30 844
Regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht)

nr. 11
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 8 november 2007

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen c tot en met j worden geletterd d tot en met k.

2. Na onderdeel b wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. een bouwwerk te slopen in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht;.

B

Artikel 2.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt na «artikel 3.10, eerste lid,» ingevoegd: die niet tevens kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in het derde lid van dat artikel,.

2. In het zevende lid wordt na «is» ingevoegd: , met uitzondering van artikel 2.8,.

C

In artikel 2.7, vierde lid, wordt de zinsnede «, nadat zij onherroepelijk is geworden, in werking treedt» vervangen door: onherroepelijk wordt.

D

Artikel 2.17 komt te luiden:

Artikel 2.17

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, kan de omgevingsvergunning slechtsworden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

E

Artikel 2.26, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel d wordt geletterd e.

2. Na onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. voorschriften die nodig zijn met het oog op het belang van de archeologische monumentenzorg;.

F

In artikel 2.35, tweede lid, onder e, wordt «onder f of h» vervangen door: onder f.

G

De tweede volzin van artikel 2.36, eerste lid, komt te luiden:

Deze bevoegdheid geldt niet:

a. met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 2.2;

b. in gevallen waarin een Onzer andere Ministers het bevoegd gezag is;

c. met betrekking tot een verklaring van een Onzer andere Ministers en de daarbij overeenkomstig artikel 2.29, vierde lid, aangegeven of aan te geven voorschriften.

H

Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de gemeente waar de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht» telkens vervangen door: de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin het bevoegd gezag de aanvraag of andere gegevens of bescheiden zendt aan daarbij aangewezen categorieën bestuursorganen of andere instanties.

I

In artikel 3.3, eerste en vierde lid, wordt «Voor zover» vervangen door: Indien.

J

In artikel 3.4, eerste lid, wordt «een aanvraag» vervangen door: de aanvraag.

K

In artikel 3.5, eerste lid, wordt «Voor zover» vervangen door: Indien.

L

Artikel 3.10, vierde lid, komt te luiden:

4. Indien op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, zijn tevens de artikelen 13.6, 13.8, 13.9 en 13.11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer van toepassing.

M

In artikel 3.11, zesde lid, wordt «artikel 3.12, zesde lid» vervangen door: artikel 3.12, zevende lid.

N

In artikel 3.12, derde lid, wordt «waar de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht» vervangen door: waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.

O

Artikel 3.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «wijziging van» ingevoegd «een omgevingsvergunning of» en wordt na «voorschriften van een omgevingsvergunning of» ingevoegd: tot.

2. In het derde lid wordt «onderdeel b» vervangen door «onderdeel c» en wordt na «mijnbouwwerken» ingevoegd: en van activiteiten als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

P

Artikel 4.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel j wordt «onder e» vervangen door: onder f.

2. In onderdeel k wordt «onder f, g of h» vervangen door: onder f of g.

Q

Artikel 5.20 komt te luiden:

Artikel 5.20

Bij een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen bepalen dat het besluit mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene aan wie het besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger. In dat geval kan het besluit, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen naar het oordeel van dat bestuursorgaan verzetten, jegens die rechtsopvolger of iedere verdere rechtsopvolger worden ten uitvoer gelegd en kunnen de kosten van die tenuitvoerlegging en een te innen dwangsom bij die rechtsopvolger of verdere rechtsopvolger worden ingevorderd.

R

Artikel 5.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder c en d, wordt «worden nageleefd» vervangen door: zijn of worden nageleefd.

2. In het vierde lid, onder a, wordt «de activiteit» vervangen door «het project» en wordt «wordt verricht» vervangen door: wordt uitgevoerd.

S

In artikel 5.26, eerste lid, wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende:

Deze bevoegdheid geldt niet met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.

T

Artikel 6.2, tweede lid, komt te luiden:

2. In afwijking van het eerste lid treedt een beschikking in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, voor het indienen van:

a. een bezwaarschrift indien:

1°. het een beschikking betreft, inhoudende een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, g of h, of 2.2, eerste lid, onder a, b, c of g, of een wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als hiervoor bedoeld, of

2°. het bevoegd gezag dat heeft bepaald omdat gebruikmaking van de beschikking tot onomkeerbare gevolgen zou leiden;

b. een beroepschrift in gevallen waarin zij is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

U

In artikel 6.3, eerste lid, wordt «Artikel 6.2, tweede lid, onder c,» vervangen door: Artikel 6.2, tweede lid, onder a, onder 2°,.

Toelichting

I Algemeen

Met deze nota van wijziging wordt het voorstel voor de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op enkele punten aangepast. Dit mede naar aanleiding van publicaties in de vakliteratuur over (onderdelen van) de Wabo. Deze nota van wijziging bevat geen ingrijpende wijzigingen. De belangrijkste wijzigingen zijn opgenomen in de onderdelen A, G en S. De overige wijzigingen zijn niet van beleidsinhoudelijke aard.

In onderdeel A wordt de sloopvergunning voor bouwwerken in door de gemeente of provincie aangewezen stads- en dorpsgezichten in de omgevingsvergunning geïntegreerd. De vergunning voor het slopen van bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten die op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen, maakt reeds onderdeel uit van het wetsvoorstel.

In de onderdelen G en S worden de mogelijkheden voor de minister van VROM beperkt om het bevoegd gezag een aanwijzing te geven en om gebruik te maken van de vorderingsbevoegdheid. Deze bevoegdheden worden zo beperkt dat deze geen betrekking hebben op activiteiten die bij provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening zijn geregeld (artikel 2.2).

Deze nota van wijziging wordt uitgebracht mede namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

II De onderdelen

A

In artikel 2.2, eerste lid, wordt een extra activiteit opgenomen. Het betreft het slopen, dat wil zeggen geheel of gedeeltelijk afbreken van bouwwerken in gemeentelijke (of provinciale) beschermde stads- of dorpsgezichten. In artikel 2.1, eerste lid, onder h, is reeds de vergunning geïntegreerd voor het slopen in op rijksniveau aangewezen beschermde stadsof dorpsgezichten (de huidige sloopvergunning op grond van artikel 37 van de Monumentenwet 1988).

Ook bij gemeentelijke – en in een enkel geval bij provinciale – verordening kunnen beschermde stads- of dorpsgezichten zijn aangewezen. Veelal heeft die aanwijzing tot gevolg dat er op grond van de verordening een vergunningplicht geldt voor sloopactiviteiten. De vermelding in artikel 2.2 leidt ertoe dat er in die gevallen een omgevingsvergunning is vereist en de procedures op grond van de Wabo van toepassing zijn. Op die manier is voor sloopactiviteiten in gemeentelijke (of provinciale) beschermde stads- en dorpsgezichten geen afzonderlijk besluit meer vereist, maar kan daarop in één besluit (over de omgevingsvergunning) worden beslist.

B

Onderdeel 1

Artikel 2.6 heeft betrekking op gefaseerde vergunningverlening. Voor elk project dat uit meerdere activiteiten bestaat, kan een vergunning gefaseerd worden aangevraagd. Het kan daarbij zowel gaan om activiteiten die ingevolge artikel 2.8 gelijktijdig moeten worden aangevraagd als om activiteiten waarvoor ook afzonderlijk een (deel)vergunning zou kunnen worden gevraagd. Het is aan de aanvrager om te bepalen of hij een vergunning gefaseerd aanvraagt.

In het tweede lid van artikel 2.6 is bepaald dat op een beschikking met betrekking tot de eerste of tweede fase de procedure van toepassing is die van toepassing zou zijn als voor het project in één keer vergunning zou worden gevraagd. Beide fasebeschikkingen volgen dan ook dezelfde voorbereidingsprocedure. Gaat het bijvoorbeeld om een bouwactiviteit die betrekking heeft op een beschermd monument dan is op beide beschikkingen de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.3 van toepassing. In gevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder d, is immers de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing op een beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning die (mede) betrekking heeft op een beschermd monument.

Ingevolge het derde lid van artikel 2.6 geldt in bepaalde gevallen een bijzondere beslistermijn van veertien weken. Het gaat om gevallen waarin – als afzonderlijk vergunning zou (kunnen) worden gevraagd – de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zou zijn. In het derde lid worden die aangeduid als fasebeschikkingen die geen betrekking hebben op een activiteit of geval als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid. Het gaat daarbij onder meer om activiteiten met betrekking tot inrichtingen en mijnbouwwerken.

In het derde lid van artikel 3.10 is een uitzondering gemaakt voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen of mijnbouwwerken die kort gezegd niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan waarvoor vergunning is verleend (voorheen de melding op grond van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer). Ingevolge artikel 3.7, tweede lid, geldt daarvoor niet de uitgebreide maar de reguliere voorbereidingsprocedure. In deze nota van wijziging wordt geregeld dat de bijzondere beslistermijn in artikel 2.6, derde lid, in beginsel ook geldt voor aanvragen om fasebeschikkingen die betrekking hebben op activiteiten als bedoeld in artikel 3.10, derde lid.

Onderdeel 2

In artikel 2.8 is bepaald dat, kort gezegd, voor activiteiten die feitelijk niet te scheiden zijn, tegelijk vergunning moet worden gevraagd. Bijvoorbeeld de activiteiten «het bouwen van een bouwwerk» en «het wijzigen van een monument» (artikel 2.1, eerste lid, onder a en f). De strekking daarvan is dat die activiteiten zoveel mogelijk in samenhang worden beoordeeld. Dat komt bijvoorbeeld ook tot uitdrukking in de plicht om de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden op elkaar af te stemmen. De faseringsregeling maakt het voor de aanvrager mogelijk om de verschillende activiteiten binnen een project in twee fasen aan te vragen. Het kan daarbij gaan om activiteiten die fysiek te scheiden zijn, maar ook om activiteiten die niet fysiek te scheiden zijn. Dus bijvoorbeeld in de eerste fase het wijzigen van een monument en in de tweede fase het bouwen. Voor beide beschikkingen gelden in principe dezelfde regels als wanneer voor het project in één keer vergunning zou zijn gevraagd. In het zevende lid worden die bepalingen inzake een omgevingsvergunning dan ook van overeenkomstige toepassing verklaard op de beschikkingen met betrekking tot de eerste en tweede fase. Met deze nota van wijziging wordt een uitzondering gemaakt voor artikel 2.8. Dit om duidelijk te maken dat er bij de fasering geen belemmeringen zijn om activiteiten in afzonderlijke beschikkingen aan te vragen. Artikel 2.8 geldt dus wel voor het totaal van beide aanvragen (daarin moeten de feitelijk niet te scheiden activiteiten zijn opgenomen), maar niet voor de afzonderlijke aanvragen om de fasebeschikkingen.

C

De bestaande formulering van artikel 2.7, vierde lid, zou aanleiding kunnen geven voor de gedachte dat een vergunning pas in werking treedt nadat deze onherroepelijk is geworden. Dat is niet het geval. De inwerkingtreding wordt geregeld in artikel 6.2. In artikel 2.7, vierde lid, wordt bepaald op welk tijdstip de vergunningen die door de revisievergunning worden vervangen, komen te vervallen. Dat is het moment waarop de revisievergunning onherroepelijk wordt. Daarmee wordt aangesloten bij de formulering van artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

Met betrekking tot dat artikel 8.4, vierde lid, is er jurisprudentie gevormd over het moment waarop de eerder verleende milieuvergunningen komen te vervallen. Die jurisprudentie houdt verband met artikel 20.8 van de Wet milieubeheer waarin is bepaald dat een milieuvergunning niet eerder in werking treedt dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend. Die situatie zal zich onder de Wabo niet meer voordoen. De milieu- en de bouwvergunning integreren beide in de omgevingsvergunning. De in artikel 20.8 van de Wet milieubeheer opgenomen afstemmingsregeling is niet meer nodig en zal bij de invoeringswet worden geschrapt.

D

De Monumentenwet 1988 bevat geen uitgewerkt toetsingskader aan de hand waarvan de belangen die bij een vergunningaanvraag met betrekking tot een beschermd monument aan de orde zijn, tegen elkaar afgewogen zouden kunnen worden. Dit hangt blijkens de parlementaire geschiedenis van het desbetreffende wetsvoorstel samen met het feit dat de af te wegen belangen van geval tot geval zullen verschillen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer verankerd in de Algemene wet bestuursrecht, leiden er toe dat alle betrokken belangen in de afweging die aan een beslissing op de vergunningaanvraag ten grondslag wordt gelegd, aan de orde moeten komen. Voorts bepaalt de Monumentenwet 1988 in artikel 2 uitdrukkelijk dat bij de toepassing van die wet – en dus ook bij de beoordeling van een vergunningaanvraag – rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument.

De Wabo brengt in het voorgaande geen verandering. Zoals eerder in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, pag. 20), is er voor de onderscheiden activiteiten sprake van gescheiden toetsingskaders. Dit betekent dat het gegeven dat een omgevingsvergunning voor een andere activiteit op zichzelf beschouwd verleend zou kunnen of moeten worden, niet van invloed is op bovengenoemde afweging ten aanzien van een activiteit met betrekking tot een beschermd monument.

In paragraaf 2.3 van de Wabo worden de gronden genoemd aan de hand waarvan het bevoegd gezag per activiteit dient te beoordelen of vergunning kan worden verleend. In artikel 2.17 is het toetsingskader opgenomen voor activiteiten met betrekking tot beschermde monumenten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f. Bij de formulering is, mede om de huidige rechtspraktijk op dit punt te continueren, aansluiting gezocht bij de artikelen 2 en 19, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 en de wetsgeschiedenis van die wet (zie Kamerstukken II 1986/87, 19 881, nr. 3, p. 20 en Kamerstukken I 1988/89, 19 881, nr. 29a, p. 28).

Niet elke aantasting van de monumentale waarden van een beschermd monument hoeft tot weigering van de vergunning te leiden. Bij de belangenafweging zullen, overeenkomstig de bestaande praktijk, ook de belangen van de aanvrager moeten worden betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Verder is, net als in de Monumentenwet 1988, expliciet bepaald dat daarbij rekening moet worden gehouden met het gebruik van het monument.

E

Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg is wettelijk bepaald dat het bevoegd gezag een archeologisch rapport kan eisen bij een vergunningaanvraag, zoals de bouw- en aanlegvergunning en de sloopvergunning in een beschermd stads- en dorpsgezicht, en bij verzoeken om een planologische vrijstelling. Bij de verlening van genoemde vergunningen of vrijstellingen kunnen voorschriften worden gesteld in het belang van de archeologische monumentenzorg.

De toevoeging in het derde lid zorgt ervoor dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën activiteiten of gevallen kunnen worden aangewezen waarin dergelijke voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden. Daarbij zal ook worden aangegeven welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden. Bij het opstellen van de algemene maatregel van bestuur zal inhoudelijk worden aangesloten bij de bestaande regels, zoals die gelden sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg.

F

In artikel 2.35, tweede lid, onder e, is een intrekkingsgrond opgenomen die is ontleend aan artikel 21, eerste lid, onder c, van de Monumentenwet 1988. Die intrekkingsgrond heeft in de Monumentenwet 1988 uitsluitend betrekking op vergunningen voor beschermde monumenten. Artikel 2.35 wordt hiermee in overeenstemming gebracht.

G

In dit onderdeel wordt in artikel 2.36 de bevoegdheid van de minister van VROM tot het geven van een aanwijzing aan het bevoegd gezag beperkt. Deze bevoegdheid wordt zo beperkt dat deze geen betrekking heeft op activiteiten die bij provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening zijn geregeld. Ten aanzien van die activiteiten bestaan ook momenteel geen bijzondere aanwijzingsbevoegdheden. Voor die gevallen kan worden volstaan met het generieke instrumentarium uit o.a. de Gemeentewet en de Provinciewet.

H

Onderdeel 1

De formulering van artikel 3.1, eerste lid, wordt aangepast aan die van artikel 2.5. De aanvraag kan altijd worden ingediend bij (het omgevingsloket van) de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.

Onderdeel 2

In artikel 3.1 wordt een grondslag opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen omtrent het verzenden van de aanvraag en de gegevens of bescheiden die daarbij of op een later moment zijn verstrekt. De verplichting tot toezending geldt voor het bevoegd gezag. Bij de maatregel zullen de bestuursorganen en andere instanties worden aangewezen waaraan de stukken gezonden moeten worden.

Het gaat bijvoorbeeld om gevallen waarin vergunning wordt gevraagd voor een inrichting waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is. Daaromtrent zijn nu reeds regels gesteld in (artikel 5.15 van) het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

In die gevallen is het van belang dat de betrokken bestuursorganen of andere instanties vanwege de hun toevertrouwde belangen en taken, zo vroeg en volledig mogelijk op de hoogte zijn van de voorgenomen activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd. Dat geldt bijvoorbeeld voor burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, het bestuur van de regionale brandweer en de VROM-inspectie.

Ook kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de toezending van stukken aan bestuursorganen of andere instanties van een ander land. Het gaat daarbij om gevallen waarin de activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving in dat land. Het is dan van belang dat die organen vroegtijdig op de hoogte worden gesteld. Een dergelijke verplichting vloeit vaak voort uit Europese wet- en regelgeving.

I en K

In deze onderdelen wordt de formulering van de aanhoudingsgronden in de artikelen 3.3 en 3.5 aangepast. In die artikelen wordt geregeld in welke gevallen een beslissing op een aanvraag wordt aangehouden. Van aanhouding kan in die artikelen sprake zijn bij projecten waarbij vergunning wordt gevraagd voor bouw- of aanlegactiviteiten (artikel 3.3) dan wel activiteiten met betrekking tot inrichtingen of mijnbouwwerken (artikel 3.5). De formulering «voor zover» in beide artikelen zou zo kunnen worden opgevat dat een aanvraag slechts gedeeltelijk zou worden aangehouden (en dat op eventuele andere onderdelen van de aanvraag gewoon zou worden beslist). Dat is evenwel niet de bedoeling. Indien aanhouding aan de orde is, heeft deze betrekking op de gehele beslissing op de aanvraag. Doel van het wetsvoorstel is immers dat over de verschillende activiteiten binnen een project zoveel mogelijk in onderlinge samenhang (in één besluit) wordt beslist. Om dat duidelijker tot uitdrukking te brengen wordt in de genoemde artikelen «voor zover» vervangen door«indien».

L

De redactie van artikel 3.10, vierde lid, is aangepast. Dit lid is inhoudelijk niet gewijzigd.

M

In deze bepaling wordt een kennelijk onjuiste verwijzing hersteld.

N

De formulering van artikel 3.12, derde lid, wordt aangepast aan die van artikel 2.5. In gevallen waarin niet burgemeester en wethouders maar een ander orgaan bevoegd gezag is, wordt het ontwerpbesluit tevens ter inzage gelegd bij (het omgevingsloket van) de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd.

O

In het eerste lid van artikel 3.15, waarin de kennisgeving van ambtshalve genomen besluiten wordt geregeld, was nog geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat toepassing van artikel 2.34 kan leiden tot een ambtshalve wijziging van een omgevingsvergunning. Hierin wordt thans voorzien.

Het derde lid van artikel 3.15 wordt in twee opzichten verbeterd. In de eerste plaats was daarin door de verwijzing naar «activiteiten of gevallen als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid,» nog geen rekening gehouden met de in het derde lid van dat artikel opgenomen uitzondering voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen of mijnbouwwerken die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan waarvoor vergunning is verleend. Ingevolge artikel 3.7, tweede lid, geldt daarvoor niet de uitgebreide maar de reguliere voorbereidingsprocedure.

In dat lid werd daarnaast abusievelijk verwezen naar onderdeel b van artikel 3.10, eerste lid, in plaats van onderdeel c van artikel 3.10, eerste lid. Met dit onderdeel wordt deze omissie eveneens hersteld.

P

Met deze bepaling worden enkele kennelijk onjuiste verwijzingen hersteld.

Q

Dit onderdeel voorziet in een technische verbetering van artikel 5.20. In de eerste plaats wordt de bevoegdheid om te bepalen of een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom zakelijke werking heeft, toegekend aan het bestuursorgaan dat het betrokken besluit heeft genomen. Daarnaast is, in lijn met artikel 100e van de Woningwet waaraan artikel 5.20 is ontleend, bepaald dat de zakelijke werking van het betrokken handhavingsbesluit kan worden ingeroepen jegens de rechtsopvolger van degene aan wie het besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger.

R

De onderdelen c en d van artikel 5.21, eerste lid, worden als gevolg van dit onderdeel in technische zin verbeterd. Daarnaast wordt de formulering van het vierde lid aangepast aan de formulering van artikel 2.28.

S

Artikel 5.26, eerste lid, waarin een vorderingsbevoegdheid is opgenomen wordt zo gewijzigd dat deze geen betrekking heeft op activiteiten die bij verordening zijn geregeld. Kortheidshalve kan worden verwezen naar de toelichting op onderdeel G van deze nota van wijziging.

T

Artikel 6.2, tweede lid, wordt als gevolg van dit onderdeel in een tweetal opzichten gewijzigd. Duidelijker wordt onderscheid gemaakt tussen de gevallen waarin de inwerkingtreding van een beschikking wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken en de gevallen waarin de inwerkingtreding daarvan wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken.

Daarnaast wordt dit artikel aangepast in verband met de wijziging in onderdeel A van deze nota van wijziging. Voor vergunningen voor het slopen van een bouwwerk in een bij een gemeentelijke of provinciale verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht is aangesloten bij de regeling van de inwerkingtreding van omgevingsvergunningen terzake van beschermde stads- of dorpsgezichten als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988. Dat betekent dat een dergelijke vergunning in werking treedt na verloop van de bezwaartermijn (zes weken). Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan treedt de beschikking niet in werking voordat op een dergelijk verzoek is beslist (artikel 6.2, derde lid).

U

De wijziging van artikel 6.3, eerste lid, is een gevolg van de wijziging van artikel 6.2, tweede lid.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. Cramer

Naar boven