Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 september 2019
Tijdens het AO Wmo van 26 juni jongstleden heb ik toegezegd uw Kamer nader te informeren
over de financiering van koplopergemeenten cliëntondersteuning (Kamerstuk 29 538, nr. 299). Het ging uw Kamer erom hoe wordt geborgd dat deze middelen die via het gemeentefonds
aan gemeenten worden overgemaakt, daadwerkelijk worden besteed aan cliëntondersteuning.
Samenwerking met gemeenten
Gemeenten zijn op basis van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het gratis beschikbaar
stellen van cliëntondersteuning voor hun ingezetenen. Ik zie samenwerking met gemeenten
dan ook als noodzakelijk om de vier opgaven zoals geformuleerd in de brief van 12 juli
20181 te realiseren.
Deze samenwerking met gemeenten krijgt vorm in het zgn. Koplopertraject. Het doel
van het Koplopertraject is dat een grote groep gemeenten intensief aan de slag gaat
om goed lokaal beleid te maken met betrekking tot de functie cliëntondersteuning,
de uitvoering hiervan te verbeteren en andere gemeenten hiermee te inspireren. Een
aantal koplopergemeenten gaat in pilots aan de slag met de vier doelgroepen binnen
het sociaal domein zoals beschreven in de brief van 15 oktober 20182, om zo ervaring op te doen met hoe (gespecialiseerde) cliëntondersteuning kan worden
ingericht voor deze doelgroepen. Het koplopertraject bestaat uit gemeenten die de
noodzaak zien om lokaal aan de slag te gaan met het verbeteren van cliëntondersteuning.
VNG, Movisie, de Adviesraden Sociaal Domein en Ieder(in) zijn betrokken bij de selectie
van de koplopergemeenten. In de brief van 20 juni 20193 heb ik uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de voortgang van dit traject.
Middelen gemeenten
Ik heb middelen beschikbaar gesteld om koplopergemeenten te ondersteunen in het geven
van een extra impuls aan cliëntondersteuning. Deze middelen zijn toegekend op basis
van voorstellen van gemeenten. In 2018 is € 2,7 miljoen en in 2019 is € 7,9 miljoen
toegekend aan gemeenten. Deze middelen zijn in de vorm van een decentralisatie-uitkering
beschikbaar gesteld via het gemeentefonds op basis van onderbouwde aanvragen van gemeenten.
De toekenning van deze middelen is bevestigd en toegelicht met een brief aan het college
van BenW van de betreffende gemeenten.
Deze middelen zijn zichtbaar in de circulaires van het Gemeentefonds, inclusief verdeling
over gemeenten4. Gemeenten hebben echter een zelfstandige beleids- en bestedingsvrijheid. Het is
mij niet toegestaan bij de toekenning van een decentralisatie-uitkering voorwaarden
te stellen die de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten beperken. Wel zijn
er afspraken gemaakt over het doel en de gewenste effecten, waarbij gemeenten zelf
onderbouwd hebben aangegeven wat de verwachte kosten zijn die hier mee samenhangen.
Daarnaast wordt het Koplopertraject begeleid en gemonitord door Movisie. Movisie monitort
de uitvoering van de plannen, met het oog op gezamenlijk leren en evalueren. De informatie
die ik daarover tot op heden heb, is dat gemeenten aan de slag zijn met de uitvoering
van hun ingediende plannen. Movisie blijft mij informeren mij over de stand van zaken.
Ik zal deze monitoring betrekken wanneer ik uw Kamer informeer over de voortgang van
de brede aanpak onafhankelijke cliëntondersteuning voor de zomer van 2020.
Tot slot
Zoals ook in het begin van deze brief aangegeven, is samenwerking met gemeenten noodzakelijk
om te komen tot daadwerkelijke vooruitgang van cliëntondersteuning. Ik vind het goed
om te zien dat bij gemeenten veel energie en urgentie bestaat om de functie lokaal
te versterken en dat ik hierin samen met gemeenten kan optrekken.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
H.M. de Jonge