljoen voor de OV-studentenkaart voor 2011 reeds te voldoen in 2010?

Ervaringen uit het verleden hebben het kabinet uit behoedzaamheidsoverwegingen doen besluiten om de betaling voor het basispakket Beheer en Onderhoud Hoofdwegennet alsmede een deel van de OV-studentenkaart betaling reeds in 2010 te voldoen. Door deze aanpassing van het kasritme wordt, mede in het licht van de financiële opgave waar het kabinet voor staat, het jaar 2011 budgettair ontlast en vertonen de totale uitgaven van 2010 op 2011 een geleidelijker verloop ten opzichte van de kaders.

3

Waardoor wordt de gedeeltelijke neerwaartse spiraal in de ontvangsten vennootschapsbelasting precies veroorzaakt? Verwacht de minister dat deze neerwaartse spiraal in de ontvangsten van de vennootschapsbelasting zich niet zal voortzetten, nu de ramingen voor 2011 uitgaan van een forse ontwikkeling in de ontvangsten vennootschapsbelasting?

Het is niet duidelijk waarop gedoeld wordt met «gedeeltelijke neerwaartse spiraal in de ontvangsten vennootschapsbelasting».

Bij de Najaarsnotaraming is sprake van een relatief bescheiden tegenvaller van –0,2 miljard bij de Vpb-ontvangsten over 2010 ten opzichte van de Miljoenennota 2011. De totale Vpb-ontvangsten 2010 worden bij Najaarsnota 2010 geraamd op 12,0 miljard. Ten opzichte van de gerealiseerde Vpb-ontvangsten over 2009 (11,6 miljard) betreft dit een toename van 0,4 miljard. Deze toename betreft het saldo van het effect van beleidsmaatregelen en de groei als gevolg van de economische ontwikkeling (endogene groei). Het effect van beleidsmaatregelen op de Vpb-ontvangsten in 2010 bedraagt –0,8 miljard met name als gevolg van de kaseffecten van de maatregelen willekeurige afschrijving en verruimde carry-back. De endogene groei in 2010 bedraagt +1,2 miljard (dat is meer dan 10 procent) ten opzichte van de Vpb-ontvangsten over 2009.

4, 24 en 26

Kan toegelicht worden waarom bepaalde middelen voor het stimuleringspakket kredietcrisis vertraagd tot besteding komen? Kunnen daarbij de majeure vertragingen apart worden toegelicht?

Wat is de oorzaak dat middelen uit het stimuleringspakket 2010 over zijn?

Er zijn in het kasritme van het stimuleringspakket voor 2011 grote aanpassingen gedaan ten opzichte van 2011. Wat is hier de achtergrond van?

Het kabinet ziet drie oorzaken voor de lagere uitputting in 2010: te weten verplichtingen die al zijn aangegaan maar waarbij de betaling niet meer in 2010 kan plaatsvinden, een lagere uitputting vanwege een lager beroep op de regeling, of een versnelling die minder snel gaat dan gedacht.

Twee voorbeelden waarbij er sprake is van overlopende verplichtingen zijn het project «Zandmotor» en het project «Quick Wins Binnenhavens». Voor het project «Zandmotor» geldt bijvoorbeeld dat de aanbesteding eind 2010 is gedaan, maar er pas begin 2011 wordt betaald. Het project «Quick Wins Binnenhavens» bestaat uit het verstrekken van subsidies. Een gedeelte hiervan is wel beschikt, maar nog niet uitgekeerd.

In de categorie waar sprake is van een lagere uitputting zonder overlopende verplichtingen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de onderuitputting op het extra BLS-budget of de extra middelen in het kader van de «arbeidsmarktbrief».

Een voorbeeld van naar voren gehaalde investeringsplannen die minder zijn versneld dan oorspronkelijk geraamd is bijvoorbeeld investeringen in ruimtelijke kwaliteit (BIRK), Nationale sleutelprojecten (NSL), Kennis Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), Innovatie Kaderrichtlijn Water (Innovatie KRW), Luchtkwaliteit verkeersmaatregelen en bodemsanering. Deze projecten vallen onder de categorie «snelle uitvoering FES projecten Infra» en de categorie «snelle uitvoering FES projecten ruimtelijk economisch beleid». Zoals uit bijlage 3 van de Najaarsnota blijkt is deze snelle uitvoering van projecten die al gepland waren het meest moeilijk gebleken.

5 en 23

Hoeveel financiële middelen waren oorspronkelijk geraamd voor de uitvoering van het volledig stimuleringspakket kredietcrisis? Hoeveel financiële middelen die oorspronkelijk waren begroot voor het stimuleringspakket vallen op basis van de Najaarsnota nu toe aan het begrotingssaldo? Is hiermee sprake van een bezuiniging op de oorspronkelijk begrote uitgaven voor het stimuleringspakket?

Kan aangegeven worden hoeveel middelen uit het stimuleringspakket 2010 ten gunste van het saldo komen?

In het aanvullend beleidsakkoord (ABK) stond 3,3 miljard aan stimuleringsmiddelen voor 2010 geraamd (categorie A, B, C, D en E van het ABK). Naar nu blijkt is er in 2010 daadwerkelijk 3,0 miljard van deze middelen op kasbasis uitgeput.

Het kabinet heeft als lijn gehanteerd dat de (extra) middelen die in 2010 over zijn vrij vallen ten gunste van het begrotingssaldo, tenzij er sprake is van overlopende verplichtingen. Deze categorie middelen kunnen, met inachtneming van de normale afspraken over eindejaarsmarge, worden meegenomen naar 2011 teneinde de aangegane verplichtingen na te komen. Verder blijven de middelen voor die projecten die in het kader van het stimuleringspakket zijn versneld (naar voren zijn gehaald) beschikbaar. Op basis van de stand NJN voorziet het kabinet dat er 0,1 miljard van de middelen in 2010 vrijvalt ten gunste van het begrotingssaldo.

Er is geen sprake van een bezuiniging op de gemaakte afspraken. Er is extra geld uitgetrokken om de economie te stimuleren, er wordt de ruimte geboden om aan aangegane verplichtingen te voldoen, en de middelen die naar voren zijn gehaald maar nog niet geheel tot besteding zijn gekomen blijven beschikbaar.

6

Kan uitgelegd worden wat bedoeld wordt met het optimaliseren van het kasritme?

Zie antwoord op vraag 2.

7

Betekent het al in 2010 voldoen van verplichtingen waar eigenlijk in 2011 aan voldaan had moeten worden dat een meevaller naar voren wordt geschoven?

Zie antwoord op vraag 2.

8

Hoeveel belegd en onbelegd wordt uit het FES gehaald?

In de Nota van wijzigingen van het FES is beschreven hoe omgegaan is met belegde en onbelegde ruimte in het FES (TK 32 500 D, nr. 4).

Vanuit artikel 11 t/m 14 van het FES is aan bestaande projecten circa 8,5 miljard aan belegde middelen overgeheveld naar departementale begrotingen en infrastructuurfonds.

Het onderscheid belegde en onbelegde ruimte heeft betrekking op artikel 15 van het FES. In de periode 2010–2015 is circa 0,8 miljard als belegde ruimte overgeheveld naar departementale begrotingen en het infrastructuurfonds. In dezelfde periode is circa 1,9 miljard. onbelegde ruimte ingezet ten behoeve van schuldreductie in lijn met de middellange- termijnverkenning (MLT).

9 en 10

Kan per departement en per beleidsartikel een overzicht gegeven worden van de onderuitputting tot dusver in 2010?

Zijn er departementen met een verwachte onderuitputting van meer dan 1%? Zo ja, om welke departementen gaat het en op welke beleidsartikelen heeft deze onderuitputting betrekking?

In onderstaande tabel wordt per begroting een overzicht gegeven van de onderuitputting tot en met de Najaarsnota en de maximale eindejaarsmarge per begroting.

Tabel: Onderuitputting per begroting en maximale eindejaarsmarge (in miljoenen euro)

Begroting

Onderuitputting (a)

Maximale eindejaarsmarge

Staten-Generaal

0,0

1,4

Overige Hoge Colleges van Staat

– 0,3

1,1

Algemene Zaken

– 0,7

0,8

Koninkrijksrelaties

0,0

9,1

Justitie

0,0

59,4

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (incl. Arbeidsvoorwaarden)

– 4,4

83,8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

– 116,9

333,4

Financiën (IX B)

– 39,9

41,8

Defensie

0,0

136,1

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

0,0

13,0

Wonen, Wijken en Integratie

– 20,5

36,9

Verkeer en Waterstaat

0,0

28,3

Economische Zaken

7,7

26,9

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0,1

24,3

Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Rbg-eng)

– 2,1

2,9

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

0,0

29,0

Jeugd & Gezin

– 9,5

64,9

Infrastructuurfonds

– 209,5

(b)

Buitenlandse Zaken/HGIS

– 75,7

181,5

SZA

– 6,5

129,8

(a) Een min betekent onderuitputting, een plus een overschrijding.

(b) Het Infrastructuurfonds kent een eindejaarsmarge van 100%.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat bij geen van de begrotingen de onderuitputting bij Najaarsnota groter is dan de maximale eindejaarsmarge. Voor meer inzicht in de onderuitputting op de departementale begrotingen wordt verwezen naar de departementale suppletoire begrotingen.

10

Zijn er departementen met een verwachte onderuitputting van meer dan 1%? Zo ja, om welke departementen gaat het en op welke beleidsartikelen heeft deze onderuitputting betrekking?

Zie antwoord op vraag 9.

11

Wat is de oorzaak van minder aanslagopleggingen dat vooral bij de vennootschapsbelasting is te zien?

In 2009 werden in een groot aantal gevallen omvangrijke verminderingen toegepast om te hoge voorlopige aanslagen aan te passen op de lagere gerealiseerde winsten. Deels ging dat ook gepaard met hoge rentevergoedingen.

In 2010 zijn de meeste voorlopige aanslagen al initieel op een lager niveau vastgesteld, zodat verminderingen, en daarmee ook de bijbehorende rentevergoedingen, achterwege konden blijven of veel beperkter van omvang waren.

12 en 13

Voorziet de minister dat ook dit jaar een aantal departementen geen of zelfs een negatief eindejaarsmarge zullen hebben?

Welke ministeries zijn dit? In hoeverre is dit probleem een structureel probleem voor deze ministeries?

De begrotingen van EZ en LNV laten bij Najaarsnota een overschrijding zien. Zowel bij EZ als LNV is de laatste jaren bij Slotwet sprake geweest van onderuitputting. Derhalve is dit geen structureel probleem bij deze departementen. De begrotingen van de Staten-Generaal, Koninkrijksrelaties, Justitie, Defensie, VROM, V&W en VWS laten een sluitend beeld zien. Of genoemde departementen bij Slotwet nog onderuitputting laten zien valt op basis van de nu beschikbare informatie niet aan te geven.

13

Welke ministeries zijn dit? In hoeverre is dit probleem een structureel probleem voor deze ministeries?

Zie antwoord op vraag 12.

14

Waarom is ervoor gekozen om 100 miljoen voor de OV-studentenkaart voor 2011 reeds te voldoen in 2010?

Zie antwoord op vraag 2.

15

Wat is de reden voor de tegenvallende werkloosheidsuitgaven?

Op basis van realisatiegegevens van het UWV is de raming van de werkloosheidsuitgaven voor 2010 opwaarts bijgesteld. Dit is met name het gevolg van een hogere gemiddelde WW-uitkering. De tegenvallende werkloosheidsuitgaven worden dus niet veroorzaakt door een verhoging van het volume.

16 en 18

Is het waar dat de onderuitputting van 1 miljard bij het FES niet langer ten goede komt aan projecten die aan de FES-criteria voldoen?

Waarom is het aantal projecten dat gefinancierd wordt via het FES bijgesteld met 1 miljard? Wat is de achtergrond van deze enorme bijstelling?

Er is niet sprake van een bijstelling van de budgetten van de projecten. De achtergrond is dat het kasritme van projecten is geactualiseerd. Dit leidt tot onderuitputting in 2010. Het budget blijft beschikbaar voor de projecten in 2011 en latere jaren.

17

De verbetering van de zorg komt door actualiseringscijfers van de NZa en het CVZ. Hoe kan het eigenlijk zijn dat deze cijfers zijn verbeterd? Kunt u een uitsplitsing geven van de 200 miljoen verbetering?

Er is sprake van een verbetering van de cijfers omdat de cijfers en inzichten over in dit geval 2009 (het jaar op basis waarvan de overschrijding ziekenhuizen berekend is) verbeteren naarmate de tijd vordert. In oktober 2010 ontvangt VWS bijvoorbeeld voor het budgetdeel (A-segment) van de ziekenhuiskosten van de NZa de definitieve nacalculaties over 2009. In juni 2010 betrof het nog de voorlopige nacalculaties over 2009. Hoewel er nog wel enige wijziging mogelijk is, is het huidige beeld over 2009 completer en stabieler dan in juni 2010. Daarbij speelt ook dat aanpassingen in de berekeningssystematiek hebben bijgedragen aan bijstelling van de overschrijding.

Met betrekking tot het B-segment is de overschrijding ziekenhuizen gebaseerd op cijfers van het CVZ. Het gaat hierbij om de door verzekeraars betaalde of naar verwachting te betalen declaraties. Omdat DBC’s een lange doorlooptijd hebben is een deel van de geraamde schade in 2009 gebaseerd op inschattingen van verzekeraars. Deze inschatting van verzekeraars over de te betalen schade in het B-segment in 2009 is tussen juni en oktober 2010 afgenomen van circa 50 procent naar circa 15 procent. Hiermee is het ingeschatte deel van de relevante schade flink afgenomen en zijn de cijfers voor een groter deel zeker.

De mutatie van de overschrijding ziekenhuizen tussen de stand MN 2011 en stand NJN is een optelsom van verschillende onderliggende bijstellingen. Dit betreft 1) een neerwaartse bijstelling van circa 70 miljoen van het budget (A-segment) tussen juni en oktober 2010, 2) een toename van circa 140 miljoen van het B-segment, 3) een neerwaartse bijstelling van ruim 200 miljoen i.v.m. technische correctie op de berekeningssystematiek en 4) een neerwaartse bijstelling circa 30 miljoen i.v.m. de doorwerking van de korting medisch specialisten op de inkomsten van de ziekenhuizen.

18

Waarom is het aantal projecten dat gefinancierd wordt via het FES bijgesteld met 1 miljard? Wat is de achtergrond van deze enorme bijstelling?

Zie antwoord op vraag 16.

19

Hoe kan het dat de actualisering van de zorguitgaven bij de najaarsnota leidt tot een lagere overschrijding dus een meevaller en bij de suppletoire begroting van het ministerie van VWS (blz. 35) tot een hogere mutatie dus een tegenvaller? Wat is hierbij het verschil?

De actualisering van de zorguitgaven 2010 bij de najaarsnota betreffen een actualisatie ten opzichte van de stand miljoenennota/begroting 2011. De tweede suppletoire begroting van het ministerie van VWS is echter een actualisatie ten opzichte van de eerste suppletoire begroting. De overschrijding 2010 is in de periode tussen de eerste suppletoire begroting van VWS en de miljoenennota/begroting 2011 eerst toegenomen van 241 tot 549 miljoen, en daarna tussen miljoenennota en najaarsnota weer afgenomen tot 333 miljoen netto in 2010 (en 314 miljoen structureel van af 2011).

Doordat VWS in de tweede suppletoire begroting het verschil tussen eerste en tweede suppletoire begroting presenteert resulteert dit in een tegenvaller, namelijk een oploop van 241 naar 333 miljoen netto. Daarentegen wordt in de najaarsnota de afloop van de 549 miljoen uit de miljoenennota/begroting 2011 naar de 333 miljoen weergegeven, een meevaller.

20

Kunt u onderbouwen waarom de 0,2 miljard als gevolg van de te nemen maatregelen met betrekking tot medisch specialisten nu wel haalbaar wordt geacht?

De overschrijding bij de medisch specialisten over 2009 is tussen de eerste suppletoire wet 2010 (en VJN) en de tweede suppletoire wet 2010 (NJN) afgenomen met ruim 100 miljoen tot 606 miljoen. De minister van VWS heeft de NZa via een aanwijzing verzocht de overschrijding van 606 miljoen met ingang van 2011 te korten op de tarieven. Op basis van meer actuele cijfers is er dus sprake van een daling van de overschrijding en daarmee ook het te korten bedrag.

Voor 2010 heeft de minister van VWS in een eerder stadium een korting van 512 miljoen in de tarieven laten verwerken. Deze korting is realiseerbaar gegeven de huidige wet- en regelgeving. Deze korting op de tarieven van medisch specialisten werkt door op de inkomsten van ziekenhuizen voor zover zij medisch specialisten in loondienst hebben. Door dit effect komt de netto overschrijding bij de ziekenhuizen lager uit. Deze doorwerking was ten tijde van de vaststelling van de overschrijding ziekenhuizen van 549 miljoen niet meegenomen. Thans is dat wel gedaan. Het effect hiervan bedraagt niet de in de vraag genoemde 200 miljoen, maar circa 30 miljoen in 2010 en bijna 50 miljoen in 2011 (zie ook vraag 17).

21 en 30

Kan de minister een overzicht inclusief toelichting geven van de stand van de niet-kaderrelevante uitgaven Najaarsnota 2010 ten opzichte van de stand in de Miljoenennota 2011 (vermoedelijke uitkomsten)?

Kan de minister een overzicht geven van alle netto-uitgaven die niet relevant zijn voor het uitgavenkader maar wel een belasting vormen voor de schuld. Wat is hiervoor het criterium? Is dit op Europees niveau vastgesteld?

Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle netto-uitgaven, die niet relevant zijn voor het uitgavenkader. Voor een toelichting op de afzonderlijke mutaties wordt verwezen naar de departementale tweede suppletoire begrotingen. In de tabel is in de eerste kolom het begrotingsnummer weergegeven waar de betreffende mutatie plaatsvindt en wordt toegelicht.

Netto-uitgaven niet relevant voor uitgavenkader (in miljarden euro; + = schuldbelastend)

Nr.

Omschrijving

20101

5

Begrotingslening NIO

0,2

7

VUT-fonds

0,1

9A

Rente vlottende schuld

– 0,1

9A

Leningen kasbeheer

0,1

9A

Mutaties rekening courant

– 1,0

9A

Rekening courant Sociale fondsen2

– 5,2

9B

Voorfinanciering DNB

0,1

11

Conversielening RGD

– 0,2

13

Aardgasbaten

0,1

13

Afdracht FES

– 1,0

14

Mineralen- en landbouwheffingen

0,1

16

Afwikkeling Algemene Kas Ziekenfondswet

5,8

86

In=uittaakstelling3

1,0

 

Overige mutaties (m.n. onderuitputting)

– 0,2

Effect op de EMU-schuld

– 0,4

XNoot
1

Vanwege afronding wijkt de som der delen af van het totaal.

XNoot
2

Betreft de afwikkeling van de Algemene Kas Ziekenfondswet en het saldo van premiegefinancierde netto-uitgaven en –ontvangsten.

XNoot
3

De in=uittaakstelling wordt ingevuld met de onderuitputting op het FES – zie mutatie op hoofdstuk 13.

In bovenstaande tabel zijn alle niet-kaderrelevante netto-uitgaven opgenomen. Niet alle mutaties hebben een effect op het EMU-saldo. De mutaties die een effect op het EMU-saldo hebben zijn: rente vlottende schuld (9A), de aardgasbaten (13), de afdracht FES (13), de mineralen- en landbouwheffing (14) en de in=uittaakstelling (86). Ook enkele mutaties die zijn samengevoegd onder de post «Overig mutaties» hebben een effect op het saldo. Het totale saldo-effect van de niet-kaderrelevante uitgaven bedraagt 0,1 miljard.

Alle niet-kaderrelevante mutaties in bovenstaande tabel zijn relevant voor de EMU-schuld. Het saldo van de mutaties in bovenstaande tabel heeft zodoende een effect op de EMU-schuld. De EMU-schuld bedraagt bij Najaarsnota 2010 64% van het bbp. Ook bij Miljoenennota 2011 bedroeg de EMU-schuld 64% van het bbp. Het totale schuldeffect in de Najaarsnota 2010 is te klein om de EMU-schuld zoals gemeld in de Miljoenennota 2011 te doen wijzigen.

Sinds Nederland deel uitmaakt van de Economische en Monetaire Unie (EMU) worden voor de staatsschuld en het begrotingssaldo de definities gebruikt die binnen de gehele EMU hetzelfde zijn (ESA95). Er wordt nu gesproken over EMU-schuld en EMU-saldo.

22

Kan per departement en de niet-kaderrelevante middelen een overzicht gegeven worden van de onderuitputting tot dusver in 2010?

Van de niet-kaderrelevante middelen kan alleen bij het FES en het Stimuleringspakket onderuitputting optreden. De onderuitputting op het FES in 2010 bedraagt 953 miljoen en is reeds ingezet voor de invulling van de nog resterende in=uittaakstelling.

Voor de onderuitputting per departement zie het antwoord bij vraag 9. Voor de onderuitputting op het Stimuleringspakket wordt verwezen naar de antwoorden bij de vragen 5, 23 en 27.

23

Kan aangegeven worden hoeveel middelen uit het stimuleringspakket 2010 ten gunste van het saldo komen?

Zie antwoord op vraag 5.

24

Wat is de oorzaak dat middelen uit het stimuleringspakket 2010 over zijn?

Zie antwoord op vraag 4.

25

Op welke wijze wordt het bedrag van EUR 5,8 miljard ten laste van de begroting van VWS geboekt? In hoeverre is dit een zuiver technische overboeking? Waarom is dit niet eerder gebeurd? Wat is de precieze achtergrond van deze overboeking?

Bij de invoering van de Zorgverzekeringswet op 1 januari 2006 is tevens de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet5 van kracht geworden. Deze wet bepaalt dat de Ziekenfondswet wordt ingetrokken (artikel 2.1.1) en dat het saldo van de Algemene Kas Ziekenfondswet naar de situatie op 1 januari 2010 ten bate of ten laste van ’s Rijks schatkist komt (artikel 2.1.11). Via een bijstelling in de tweede suppletoire wet van VWS wordt het (negatieve) saldo van de Algemene Kas ten laste van de begroting van VWS en daarmee ten laste ’s Rijks schatkist gebracht. Ten tijde van het opstellen van de eerste suppletoire wet waren de benodigde gegevens (onder meer de gecertificeerde jaarrekening van het CVZ 2009) nog niet beschikbaar. Aan de wijze van afwikkeling van de Algemene Kas liggen geen andere beleidsmatige overwegingen ten grondslag dan in 2006 door de wetgever beoogd (stelselwijziging zorg).

26

Er zijn in het kasritme van het stimuleringspakket voor 2011 grote aanpassingen gedaan ten opzichte van 2011. Wat is hier de achtergrond van?

Zie antwoord op vraag 4.

27

Kan een overzicht worden gegeven per stimuleringspakketmaatregel, op basis van bijlage 3 van de Najaarsnota, hoeveel geld doorschuift naar latere jaren en hoeveel geld terugvloeit naar de algemene middelen? Kan daarbij per maatregel waarvan een deel van de oorspronkelijk geraamde financiële middelen terugvloeit naar het saldo aangegeven worden wat de achterliggende reden daarvoor is?

De onderuitputting op het pakket (dat wil zeggen de «minnen» ten opzichte van de VJN) voor de arbeidsmarktbrief (72 miljoen), het actieplan jeugdwerkloosheid (1 miljoen) en een restant voor het extra BLS budget (7 miljoen) vloeit terug naar het saldo. De achterliggende reden is dat er geen sprake is van overlopende verplichtingen.

28

Kunt u nader toelichten wat de reden is van de forse tegenvaller bij de inkomensheffing van zelfstandige ondernemers?

De forse tegenvaller bij de inkomensheffing betreft met name de kasontvangsten die volgen uit de aangiftes over het jaar 2009. Deze blijven sinds de tweede helft van dit jaar achter in vergelijking met andere jaren. Dit kan worden verklaard uit het feit dat achteraf bezien de voorlopige inkomensheffingsaanslagen over 2009 met betrekking tot zelfstandige ondernemers vrij hoog zijn vastgesteld in relatie tot de winsten van zelfstandigen over 2009. Het niveau van de aanslagoplegging in 2009 lag vrijwel op het hoge niveau van die over 2008. Te hoge voorlopige aanslagen waarop betaling hebben plaatsgevonden leiden bij nadere voorlopige aanslagen of aangifte tot teruggaven. In 2010 zijn de teruggaven met betrekking tot het winstjaar 2009 hoger uitgekomen dan verwacht.

29

Kan de minister de verschillen uitleggen tussen het EFSM en EFSF in besluitvormingsprocedure, landen die bijdragen, rol van ECB, IMF en EC en fondsbeheerder?

Onder EFSM kan de Commissie leningen aangaan ten behoeve van EU-lidstaten in nood. Via het EFSM is 60 miljard beschikbaar aan noodleningen. Steun onder EFSM vindt altijd plaats in het kader van een gezamenlijk EU/IMF programma. Daarnaast beoordeelt de Commissie samen met de ECB de financieringsbehoefte van een lidstaat die een aanvraag doet. In het geval van EFSM besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid over verstrekking van een lening. Dit besluit vindt plaats op basis van een voorstel van de Commissie. Het bedrag aan uitstaande leningen aan lidstaten wordt begrensd door de marge die beschikbaar is onder het Eigen Middelen Plafond voor betalingskredieten (1,23 procent BNI). Deze marge is het verschil tussen het Eigen Middelen Plafond en de Financiële Perspectieven. Alleen in het geval van onvolledige terugbetaling van leningen is sprake van budgettaire effecten voor de EU-begroting en daarmee voor de lidstaten. Via de EU-afdrachten staan alle lidstaten van de EU uiteindelijk garant voor de leningen die de Commissie aangaat.

EFSF is een privaatrechtelijke onderneming gevestigd in Luxemburg. Per 1 juli 2010 is Klaus Regling benoemd als CEO van EFSF. Via EFSF kunnen tot en met 30 juni 2013 leningprogramma’s gestart worden voor landen van de eurozone in financiële moeilijkheden. De landen van de eurozone staan voor in totaal 440 miljard garant voor de verplichtingen die EFSF aangaat voor de financiering van deze leningprogramma’s. Vanwege het feit dat slechts een deel van de eurolanden een triple AAA-status heeft, is een overgarantie en een buffer nodig die ervoor zorgt dat ook EFSF de AAA-status geniet. Dit is absolute voorwaarde voor een functionele faciliteit. Zodoende is een deel van de 440 miljard niet effectief beschikbaar ter dekking van de leningen aan lidstaten in nood. De Commissie en het IMF beoordelen samen met de ECB aanvragen voor leningenprogramma’s. Voor het aangaan van leningprogramma’s en het verstrekken van leningen door EFSF is unanieme goedkeuring van de eurolanden nodig. De deelname van de eurolanden in de garanties voor EFSF is gebaseerd op de ECB-kapitaalsleutel. Landen met een programma geven geen garanties af voor nieuwe verplichtingen die EFSF aangaat ten behoeve van een programma. Garanties die reeds zijn afgegeven blijven echter bestaan. Voor nieuwe garanties die afgegeven worden, wordt een aangepaste ECB-kapitaalsleutel gebruikt waarbij rekening gehouden wordt met de maximale garantieverplichtingen waaronder eurolanden garanties kunnen verstrekken.

30

Kan de minister een overzicht geven van alle netto-uitgaven die niet relevant zijn voor het uitgavenkader maar wel een belasting vormen voor de schuld. Wat is hiervoor het criterium? Is dit op Europees niveau vastgesteld?

Zie antwoord op vraag 21.

31

Het Ierse EMU-saldo is vastgesteld op -32%, maar hierin zit ook een gedeelte «bankenredding». Waarom wordt het Ierse saldo weergegeven inclusief deze «bankenredding»?

Van het tekort van 32 procent BBP wordt zo’n 20 procentpunten verklaard door interventies in de financiële sector. Door Eurostat is bepaald dat deze interventies tekortrelevant (in plaats van alleen schuldrelevant) zijn. De reden hiervoor is dat de kapitaalsteun aan Ierse banken, omwille door de specifieke modaliteiten, door Eurostat is geclassificeerd als een «capital transfer» in plaats van een «financial transaction». Daardoor is er in dit geval sprake van een EMU-schuld relevante uitgave in plaats van een investering.

32

Hoe ziet de EMU-schuld van de lidstaten eruit gecorrigeerd voor de deelnemingen aan banken?

De informatie om deze vraag voor alle EU-lidstaten te beantwoorden is niet beschikbaar. Niettemin is middels onderstaande tabel gepoogd het antwoord op een zeer grove manier te herleiden via een top down benadering.

De kolom «schuld 2011» is de geraamde schuld in 2011 van de lidstaten ten tijde van de Voorjaarsvoorspellingen van de Europese Commissie (april 2010). De tweede kolom laat de (verwachte) stock-flow-adjustment zien van 2007 tot en met 2011. Een stock-flow adjustment laat de ontwikkeling van de overheidsschuld zien die niet verklaard kan worden uit de ontwikkeling van de economische groei, de rentestand en het primaire overheidssaldo. Wat dan resteert zijn kas-transverschillen, het saldo van het aankopen of afstoten van (financiële) activa en tot slot restposten. Omdat restposten en kas-transverschillen normaliter klein zijn, wordt aangenomen dat gedurende de periode 2007–2011 het overgrote deel van de stock-flow adjustments in de lidstaten het gevolg is van transacties gerelateerd aan de financiële sector. De laatste kolom laat tot slot de verwachte schuld in 2011 zien wanneer deze gezuiverd wordt voor de verwachte stock-flow adjustments gedurende 2007–2011.

De gehanteerde methode is een zeer grove benadering. In veel nieuwe lidstaten zal deze benadering echter minder accuraat zijn, omdat ook het afstoten van overheidsactiva (privatiseringen) een belangrijkere rol speelt bij het bepalen van de stock-flow adjustment in een lidstaat. Dat is ook de reden dat het cijfer van de stock-flow adjustment in sommige nieuwe lidstaten negatief is: de stock-flow-adjustment is, los van restposten en kas-transverschillen, het nettoresultaat van de acquisitie en de verkoop van (financiële) activa door de overheid.

Vanwege de vergelijkbaarheid van de cijfers tussen de 27 lidstaten is gekozen voor cijfers uit het rapport Public Finances in EMU van de Europese Commissie van juni 2010 (tabel I.1.3. pagina 16). Hierdoor zullen de cijfers voor de stock-flow adjustments van enkele lidstaten (met name Ierland en Griekenland) niet meer up-to-date zijn.

Lidstaat

Schuld 2011

Stock-flow adjustment 2007–2011

Schuld 2011 – stock-flow adjustment 2007–2011

 

in % BBP

in % BBP

in % BBP

België

100,9

6,0

94,9

Duitsland

81,6

5,9

75,7

Ierland

87,3

12,2

75,1

Griekenland

133,9

3,5

130,4

Spanje

72,5

3,4

69,1

Frankrijk

88,6

3,4

85,2

Italië

118,9

1,7

117,2

Luxemburg

23,6

13,1

10,5

Nederland

69,9

11,2

58,7

Oostenrijk

72,9

5,0

67,9

Portugal

91,1

2,2

88,9

Slovenië

45,4

5,5

39,9

Finland

54,9

16,5

38,4

Malta

72,5

1,7

70,8

Cyprus

67,6

– 3,8

71,4

Slowakije

44,0

– 1,1

45,1

    

Eurozone (EU16)

88,5

4,9

83,6

    

Bulgarije

18,8

– 2,8

21,6

Tsjechië

43,5

– 3,0

46,6

Denemarken

49,5

14,2

35,3

Estland

12,4

– 0,9

13,3

Letland

57,3

10,3

47,0

Litouwen

45,4

– 1,0

46,4

Hongarije

77,8

3,3

74,5

Polen

59,3

0,3

59,0

Roemenië

35,8

– 0,8

36,6

Zweden

42,1

3,2

38,9

Verenigd Koninkrijk

86,9

8,6

78,3

    

Europese Unie (EU27)

83,8

3,8

80,0

Bron: Voorjaarsvoorspellingen (Europese Commissie, april 2010), Public Finances in EMU (Europese Commissie, april 2010).

33

Kan er een lijst worden gegeven van de exposure van Nederlandse banken in staatsobligaties van de afzonderlijke eurolanden?

Er zijn op dit moment geen recente cijfers beschikbaar. De meest recente publieke cijfers over de exposure van Nederlandse banken op staatsobligaties van eurolanden zijn gepubliceerd bij de resultaten van de CEBS stress testen die dit voorjaar werden gehouden. Deze resultaten zijn beschikbaar op de websites van de vier grote Nederlandse banken6.

34

De garantieverplichtingen van de Staat zijn afgenomen met circa 31 miljard. Kunt u een overzicht sturen van de totale garanties gedurende de afgelopen jaren. En van de garanties op landen, bedrijven, hypotheken en de exportkredietgarantie? Wat zijn hiervan de risico's en opbrengsten?

De garantieverplichtingen van de Staat samenhangend met de interventies op de financiële markten zijn ten opzichte van de Miljoenennota 2011 inderdaad afgenomen met circa 31 miljard. Dit betreft de beëindiging van de garantie die de Staat had afgegeven t.a.v. ABN AMRO op een gedeelte van de hypothekenportefeuille. Van deze garanties ten behoeve van de financiële sector wordt bij elke nota een totaaloverzicht gegeven (zie bijvoorbeeld bijlage 5 van het Financieel Jaarverslag Rijk 2009, of bijlage 7 van de Miljoenennota 2011).

Naast de garanties t.b.v. de financiële sector heeft de Staat nog meer garanties afgegeven. Het totaal aan garanties van de Staat (dus niet alleen de garanties t.b.v. de financiële sector) wordt in zowel de Miljoenennota als het Financieel Jaarverslag van het Rijk opgenomen in het zogenaamde garantieoverzicht. Dit overzicht bevat zowel een stand van het totale risico, als een weergave van de bijbehorende uitgaven (schade-uitkeringen) en ontvangsten (premies en recuperaties). Het meest recente overzicht is opgenomen in bijlage 2 van Miljoenennota 2011. In het komende Financieel Jaarverslag Rijk zal een actualisatie van de garantiestanden worden opgenomen.

35

Kan alsnog een toelichting worden gegeven op tabel 3a in bijlage 2, waarbij het eerste negatieve resultaat van de interventies in de financiële sector (van € 416 miljoen) nader wordt geduid en voorzien van een beleidsmatige conclusie?

Om inzicht te krijgen in de budgettaire gevolgen van de interventies in de financiële sector wordt periodiek een resultaat vastgesteld.

Dit resultaat bestaat uit het verschil tussen de lasten – voornamelijk rentelasten – en de baten van de financiële interventies. De voornaamste redenen voor het voorlopig negatieve resultaat zijn de tegenvallende baten. Waar de staat in 2009 voornamelijk door de couponbetalingen en repurchase fees een positief resultaat heeft gerealiseerd, blijven in 2010 voornamelijk deze baten achter.

Zoals ik al eerder heb aangegeven is dit resultaat indicatief. Immers, het uiteindelijke resultaat weten we pas achteraf, nadat alle maatregelen zijn afgebouwd.

Voor wat betreft de beleidsmatige conclusie wil ik benadrukken dat het nog steeds mijn streven én mijn verwachting is dat het intertemporele resultaat, ofwel de resultaten voor de komende jaren bij elkaar opgeteld, ongeveer budgettair neutraal zullen uitkomen.

36 en 37

Wat is de hoogte van de schuld van de Nederlandse Antillen en Curaçao na schuldsanering? Had van te voren niet kunnen worden voorzien dat er onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen de verschillende crediteuren?

Er blijft nu toch sprake van een vordering (schuldtitels)? Waarom heeft Nederland hierop ingeschreven? Zijn er ook andere inschrijvingen? Hoeveel % van de inschrijvingen komt voor rekening van Nederland?

In het kader van de transitie naar nieuwe staatkundige verhoudingen heeft Nederland met de Antillen afgesproken dat Nederland 70 procent van de schuld van de Nederlandse Antillen en Curaçao saneert. Tegelijkertijd is de afweging gemaakt dat onderscheid maken tussen crediteuren vanuit een oogpunt van rechtsgelijkheid onwenselijk zou zijn. Om deze reden heeft Nederland 100 procent van de uitstaande schuld overgenomen. Voor het bedrag aan schuld dat Nederland «teveel» (30 procent) heeft overgenomen, heeft Nederland een direct opeisbare vordering op de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten gekregen (circa NAf 2 miljard = circa € 780 miljoen).

De landen hebben er voor gekozen om aan deze verplichting jegens Nederland te voldoen door langjarige leningen uit te schrijven en de opbrengst daarvan aan Nederland af te dragen. Conform de bepalingen in de Rijkswet Financieel Toezicht heeft Nederland de verplichting in te schrijven op schuld die de nieuwe landen willen aangaan.

Voor Curaçao betrof de direct opeisbare vordering NAf 1,7 miljard. Van de leningen die hiervoor zijn uitgeschreven is slechts 1 procent niet aan Nederland toegewezen. De totale opbrengst van de leningen is gebruikt om de direct opeisbare vordering aan Nederland te betalen. Voor Sint Maarten lag de totale vordering op NAf 295 miljoen. De uitgifte van nieuwe schuld om aan deze verplichting jegens Nederland te voldoen zijn voor 99,96 procent toegewezen aan Nederland. Ook de opbrengst daarvan is gebruikt voor de betaling van de direct opeisbare vordering.

De hoogte van de totale schuld van de landen aan Nederland bedraagt dus circa NAf 2 miljard (circa € 780 miljoen). Bijgevolg is er nog steeds sprake is van een vordering van Nederland, maar niet langer een vordering die direct opeisbaar is, maar een langjarige vordering op basis van de leningen die zijn verstrekt. Er is als het ware een «betaalregeling» getroffen met de nieuwe landen.

37

Er blijft nu toch sprake van een vordering (schuldtitels)? Waarom heeft Nederland hierop ingeschreven? Zijn er ook andere inschrijvingen? Hoeveel % van de inschrijvingen komt voor rekening van Nederland?

Zie antwoord op vraag 36.

38

EU Afdrachten: De meevaller wordt met name veroorzaakt door een neerwaartse correctie van de BTW en BNI afdrachten over eerdere jaren. Welke jaren betreft dit? Waarom is dit nu (pas) bekend geworden?

Ieder jaar publiceert de Commissie aan het eind van het begrotingsjaar welke correcties plaatsvinden over de BTW en BNI cijfers van eerdere jaren in alle lidstaten. Het betreft de jaren 2005 t/m 2010.

39

Daarnaast leiden hogere overige ontvangsten van de EU-begroting (zoals boetes) en een neerwaarts bijgestelde omvang van de begroting ook tot lagere afdrachten. Over welke jaren/posten is de EU begroting neerwaarts bijgesteld?

De neerwaarts bijgesteld begroting heeft betrekking op het lopende jaar (2010) en is het gevolg van lagere betalingsverplichtingen dan verwacht. Deze lagere verplichtingen zijn voor het grootste deel veroorzaakt binnen categorie 2 (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) door een tegenvallende afronding van programma’s en de verbeterende situatie op de zuivelmarkt. Het overige deel van de daling is met name het gevolg van diverse lagere uitgaven aan categorie 4 (Extern beleid).


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Bijleveld-Schouten, A.T.B. (CDA), Slob, A. (CU), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), voorzitter, Omtzigt, P.H. (CDA), Irrgang, E. (SP), Neppérus, H. (VVD), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Spekman, J.L. (PvdA), Thieme, M.L. (PvdD), Heijnen, P.M.M. (PvdA), ondervoorzitter, Bashir, F. (SP), Sap, J.C.M. (GL), Harbers, M.G.J. (VVD), Plasterk, R.H.A. (PvdA), Groot, V.A. (PvdA), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Braakhuis, B.A.M. (GL), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Verhoeven, K. (D66), Koolmees, W. (D66) en Huizing, M.E. (VVD).

Plv. leden: Hijum, Y.J. van (CDA), Rouvoet, A. (CU), Broeke, J.H. ten (VVD), Knops, R.W. (CDA), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Leegte, R.W. (VVD), Haverkamp, M.C. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Bouwmeester, L.T. (PvdA), Ouwehand, E. (PvdD), Veen, E. van der (PvdA), Karabulut, S. (SP), Halsema, F. (GL), Schaart, A.H.M. (VVD), Vermeij, R.A. (PvdA), Smeets, P.E. (PvdA), Beertema, H.J. (PVV), Gent, W. van (GL), Jong, L.W.E. de (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Koşer Kaya, F. (D66), Pechtold, A. (D66) en Ziengs, E. (VVD).

XNoot
5

Kamerstukken II 2004–2005, 30 124, nr. 2.

XNoot
6

http://www.ing.com/group/showdoc.jsp?docid=459189_EN.

http://www.snsbank.nl/particulier/over-sns-bank/sns-bank-legt-stresstest-met-goed-gevolg-af.html.

http://www.rabobank.com/content/news/news_archive/012-Stress_test_confirms_Rabobanks_low_risk_profile.jsp.

http://www.abnamro.com/nl/press-room/press-release-archive/2010/ABN_AMRO_passes_stress_test.html].

Naar boven