31 865 Verbetering verantwoording en begroting

Nr. 90 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 december 2016

De Tweede Kamer heeft veel aandacht voor de inhoud en totstandkoming van beleidsdoorlichtingen. Dit is onder andere te zien in de keuze voor de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen als focusonderwerp voor de verantwoording over het jaar 2016 en de brief van 27 oktober jl. waarin de commissie voor Financiën uitgebreid in gaat op bevindingen en richtingen voor verbetermogelijkheden. Ook bij departementen is hier in toenemende mate aandacht voor. In de afgelopen jaren is dan ook verbetering te zien in de doorlichtingen en de processen omtrent de doorlichtingen. Zo leggen departementen de opzet en vraagstelling vooraf aan de Kamer voor, melden ze vertraging in de uitvoering terstond aan de Kamer en is de voortgang van de beleidsdoorlichtingen te volgen via de begrotingen en rijksbegroting.nl.

Aandacht is een eerste stap, maar er is meer nodig. De Algemene Rekenkamer, de Studiegroep Begrotingsruimte en de Tweede Kamer concluderen dat de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen nog tekort schiet.1 De Tweede Kamer concludeerde al in 2014, en wederom in de brief van 27 oktober 2016, dat zijzelf de afgeronde beleidsdoorlichtingen nog niet de aandacht geeft die ze verdienen.2 Ik constateer dat het beter gaat met de uitvoering van de beleidsdoorlichtingen, maar onderschrijf dat verdere verbetering nodig is. Daarvoor is extra inspanning nodig van alle betrokken partijen.

In deze brief ga ik allereerst in op de invulling van het focusonderwerp «de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen» voor de verantwoording over het jaar 2016, zoals door de Kamer benoemd in de brieven van 14 april en 15 juli 2016.3 Daarnaast beantwoord ik alvast twee vragen die de Kamer 15 juli 2016 stelde over de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen. De eerste vraag betreft de informatievoorziening aan de Kamer. Meer specifiek ga ik hierbij in op de opzet en vraagstelling van beleidsdoorlichtingen die voorafgaand aan de uitvoering van een beleidsdoorlichting aan de Kamer wordt toegezonden. De evaluatie over deze opzetten heb ik de Kamer tijdens het Algemeen Overleg op 14 oktober 2015 toegezegd (Kamerstuk 31 865, nr. 75). De tweede vraag betreft het inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid dat de beleidsdoorlichtingen geven. Daarbij is gekeken in welke mate de beleidsdoorlichtingen die gepland waren voor 2014 en 2015 en zijn aangeboden aan de Kamer, uitspraken doen over doeltreffendheid en doelmatigheid.

Bij de beantwoording van deze twee vragen ga ik ook in op vragen gesteld door de vaste commissie voor Financiën in de brief van 27 oktober jl. over mogelijke verbeteringen in de opzet, uitvoering en bruikbaarheid van het instrument beleidsdoorlichtingen. U zult zien dat de conclusies van de twee vragen over het focusonderwerp aansluiten bij de bevindingen van de Kamer. Naar aanleiding van de conclusies over de vragen geef ik aan het einde van de brief aan welke maatregelen het kabinet nu al neemt om te komen tot verbetering.

Een ander belangrijk onderwerp dat in deze brief aan bod zal komen, betreft het inzicht in het effect van bezuinigingsmaatregelen. Begin oktober heeft de Algemene Rekenkamer een rapport uitgebracht over kosten en opbrengsten van bezuinigingsmaatregelen.4 Naar aanleiding van dit onderzoek is in ambtelijk overleg met de Algemene Rekenkamer en het Centraal Planbureau verkend wat er gedaan kan worden om het inzicht in de effecten van bezuinigingsmaatregelen en hervormingen te vergroten. Op basis hiervan heb ik de conclusie getrokken dat deze effecten, in samenhang met het overige beleid dat wordt gevoerd op het betreffende terrein, aan bod dienen te komen in evaluaties en beleidsdoorlichtingen.

Invulling van het focusonderwerp verantwoording 2016

U heeft gevraagd om de invulling van het focusonderwerp te richten op de procesmatige en inhoudelijke kwaliteit van beleidsdoorlichtingen. Daarnaast hebben de Kamercommissies nog specifieke focusonderwerpen benoemd.

Departementen geven, zoals gebruikelijk, invulling aan het focusonderwerp in hun jaarverslagen. Zij besteden hierbij in het jaarverslag 2016 specifiek aandacht aan welke beleidsdoorlichtingen wanneer zijn uitgevoerd en wanneer afgerond in de zeven jaar. Op basis van dit overzicht kan vervolgens gekeken worden naar de vraag van de Tweede Kamer over de frequentie van de uitvoering van beleidsdoorlichtingen. Ook gaan de departementen in op de uitkomsten van beleidsdoorlichtingen en op welke wijze conclusies zijn opgevolgd. Dit geeft inzicht in wat er is gedaan met conclusies en aanbevelingen. Daarnaast komt in het Financieel Jaarverslag Rijk een samenvatting van de ontwikkelingen omtrent de voortgang van beleidsdoorlichtingen over de departementen heen. Dit betreft een beschrijving van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van de uitvoering, het overzicht van de voortgang en een overkoepelend overzicht ten aanzien van de behandeling van beleidsdoorlichtingen door de Kamer.

Informatievoorziening aan de Kamer: de opzet en vraagstelling

De brieven met opzet en vraagstelling zijn een belangrijke wijze van informatievoorziening aan de Kamer. In het Algemeen Overleg van 14 oktober 2015 (Kamerstuk 31 865, nr. 7) heb ik de Tweede Kamer toegezegd om deze wijze van informatievoorziening te evalueren en de belangrijkste uitkomsten hiervan met de Kamer te delen.

In de evaluatie is voor de 63 brieven met opzet en vraagstelling die in 2014, 2015 en 2016 naar de Kamer zijn gezonden, gekeken of ze voldoen aan de met de Tweede Kamer afgesproken voorwaarden. Deze brieven komen voort uit de motie Harbers5, de suggesties van de commissie Rijksuitgaven van 24 april 2015 en mijn toezeggingen op beide.6 De belangrijkste conclusie is dat de kwaliteit van de brieven ieder jaar is verbeterd. Vrijwel alle brieven uit de ronde 2016 geven een duidelijke afbakening van beleidsonderdelen, budget en periode. Ook gaan alle opzetten uit de ronde 2016 in op de bepaling dat een beleidsdoorlichting beleidsopties dient te bevatten indien er significant minder (–20%) middelen beschikbaar zijn. In vrijwel alle opzetten wordt benoemd dat er een onafhankelijke deskundige wordt betrokken, waarbij in de helft van alle brieven al wordt vermeld wie de rol van onafhankelijke deskundige gaat vervullen. Zoals de Kamer zelf aangeeft, is haar betrokkenheid bij de plannen van aanpak groot en stelt ze regelmatig vragen over de opzet en vraagstelling.

Uit de evaluatie blijkt dat er verbeteringen mogelijk zijn bij inzicht in de doelen van het beleid, de aanpak van het schrijven van de beleidstheorie en inzicht in de onderzoeksmethode. De Kamer komt in haar brief tot dezelfde conclusie. In minder dan de helft van de brieven uit 2016 komen de beleidstheorie en onderzoeksmethode aan bod. Ook een overzicht van de onderliggende evaluaties die in de doorlichting worden meegenomen ontbreekt regelmatig. Minder dan een kwart van de opzetten en vraagstellingen gaat in op de vraag of de onderliggende evaluaties een dekkend overzicht geven. De Kamer constateert voorts dat de aanpak fragmentarisch is, waardoor zicht op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het hele beleidsterrein belemmerd wordt. Ook geeft de Kamer aan dat de grondslag voor de besparingsvarianten vaak ontbreekt.

Ik spoor mijn collega’s aan om de kwaliteit van de brieven te blijven verbeteren. Ik deel de constatering van de Kamer dat de onafhankelijke deskundige op onderdelen beter betrokken kan worden bij de beleidsdoorlichtingen. Dit betekent dat ik er op aandring dat een onafhankelijke deskundige zoveel mogelijk al bij de opzet en vraagstelling en het vaststellen van de juiste onderzoeksmethode wordt betrokken. Ook dring ik er op aan dat er in de opzet en vraagstelling een betere analyse wordt gemaakt van de beschikbare evaluaties.

De Kamer geeft aan dat de timing van aanlevering risico’s met zich meebrengt voor zorgvuldige behandeling door de Kamer. Zo sturen departementen de brieven met opzet en vraagstelling met Prinsjesdag naar de Kamer en de beleidsdoorlichtingen meestal in december. Deze elementen vallen nadrukkelijk binnen de beleidsvrijheid die departementen hebben in de uitvoering. Het staat departementen vrij om opzetten en beleidsdoorlichtingen eerder naar de Kamer te sturen. Ook de frequentie valt onder de beleidsvrijheid en het staat departementen vrij om de termijn tussen doorlichtingen te verkorten. De «Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek» (RPE) geeft aan dat departementen ten minste iedere 7 jaar een doorlichting op een beleidsartikel moeten uitvoeren. Over de timing en frequentie kan de Kamer dan ook het gesprek over aangaan met mijn collega’s. Ik vraag de departementen wel of zij vanaf 2017 de brieven met opzet en vraagstelling uiterlijk een week voor Prinsjesdag aan de Kamer aanbieden, zodat de Kamer meer ruimte heeft om deze zorgvuldig te behandelen.

Doeltreffendheid en doelmatigheid van beleidsdoorlichtingen

In de brief van 15 juli jl. vraagt de Kamer naar het inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. Dit zijn de twee kernonderwerpen van een beleidsdoorlichting. Om vast te stellen welk inzicht de doorlichtingen verschaffen, is gekeken wat hierover in beleidsdoorlichtingen zelf wordt geconcludeerd. Hier zijn 44 afgeronde beleidsdoorlichtingen voor bekeken, die aangekondigd stonden voor 2014 en 2015. Zie de bijlage voor een toelichting7.

Meer dan de helft van de beleidsdoorlichtingen is in staat (in enige mate) uitspraken te doen over de doeltreffendheid van het gevoerde beleid. Daarbij wordt onder meer geconcludeerd dat het beleid (gedeeltelijk) doeltreffend is geweest, dat het aannemelijk is dat het beleid doeltreffend is geweest of dat het beleid niet doeltreffend is geweest. Voor de andere helft bleek men geen uitspraken over de doeltreffendheid te kunnen doen. Voor doelmatigheid was iets minder dan de helft in staat om hier (in enige mate) uitspraken over te doen.

In de doorlichtingen staan verschillende redenen genoemd waarom men niet in staat was uitspraken te doen over doeltreffendheid en doelmatigheid. Voor verschillende beleidsterreinen is het zeer lastig om hier uitspraken over te doen. Zo blijkt het in een aantal beleidsdoorlichtingen bijvoorbeeld niet mogelijk de causaliteit van effecten aan te tonen of zijn effecten niet tot het beleid te isoleren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan internationaal mensenrechtenbeleid en internationale financiële betrekkingen. Ook op terreinen waar doeltreffendheid en doelmatigheid moeilijk vast te stellen zijn, kan het uitvoeren van een beleidsdoorlichting bijdragen aan het lerend vermogen van een departement.

Maar er zijn ook andere, wel te verbeteren, oorzaken aan te wijzen. Ten eerste is er vaak onvoldoende onderliggend evaluatiemateriaal beschikbaar om over het overkoepelende beleidsterrein uitspraken te doen. Ten tweede omvatten doorlichtingen niet altijd het volledige beleidsterrein, doordat het beleid op verschillende beleidsartikelen staat verantwoord, bij verschillende departementen is belegd of doordat (een deel van het) beleid gedecentraliseerd is. Naast dat departementen de afbakening niet altijd goed beargumenteren, is het bij een te beperkte afbakening lastig om uitspraken te doen over doeltreffendheid en doelmatigheid, omdat belangrijke onderdelen van het beleid dan niet (in samenhang) bekeken worden. Ten derde zijn de beleidstheorie, de reconstructie van veranderingen in het gevoerde beleid en concrete beleidsdoelstellingen regelmatig niet volledig.

Deze bevindingen sluiten aan bij de bevindingen van de Kamer in haar brief van 27 oktober jl. en bij de oordelen van de onafhankelijke deskundigen die bij de beleidsdoorlichtingen dienen te worden aangeleverd. Daarnaast sluiten deze conclusies aan bij eerder onderzoek van de Algemene Rekenkamer en de Studiegroep Begrotingsruimte. De Studiegroep Begrotingsruimte concludeert dat inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid beperkt is en dat het merendeel van de doorlichtingen tot de conclusie komt dat er onvoldoende goede onderliggende evaluaties zijn om tot uitspraken over de effectiviteit te kunnen komen. De Algemene Rekenkamer concludeert dat er een tekort aan goede evaluaties is.8

Inzicht in het effect van bezuinigingen en hervormingen

De Algemene Rekenkamer heeft in een andere studie geconcludeerd dat het inzicht in de (maatschappelijke) effecten van bezuinigingsmaatregelen nog beperkt is.9 Naar aanleiding van dit onderzoek is, zoals toegezegd aan de Tweede Kamer, in overleg met de Algemene Rekenkamer en het Centraal Planbureau verkend wat er gedaan kan worden om het inzicht in de effecten van bezuinigingsmaatregelen en hervormingen te vergroten. Hierbij is gekeken naar maatregelen op de lijst van 500 bezuinigingsmaatregelen en hervormingen die de AR identificeerde, met een grote omvang (opbrengst van structureel ten minste 500 miljoen euro) of met een grote maatschappelijke impact. Van de ruim 60 maatregelen die hieraan voldoen is een deel recent ingevoerd waardoor het nog te vroeg is voor een evaluatie, bijvoorbeeld omdat realisatiecijfers pas met vertraging beschikbaar komen. Voor meer dan eenderde van de maatregelen, met name aan de lastenkant, geldt dat onderzoek na het nemen van de maatregelen (ex post) weinig zinvol is. De ontwikkeling van de betreffende belasting is veelal niet te scheiden in het effect van de maatregel en het effect van gewijzigde economische omstandigheden. De andere maatregelen zijn onderdeel van evaluaties of monitors die op dit moment lopen of op relatief korte termijn gepland staan. Daarbij gaat het veelal om een evaluatie van het totale beleid dat op het betreffende terrein wordt gevoerd. Dit verdient ook de voorkeur omdat het belangrijk is het effect van beleidsmaatregelen in onderling verband te onderzoeken. Dit laat onverlet dat bij deze evaluaties en beleidsdoorlichtingen vanzelfsprekend de bezuinigingsmaatregelen en hervormingen aan de orde dienen te komen, aangezien deze maatregelen ook vallen onder de reikwijdte van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek. Dit betreft bijvoorbeeld de monitorrapportage studievoorschot (Kamerstuk 24 724, nr. 142) waarin wordt gekeken naar de effecten van het studievoorschot. De tweede rapportage zal in 2017 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Een ander voorbeeld is overgang van het beroep op huishoudelijke hulp in de WMO naar een maatwerkvoorziening. Vooralsnog staat voor 2018 een beleidsdoorlichting van de hervorming langdurige zorg gepland, waarin dit wordt meegenomen. Er zijn ook regelmatig voortgangsrapportages van het Sociaal en Cultureel Planbureau (monitor Sociaal Domein), waarvan de eerstvolgende eind 2017 zal worden opgeleverd. Ik zal bij mijn collega’s de aandacht voor de effecten van de beleidsmaatregelen in evaluaties en doorlichtingen extra onder de aandacht brengen en tevens benadrukken ook hier langs de eerder besproken lijnen te zorgen voor verbetering. Bezuinigingsmaatregelen en hervormingen vallen namelijk ook onder de reikwijdte van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek. Het is van belang om bij het doorvoeren van de maatregelen aandacht te besteden aan het verzamelen van gegevens voor evaluatie. Het gaat hierbij met name om het formuleren van de relevante evaluatievragen en het bepalen hoe de gegevens verzameld gaan worden die nodig zijn om deze vragen te beantwoorden.10

Maatregelen om de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen te vergroten

De vraag is hoe het inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid kan worden vergroot. Zoals eerder in deze brief is vastgesteld, slagen we hier op dit moment nog onvoldoende in. De Algemene Rekenkamer adviseert om aan de voorkant heldere doelen en een duidelijke beleidstheorie te formuleren. Ook moet duidelijk zijn hoe het beleid gemonitord en geëvalueerd gaat worden.11 Hierbij ziet de Algemene Rekenkamer een rol weggelegd voor de wetenschap.12 De Studiegroep Begrotingsruimte adviseert om een operatie Inzicht in kwaliteit te starten. De Studiegroep brengt haar advies uit voor een nieuwe kabinetsperiode. De Studiegroep formuleert echter ook twee no-regret maatregelen die meteen opgepakt kunnen worden.

Het kabinet deelt de conclusie dat het belangrijk is om meer inzicht te verkrijgen in doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid en de uitvoering en bruikbaarheid van de doorlichtingen te vergroten. Dit betekent dat we de komende tijd met verschillende maatregelen aan de slag gaan. Ten eerste is dit door de betrokkenheid van de onafhankelijke deskundige bij de opzet en vraagstelling en door de brieven met opzet en vraagstelling eerder aan de Kamer te sturen. Ten tweede gaan we de komende tijd aan de slag met vier maatregelen die aansluiten bij de no-regret adviezen van de Studiegroep Begrotingsruimte en bij de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer:

  • De eerste no-regret maatregel van de Studiegroep Begrotingsruimte betreft de uitgewerkte meerjarenplanning, waarin de inzet van verschillende evaluatie-instrumenten in samenhang en in de tijd worden bezien. VWS start een pilot waarin middels een alternatieve aanpak wordt gestreefd de (planning van) evaluaties sterker te verbinden aan het beleidsproces. Doel is hiermee de sturing van geplande evaluaties aan de voorkant te verbeteren, de kwaliteit van deze evaluaties te verhogen en zo de bruikbaarheid te vergroten. De opzet van de pilot zal worden getoetst door Financiën en de Algemene Rekenkamer.

  • De tweede no-regret maatregel van de Studiegroep Begrotingsruimte betreft het in het begin van beleidstrajecten vaststellen van de relevante evaluatievragen en bepalen hoe de gegevens worden verzameld die nodig zijn om die vragen te beantwoorden. De studiegroep stelt dat indien beleidstrajecten al lopen, er een verbeterparagraaf in de beleidsdoorlichtingen kan worden opgenomen waarin wordt aangegeven op welke manier inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid kan worden vergroot.13 De Kamer vraagt in haar brief van 27 oktober jl. ook om een conclusieparagraaf in de beleidsdoorlichtingen met aanbevelingen om de onderzoeksbasis te verbeteren. Het voorstel om zo’n conclusie- of verbeterparagraaf op te nemen in de beleidsdoorlichtingen neem ik over. Beleidsdoorlichtingen die vanaf 2017 aan de Tweede Kamer worden aangeboden dienen een paragraaf te bevatten waarin uiteengezet wordt hoe inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid verbeterd kan worden. Hier kan bijvoorbeeld worden aangegeven welk (additioneel) onderliggend onderzoek gedaan zal worden om dit inzicht te vergroten.

  • Om de kennisuitwisseling te bevorderen tussen departementen en de externe betrokkenheid te vergroten, gaan bij wijze van experiment acht directeuren een beleidsdoorlichting op het terrein van een collega van een ander departement begeleiden of nemen zij deel aan de begeleidingscommissie of referentiegroep.

  • In nauw overleg met onder meer het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën wordt een nieuwe opleiding ontwikkeld, die medewerkers die een beleidsdoorlichting moeten begeleiden actief schoolt op het terrein van evaluatie-onderzoek. Het doel is om beleidsmedewerkers van verschillende departementen de benodigde vaardigheden bij te brengen om een doorlichting uit te voeren. Dit draagt ook bij aan het uitwisselen van kennis tussen departementen over evalueren.

Deze maatregelen moeten bijdragen aan een verdere vergroting van de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen en aan een toename in het inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid. Ik heb niet de illusie dat hiermee alle problemen worden opgelost. Goed evaluatieonderzoek is immers complex en vereist expertise en maatwerk, met name door de combinatie van de twee hoofddoelen van beleidsdoorlichtingen: verantwoorden én leren. In aanvulling op bovenstaande stappen is voortdurende inzet nodig om beleidsevaluatie haar plaats te geven in de beleidscyclus, waardoor doeltreffendheid en doelmatigheid beter kunnen worden beoordeeld én geborgd. Daarvoor is het van belang dat beleidsevaluatie niet zozeer wordt afgedwongen door financiële en budgettaire voorschriften, maar dat er een breed eigenaarschap ontstaat bij allen die in de beleidsvorming zijn betrokken. Al bij de eerste formulering en in de uitwerking van beleidsvoornemens moet meer aandacht komen voor de formulering van duidelijke doelstellingen, het in te zetten instrumentarium en de data die moeten worden verzameld om evaluatie in een later stadium mogelijk te maken. Ook het uitrollen van beleid in pilots of experimenten in plaats van direct een volledige uitrol moet, waar mogelijk, vaker worden overwogen en toegepast. Deze veranderingen in processen en cultuur zijn essentieel maar vragen tijd, zoals ook de Algemene Rekenkamer aangeeft.14 Dit alles kan alleen succesvol zijn als ook de Kamer aandacht blijft besteden aan de beleidsevaluaties en beleidsdoorlichtingen die zij ontvangt, niet alleen na afloop, maar ook reeds bij de formulering van beleidsvoornemens. Tezamen zetten we stappen in de goede richting. Ik houd de Kamer op de hoogte van de resultaten.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Algemene Rekenkamer (2014). Rijksbrede resultaten en thema’s verantwoordingsonderzoek 2014 (bijlage bij Kamerstuk 34 200, nr. 2); rijksoverheid (2016). Van saldosturing naar stabilisatie. Vijftiende rapport Studiegroep Begrotingsruimte (bijlage bij Kamerstuk 34 300, nr. 74); Kamerstuk 31 865, nr. 71. Bijlage: Procesevaluatie begrotingscyclus 2014 en beleidsdoorlichtingen, pagina 11.

X Noot
2

Kamerstuk 31 865 nr. 71. Bijlage: Procesevaluatie begrotingscyclus 2014 en beleidsdoorlichtingen, pagina 11.

X Noot
3

Brief van de Tweede Kamer aan de Minister van financiën over het focusonderwerp van de verantwoording over 2016 (14 april 2016). Brief van de vaste commissie over Rijksuitgaven aan de Minister van financiën «Commissie-specifieke focusonderwerpen voor de verantwoording over 2016» (15 juli 2016).

X Noot
4

Algemene Rekenkamer (2016). Kosten en opbrengsten van saldoverbeterende maatregelen (bijlage bij Kamerstuk 34 550, nr. 30).

X Noot
5

Kamerstuk 34 000, nr. 36. Motie van het lid Harbers c.s. over beleidsdoorlichtingen.

X Noot
6

Kamerstuk 34 000, nr. 52. Brief van de Minister van Financiën over de uitwerking van de motie van het lid Harbers c.s. over beleidsdoorlichtingen (19 november 2014). Brief van de vaste commissie Rijksuitgaven aan de Minister van financiën over de kabinetsreactie «opzet en vraagstelling beleidsdoorlichtingen» (24 april 2015). Kamerstuk 34 000, nr. 59. Brief van de Minister van Financiën aan de voorzitter van de Tweede Kamer met de reactie over de opzet en vraagstelling van de beleidsdoorlichtingen (27 mei 2015).

X Noot
7

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
8

Algemene Rekenkamer (2016). Inzicht in publiek geld. Uitnodiging tot bezinning op de publieke verantwoording (bijlage bij Kamerstuk 31 865, nr. 86).

X Noot
9

Algemene Rekenkamer (2016). Kosten en opbrengsten van saldoverbeterende maatregelen 2011–2016 (bijlage bij Kamerstuk 34 550, nr. 30).

X Noot
10

Hiermee is voldaan aan de toezegging tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen over de mogelijkheden voor evaluatie over effecten van een aantal grote bezuinigingsmaatregelen (Handelingen II 2016/17, nr. 8, item 7).

X Noot
11

Algemene Rekenkamer (2016). Inzicht in publiek geld. Uitnodiging tot bezinning op de publieke verantwoording (bijlage bij Kamerstuk 34 200, nr. 2).

X Noot
12

Algemene Rekenkamer (2014). Rijksbrede resultaten en thema’s verantwoordingsonderzoek 2014 (bijlage bij Kamerstuk 31 865, nr. 86).

X Noot
13

Bijlage bij Kamerstuk 34 300, nr. 74.

X Noot
14

Algemene Rekenkamer (2016). Inzicht in publiek geld. Uitnodiging tot bezinning op de publieke verantwoording (bijlage bij Kamerstuk 31 865, nr. 86).

Naar boven