nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 september 2007
Tijdens het AO over het Urgentie Programma Randstad op 6 september
jl. heb ik toegezegd inzage te geven in de consequenties van de uitspraak
door de Raad van State met betrekking tot de vernietiging van het tracébesluit
A4 Burgerveen–Leiden. Met deze brief informeer ik u over de ontwikkeling
van de breed inzetbare methodiek voor de afbakening van het onderzoeksgebied én
de gevolgen voor de planning van de A4 Burgerveen-Leiden en andere lopende
wegenstudies.
Hoewel ik nu geen volledig inzicht kan geven, hecht ik er waarde aan u
met deze tussenstand te informeren.
Methodiek voor de afbakening van het onderzoeksgebied
Volgens de Raad van State moet een integrale benadering plaatsvinden van
alle locaties waar zich significante gevolgen voor de luchtkwaliteit zullen
voordoen. Het voldoet niet om slechts binnen een bepaalde afstand (in het
geval van de A4 was dat 300 meter) van de weg te rekenen. Ik sta nu voor de
taak om tot een eenduidige methodiek voor de afbakening van het onderzoeksgebied
te komen die in alle projecten kan worden gehanteerd.
In overleg met deskundigen, ook van buiten mijn departement, wordt onderzocht
welke gegevens tot een afbakening van het gebied kunnen leiden. Ik bezie op
dit moment nog de verschillende mogelijkheden. Nu dit vooralsnog niet geheel
is uitgekristalliseerd, kan ik u op dit moment nog geen uitgewerkte methodiek
presenteren. Het is noodzakelijk om over een goed onderbouwd en juist model
te beschikken, waarmee ik tot een gedegen gebiedsafbakening per project kan
komen, en waarbij ook voldoende aandacht is voor de leefomgeving. Een onvoldoende
uitgewerkte methode zal immers leiden tot extra vertraging. Ik streef er uiteraard
naar de methodiek zo snel mogelijk gereed te hebben.
Het zoeken is naar een uniforme methodiek om de grootte te bepalen van
het gebied waarbinnen de effecten op de luchtkwaliteit moeten worden onderzocht.
Het gaat hierbij om zowel effecten op het aan het project aangrenzende hoofdwegennet,
als op het onderliggend wegennet in de omgeving van het project. Dat moet
een praktische, werkbare, goed uitlegbare methode zijn, die wetenschappelijk
onderbouwd en reproduceerbaar is, en die ook juridisch houdbaar is. Dit blijkt
zeer lastig.
De methode moet enerzijds tegemoet komen aan de door de Raad van State,
met het oog op de bescherming van de belangen van burgers, gewenste nauwkeurigheid,
en moet anderzijds recht doen aan de betrouwbaarheid van de gebruikte modellen.
Wat betekent dit voor de planning van MIT- en ZSM-projecten?
Ik kan op dit moment nog niet aangeven wat de consequenties zijn voor
de doorlooptijd van wegenprojecten, omdat nu de methodiek voor de gebiedsafbakening
wordt uitgewerkt. Zodra bekend is hoe de methode eruit ziet, kan nadien een
integrale planning worden opgesteld voor alle betrokken MIT- en ZSM-rojecten.
De minister van Verkeer en Waterstaat,
C. M. P. S. Eurlings