32 193 Wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en enige andere wetten in verband met de invoering van geïntegreerd toezicht en de gewijzigde rol van de Inspectie van het onderwijs bij het toezichtproces

Nr. 10 AMENDEMENT VAN DE LEDEN DIJSSELBLOEM EN DIJKGRAAF

Ontvangen 15 juni 2011

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I wordt na onderdeel H een onderdeel ingevoegd, luidende:

H0a

Aan artikel 13, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: De goedkeuring aan een toetsingskader wordt niet eerder verleend dan drie weken nadat het ontwerp van het toetsingskader aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Toelichting

De Onderwijsinspectie ziet, naast de voorschriften vastgelegd in onderwijswetgeving, toe op andere «aspecten van kwaliteit».

De uitwerking daarvan gebeurt in de toetsingskaders. Deze zijn dus in sterke mate bepalend voor het Inspectie-oordeel. Volgens de indieners is het van belang dat de Kamer daar zicht op heeft, teneinde zich een oordeel te kunnen vormen over de wijze waarop de Inspectie invulling geeft aan de ruimte die de wet haar op dit punt laat. De indieners zijn verder van mening dat de legitimiteit van de toetsingskaders en het Inspectie-oordeel dat daaruit voortvloeit, wordt versterkt wanneer de Kamer kennis heeft kunnen nemen van de toetsingskaders vóór vaststelling en publicatie.

Dit amendement beoogt verder uitvoering te geven de aanbeveling van de Commissie Onderwijsvernieuwingen om «de rol van de Tweede Kamer bij de vaststelling van het toezichtskader van de inspectie te verankeren in de Wet op het Onderwijstoezicht» alsmede de aanvaarde Kamermotie Dezentje Hamming-Bluemink (Kamerstuk 31 007 nr. 27) waarin de Regering expliciet werd verzocht deze aanbeveling te verwerken in de Wet op het Onderwijstoezicht.

Dijsselbloem

Dijkgraaf

Naar boven