32 382 Aanpassing van de Advocatenwet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet tarieven in burgerlijke zaken in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Advocatenwet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet tarieven in burgerlijke zaken te wijzigen in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde, alsmede om enkele andere wijzigingen in de Advocatenwet door te voeren;

Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Advocatenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Voorwaardelijke inschrijving vindt plaats indien de verzoeker niet in het bezit is van een verklaring dat de in artikel 9b bedoelde stage met gunstig gevolg is voltooid of niet beschikt over een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. In alle overige gevallen alsmede in het geval, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, geschiedt de inschrijving onvoorwaardelijk. Wordt een verklaring of erkenning als bedoeld in de eerste volzin nadien alsnog overgelegd, dan wordt van rechtswege aan de inschrijving het voorwaardelijk karakter ontnomen.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bevoegd om te verzoeken om inschrijving als advocaat is een ieder:

    • a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend;

    • b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen;

    • c. die beschikt over een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

2. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot zesde en achtste lid.

3. Na het eerste lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.

4. Het vierde en vijfde lid komen te luiden:

  • 4. Eveneens is bevoegd inschrijving te verzoeken degene die in een andere lidstaat van de Europese Unie, of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit of daaraan gelijkwaardige opleiding heeft afgelegd. In dat geval onderzoekt de algemene raad in hoeverre het afsluitend examen en de in deze andere lidstaat door de verzoeker verworven beroepservaring gelijkwaardig zijn aan de ingevolge het tweede lid gestelde beroepsvereisten. Indien blijkt dat het afsluitend examen en de beroepservaring niet gelijkwaardig zijn aan de ingevolge het tweede lid gestelde beroepsvereisten, kan de algemene raad eisen dat de verzoeker een proeve van bekwaamheid of aanvullende examens aflegt. De algemene raad draagt zorg voor de mogelijkheid tot het kunnen afleggen van een proeve van bekwaamheid of het afleggen van aanvullende examens.

  • 5. Een verzoek tot inschrijving als advocaat wordt ingediend bij de raad van toezicht in het arrondissement waar de verzoeker kantoor wenst te houden.

5. In het zesde lid (nieuw) wordt «als bedoeld in het eerste lid» vervangen door: als bedoeld in het eerste en vierde lid.

6. Na het zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 7. Tenzij de raad van toezicht toepassing geeft aan artikel 4, eerste lid, zendt hij een afschrift van het verzoek en de daarbij overgelegde verklaringen en documenten aan de rechtbank van het arrondissement waarin de verzoeker kantoor wenst te houden ten behoeve van de beëdiging van de verzoeker.

7. Na het achtste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. Indien een beslissing van de raad van toezicht tot weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onherroepelijk is geworden, wordt een nieuw verzoek dat is ingediend binnen een jaar na het geweigerde verzoek buiten behandeling gelaten. Indien wijziging in de omstandigheden of het feit dat het verzoek wordt ingediend bij een andere raad van toezicht dit rechtvaardigt, kan de raad van toezicht in het arrondissement waar de verzoeker kantoor wenst te houden beslissen het verzoek tot inschrijving alsnog in behandeling te nemen. In dat geval geeft de raad toepassing aan het zevende lid.

C

In artikel 2a, vijfde lid, wordt «het tweede lid van artikel 2» vervangen door: «artikel 2, zesde lid,» en vervalt de laatste volzin.

D

In artikel 2c, eerste lid, wordt aan het slot voor de punt ingevoegd: , indien hij onder die beroepstitel is ingeschreven in de staat van herkomst.

E

Artikel 3, eerste lid, eerste volzin, komt te luiden: Na ontvangst van het afschrift van het verzoek en de daarbij overlegde verklaringen en documenten, bedoeld in artikel 2, zevende lid, worden advocaten op requisitoir van het openbaar ministerie beëdigd door de rechtbank van het arrondissement waarin zij kantoor wensen te houden.

F

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

  • 1. De raad van toezicht waarbij het verzoek, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, is ingediend kan weigeren het verzoek in behandeling te nemen, indien:

    • a. de verzoeker niet voldoet aan de in de artikelen 2 en 2a gestelde vereisten voor de inschrijving, dan wel indien hij de in deze artikelen bedoelde verklaringen of documenten niet heeft overgelegd;

    • b. de gegronde vrees bestaat dat de verzoeker als advocaat inbreuk zal maken op de voor advocaten geldende wetten, verordeningen en besluiten of zich anderszins zal schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt; of

    • c. de verzoeker op grond van artikel 8, derde lid, van het tableau is geschrapt zonder dat alsnog de daar bedoelde verklaring kan worden overgelegd en het verzoek wordt ingediend binnen een door de algemene raad nader te bepalen termijn na de schrapping.

  • 2. Indien het verzoek, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, is ingediend door een verzoeker die eerder als advocaat ingeschreven is geweest, kan de raad van toezicht het verzoek tevens weigeren in behandeling te nemen indien hij van oordeel is dat de verzoeker niet voldoet aan de bij of krachtens verordening gestelde eisen om voor hernieuwde inschrijving in aanmerking te komen.

  • 3. Een beslissing tot weigering van het in behandeling nemen van het verzoek wordt genomen binnen zes weken na de indiening ervan.

  • 4. De in artikel 3 bedoelde beëdiging kan plaatsvinden nadat de raad van toezicht niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn heeft besloten tot weigering van het in behandeling nemen van het verzoek, of indien de raad van toezicht heeft verklaard het verzoek in behandeling te nemen.

  • 5. Bij of krachtens verordening wordt bepaald in hoeverre na schrapping op grond van artikel 8, derde lid, nog examen in onderdelen van de opleiding kan worden afgelegd alsmede onder welke voorwaarden dit examen kan worden afgelegd.

G

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De secretaris van de raad van toezicht maakt de beslissing tot weigering van het in behandeling nemen van het verzoek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onverwijld bekend aan de verzoeker.

  • 2. De eerste twee volzinnen van het derde lid komen te luiden: Het beklag wordt gedaan bij verzoekschrift, waarbij een afschrift wordt gevoegd van de beslissing waartegen het beklag is gericht. De griffier zendt onverwijld een afschrift van het verzoekschrift aan de raad van toezicht die de beslissing heeft genomen.

H

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Van het tableau worden eveneens geschrapt zij die, hetzij onafgebroken, hetzij met onderbrekingen, gedurende een tijdvak van drie jaar voorwaardelijk als advocaat ingeschreven hebben gestaan:

    • a. zonder dat het bewijs kan worden overgelegd dat met gunstig gevolg de in artikel 9b bedoelde stage is voltooid; of

    • b. zonder dat het bewijs kan worden overgelegd dat met gunstig gevolg het in artikel 9c bedoelde examen is afgelegd.

2. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot zevende en achtste lid.

3. Er worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien het in het derde lid bedoelde tijdvak is onderbroken en de in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde bewijzen niet kunnen worden overgelegd, kan betrokkene verzoeken om opnieuw gedurende een tijdvak van drie jaar voorwaardelijk als advocaat te worden ingeschreven. Dit verzoek kan worden ingediend na verloop vaneen door de algemene raad nader te bepalen termijn na onderbreking van het tijdvak.

  • 5. Voor voorwaardelijk ingeschreven advocaten die in deeltijd werkzaam zijn, wordt het in het derde lid bedoelde tijdvak naar evenredigheid verlengd, met dien verstande dat deze verlenging niet meer dan drie jaar kan bedragen. Indien de raad van toezicht op grond van artikel 9b, tweede lid, de stage heeft verlengd, wordt het in het derde lid bedoelde tijdvak verlengd met de in de beslissing opgenomen termijn, met dien verstande dat deze verlenging niet meer dan drie jaar kan bedragen.

  • 6. De schrapping bedoeld in het derde lid geschiedt na kennisgeving door de algemene raad met ingang van een tijdstip dat ten minste twee maanden en ten hoogste zes maanden na de datum van kennisgeving gelegen is. Van de kennisgeving wordt gelijktijdig mededeling gedaan aan de betrokken advocaat, diens patroon, de raad van toezicht in het arrondissement waar de advocaat kantoor houdt en aan het openbaar ministerie.

I

Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8a

  • 1. De raad van toezicht kan de raad van discipline verzoeken te beslissen dat de advocaat die niet duurzaam en stelselmatig het beroep van advocaat uitoefent, van het tableau wordt geschrapt.

  • 2. Op de behandeling van het verzoek zijn de artikelen 47, 49 en 50 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze artikelen voor «de klager» wordt gelezen: de raad van toezicht.

  • 3. Van de beslissing van de raad van discipline kunnen de betrokken advocaat en de raad van toezicht binnen zes weken na de verzending van het in artikel 50 bedoelde afschrift beroep instellen bij het hof van discipline.

  • 4. Artikel 9, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

J

In artikel 9aa, tweede lid, wordt «artikel 8, vierde en vijfde lid» vervangen door: artikel 8, zevende en achtste lid.

K

In artikel 9b, eerste lid, wordt «in het bezit is van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties» vervangen door: beschikt over een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

L

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a

  • 1. In het belang van een goede rechtsbedeling draagt de advocaat zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep:

    • a. onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt;

    • b. partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt;

    • c. deskundig en kan hij beschikken over voldoende kennis en vaardigheden;

    • d. integer en onthoudt hij zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt; en

    • e. vertrouwenspersoon en neemt hij geheimhouding in acht binnen de door de wet en het recht gestelde grenzen.

  • 2. De algemene raad en de raden van toezicht bevorderen in het belang van een goede rechtsbedeling een behoorlijke uitoefening van de praktijk en nemen alle maatregelen die daaraan kunnen bijdragen, waaronder het stellen van beroeps- en gedragsregels. Zij komen op voor de rechten en belangen van de advocaten, zien toe op de naleving van de plichten van de advocaten als zodanig en vervullen de taken die hun bij verordening zijn opgedragen.

M

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt na «het eerste lid» wordt ingevoegd: «, tweede volzin,» en wordt aan het slot toegevoegd: Indien ontheffing wordt verleend, blijft de advocaat na vestiging van zijn kantoor buiten Nederland behoren tot de orde in het arrondissement waar hij het laatst kantoor heeft gehouden. Indien de advocaat niet eerder in een arrondissement kantoor heeft gehouden, behoort hij na verlening van de ontheffing en vestiging van zijn kantoor buiten Nederland tot de orde in het arrondissement ’s-Gravenhage.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Advocaten die aan de voorschriften van dit artikel niet voldoen, worden, na aanmaning daartoe door de raad van toezicht, op requisitoir van het openbaar ministerie en nadat de rechtbank tot schrapping heeft beslist, van het tableau geschrapt. Van de beslissing tot schrapping wordt door de griffier van de rechtbank kennis gegeven aan de secretaris van de algemene raad met het oog op de verwerking op het tableau.

N

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Ook indien de rechtzoekende naar het voorlopig oordeel van de deken in aanmerking komt voor verlening van rechtsbijstand ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wijst de deken een advocaat aan.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De advocaat die door de raad voor rechtsbijstand als raadsman is toegevoegd, treedt als zodanig op of doet zich overeenkomstig artikel 46 van het Wetboek van Strafvordering waarnemen, zolang niet een gekozen raadsman is opgetreden of op de voet van artikel 45 van het Wetboek van Strafvordering een ander is toegevoegd.

O

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De deken en de overige leden van de algemene raad worden gekozen door een college van afgevaardigden. Het college van afgevaardigden komt ten minste eenmaal per jaar bijeen.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot derde tot en met zesde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De vergaderingen van het college van afgevaardigden zijn openbaar. Er wordt met gesloten deuren vergaderd indien de voorzitter, de aard van het te behandelen onderwerp in aanmerking genomen, zulks nodig oordeelt of indien de meerderheid van de aanwezige leden daarom verzoekt.

P

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De afgevaardigden en hun plaatsvervangers worden voor de tijd van drie jaren gekozen in vergaderingen van de orden in de arrondissementen. Zij zijn herkiesbaar.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid is beslissend het aantal advocaten dat in een arrondissement kantoor houdt op de eerste werkdag vóór de verkiezing als bedoeld in het eerste lid.

Q

Artikel 22, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De deken en de overige leden van de raad van toezicht worden uit de leden van de orde gekozen in de jaarlijkse vergadering van de orde.

R

Artikel 26 vervalt.

S

Artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28

  • 1. Het college van afgevaardigden stelt verordeningen vast in het belang van de goede uitoefening van de praktijk en ter waarborging van de eisen die op grond van artikel 10a daaraan worden gesteld.

  • 2. Het college van afgevaardigden stelt bij of krachtens verordening voorts regels betreffende:

    • a. de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening;

    • b. de verplichte aansluiting bij een klachten- en geschillenregeling; en

    • c. de huishouding en de organisatie van de Nederlandse orde van advocaten.

T

Na artikel 28 worden twee artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 28a

  • 1. Voorstellen voor verordeningen worden aan het college van afgevaardigden gedaan door de algemene raad of door ten minste vijf afgevaardigden. Voordat de algemene raad een voorstel bij het college van afgevaardigden indient, kan het de raden van toezicht uitnodigen hun oordeel kenbaar te maken.

  • 2. Verordeningen als bedoeld in artikel 28, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, behoeven de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister van Justitie. De goedkeuring kan alleen worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  • 3. De beslissing tot het onthouden van de in het tweede lid bedoelde goedkeuring wordt genomen binnen zes maanden nadat de verordening door de algemene raad ter kennis van Onze Minister van Justitie is gebracht. Wanneer deze termijn ongebruikt verstrijkt, is de goedkeuring van rechtswege verleend.

  • 4. Verordeningen als bedoeld in artikel 28, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, worden, nadat deze zijn goedgekeurd, door de algemene raad bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant. De verordening verbindt niet dan nadat deze bekend is gemaakt. De verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na die van de dag van bekendmaking of zoveel eerder als de verordening zelf bepaalt, met dien verstande dat tussen de dag van de bekendmaking en die van de inwerkingtreding ten minste een termijn van tien dagen ligt.

Artikel 28b

  • 1. Verordeningen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, worden na vaststelling onverwijld medegedeeld aan Onze Minister van Justitie en afgekondigd in de Staatscourant.

  • 2. Verordeningen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, en besluiten van de algemene raad of van andere organen van de Nederlandse orde van advocaten kunnen bij koninklijk besluit worden geschorst of vernietigd. De schorsing of vernietiging kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

  • 3. De schorsing of vernietiging geschiedt binnen zes maanden na de in het eerste lid bedoelde mededeling of, wanneer het een besluit van de algemene raad of een ander orgaan van de Nederlandse orde van advocaten betreft, binnen zes maanden nadat het besluit ter kennis van Onze Minister van Justitie is gekomen.

U

Artikel 30 vervalt.

V

Aan artikel 32 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. In het verslag, bedoeld in het vierde lid, wordt tevens verslag gedaan over de stand van de beroepsuitoefening door advocaten en over de afhandeling van de ingediende klachten en geschillen tussen advocaten en cliënten.

W

Na artikel 32 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32a

  • 1. Er is een raad van advies, bestaande uit vijf of zeven leden, de voorzitter daaronder begrepen. De raad van advies bestaat in meerderheid uit leden die geen advocaat zijn.

  • 2. Alvorens op grond van artikel 28a een voorstel voor een verordening als bedoeld in artikel 28, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, bij het college van afgevaardigden wordt ingediend, wordt het ontwerp voor advies aan de raad van advies voorgelegd.

  • 3. De raad van advies kan besluiten af te zien van advisering. Indien een advies is uitgebracht, wordt dit overgelegd bij het indienen van het voorstel bij het college van afgevaardigden.

  • 4. Het lidmaatschap van de raad van advies is niet verenigbaar met het lidmaatschap van enig ander orgaan van de Nederlandse orde van advocaten, of van de orden in de arrondissementen.

  • 5. Bij verordening worden regels vastgesteld over de samenstelling en de inrichting van de raad van advies. Bij verordening kan de adviestaak van de raad van advies worden uitgebreid.

X

De laatste volzin van artikel 34 wordt geschrapt.

Y

Aan het slot van artikel 35, eerste lid, wordt toegevoegd: De deken informeert in dat verband over de mogelijkheden tot klacht- en geschillenbeslechting, de mogelijkheden voor partijen om zich tot de rechter te wenden en de mogelijkheden tot het indienen van een klacht op grond van artikel 46c. Zonodig verwijst de deken door naar een andere instantie.

Z

In artikel 36 wordt «en de raden van toezicht» vervangen door: , de raden van toezicht en de raad van advies.

AA

Artikel 41, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Over alle zaken wordt hoofdelijk gestemd.

BB

Artikel 46a, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Aanwijzing van een andere raad van discipline overeenkomstig het derde lid vindt ook plaats indien een klacht betrekking heeft op een deken binnen het rechtsgebied van een raad van discipline, of afkomstig is van een lid-advocaat, een plaatsvervangend lid-advocaat of de griffier van een raad van discipline.

CC

De tweede volzin van artikel 46b, zestiende lid, vervalt.

DD

Aan het slot van artikel 46c, vierde lid, wordt toegevoegd: Na onderzoek en afhandeling brengt de deken de klacht ter kennis van de voorzitter van het hof van discipline, die een andere raad van discipline aanwijst overeenkomstig artikel 46a, vierde lid.

EE

Artikel 46d, vierde lid, derde zin, komt te luiden: Indien hij op grond van zijn onderzoek van oordeel is dat de klacht kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan hij dat met redenen omkleed bij het ter kennis brengen van de klacht mededelen aan de klager, aan de advocaat tegen wie de klacht is gericht en aan de raad van discipline.

FF

Het eerste en tweede lid van artikel 46e komen te luiden:

  • 1. Indien de klager daarom bij indiening van de klacht verzoekt, brengt de deken deze na afronding van het onderzoek, bedoeld in artikel 46c, tweede lid, onmiddellijk ter kennis van de raad van discipline.

  • 2. Indien naar zijn oordeel de inhoud van de klacht een minnelijke schikking ongewenst of onmogelijk maakt, brengt de deken de klacht na afronding van het onderzoek, bedoeld in artikel 46c, tweede lid, ambtshalve onmiddellijk ter kennis van de raad van discipline.

GG

Aan artikel 51 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Artikel 46b, achtste tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

HH

In artikel 60b, vierde lid, zesde volzin, vervalt na de zinsnede «de secretaris van de algemene raad»: ontvangt.

ARTIKEL II

De laatste volzin van artikel 38, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand vervalt.

ARTIKEL III

De artikelen 29 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken vervallen.

ARTIKEL IV

De artikelen 29 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken en artikel 38, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op geschillen over het door de advocaat aan de cliënt berekende salaris, in gevallen waarin de rekening van de advocaat is begroot door de raad van toezicht vóór het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.

ARTIKEL V

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 31 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot Invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Wet griffierechten burgerlijke zaken; 31 758) tot wet is of wordt verheven en artikel 31, eerste lid, van die wet in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als artikel III van deze wet, komt artikel III van deze wet te luiden:

ARTIKEL III

De Wet tarieven in burgerlijke zaken wordt ingetrokken.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 31 oktober 2008 ingediende voorstel van wet tot Invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Wet griffierechten burgerlijke zaken; 31 758) tot wet is of wordt verheven en artikel 31, eerste lid, van die wet later in werking treedt dan artikel III van deze wet, komt artikel 31, eerste lid, van die wet te luiden:

  • 1. De Wet tarieven in burgerlijke zaken wordt ingetrokken.

ARTIKEL VI

Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie op artikel 70 van de Advocatenwet en artikel 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,

Naar boven