30 139 Veteranenzorg

Nr. 104 VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG

Vastgesteld 17 juli 2012

De vaste commissie voor Defensie heeft op 25 juni 2012 overleg gevoerd met minister Hillen van Defensie over veteranen.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie, Van Beek

De griffier van de vaste commissie voor Defensie, Roovers

Stenografisch verslag van een notaoverleg van de vaste commissie voor Defensie

Maandag 25 juni 2012

12.00 uur

Voorzitter: Van Beek

Aanwezig zijn 7 leden der Kamer, te weten:

Van Beek, Bosman, Jasper van Dijk, Eijsink, El Fassed, Hernandez en Holtackers,

en de heer Hillen, minister van Defensie.

Aan de orde is de behandeling:

  • de brief van de minister van Defensie d.d. 4 juni 2012 inzake de Veteranennota 2011–2012 (30 139, nr. 98);

  • de brief van de minister van Defensie d.d. 12 juni 2012 over de Regeling ereschuld veteranen (30 139, nr. 100);

  • de brief van de minister van Defensie d.d. 19 juni 2012 inzake een aanvullend hoofdstuk in de Veteranennota over de veteranen van de ISAF-missie in Uruzgan (30 139, nr. 101).

De voorzitter: Goedemiddag. Ik heet de minister, zijn staf, en de collega's welkom bij dit notaoverleg over de veteranen. Er is een buitengewoon ruime spreektijdregeling, maar de leden hoeven hun spreektijd absoluut niet helemaal te benutten.

Het woord is allereerst aan de heer Bosman van de VVD-fractie.

De heer Bosman (VVD): Voorzitter. We bespreken vandaag de Veteranennota. Zaterdag is het weer Veteranendag, een dag om de veteranen landelijk onder de aandacht te brengen. Dat is nog steeds nodig. Ik wil hier de woorden van onze minister-president Mark Rutte aanhalen, die tijdens de laatste Veteranendag het volgende zei: «Té lang hebben we met elkaar net gedaan alsof een militaire uitzending gewoon een baan is als alle andere. Maar dat is natuurlijk niet zo. Veteranen hebben iets goeds en iets bijzonders gedaan, en deze inzet voor vrede en veiligheid verdient blijvend onze dank en ons grote respect.» En zo is dat.

In het afgelopen jaar zijn twee mijlpalen bereikt. De Veteranenwet is aangenomen en dit kabinet heeft, ondanks de crisis, geld gevonden voor de ereschuld. De minister en het kabinet verdienen hiervoor alle respect. Ondanks de bezuinigingen is het benodigde bedrag alsnog gevonden. Dit laat zien hoe belangrijk de veteranen zijn voor dit kabinet. Het heeft echter wel tijd gekost, en dat is altijd jammer, zeker voor de betrokken veteranen. Maar de inspanningen van vooral deze minister hebben tot positief resultaat geleid, waarvoor dank.

De minister heeft aangekondigd, de uitwerking van de Veteranenwet nog dit jaar naar de Kamer te sturen. De Algemene Maatregelen van Bestuur laten wel lang op zich wachten. Ik begrijp dat er veel belangen van veel betrokken organisaties zijn bij dit proces. Maar de VVD spreekt uit dat al deze organisaties het belang van de veteraan laten prevaleren. De uitvoering van de Veteranenwet duldt geen vertraging, juist voor die veteranen. Kan de minister zeggen welk tijdpad hij in gedachten heeft voor de toezending van de Algemene Maatregelen van Bestuur?

Verder is het goed dat militairen die deelnemen aan antiterreuracties in eigen land na beoordeling door de minister als veteraan kunnen worden aangewezen. Daarbij wil de VVD vooral kijken naar de militaire uitvoering van de actie voor de militairen, los van de politieke context, want ook daar heeft de VVD oog voor.

Het is positief dat er hard wordt gewerkt om de erkenning van en de waardering voor veteranen te bevorderen. De veteranenpas wordt automatisch uitgereikt, jonge veteranen worden meer betrokken bij verschillende veteranenactiviteiten en er zal meer worden gedaan om de beeldvorming over de veteranen te richten op het belang van hun inzet in plaats van op de problemen van een kleine groep. Ook gaan de verschillende organisaties die zich voor erkenning en waardering inzetten, steeds meer samenwerken. Dat vind ik zeer belangrijk, want hoe beter de samenwerking, hoe beter de zorg. Inzicht in de besteding en de effectiviteit van het geld – de 9,8 mln. die besteed wordt aan erkenning en waardering – zou het resultaat misschien nog wel kunnen verbeteren.

Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat soldaten met een bepaalde biologische eigenschap en traumatische ervaringen meer kans hebben op een posttraumatische stressstoornis (PTSS) na uitzending. Dit onderzoek loopt tot 2015. Het is goed dat dit soort onderzoeken plaatsvindt en blijft plaatsvinden. Ik wil graag weten wat het vervolg zal zijn van het onderzoek. Is het denkbaar dat selectieprocedures en keuringen worden aangepast naar aanleiding van deze onderzoeken? De Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek (RZO) heeft geconcludeerd dat er middelen beschikbaar moeten komen en blijven voor verder wetenschappelijk onderzoek. Hoe is dit in de toekomst gegarandeerd?

De veteranenzorg ontwikkelt zich steeds beter en dat is goed nieuws. Soms zijn alleen de wachttijden na herkeuringen van veteranen erg lang. Zoals besproken bij de behandeling van de Veteranenwet is een snelle interventie beter voor alle betrokkenen. Hoe eerder diagnose en behandeling plaatsvinden, des te eerder kunnen mensen weer het dagelijks leven in. Dat is beter voor de veteranen, voor zijn of haar omgeving en voor de samenleving. Ik wil weten wat de minister een fatsoenlijke tijd vindt voordat de resultaten binnenkomen bij veteranen. Herkeuring brengt veel onzekerheid. Als het nodig is, moet ernaar gestreefd worden, de wachttijd te verkorten. Kan de minister zeggen of dit mogelijk is?

Verder heb ik begrepen dat veteranen die voor PTSS worden behandeld bij instanties zoals Stichting Centrum ’45 in Oegstgeest, verschillende verborgen kosten betalen, zoals dagkosten voor opvang. Zo worden zij alsnog met een hoge rekening geconfronteerd en dat is onterecht. De vraag is of deze kosten kunnen worden gedekt via de verzekering of dat de minister hiervoor verantwoordelijk is.

Inmiddels is na onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) bevestigd dat de nieuwe schattingsmethodiek van het PTSS-protocol betrouwbaar is. Het is goed nieuws dat veteranen betrouwbaar worden gekeurd, zodat er niet, zoals een paar jaar geleden, sprake is van willekeur. Het nadeel is dat sommige veteranen met een tijdelijke-invaliditeitspercentage bij herkeuring een lager percentage krijgen toegekend, maar dat betekent vooral dat ze voorheen een te hoog percentage hebben gekregen.

Tot slot wil ik aandacht vragen voor de veteranen in de samenleving. Veteranendag is een mooi beeld van de landelijke erkenning en waardering. Ik wil echter ook alle gemeenten vragen om aandacht te schenken aan de veteranen in hun omgeving. Dat gebeurt al op veel plekken, ook door lokaal georganiseerde veteranendagen. Dat is mooi. Het zou echter nog mooier zijn als de veteranen die aandacht op allerlei momenten zouden krijgen, bijvoorbeeld bij nieuwjaarstoespraken en -bijeenkomsten, welkomstbijeenkomsten van nieuwe inwoners en wat dies meer zij. Het is goed om de veteraan blijvend te benoemen als deel van de samenleving en van de gemeente. Steeds meer veteranen maken deel uit van die samenleving. Het beeld van de oude ijzervreter met snor is aan verbetering toe. De veteraan van vandaag kan namelijk iedereen zijn: man, vrouw, jong, oud, allochtoon of autochtoon. Te lang hebben we met elkaar net gedaan alsof een militaire uitzending gewoon een baan is als alle andere. Maar dat is natuurlijk niet zo.

De heer Hernandez (PVV): Voorzitter. Vandaag spreken we over veteranen, in het bijzonder over de erkenning van en waardering voor deze categorie Nederlanders, die zich op een bijzondere manier hebben ingezet. Ook de Veteranenwet, die eind vorig jaar in de beide Kamers der Staten-Generaal is aangenomen, is een belangrijke mijlpaal geweest. Goede veteranenzorg is één, de verankering daarvan in de wet is twee. Erkenning en waardering zijn nu geborgd. De PVV is het niet altijd met de regering eens over het uitzenden van militairen naar bepaalde delen van deze wereld, maar dat maakt hun werkzaamheden er niet minder gevaarlijk op en laat onverlet dat onze fractie veel respect heeft voor de vele militairen die de afgelopen jaren zijn uitgezonden. Bij dezen spreek ik namens mijn hele fractie waardering en respect uit voor alle veteranen, militairen en oud-militairen die momenteel een missie uitvoeren of in het verleden een missie hebben uitgevoerd.

De minister streeft ernaar om dit jaar het Veteranenbesluit aan de Kamer aan te bieden. Dit valt te lezen in zijn brief. Bij het Veteraneninstituut in Doorn gaat men er echter van uit dat de Veteranenwet pas van kracht wordt in 2013. Kan de minister specifieker aangeven wanneer hij verwacht dat de Veteranenwet in werking treedt?

Daarnaast is de PVV blij dat de minister overeenstemming heeft bereikt over de Regeling ereschuld veteranen. Ze vraagt zich echter wel af waarom de veteranen, die veelal op hoge leeftijd zijn, zo lang moeten wachten op de daadwerkelijke uitkering. Waarom zal die pas in het laatste kwartaal van dit jaar worden uitbetaald?

Onze fractie vindt de Veteranennota 2011–2012 in vergelijking met de rapportage van vorig jaar vrij beperkt. Vorig jaar kregen we bijvoorbeeld de jaarlijkse Veteranenmonitor van het Veteraneninstituut als bijlage toegezonden. Dit jaar niet. Helaas, want hier staan zeer interessante gegevens in over het beeld dat de samenleving heeft van onze veteranen, en erkenning van en waardering voor de veteranen. Kan de minister aangeven waarom we dit jaar geen Veteranenmonitor hebben gekregen? Kan wellicht worden aangegeven hoe de erkenning van en waardering voor onze veteranen in de samenleving zich hebben ontwikkeld ten opzichte van vorig jaar? Hoe staat het nu met de jonge veteranen en hun veteranengevoel? Kan de minister toezeggen dat hij elk jaar een dergelijke monitor meestuurt met zijn Veteranennota?

De PVV vindt dat Defensie met zijn veteranenbeleid naast de zorgplicht voor veteranen ook als doel moet hebben om de zichtbaarheid van Defensie in de samenleving en het patriottisme in Nederland te vergroten. Net als vorig jaar wil ik mijn waardering uitspreken voor het onderwijsproject Verhalen van Veteranen, waarbij veteranen hun verhaal vertellen voor de klas. Wij bevorderen graag dat alle basisscholen en middelbare scholen in Nederland gebruikmaken van dit initiatief en vinden dat de regering hierin een actieve, stimulerende rol kan vervullen. Dit project is een absoluut succesverhaal en steeds meer leerlingen worden bereikt door het toenemende aantal schoolbezoeken van veteranen. Dit bevordert daarnaast de zo gewilde zichtbaarheid van Defensie in de samenleving. Is de minister bereid om de bekendheid van dit onderwijsproject namens de regering te vergroten op Nederlandse basisscholen en middelbare scholen?

Om de zichtbaarheid van militairen in de maatschappij te vergroten heb ik er vorig jaar ook voor gepleit om militairen verplicht in uniform te laten reizen in het openbaar vervoer. De minister heeft toegezegd het reizen in uniform binnen de krijgsmacht te promoten. Hoe is dit het afgelopen jaar gepromoot?

Net als vorig jaar confronteer ik de minister vandaag met onze voorkeur voor de regionale benadering van het veteranenbeleid. Wij willen het veteranenbeleid regionaal benaderen. Ook het veteranenplatform en de 42 lidverenigingen met zo'n 70 000 veteranen zijn hier voorstander van. Krijgsmachtdelen in de verschillende regio's kunnen hierbij worden gekoppeld aan de regionale veteranenorganisaties. Steeds meer veteranen van oudere generaties ontvallen ons, waardoor steeds meer besturen van regionale veteranenorganisaties wegvallen en individuele veteranen ongeorganiseerd achterblijven. Daarmee gaan automatisch ook de tradities verloren. Waarom zouden wij deze veteranenorganisaties niet regionaal binden aan de krijgsmachtdelen om te voorkomen dat organisaties met alle tradities van dien een stille dood sterven?

Defensie moet zich meer inzetten voor het voortbestaan van regionale veteranenorganisaties. Krijgsmachtdelen kunnen hier een essentiële rol in spelen en initiatieven met veteranenorganisaties in de regio afstemmen. De minister heeft aangegeven dat eind 2012 het symposium Toekomst Veteranenland wordt georganiseerd over de samenstelling van het veteranenlandschap over tien jaar. Is hij het met ons erover eens dat de regionale benadering weleens het kader kan gaan vormen voor het veteranenlandschap in de nabije toekomst?

De jaarlijkse Nederlandse Veteranendag is een nationaal evenement dat elk jaar in Den Haag wordt georganiseerd. Welke toegevoegde waarde geeft de minister aan het feit dat dit mooie evenement elk jaar in Den Haag wordt georganiseerd? De PVV krijgt namelijk signalen van de veteranenorganisaties dat oude veteranen uit het hele land vaak moeite hebben om naar Den Haag af te reizen. Is het niet mooier om de jaarlijkse Nederlandse Veteranendag wisselend te organiseren in bijvoorbeeld de provinciale hoofdsteden of het hele gebeuren te verdelen over vier Nederlandse regio's? Hierbij valt te denken aan de regio's noord, zuid, oost en west. Ook hier kan voor een regionale insteek worden gekozen. De spreiding van de organisatie van dit mooie evenement draagt ook bij aan de zichtbaarheid van de krijgsmacht in heel Nederland. Dit zou nader uitgewerkt moeten worden in een concreet voorstel. Graag een reactie van de minister.

Het terugkijken op de zware missie in Afghanistan zal voor Nederlandse veteranen de komende decennia een belangrijke positie innemen. Duizenden Nederlandse militairen hebben een herinnering aan Afghanistan, onder wie ikzelf. Ik ben positief over de aanvulling op de veteranennota, waarin de evaluatie van het nazorgsysteem voor militairen die hebben deelgenomen aan de ISAF-missie, centraal staat. De nazorg bij Defensie is gewoon goed geregeld. Dat weet ik ook uit eigen ervaring. Het grootste gedeelte van de uitgezonden militairen heeft geen behoefte aan nazorg of steun na een uitzending. Het is echter geruststellend dat de veteranen die het wel nodig hebben, van dit zeer goede nazorgsysteem gebruik kunnen maken. Punten van aandacht zoals onduidelijke, niet inzichtelijke of onvolledige registraties heeft de minister onderkend. In de volgende veteranennota ziet de PVV graag eenzelfde hoofdstuk over veteranen van de ISAF-missie verschijnen.

De heer Holtackers (CDA): Voorzitter. Wij bespreken vandaag de veteranennota van de minister. Naar aanleiding van de nota wil ik namens het CDA in chronologische volgorde zeven onderwerpen aan de orde stellen die daarin aan bod komen. Voordat ik dat doe, wil ik de minister feliciteren met het gevoerde beleid en de vele activiteiten die worden ontplooid. Ik noem bijvoorbeeld het initiatief van de zilveren roos. Deze onderscheiding komt nu weer beschikbaar voor partners van militairen die uitgezonden zijn vóór 1994. Dat is een mooi eerbetoon aan het thuisfront. Er is op het gebied van veteranenbeleid belangrijke vooruitgang geboekt, maar er is nog veel werk aan de winkel.

Allereerst wil ik de aandacht vestigen op een grote en helaas vergeten groep veteranen, waarbij ik achter de kwalificatie «veteranen» nog even een vraagteken zet. Over anderhalf jaar is het 2014. Dan is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon. Een verschrikkelijke oorlog. Een oorlog die de wereld vier jaar zou teisteren, een onwaarschijnlijk hoge human toll zou eisen en economische schade zou aanrichten. Hoewel Nederland een neutrale positie innam, is die oorlog niet zomaar aan ons voorbijgegaan. Uit NIOD-onderzoek is duidelijk gebleken dat Nederland vanaf 1914 in crisis was. Vlak voor het uitbreken van de oorlog is in Nederland de mobilisatie gestart. Onder commando van luitenant-generaal Snijders werd een kleine 200 000 man van het veldleger en van de landweer op de been gebracht. In de periode daarna zijn op een bevolking van toen 6 miljoen mensen maar liefst 400 000 Nederlanders opgeroepen om hun land te verdedigen tegen eventuele agressors. Ze werden uit hun normale leven, hun gezin en werk weggerukt om maanden- of jarenlang grenzen te bewaken, vitale infrastructuur te bewaken, vluchtelingenstromen te begeleiden en het toezicht op krijgsgevangenen uit te voeren.

De druk op onze mensen was enorm. Het was namelijk allerminst zeker dat Nederland niet bij de oorlog betrokken zou worden. Historici zeggen dat het uiteindelijk een combinatie van een grote dosis wijsheid en een grote dosis geluk is geweest dat dit niet is gebeurd. Ook de confrontatie met diepmenselijk leed van krijgsgevangenen en 1 miljoen vluchtelingen was indringend. Nederland was formeel niet in oorlog, maar werd wel geconfronteerd met oorlogsomstandigheden. Het mag niet onvermeld blijven dat er ook Nederlandse militairen gesneuveld zijn. Zo vermeldt het marinemonument in Den Helder de namen van 58 omgekomen militairen van de Koninklijke Marechaussee. Wat is de opvatting van de minister over bijvoorbeeld de in mei 1918 omgekomen marinemensen van de mijnenveger Frans Naerebout? Of over de marinemensen die in november 1914 bij Westkapelle omkwamen tijdens het demonteren van een aangespoelde zeemijn? Vallen zij misschien onder de definitie «veteraan»?

Er speelde nog iets. Nederland was niet in staat om gemobiliseerde landgenoten op een behoorlijke manier te huisvesten, te bewapenen of te kleden. Uit alle hoeken van het land kwamen berichten over de buitengewoon deplorabele omstandigheden waaronder gemobiliseerden langdurig werden gehuisvest. De bewapening was ver onder de maat. Daarnaast waren het uniform en de persoonlijke uitrusting in de verste verte niet geschikt om militairen te beschermen tegen regen en kou. Ook dit eiste zijn tol. Honderden gemobiliseerde landgenoten verloren hun leven of werden ernstig ziek met blijvende gevolgen. Bovendien leden veel gezinnen van gemobiliseerde militairen bittere armoede door de karige vergoedingen.

Het CDA ziet met lede ogen aan dat de inzet en de enorme offers van deze groep oud-militairen vrijwel geheel aan de herinnering is onttrokken en aan de vergetelheid is prijsgegeven. Het CDA staat pal voor de veteranen en voor de burgers die met gevaar voor eigen leven het land hebben gediend tijdens oorlogsomstandigheden. Veteranen verdienen erkenning en waardering. Herinnering en herdenking zijn daar onlosmakelijk aan verbonden, niet alleen de uiting van de nabestaanden of de veteranen zelf, maar vooral van de samenleving. De veteranen zijn van ons. Daarom wil ik de minister de volgende vragen voorleggen. Is hij bereid toe te zeggen de erkenning en waardering van onze oud-militairen die gediend hebben in de Eerste Wereldoorlog, te bevorderen en dit vanaf 2014 duidelijk tot uiting te brengen in een herdenkingsprogramma, al dan niet gecombineerd met bestaande uitingen van eerbetoon aan onze veteranen? Is de minister bereid de Kamer voor 1 maart 2013 te informeren over de wijze waarop hij invulling geeft aan dit verzoek, als hij ermee instemt? Ziet de minister mogelijkheden om het NIOD en het Nationaal Comité 4 en 5 mei actief te betrekken bij het levend houden van de herinnering aan de inzet en ontberingen van Nederlandse burgers en veteranen uit de Eerste Wereldoorlog? Zo ja, welke mogelijkheden ziet hij dan? Zo nee, waarom niet?

Dit brengt mij bij mijn volgende punt: de ereschuld en de Veteranenwet. In het afgelopen jaar zijn er verschillende mijlpalen bereikt in het veteranenbeleid. Niet alleen werd de Veteranenwet aangenomen, maar werd er ook financiële dekking gevonden voor de betaling van de ereschuld. Nogmaals onze complimenten aan de minister en het kabinet, die dit nota bene in deze tijden van crisis en bezuinigingen mogelijk hebben gemaakt. Het is geen verrassing dat deze gebeurtenissen leidden tot opgetogenheid bij onze veteranen en hun naasten. Tegelijkertijd werd het geduld van deze mensen op de proef gesteld, omdat de uitwerking van beide besluiten logischerwijs op zich liet wachten. Het CDA was dan ook verheugd over de brief van 12 juni jongstleden waarin de minister meedeelde, een akkoord bereikt te hebben met onder meer vakorganisaties. Als het goed is, ontvangen de veteranen die er recht op hebben nog dit jaar de bijzondere uitkering, die netto wordt uitgekeerd. Het gaat om een substantiële tegemoetkoming die wat het CDA betreft recht doet aan het offer dat de veteranen hebben gebracht. Dat is goed nieuws, zo vlak voor Veteranendag. Overigens benadruk ik dat de voor deze doelgroep ook beschikbare immateriële vergoedingen en voorzieningen minstens zo waardevol zijn. Zijn er nog uitvoeringsproblemen te verwachten die spoedige betaling van de ereschuld in de weg staan en, zo ja, welke zouden dat kunnen zijn?

De uitwerking van de Veteranenwet loopt gestaag. Ik zal daar kortheidshalve niet op ingaan, omdat collega's er al een en ander over hebben gezegd.

Met belangstelling heeft mijn fractie kennisgenomen van de opbrengsten van de rondetafelconferentie veteranen, die plaatshad op 16 juni 2011 op De Zwaluwenberg. Wij delen ten zeerste de visie dat de beeldvorming over de krijgsmacht bepaald moet worden door de bereikte resultaten en de formidabele inzet van onze mensen. Het zoeken van aansluiting bij lokale of landelijke activiteiten is daarvoor een uitstekende strategie. Het versterkt het collectieve bewustzijn van het belang van het werk van veteranen. Tegelijk sterkt deze strategie het collectieve geheugen. In de nota vermeldt de minister dat de conferentie leidde tot concrete aanpassingen in de strategie van het Comité Nederlandse Veteranendag. Kan de minister hier wat explicieter in zijn? Wat zijn de concrete aanpassingen?

Het is verheugend om te zien dat er vanuit de samenleving steeds meer initiatieven worden ontplooid voor veteranen. Ik noem er twee, allereerst het initiatief waarbij kinderen van gesneuvelde militairen met elkaar in contact treden om ervaringen te delen en te verwerken. Ook bestaat het voornemen om naar Amerikaans voorbeeld een wielerronde door Nederland te organiseren. Het gaat dan niet alleen om het fietsen, maar ook om de loutering en de positieve effecten op het zelfrespect dat van zo'n evenement uit kan gaan op veteranen, hun begeleiders en hun naasten.

In het hoofdstuk zorg presenteert de minister een indrukwekkend overzicht van het zorgaanbod voor onze militairen. Het is goed dat dit aanbod beschikbaar is. Met de minister is het CDA van mening dat het noodzakelijk is dat het zorgaanbod goed op elkaar moet worden afgestemd. Ook valt het op dat er een evenwichtig aanbod lijkt te zijn tussen voorzorg en nazorg. De kern is dat afstemming en coördinatie moeten plaatsvinden tussen alle partijen. Kan de minister aangeven in welke mate dit gebeurt? In de uitwerking van de Veteranenwet is dit een van de echte succesfactoren. Ook wordt de zorg meermalen geuit door mensen die betrokken zijn bij veteranenzorg dat de coördinatie hier en daar misschien beter kan.

In een media-uiting slaat een van de militaire vakorganisaties, de AFMP, alarm over gezondheidszorg voor militairen. Men stelt dat de bezuinigingen de medische zorg voor militairen zouden raken en dat die onder druk komt te staan. Klopt dat bericht en, zo ja, in hoeverre raakt dit bericht de zorg voor veteranen?

Ik dank de minister voor de beantwoording van mijn mondelinge vragen en de uitwerking naar aanleiding daarvan over het gezondheidsonderzoek van de universiteit van Boston naar het effect van de zogenoemde blasts op onze mensen. Het is goed om te weten dat de krijgsmacht daar ook zelf onderzoek naar doet. Toch wil ik dit punt preciseren. Het Amerikaanse onderzoek is niet, of in ieder geval niet alleen een onderzoek naar de gevolgen van blasts op de mens. De wetenschappers hebben een techniek ontwikkeld om eventuele hersenbeschadigingen vroegtijdig zichtbaar te maken. Men ontwikkelt apparatuur om succesvol preventief onderzoek te doen. Mijn vragen vloeiden primair voort uit de zorg dat Defensie niet over de best mogelijke medische technieken beschikt, terwijl zij dat wel behoort te doen. Kan de minister toezeggen dat hij het Amerikaanse onderzoek ook op dit aspect en op deze wijze betrekt bij de medische zorg voor veteranen?

Mevrouw Eijsink (PvdA): Voorzitter. Deelnemen aan een gewapende strijd of vredesmissies is een bijzondere ervaring in het leven van degenen die het hebben meegemaakt. Vaak geldt dit voor de rest van hun leven. De betekenis van die ervaring is voor velen positief, maar voor enkelen negatief voor langere of kortere tijd. Dit gaat vaak ook op voor het gezin, voor wat wij «het thuisfront» noemen. Wij denken vandaag ook aan hen die gesneuveld zijn of gewond zijn, aan hun geliefden en aan allen die gemist worden. De samenleving zendt militairen als instrument van buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking uit naar allerlei gebieden over de gehele wereld. Op dit moment zijn er meer dan 1 000 militairen werkzaam in missies in opdracht van ons, van de politiek. De regering en het parlement stemmen daarmee in, met alle consequenties van dien.

Vandaag bespreken wij de achtste Veteranennota over de actieve dienende en de gewezen militair. Er is in het afgelopen jaar veel bewerkstelligd. Dat verdient respect en complimenten. De militair en zijn relaties staan centraal. Wat hebben wij voor die mensen bedacht? Werkt het voor hen? Doet het recht aan de zorgen en de pijn? De PvdA-fractie is zeer kritisch over de achtste Veteranennota. Ik kom hier zo meteen op terug.

Ik begin echter met een welgemeend compliment aan de minister voor hetgeen hij deed op het vlak van de inlossing van de ereschuld. Hier is jaren over gesproken. Het was een moeizaam proces. Er was veel geld mee gemoeid. Het zijn bovendien moeilijke, ingewikkelde regelingen. Er werd teruggekeken en toen werd het nog eens ingewikkelder. Dat is niet gemakkelijk. Ik geef de minister ook een compliment voor zijn overleg met de minister van Financiën. Ik wil dat gevecht niet voor mij zien, maar het zal waarschijnlijk een bokswedstrijd geweest zijn. De minister kennende heeft hij alles uit de kast gehaald en op die manier bewerkstelligd dat hij die bokswedstrijd ging winnen. Dat is van groot belang. Dit meen ik echt.

Nu zijn de volgende stappen van belang. Hoe gaat het met de aanbetalingen? Hoe gaat het met de rapportage? Kan de minister de Kamer in oktober wederom een rapportage sturen over de stand van zaken van de uitbetaling en de regeling voor de inlossing van de ereschuld? Ik heb nog een vraag over de brief over de nieuwe schadevergoedingsregeling. Over deze regeling is namelijk ook overeenstemming bereikt. De vergoeding van de restschade is voorzien in het Besluit Aanvullende Arbeidsongeschiktheid- en invaliditeitsvoorzieningen militairen. Kunnen wij in oktober in een brief een verdere uiteenzetting krijgen van deze toezegging?

Op 19 december vorig jaar werd de Veteranenwet aangenomen in de Eerste Kamer. De minister heeft in de Veteranennota destijds een toezegging aan de Kamer gedaan over het mogelijke toekennen en uitzoeken van een draaginsigne voor de BBE van 1977. Het is niet ongemerkt gebleven dat dit een aantal vragen heeft opgeroepen in de Molukse gemeenschap en pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Heeft de minister impliciet voorzien wat de uitwerking zou zijn? De minister valt in dezen niets te verwijten. Hij heeft een toezegging gedaan en daarmee een verzoek van de Eerste Kamer horende bij de Veteranenwet ingewilligd. De brief van de minister is op 4 juni naar de Kamer gestuurd en op 11 juni vond de herdenking plaats van de gebeurtenissen 35 jaar geleden in De Punt. Ik kan mij voorstellen dat men even verdrietig is. Kan de minister hierop reageren? Is de minister in gesprek geweest of gaat hij in gesprek met een afvaardiging van Molukse organisaties? Ik heb afgelopen vrijdag een gesprek met hen gevoerd en dat was voor mij zeer verhelderend. Het was plezierig en goed om erover te spreken. Als er een kink in de kabel komt, is het namelijk van belang om de verzoening – de pogingen daartoe die nu aan alle kanten zijn ingezet – verder voort te zetten en uit te dragen. Dit is juist nu van belang gezien de situatie die nu heerst in de Molukse gemeenschap. Wij delen dit alles immers samen. Wij delen al dat indringende en indrukwekkende verleden. Graag krijg ik een reactie van de minister hierop.

Ik ga nu verder met de nu voorliggende Veteranennota. De zevende Veteranennota vorig jaar viel een beetje tussen wal en schip, want in juni hadden wij de Veteranenwet ingediend. Vervolgens moest die behandeld worden. Wij hebben de minister daarom toen zijn gang laten gaan. Op 27 oktober en 19 december werd de Veteranenwet aangenomen. Ik vraag nu net zoals mijn collega's waar de uitwerking van die wet blijft. Ik zeg hier duidelijk bij dat ik begrip heb voor de reorganisatie, voor het feit dat er heel hard gewerkt wordt en dat nog niet alles voor elkaar is. Wanneer komen echter de Algemene Maatregelen van Bestuur naar de Kamer? Ik heb namelijk tijdens een informeel gesprek begrepen dat die er al in concept waren. Worden die op dit moment al besproken met de vakbonden? Maakt de minister, juist vanwege het feit dat er een interne reorganisatie plaatsvindt, ook gebruik van alle kennis van al die organisaties? De Veteranenwet is er gekomen door de veteranen en met de veteranen. Het zou fijn als ook de Algemene Maatregelen van Bestuur tot stand komen in samenwerking met al die mensen die hieraan gewerkt hebben. Het gaat daarbij om het delen van kennis. Ik vraag de minister om de Algemene Maatregelen van Bestuur in september naar de Kamer te sturen, zodat wij daar zo snel mogelijk verder over kunnen spreken.

Ik zei het al, de nota is wel heel schraal. De heer Hernandez gebruikte het woord beperkt. Ik heb de zes andere nota's voor me liggen en ik heb enig vergelijkend onderzoek gedaan. Deze nota gaat over het proces en niet over de capaciteit, de kwaliteit, de geleerde lessen en de dingen die we zouden moeten doen. De Kamer heeft een controlerende taak, maar ik kan hier geen controle op toepassen. Wij willen weten hoe het met de veteraan als mens gaat. In de afhandeling van de problemen moet de veteraan centraal staan, niet de instantie of de procedures. Kortom, waar is de warme deken over de veteraan?

Wij hebben achteraf nog om een hoofdstuk over Uruzgan moeten vragen. Het is zeer beperkt en het is wederom een procesbeschrijving. Voor in inga op de nota zelf, vraag ik de minister waarom niet is ingegaan op zaken die normaal wel in de nota stonden. Waar is het hoofdstuk over het thuisfront? Waarom is er geen aandacht voor de MGGZ en de zorgmijders? Heeft de IGK de nota gezien? Hij is nota bene ook de inspecteur van de veteranen! Hoe staat het met zorgmanagers en casemanagers, kortom het ABP-onderdeel? Er staat niets over de geestelijke verzorging en Beukbergen, terwijl wij gewend waren dat hiervoor aandacht was in de nota. Dit is uitermate van belang. Hoe staat het met het integrale zorgconcept? Dat is toegezegd in 2010. Bovendien wil ik graag dat de kosten inzichtelijk worden gemaakt. Dat hoort bij de nota. Ik lees niets over maatschappelijk werk en Stichting de Basis. Ook niet onbelangrijk is een uitleg per missie. Wij hebben nu een overzicht gekregen, een plaatje zonder praatje, maar ik wil graag het praatje erbij. Wij hadden eerder afgesproken dat per missie een en ander zou worden uitgelegd, vooral gericht op de toekomst en op de 20 000 militairen die in Uruzgan zijn geweest. Normaal gesproken zat er een overzicht van de uitstaande onderzoeken in het overzicht, maar dat hebben we nu niet. Wanneer kan de Kamer dit overzicht verwachten en waar staan we nu? En hoe zit het met de nazorg voor onze tolken?

Ik zal nu wat vragen over de nota zelf stellen. Ik zal daarbij de paginanummers noemen; dat is wellicht wat makkelijker voor de beantwoording. Op pagina 3 lees ik: «Voor het uitdragen van deze positieve beelden doen de deelnemers een beroep op alle betrokken partijen.» Dit gaat over het effect van de inzet van militairen en de trots daarover. Ik begrijp deze zin in het geheel niet. Uiteraard spreken we over alles wat goed gaat, maar we mogen problemen niet reduceren of minimaliseren. Eerder hadden we vaak een discussie omdat gezegd werd: het is maar 5% van de militairen. Dat is veel! Deze mensen verdienen onze blijvende aandacht. Ik wil daarom graag een toelichting op de betreffende zin.

Het Comité Nederlandse Veteranendag heeft een andere taakstelling gekregen. Ik zou graag willen weten wat dit betekent.

Onder het kopje Uitvoering van het veteranenbeleid staat dat het Veteraneninstituut tevens de loketfunctie naar de zorg vervult. Ik mis in dit onderdeel de veteranencafés. De inloophuizen blijven volledig buiten beeld, terwijl juist die instituten van groot belang zijn. Het gaat om de niet-georganiseerde veteranen. Ook al zijn er 42 organisaties bij het Veteranen Platform aangesloten, wij weten allemaal dat 80% van de veteranen niet georganiseerd is. Deze inloophuizen kunnen een belangrijke rol spelen voor deze mensen. Ik heb hier een foldertje met twaalf inloophuizen en er zijn er nog meer in opkomst, maar ze zitten in moeilijkheden, terwijl ze een grote rol te vervullen hebben.

In het kader van de Open Militaire Kampioenschappen is het wellicht aardig om na te denken over Paralympics voor veteranen. Die worden ook in de VS gehouden.

In de nota wordt voor de uitgaven verwezen naar de Defensiebegroting. Graag wil ik meer informatie over de kosten.

Het derde hoofdstuk, over de zorg, opent met het kopje Re-integratie. Ik meen dat wij een toezegging over een evaluatie gekregen hadden. Graag een reactie. Aan het eind van de alinea staat: «Wanneer dat niet mogelijk is, worden de militairen overgedragen aan het DCR (Dienstencentrum Re-integratie) om elders bij Defensie of bij een andere werkgever te re-integreren.» Ik wil graag weten wat dit betekent. Is dit een resultaatsverplichting of een inspanningsverplichting? Ik mag aannemen dat het een resultaatsverplichting is.

Onder het kopje Dienstverlaten staat: «Militairen zijn verplicht deel te nemen aan dit onderzoek.» Ik zou graag van de minister vernemen of bij de uitkering ook heel goed wordt gekeken naar de schokkende ervaringen die militairen meemaken. Ik krijg signalen dat deze factor niet of onvoldoende wordt meegenomen.

Onder het kopje Nazorgvragenlijsten staat: «Na analyse van de gegevens bleek dat uiteindelijk 5,4% van de respondenten zorg nodig had.» Dit wordt gevolgd door een cruciale zin: «Dit percentage lijkt door de jaren heen gelijk te blijven.» Dat is onmogelijk vast te stellen. In de brief over Uruzgan staat dat maar 50% de lijsten invult. Hoe kunnen wij vaststellen dat die 5,4% gelijk blijft? Ik vind dat nogal wat. Ik wil graag een uitleg van de minister. We hebben eerder al discussies gehad over de zorgmijders en over het onderzoek van de MGGZ, dat overigens nog naar de Kamer moet komen. Wellicht is het goed om de vragenlijsten eens na te kijken. Ik heb ze ook weleens mogen inkijken. Ze zijn door professionals opgesteld – dat is prima – maar misschien is het goed om de doelgroep zelf eens te laten meekijken naar wat er wordt gevraagd.

Het is prachtig dat er ondersteuning in de nulde lijn is. Daaronder valt het buddy support-programma. Ik lees dat het vfonds en het Veteranen Platform de regiefunctie en financiering van nuldelijnszorg bij het Veteranen Platform willen onderbrengen. Ik kom dan terug op mijn eerdere opmerking dat de private instellingen van de inloophuizen geen lid zijn van het Veteranen Platform. Zij hebben momenteel de grootste aanloop van niet-geregistreerde veteranen. Het is mij nu al gebleken dat de inloophuizen niet kunnen rekenen op financiële steun van het Veteranen Platform. Als het Veteranen Platform de regiefunctie krijgt voor deze laagdrempelige ingang, vrees ik dat er een heel groot probleem ontstaat. Wij hebben eerder gesteld dat de organisaties die we nu kennen, veelal zijn voor de oudere veteranen. Vraag mij nu niet om een definitie van «ouderen» te geven. Iedereen weet over het algemeen welke mensen daarmee worden bedoeld. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Ten aanzien van de RZO wil ik graag weten hoe het zit met het onderzoek naar de consumer index. Dat is namelijk ook jaren geleden toegezegd. In de RZO-evaluatie wordt verwezen naar het rapport van 5 december, maar ik wil graag weten hoe het er nu voor staat. Er staat dat de nadruk ligt op verdere professionalisering van de landelijke zorg voor veteranen. Ik wil weten wat de wachtlijsten zijn. Dat is namelijk de controlerende taak van de Kamer. Hoe zit het met de achttien à negentien instellingen? Hoe zit het met de wachtlijsten? Hoe is de opvang door het land heen? Voldoen de ggz-instellingen, de MGGZ, Centrum ’45, Sinai et cetera aan de verwachtingen? Die zijn namelijk cruciaal in de zorg en opvang. Ik mag hopen dat de minister daarop in een volgende veteranennota uitvoeriger ingaat. Ik vraag de minister daar bij dezen om. Dat is immers de controle van de Kamer.

Collega Holtackers heeft al verwezen naar belastingincidenten. Ik had diezelfde vraag. Graag krijg ik daarop een reactie.

Dan kom ik op de uitzendduur. Er staat dat er een uitzendduur is van vier tot zes maanden. Kan dat ook korter zijn, als er sprake is van heel zware belasting ten aanzien van de continuïteit en de intensiteit? Ik kan mij voorstellen dat het soms wenselijk is om korter dan vier maanden te gaan. Graag krijg ik hierop een reactie.

De titel van een heel klein hoofdstukje is: «Adaptatie, afwikkeling en nazorg». Ik zou graag weten wat het verschil is tussen de disciplines adaptatie en afwikkelzorg, want dat is mij onbekend. Wellicht is dit een heel onnozele vraag, maar graag krijg ik daarover uitleg. In de nota staat: «De inspanningen van de thuisfrontorganisatie zijn door de kleinschalige en persoonlijke aanpak door deze groep als waardevol beoordeeld.» Ik haal deze zin er even uit, omdat in de hele nota staat dat deze waardevol zijn beoordeeld. Dat geldt ook voor een aantal andere punten. Dat is heel fijn en dat waardeer ik, maar mag de Kamer weten wat de vooruitgang is en op basis waarvan dit wordt geconcludeerd? Collega Hernandez verwees eerder al naar de monitor. Ja, die mis ik ook, want die hoort bij een notaoverleg geagendeerd te zijn.

Ik wil graag van de minister weten of het veteranenregistratiesysteem gevuld is. Daarover is namelijk nog weleens wat onenigheid geweest. Is iedereen werkelijk opgenomen en werkt het systeem adequaat? Toen wij het in 2007–2008 instelden, was het een middel tot een doel. Ik heb nu af en toe het idee dat het nog steeds een doel is, hoewel het ook voor onderzoek gebruikt wordt na instemming van de mensen. Graag krijg ik hierop een reactie.

Dan kom ik op de samenwerking met de politie op het gebied van herkenning, waardering en zorg. Ik vind het prima dat die er is. Er staat echter ook dat de diensten van Defensie daarvoor worden ingezet. Daarover heb ik enige zorg. Ik vind het uiteraard prima dat er ervaring wordt gedeeld – dat is uitstekend zelfs – maar er is een tekort aan geestelijk verzorgers binnen alle takken van Defensie, of zij nu katholiek, protestants of humanistisch zijn. De minister wil hen delen met andere sectoren. Ik vraag mij af hoe de minister dat gaat doen. Graag krijg ik daarop een reactie, want er is een tekort aan militaire verzorgers en aan capaciteit.

Het mag duidelijk zijn dat ik kritisch ben op deze achtste Veteranennota. Ik zeg dat niet voor niets. Ik heb de zesde nog eens even doorgekeken. Ik begrijp oprecht niet waarom de Kamer niet informatie krijgt waarop controle mogelijk is. Ik vind het prima dat het proces wordt beschreven en dat de minister de Kamer iedere keer bij de les houdt bij veranderingen. Als ik echter niets hoor over het thuisfront, zorgmanagers, casemanagers en de basis, kortom over alle zaken die in het afgelopen jaar gepasseerd zijn, dan maak ik mij enigszins zorgen. De minister denkt vast: de uitwerking van de Veteranennota bespreek ik later wel. De afspraak is dat er iedere twee jaar een evaluatie is, maar dat er ieder jaar een veteranennota wordt opgesteld, tenzij we andere afspraken maken over de inhoud en de controletaak van de Kamer in dezen. Ik hoop daarover zo meteen meer van de minister te horen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. We spreken vandaag over veteranen. In het afgelopen jaar is – de regering schrijft het ook al – een mijlpaal bereikt met het aannemen van de Veteranenwet. Hiermee wordt de nazorg voor veteranen geregeld.

Er is nog veel te doen in het kader van de positie van veteranen. Nu de crisis om zich heen slaat, mag de zorg voor veteranen niet achteropraken. Goede nazorg is te allen tijde van belang vanwege het gevaarlijke werk dat veteranen hebben verricht. Daarom hebben veteranen het volste recht op erkenning en waardering. Het verruimen van de mogelijkheden om met andere veteranen ervaringen te delen, is daarom belangrijk. Minstens zo belangrijk is het om ervaringen bespreekbaar te maken in de rest van de maatschappij. Iedereen zou zich bewust moeten zijn van de keuze voor een bepaalde politiek en wat dit betekent voor de inzet van onze jongens en meiden in de krijgsmacht.

Het akkoord over de ereschuld aan veteranen is goed nieuws. Het heeft wel lang geduurd. Ook wij ontvingen veel mails met de vraag wanneer dit nu wordt geregeld. Na het advies van de Ombudsman, de oproep van de Kamer, de toezegging dat er geld zou worden gevonden en de uitwerking ervan met de bonden, zeiden betrokken veteranen steeds: het zou komen, maar het komt niet. Er moesten steeds hobbels genomen worden, die leidden tot vertraging. Het is dan ook begrijpelijk dat de Ombudsman nog voor het akkoord via een brief aanspoorde tot snelle actie. Uitbetaling staat nu gepland voor het derde kwartaal van dit jaar. Wij hopen dat het nu echt geregeld zal worden. Ik wil graag een reactie op de brief van de Ombudsman.

Bij de Veteranenwet ontvangen we soortgelijke reacties: wanneer wordt deze ten volle uitgevoerd? De voorlichting over de Veteranenwet kan daarom niet goed genoeg zijn. Niet alleen wat met de wet wordt geregeld, moet duidelijk gemaakt worden, maar ook wat het verschil is met de bestaande praktijk. Graag wil ik hierop een reactie. Met de wet worden allerlei zaken geregeld, waarbij het zorgloket ons van groot belang lijkt. Wordt er gestreefd naar volledige implementatie op één vaststaande datum of is er kans op het eerder invoeren van bepaalde onderdelen?

De regering schrijft: «In 2011 was sprake van een lichte toename van het aantal veteranen dat in behandeling is bij het LZV. De aanmeldingen bij het CAP zijn steeds vaker afkomstig van veteranen van recente missies en van dienstslachtoffers.» Dit kan veelbetekenend zijn. De ISAF-missie, een van de meest omvangrijke missies ooit, zal nog leiden tot een lange nasleep. Wat is de prognose van de ontwikkeling van dit cijfer?

De regering schrijft ook: «Bij de actief dienende militairen blijkt dat de meeste oorlogs- en dienstslachtoffers willen re-integreren bij de eigen eenheid. Commandanten spannen zich daarvoor in. Wanneer dat niet mogelijk is, worden de militairen overgedragen aan het DCR om elders bij Defensie of bij een andere werkgever te re-integreren.» In het licht van de huidige omvangrijke reorganisatie, vragen wij ons af hoe het staat met de mogelijkheid om bij de eigen eenheid te re-integreren. Worden de mogelijkheden hiertoe beperkt?

Met de Partij van de Arbeid en de VVD heb ik eerder dit jaar schriftelijke vragen gesteld over zelfdoding onder militairen en veteranen. De minister heeft geantwoord dat hij bekijkt of dit kan worden geregistreerd op basis van cijfers van het CBS. Hoe staat het hiermee? Wanneer krijgen we hierover uitsluitsel? Het lijkt ons goed om dit in de Veteranennota op te nemen.

In maart heeft de Kamer om een brief gevraagd over de risico's van het middel Lariam. Uit berichten blijkt dat onder Cambodjaveteranen veel geweld wordt gebruikt. De minister ziet geen aanleiding tot onderzoek, maar hij sluit een verband ook niet uit. Is het niet goed om hier wel onderzoek naar te doen?

Hoe oordeelt de minister over de gang van zaken rond de uitreiking van de insignes voor de militairen die betrokken waren bij de treinkaping bij De Punt? Mevrouw Eijsink vroeg hier terecht ook al naar. Deelt de minister de mening dat de timing ongelukkig was, gezien de herdenking van de kaping? Is de minister bereid hierover in gesprek te gaan met de Molukse gemeenschap? Wat is zijn reactie op de brief van de regering in ballingschap die we net binnen hebben gekregen?

Ik sluit af met een citaat uit Trouw over deze zaak, die volgens mij de kwestie precies goed verwoordt. «Het pijnlijke gevolg van al deze consternatie is dat het lintje niemand blij kan maken. Het verdeelt zelfs de militairen onderling tot op het bod nu hun meest prominente lid generaal b.d. Berlijn er openlijk afstand van neemt. Hij vindt dat een onderscheiding alleen passend is als ook het Molukse verdriet wordt erkend. De militair die de beschieting leidde, weigert het insigne. Voor het doden van mensen verdien je geen lintje, stelt hij. Als na zoveel jaar een gebaar wordt gemaakt, geldt: als je het doet, doe het dan goed. Misschien wordt het tijd, zoals Berlijn suggereert, om dan ook de Molukse vragen te beantwoorden.»

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. Het afgelopen jaar is eindelijk de Veteranenwet op initiatief van deze Kamer van kracht geworden. Ook is de regeling betreffende ereschuld veteranen eindelijk uitgewerkt. Defensie staat onder druk en van haar medewerkers wordt veel gevraagd. Met minder budget blijft de Kamer veel vragen van Defensie. Juist daarom is het belangrijk dat zorgvuldig met onze veteranen wordt omgegaan.

De Veteranenwet regelt belangrijke zaken. De wet gaat uit van een bredere definitie van veteranen. Iemand die op missie is geweest, heeft recht op speciale zorg, ongeacht of betrokkene nog werkzaam is bij Defensie of niet. Daarnaast betekent het een betere aansluiting op zorg tijdens voorbereiding, uitvoering en achteraf. Waardering en erkenning zullen actief door de minister worden bevorderd. Daarnaast regelt het initiatiefwetsvoorstel een proactieve en op re-integratie gerichte begeleiding van veteranen. Er komt één loket voor veteranen en er komt een onafhankelijke klachtenafhandeling. Tot slot biedt de wet zekerheid en duidelijkheid, doordat dit beleid verankerd is in een wet.

Bij de behandeling van deze wet in de Eerste Kamer is gesproken over uitbreiding van de definitie van veteraan tot militairen die worden ingezet tegen terroristische acties op Nederlands grondgebied. Immers, de internationale rechtsorde kent geen grenzen. Ook wat mijn fractie betreft, verdienen deze oud-militairen erkenning. Ik wil echter wel graag nog eens benadrukken dat erkenning en waardering niet uitsluitend zitten in het uitgeven van allerhande medailles, maar vooral in goede zorg en ondersteuning. Dat is een belangrijke verantwoordelijkheid van de Staat.

Het is ook een belangrijke verantwoordelijkheid van de Staat om zorgvuldig om te gaan met langslepende en moeizame kwesties uit het verleden en gevoeligheden die leven in een gemeenschap, bijvoorbeeld in Assen en Bovensmilde, waar slachtoffers, nabestaanden, de Molukse gemeenschap, militairen en hun families zich proberen te verzoenen met het verleden. Dat staat hier, wat mij betreft, los van. Daar gaat de Veteranenwet niet over, maar het was een onnodige handeling van de minister om dit aspect te politiseren. Die twee zaken staan los van elkaar. Dat laat echter onverlet dat ook dit een verantwoordelijkheid is van de Staat.

Ik kom te spreken over de ereschuld. Ik begin met het uitspreken van mijn waardering dat deze kwestie in overleg met de militaire vakbonden eindelijk is geregeld. Maar het proces en vooral de duur ervan blijf ik onzorgvuldig vinden. In juni 2010 is er een akkoord tot stand gekomen en pas twee jaar later is de uitwerking rond. De druk die deze groep veteranen, vakbonden, de Kamer en de Ombudsman hebben moeten opvoeren totdat er uitsluitsel kwam, had niet nodig moeten hoeven zijn.

Ik hoor graag van de minister een toelichting op de reactie op de brief van de ombudsman. Na een traject dat de minister volgens mij zelf ook geen schoonheidsprijs zou geven, vind ik het niet gepast dat hij de Ombudsman verwijt dat hij de klachten van veteranen overbrengt. De Kamer heeft zelf ervaren dat de minister bij het vinden van budget voor de regeling en het uitwerken van het akkoord, weinig communiceerde en geen duidelijkheid bood over de gedane toezeggingen. Ook de Ombudsman schrijft dat hij geen zicht kreeg op een termijn waarbinnen dit dossier zou worden afgerond. Ik wil de minister meegeven dat zorgvuldigheid op dit punt juist de waardering voor en erkenning van veteranen zou moeten illustreren.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Volgens mij delen wij hier achter de tafel allemaal de zorg dat het lang heeft geduurd. Heeft de heer El Fassed net als ik de brieven gelezen van de minister, waarin hij ons heeft gerapporteerd over het moeizame proces met minister De Jager? De heer El Fassed heeft natuurlijk gelijk als hij zegt: dat is een interne zaak van de regering. Ik geloof echter niet dat zijn opmerkingen over de minister helemaal terecht zijn. Ik heb namelijk wel de indruk – daarover verschillen we dan misschien van mening – dat de minister veel heeft getrokken en geduwd. Het was een moeizaam proces, maar hij heeft zijn best gedaan.

De heer El Fassed (GroenLinks): Het is natuurlijk een lang proces geweest. Bij de behandeling van de Veteranenwet hebben wij druk uitgeoefend en gewezen op de noodzaak van een regeling; wij zijn blij dat die er is gekomen. Van de brieven van de Ombudsman en de reactie daarop word ik echter niet heel erg blij.

Mevrouw Eijsink (PvdA): De Ombudsman afgelopen vrijdag nog een brief gestuurd, cc aan de Kamer, waarin hij schrijft: de minister heeft er wel iets aan gedaan, ik ben niet altijd van het proces op de hoogte geweest. Dat is terecht, want als het goed is, gebeurt dat niet voor onze ogen. Ik neem aan dat de heer El Fassed die brief ook heeft gelezen?

De heer El Fassed (GroenLinks): Ja.

Voorzitter. De evaluatie van het veteranenbeleid is overwegend positief. Op de punten waardering en erkenning, registratie en zorg wordt langzamerhand vooruitgang geboekt. De evaluatie van de nazorg levert mijn fractie nog wel een aantal zorgen op. Zo komt naar voren dat de informatieoverdracht sociaal-medische teams op papier goed in orde is, maar in de praktijk blijkt die af te hangen van de personen in kwestie. Zo lees ik dat verschillen in uitzendtermijnen zorgen voor verstoringen in de informatieoverdracht en dat registraties onvoldoende inzichtelijk en helder zijn. De beschrijving van de voorgestelde verbetering komt mij enigszins summier over, namelijk dat er een richtlijn is uitgegeven. Op welke wijze gaat deze richtlijn voor verbeteringen zorgen?

Een andere zorg is de methodiek van vragenlijsten. Er blijkt een respons te zijn van 50% en de respons van het thuisfront is slechts 20%. Vanzelfsprekend zie ik het probleem dat mensen niet gedwongen kunnen worden om deze vragenlijsten in te vullen, maar ik maak me wel zorgen over het grote gedeelte veteranen dat op deze manier onder de radar van de nazorg verdwijnt. Ik ga ervan uit dat dit grotendeels veteranen zijn zonder zorgvraag, maar ook de groepen met het grootste risico zullen mogelijk niet reageren. Graag krijg ik een toelichting van de minister op de maatregelen om de respons te verhogen.

De vergadering wordt van 12.55 uur tot 13.30 uur geschorst.

Minister Hillen: Voorzitter. Ik dank de Kamer zeer voor de inbreng in eerste termijn. Ik begin met een puntje van orde. Dit betreft het overleg dat hierna komt, met name over de verklaring van geen bezwaar. Ik ben zwanger van een brief maar ik ben nog niet bevallen. Ik hoop dat de brief tijdens dit overleg afgerond wordt. Als wij klaar zijn met dit overleg, moeten wij een korte pauze hebben, denk ik. Dan kunnen de leden de brief hebben.

Mevrouw Eijsink (PvdA): De brief voor het overleg hierna hebben wij al gehad, voorzitter.

De voorzitter: Nee, deze brief gaat over een ander onderwerp, namelijk de berichten van het afgelopen weekend. Hij betreft de vgb's.

Minister Hillen: Voorzitter. Vandaag spreken wij over de Veteranennota. Mevrouw Eijsink stelde vragen over de omvang van deze nota. Wat moet daar precies in staan? In de afgelopen twee jaar is veel gebeurd met betrekking tot veteranen. Toen heeft er ook veel in de nota gestaan, omdat er allerlei zaken aan de orde waren die werden opgebouwd. Dit jaar hebben wij ervoor gekozen om terug te kijken op wat er is gebeurd. Je kunt natuurlijk van alles herhalen, bijvoorbeeld over de zorg, maar dit jaar hebben wij ervoor gekozen om met een soort afvinkschema na te gaan wat er allemaal is gebeurd en of wij op tempo zijn. Dat is een keuze. Dat wil niet zeggen dat de nota volgend jaar nog minder zal omvatten. Het wil alleen zeggen dat wij dit jaar, terugkijkend, tot de conclusie kwamen dat er eigenlijk heel veel gebeurd was en dat wij de vraag of wij nog op schema liggen, de kern van de nota vonden.

Ik noem de punten die in verband hiermee werden aangesneden. Het eerste betreft de Algemene Maatregel van Bestuur. De wet is al een jaar geleden aangenomen. Waarom duurt het dan zo lang voordat de AMvB klaar is? De belangrijkste reden daarvoor is capaciteit. Wij zijn aan de grenzen van onze mogelijkheden. Er moest ook nog een aantal andere zaken geregeld worden, zoals het Sociaal Beleidskader en de cao met de bonden. Wij zijn voortdurend met een toch onderbezette groep bezig om heel veel tegelijk te doen. Het is dus een kwestie van capaciteit. Er is ontzettend hard aan gewerkt. De teksten voor de AMvB zijn klaar. Eerst bespreken wij de AMvB in het kabinet. Vervolgens hopen wij binnen niet al te lange tijd overleg met bonden te hebben. Daarna zal de AMvB naar de Kamer komen. Wij hopen dat wij dit met stoom en kokend water in de loop van het najaar gereed kunnen hebben. Dat wil zeggen dat de AMvB als alles goed gaat, in het begin van het volgend jaar, per 1 januari of zo kort mogelijk daarna, volledig ingevoerd kan worden. Materieel maakt dat niet veel uit. Wij handelen immers nu al alsof de wet van kracht is, in de geest van de wet. De paar maanden plus of min maken daarvoor niet uit. Wij proberen het proces zo zorgvuldig mogelijk te doen. Wij denken ook dat het in ieders belang is dat deze teksten goed geformuleerd zijn, want bij dit soort teksten luistert het meestal nauw. Ook is het van belang dat het overleg met het veld goed is gedaan.

Ik ga over tot de ereschuld.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Bouwt de minister zijn betoog op aan de hand van een inleiding, of gaan wij thema's langs? Ik ken de minister namelijk. Voor je het weet, hebben wij alles gehad, en ben ik het al kwijt.

Minister Hillen: Ik begin met twee of drie algemene punten: de AMvB, de ereschuld en het punt van De Punt. Vervolgens ga ik de vragen van de geachte afgevaardigden langs.

Mevrouw Eijsink (PvdA): De Algemene Maatregel van Bestuur bij de Veteranenwet is hiermee dus al besproken?

Minister Hillen: Ja.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Mag ik daar een vraag over stellen, voorzitter?

De voorzitter: Eentje.

Mevrouw Eijsink (PvdA): De minister zei dat er een gebrek aan capaciteit is. In mijn inbreng heb ik gezegd dat ik begrip heb voor de reorganisatie. In hoeverre maakt de minister gebruik van kennis bij de organisaties? In hoeverre worden Algemene Maatregelen van Bestuur samen met hen geschreven? De Veteranennota is samen met de veteranen tot stand gekomen; door, voor en met veteranen. In hoeverre is het voor de minister mogelijk om gebruik te maken van de expertise die overal in die organisaties aanwezig is, tot juristen aan toe uiteraard, zodat het proces versneld kan worden?

Minister Hillen: Dat is al gebeurd. Er is overleg geweest, niet formeel en iedereen afvinkend, maar hier en daar. We zijn nu bijna toe aan toezending aan het kabinet. Daarna kan het formeel nog in overleg met de bonden aan de orde komen. Vanwege onze capaciteit en het tempo waarin gewerkt moest worden, was er minder tijd voor heel breed overleg dan normaal gesproken het geval is.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Als ik zo vrij mag zijn, de ervaring binnen veteranenland leert dat als u zo veel mogelijk vooraf overlegd, dit productiever is dan als alles al dichtgebeiteld is door het departement.

Minister Hillen: Ik illustreerde al dat de uitvoerders van de wet bij de vormgeving van de AMvB betrokken geweest.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Mag ik ervan uitgaan dat het Veteraneninstituut, de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, Inspecteur der Veteranen, en organisaties als UNIFIL betrokken zijn geweest? Dat maakt namelijk dat de uitwerking van de AMvB veel beter ontvangen wordt dan als het dichtgebeiteld zit.

Minister Hillen: Niet uitputtend. Misschien is er hier of daar iemand gemist. We hebben geen afvinklijst. In principe zijn of worden die organisaties erbij betrokken. Maar we willen wel zo gauw mogelijk naar het kabinet en de Raad van State toe, opdat we op enig moment de wetgeving met de Kamer kunnen afronden. Het scharniert dus allemaal op elkaar.

Voorzitter. De ereschuld is heel snel geregeld. De Ombudsman heeft daar wat op gemopperd. Ik heb een kritische brief naar hem teruggestuurd. Die brief had voornamelijk als ondertoon: ja, door de veteranen wordt wel kritiek geuit, maar als je die een-op-een doorgeeft – de Ombudsman is toch een instituut met groot gezag in de samenleving – onderlijnt dat dat het kabinet kennelijk niet hard werkt. Als je weet hoeveel werk verzet moest worden om het op tijd klaar te krijgen, kun je dat gewoon niet staande houden.

Allereerst was het heel moeilijk om de 100 mln. te regelen. We hebben het er met elkaar over gehad. We hebben geprobeerd om het via de Kamer te doen. We hebben geprobeerd om het op andere manieren te doen. Het was echt moeizaam. Vorig jaar rond deze tijd, toen Veteranendag nog moest komen en we met de Veteranenwet bezig waren, zaten we elkaar aan te kijken en heb ik de inspanningsverplichting op mij genomen om eruit te komen. Ik heb uiteindelijk in december afgelopen jaar de toezegging kunnen krijgen dat het geld beschikbaar kwam. Tegen de klippen op heb ik het in het kabinet kunnen regelen, tegen alle financiële zorgen in en buiten mijn begroting, want die is geteisterd. Ik zal niet precies verslag doen van hoe het gegaan is, maar neemt u allen van mij aan dat er een zekere overredingskracht voor nodig was. Vervolgens kreeg ik het probleem van de toedeling. Op welke manier doe je dat? We hadden het idee om het forfaitair te doen volgens een bepaald systeem. Daarover moesten we met de bonden overleggen. Vervolgens kwam natuurlijk de discussie met het ministerie van Financiën over de fiscalisering. Het heeft best de nodige voeten in de aarde gehad voordat het op een fatsoenlijke manier geregeld was. Als je het van week tot week bekijkt, kun je het tempo waarin gewerkt is zelfs uitzonderlijk hoog noemen.

Ik kan mij best voorstellen dat elke week wachten een week te lang is als je betrokkene bent en erop zit te wachten. Maar ik vind dat er in de anderhalf jaar dat ik nu minister ben, erg veel bereikt is voor de veteranen. Toen ik binnenkwam, trof ik twee wetsvoorstellen aan, een van de regering en een van de Kamer, die ten opzichte van elkaar in een impasse zaten. Dat hebben we met elkaar kunnen oplossen. Ik heb voorrang gegeven aan het wetsvoorstel van de Tweede Kamer. Dat is gelukkig voortvarend met algemene stemmen aangenomen en in het Staatsblad gekomen. Alle andere punten die er nog lagen, zijn ook opgeruimd. Daarom was ik wat bedroefd dat de Ombudsman toch vond dat hij het beeld moest geven dat ik achter mijn broek gezeten moest worden, terwijl ik juist in volle vaart bezig was. Ik heb ontzettend veel dingen tegelijk omhoog, maar de veteranen hebben bij mij altijd boven alles nog voorrang gehad. Binnen anderhalf jaar tijd – tegenwoordig de normale zittingsperiode van een kabinet – is het geregeld. Dat is behoorlijk snel.

Hoe het ook zij, de ereschuld wordt in het najaar uitgekeerd, voor het einde van het jaar. Mevrouw Eijsink heeft op dat punt gevraagd om een rapportage ergens in oktober. Ik denk dat het verstandiger is om een rapportage te geven over de uitvoering daarvan, want als de rapportage waar mevrouw Eijsink nu om vraagt, zou komen, dan staat er hetzelfde in als wat ik vandaag weet, namelijk dat we in het najaar gaan uitkeren. De afgesproken verdeelsleutel is duidelijk en dus zullen we volgens de ingediende aanvragen uitkeren. Ik kan me voorstellen dat ik een rapportage stuur over hoe het allemaal is gegaan. Dat geldt voor meer dingen die dan nog te melden zijn. Het meest logische lijkt mij dat hiervan in de volgende Veteranennota verslag wordt gedaan. Dan kunnen we uitgebreid met elkaar bespreken hoe het is gegaan. De uitkering is in ieder geval voor het eind van het jaar afgerond.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik vraag de minister toch om in oktober met een rapportage te komen, met een soort stand van zaken. Meer dan 1 000 mensen wachten hierop. De minister zei zelf al: de verdeelsleutel is duidelijk. Dat wil echter nog niet zeggen dat voor iedereen duidelijk is wat de verdeelsleutel betekent voor het eigen dossier. Gezien de vragen die wij als Kamerleden hierover krijgen en de verontrusting die nog bij sommige mensen heerst, stel ik de minister daarom voor om de Kamer met een stand-van-zakenbrief in oktober op de hoogte te stellen van hoe ver hij is, hoeveel dossiers zijn afgehandeld, hoeveel mensen hij dan al blij heeft kunnen maken en voor hoeveel mensen het mogelijk nog even duurt. Dat is goed voor beide kanten, zowel voor de regering als voor de Kamer.

Minister Hillen: Ik ben nooit te beroerd om een brief te sturen, maar allen die er recht op hebben, worden individueel op de hoogte gesteld en hoeven zelf niet meer te reclameren. Allen die op tijd hun aanvraag hebben ingediend, krijgen van ons te horen hoe, wanneer en om welke bedragen het gaat. Ik kan mevrouw Eijsink alleen in het algemeen melden wat ons tijdschema dan definitief zal zijn. Ik wil best een brief toezeggen, maar ik weet niet of daar veel meer in zal staan dan we vandaag weten.

Ik kom nu op het draaginsigne voor BBE'ers uit 1977. In de eerste plaats is de datum ongunstig gekozen. Ik denk dat elke datum ongunstig is, zeker als het om gevoelige onderwerpen gaat. In de Veteranennota moest een en ander vermeld worden. De Veteranennota verschijnt omstreeks deze tijd. Dus dat dit daarin een plaats zou krijgen, is daarvan de weerslag. Vorig jaar is in de Eerste Kamer de openbare positie daarin ingenomen. Dit heeft nu meer publiciteit gekregen dan vorig jaar, maar vorig jaar is dit in de Eerste Kamer in een openbaar debat behandeld. Toen heeft de Kamer daarom gevraagd. Ik heb toen de toezegging gedaan om ernaar te kijken in de geest waarin de Eerste Kamer dat gevraagd heeft. Dat heeft zijn weerslag gekregen in de Veteranennota.

Het is nooit mijn bedoeling geweest om de Molukse gemeenschap te provoceren en evenmin is het mijn bedoeling geweest om bijvoorbeeld een bepaalde groep veteranen extra te contenteren. Het is mijn bedoeling geweest om uitvoering te geven aan een verzoek dat mij redelijk lijkt. Ik begrijp de gevoelens van de Molukse gemeenschap wel degelijk. Ik ben ook bereid tot een gesprek daarover met de Molukse gemeenschap.

Voor mij als minister van Defensie is het echter mijn eerste taak om, als dat kan, een draaginsigne toe te kennen aan veteranen, aan militairen, voor de uitvoering van de hun opgedragen taak. De manier waarop dat gaat, zal nog nader bekend worden gemaakt. Ik heb eerst ook nog een gesprek met de Molukse gemeenschap. Ik begrijp heel goed de gevoelens van die kant, maar als het gaat om de militaire uitvoering van een opdracht, kun je niet de verschillende gevoelens van de betrokkenen raadplegen. Het gaat om de uitvoering van de militaire opdracht. Als een aantal militairen of gewezen militairen daar met terugwerkende kracht een negatief oordeel over heeft, laten we er dan alsjeblieft voor oppassen dat de oordelen over militaire acties achteraf politiek of anderszins worden ingekleurd. Dat probleem hebben we ook met Indië, en er zijn nog wel meer voorbeelden te geven. Ik wil die dingen strikt van elkaar scheiden. Datgene wat maatschappelijk gebeurt en wat er maatschappelijk aan waardering voor prestaties bestaat, moet in de samenleving en in de politiek zijn weerslag krijgen. Maar militairen moet je niet achteraf zelf voorwerp laten worden van twijfel over wat ze toen hebben gedaan, ook niet als militairen daar zelf aan doen. Als iemand zoiets namelijk in het openbaar zegt, zegt hij dat ook tegen zijn collega's van toen. Dat luistert heel nauwkeurig. Veteranen staan bij mij altijd in hoog aanzien. Ik zal hen altijd door dik en dun verdedigen en proberen maximale maatschappelijke steun voor hen te verwerven, omdat zij vaak onder heel moeilijke omstandigheden militaire opdrachten van de politiek hebben moeten uitvoeren. Zij zitten in een positie waarin zij vrijgesteld moeten worden van kritiek achteraf, anders dan kritiek die op de politiek van toepassing is.

De heer El Fassed (GroenLinks): In mijn inbreng heb ik die twee zaken ook los van elkaar gezien, maar ik heb daar wel bij gezegd dat het in beide gevallen gaat om de verantwoordelijkheid van de Staat. De minister zegt dat hij een gesprek heeft met de Molukse gemeenschap. Kan daarbij misschien een ander kabinetslid aanwezig zijn om kenbaar te maken dat dit twee losse zaken zijn? Enerzijds gaat het over (de rol van) militairen. Anderzijds gaat het over een langslepende, moeizame kwestie die vraagt om verzoening van nabestaanden, slachtoffers en de Molukse gemeenschap. Dat is ook een verantwoordelijkheid van de Staat. Dat zou ik een mooi gebaar vinden.

Minister Hillen: Ik vind dat een goed idee.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben het zeer eens met die suggestie van de heer El Fassed. De zaak heeft heel duidelijk twee kanten. Kan de minister nog eens precies aangeven wat hij precies gaat doen? Gaat hij eerst een gesprek voeren met de Molukse gemeenschap en dan een besluit nemen over de uitreiking? Of gaat hij het anders doen? En hoe gaat hij om met de mensen die hebben gezegd dat ze helemaal geen insigne willen hebben?

Minister Hillen: Als het zo ver is, zal ik de Tweede Kamer op de hoogte stellen over de uitwerking: hoe een en ander zal gaan en in welke omvang en onder welke voorwaarden dat zal zijn. Ik ben er nu nog niet aan toe om daar nadere mededelingen te doen.

Dat waren de drie algemene opmerkingen die ik wilde maken in het begin. Ik wil nu alle woordvoerders langslopen om te kijken welke vragen er nog zijn. Ik probeer ze zo goed mogelijk te beantwoorden.

De heer Bosman heeft gevraagd naar de biologische geconditioneerdheid, de biologische en genetische oorzaken van PTSS. Op die manier zou je PTSS kunnen voorspellen. Dat zou behulpzaam kunnen zijn bij de selectie. Ondersteuning van het Prospectie in Stressgerelateerd Militair Onderzoek (PRISMO) door Defensie loopt in 2015 af. Dat onderzoek loopt tot 2018. Daarin worden militairen langere tijd gevolgd. Als dit onderzoek interessante gegevens oplevert, is het mogelijk om breder onderzoek te doen bij een grotere groep. Ik kan niet garanderen dat al het geld beschikbaar blijft, omdat elke volgende minister zijn eigen prioriteiten stelt. Wij vinden dat onderzoek echter van grote waarde. De kans dat wij nieuw onderzoek zullen volgen als dat eruit voortkomt, acht ik dus erg groot.

De heer Bosman (VVD): Ik vind onderzoek prima, maar wordt er ook iets omgezet naar wat in de realiteit is te gebruiken? Onderzoek, na onderzoek, na onderzoek tot 2018, 2025 en verder is prima, maar wordt op een gegeven moment gezegd: nu ga ik het gebruiken?

Minister Hillen: Ja, al vind ik het nu nog te vroeg om daar iets over te zeggen. De indicaties zijn dat dat waardevol is en dat wij dat ook kunnen gaan toepassen.

De heer Bosman merkte op dat de doorlooptijd van de herkeuringen nogal lang is. In 2011 was de gemiddelde doorlooptijd bij herkeuringen inderdaad veel te lang. Dat kwam mede door de onzekerheid over het overgangsrecht met betrekking tot de invoering van de keuringsprotocollen. In 2012 is de gemiddelde doorlooptijd aanzienlijk korter. We gaan dus weer de goede kant op. We zitten nu binnen de afgesproken norm van 180 dagen. We zaten in 2011 op 239 dagen. Dat was er dus ruim overheen. We zitten nu op 156 dagen. Dat is nog steeds lang, maar valt wel binnen de norm die ervoor staat.

Dan kom ik op de verborgen kosten. Als die er zijn en er samenhang is met PTSS en als er een dienstverband is aangetoond, dan worden de bijkomende kosten vergoed.

De heer Bosman (VVD): Dat is mooi, maar is die informatie ook bekend bij de mensen die het betreft? Kennen de mensen die in behandeling zijn deze mogelijkheden voor de betaling van dit soort kosten?

Minister Hillen: Dat zal ik nagaan. Als we op dat punt tekortschieten, zal ik ervoor zorgen dat er nadere voorlichting zal plaatsvinden.

Verschillende leden hebben gevraagd naar de concrete aanpassingen die het Comité Nederlandse Veteranendag voornemens is te plegen. Het comité houdt uiteraard rekening met de diversiteit onder de veteranen. Ook wordt de publiekscampagne niet langer alleen in juni, maar gedurende het gehele jaar ingezet. Tijdens de Veteranendag zal meer aandacht gegeven worden aan de publieksfunctie van onder meer het defilé en de ceremonie in de Ridderzaal. De regierol van educatie is versterkt. Voor scholen heeft Defensie € 150 000 extra beschikbaar gesteld om een grotere inspanning te verrichten.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Houdt dit ook een aanpassing in van de statuten van het Comité Nederlandse Veteranendag? De Kamer heeft bij de oprichting van het comité de statuten gezien. Worden die nu aangepast?

Minister Hillen: Nee. De beleidsdoelstelling wordt aangepast, niet de statuten. De statuten bieden hiervoor voldoende ruimte.

De heer Hernandez vroeg of ik militairen weer verplicht in uniform te gaan reizen. Ik heb vorige keer niet gezegd dat ik dat planmatig zou promoten, maar wel dat ik er enthousiast over ben. Ik vind het prachtig als het gebeurt. Hoe meer de militair zichtbaar is in de straat, hoe groter de acceptatie van en het draagvlak voor militairen zal zijn. Ik heb dat ook intern verkondigd. Ik weet ook dat de OPCO's daarin geïnteresseerd zijn. Ik kan niet zeggen dat het planmatig gebeurt, want we kunnen de mensen er niet toe verplichten. Vroeger kon dat wel. Ik kan op dit moment nog geen resultaten laten zien, maar ik blijf bezig met verkondigen dat het goed is als het gebeurt.

Dan kom ik op de regionale veteranenbenadering. Defensie heeft het initiatief genomen voor periodiek overleg met het campagneteam van het Comité Nederlandse Veteranendag, het Nationaal Comité 4 en 5 mei, het Nationaal Comité Herdenking Capitulaties 1945 Wageningen, de Oorlogsgravenstichting, de Stichting Veteranen Platform, het Veteraneninstituut en het vfonds. Daaronder opereren vier werkgroepen, waaronder één die zich specifiek bezighoudt met de regionale benadering. De Stichting Veteranen Platform heeft het voorzitterschap van deze werkgroep en zal na de zomer voor de eerste keer bij elkaar komen. Dan komt die regionalisering dus aan bod. Wat daar de weerslag van is, moeten we afwachten.

De heer Hernandez (PVV): Dat klinkt op zich goed. Kan de minister de Kamer op de hoogte houden van wat er uit dat regionaliseringsoverleg komt?

Minister Hillen: Dat zal ik doen, zeker ook in de volgende Veteranennota, maar daar loop ik op dit moment nog niet op vooruit.

De heer Hernandez heeft ook gevraagd waarom de Veteranendag altijd in Den Haag wordt gehouden, zoals Koninginnedag vroeger altijd plaatsvond op Soestdijk. Hij heeft gevraagd of we de dag niet kunnen regionaliseren. Dat zou wel kunnen, maar we hebben er indertijd voor gekozen om het zo te doen. Ik heb op het ogenblik nog geen aandrift tot verandering, maar ik zal erover nadenken of er een aanleiding is om dat te doen. Het Malieveld in Den Haag is een bijna ideale plaats om het te doen. Een aantal deelveteranendagen zie ik niet zitten. Er is één Veteranendag, nationaal en met de kroonprins erbij. We moeten dat als instituut zo houden. Ik ga ernaar kijken of dit ooit ergens anders gehouden kan worden.

De heer Hernandez heeft gevraagd naar de nazorg voor ISAF. Ik heb geen enkel gegeven dat die niet goed verzorgd zou zijn. De aandacht voor mensen die aan ISAF hebben deelgenomen is even intensief als bij andere missies. Mevrouw Eijsink vroeg om extra aandacht in de veteranennota in dit kader. Voor alle duidelijkheid, ik heb vorig jaar toegezegd dat dit op de Veteranendag extra aan de orde zou komen. Ik heb de organisatie van Veteranendag gevraagd om daaraan extra aandacht te geven in de Ridderzaal. Dat gaat ook gebeuren. Daarnaast staat er een en ander over vermeld in de veteranennota. Aanstaande zaterdag zal er op de Veteranendag met name voor Uruzgan extra aandacht zijn.

De heer Hernandez (PVV): Het was niet zozeer mijn punt dat ik mij daar zorgen over maak. Ik heb volgens mij heel duidelijk uitgesproken dat de nazorg voornamelijk met betrekking tot de ISAF-missie wel goed zit. Er wordt standaard echter niets over vermeld in de veteranennota. Dat is mijn punt van zorg. Ik zou dat graag in de volgende nota wel standaard willen zien verschijnen.

Minister Hillen: Dat is goed. Ik zal zorgen dat dit gebeurt.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Even een feitelijke opmerking. De minister verwijst naar een toezegging rondom Veteranendag, maar hij heeft een toezegging gedaan bij het uren durende overleg over de evaluatie van de ISAF. Daarbij is door mij met ondersteuning van collega's het verzoek gedaan om in de veteranennota een apart hoofdstuk over nazorg Uruzgan op te nemen en dat op te bouwen aan de hand van kwaliteit, capaciteit en cijfers. Het verzoek is om dat de komende jaren als inzet te hebben omdat dit een grote groep veteranen betreft waar we wellicht nog eens naar moeten kijken in de komende jaren.

Minister Hillen: Mij stond bij dat het voornamelijk van toepassing was op de Veteranendag. Ik heb dat ook onmiddellijk uitgevoerd. Waarvan akte.

Voorzitter. De heer Holtackers heeft iets gezegd over de Eerste Wereldoorlog. Ik heb het al eens in ander verband gezegd dat de Eerste Wereldoorlog vooral een soldatenoorlog is geweest, net zoals de Tweede Wereldoorlog een oorlog is geweest waarin veel meer burgers het slachtoffer zijn geworden. In Nederland is de aandacht voor veteranen eigenlijk pas laat op gang gekomen. Ten eerste hebben wij niet deelgenomen aan die oorlog en bovendien, ten tweede, is de impact van de Eerste Wereldoorlog in de staten die wel hebben deelgenomen, extreem geweest. Er zijn hele jaargangen jonge mannen verdwenen. In Nederland hebben wij die impact niet zo gekend. Daarom zijn de tradities in andere landen veel emotioneler en veel betrokkener. Bij ons is het later op gang gekomen. Even los van Nederlandse veteranen of Nederlandse militairen die op een of andere manier met de Eerste Wereldoorlog te maken hebben gemaakt, zijn kennis van en inzicht in de Eerste Wereldoorlog voor Nederland van het grootst mogelijke belang. Er zijn vaak zinloze offers gebracht. De loopgravenoorlog is verschrikkelijk geweest. De meest bittere en cynische constatering die je kunt doen is dat de oorlog indertijd gestopt is omdat de militairen op waren. Dat geeft aan, juist vanuit het ministerschap van Defensie, dat de Eerste Wereldoorlog een speciale plaats heeft. Ik heb daarom dit jaar bij de 4 en 5 mei-herdenking en met name op de erebegraafplaats in Loenen het accent gelegd op de Eerste Wereldoorlog. Deze oorlog verdient namelijk echt de aandacht.

Er zijn Nederlanders bij betrokken geweest. De heer Holtackers heeft gesproken over de vele honderdduizenden die gemobiliseerd zijn geweest en die alle ellende daarvan hebben gemaakt. Natuurlijk zijn er ook slachtoffers gevallen, zoals marechaussees en anderen. In 2014, het jaar waarin het 100 jaar geleden is dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, zal in Checkpoint apart aandacht hieraan worden gegeven. Bij de eeuwherdenking komt dit dus al behoorlijk in beeld. Wij kunnen in dit kader niet met terugwerkende kracht de veteranenstatus aan iemand verlenen. Ik ben er echter zeer mee bezig om de Eerste Wereldoorlog onder de aandacht van de Nederlandse samenleving en de Nederlandse politiek te houden.

De heer Holtackers heeft ook gevraagd hoe het staat met de afstemming van het zorgaanbod. Hij vroeg in hoeverre er coördinatie plaatsvindt tussen de zorgaanbieders. Het zorgaanbod voor een veteraan wordt altijd multidisciplinair aangepakt. De zorgvraag en de wijze waarop daarmee wordt omgegaan, worden besproken in een speciaal daarvoor ingesteld coördinatieoverleg van het LZV. Tussen het LZV en het Zorgloket zijn afspraken gemaakt over de doorverwijzing en de afstemming van zorgvragen. De zorg voor veteranen is met andere woorden altijd een bezigheid waarbij een behoorlijk zorgvuldige afstemming plaatsvindt tussen de verschillende instanties.

De vakbond AFMP heeft een alarm afgegeven over de gezondheidszorg voor militairen. De vakbond vroeg of de medische zorg voor militairen door de bezuinigingen onder druk komt te staan en of de veteranen hierdoor geraakt worden. De militaire zorg staat echter niet onder druk van de bezuinigingen. De zorg wordt hier en daar wel op een andere manier georganiseerd. De AFMP doelt op het verwijsbeleid, maar dat heeft te maken met de militairen. Er is geen verband met de zorg voor de veteranen.

De heer Holtackers en mevrouw Eijsink hebben aandacht gevraagd voor de blast-incidenten en voor het onderzoek daarover dat op dit moment in de VS loopt. De eerste resultaten daarvan zijn beschikbaar. Defensie volgt dit onderzoek. Wij vinden dit ook van belang. Wij hopen dat er een techniek of een apparaat beschikbaar komt voor de vroege detectie van dit soort problemen, maar dat is nog zeer de vraag. Zover zijn wij dus nog niet. Er wordt bovendien bekeken of enzymen in dit verband een voorspellende waarde kunnen hebben.

De heer Holtackers (CDA): Het gaat om twee dingen. Ten eerste zijn er de effecten van blast op mensen. Binnen onze krijgsmacht besteden wij daar gelukkig aandacht aan. Ten tweede is het Amerikaanse onderzoek belangrijk omdat men kennelijk medische technieken heeft die zeer behulpzaam kunnen zijn bij het onderzoek naar blast. Begrijp ik het goed dat de minister zal bekijken of dat instrument geschikt is voor Nederland en of het sowieso geschikt is? Zo ja, zal dit dan deel gaan uitmaken van het instrumentarium van de militaire gezondheidszorg?

Minister Hillen: Wij erkennen sowieso de potentiële effecten van blast op het lichaam. Wij vinden dit een serieus probleem en kijken daar dus naar. Alles wat daarbij kan helpen, zullen wij proberen in te zetten. Als er technieken beschikbaar komen, zullen wij die inzetten. Wij houden dat Amerikaanse onderzoek dus in de gaten. Bovendien proberen wij zelf te bezien wat er op dat punt gevonden kan worden. Alles wat daarbij kan helpen, is meegenomen.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Welk onderzoek wordt er op dit terrein dan zelf gedaan?

Minister Hillen: Wij volgen het Amerikaanse onderzoek. Ik dacht aan het Gronings onderzoek, maar dat is een ander onderzoek. Wij volgen dus het Amerikaanse onderzoek.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik vraag dit omdat de minister tijdens het vragenuur, toen collega Holtackers hierover vragen stelde, verwees naar een onderzoek. Ik had gehoopt dat onderzoek in de lijst van de Veteranennota aan te treffen.

Minister Hillen: Op de een of andere manier heb ik mij een Gronings onderzoek in het hoofd gezet. Dat zal dan wel de blast zijn waar ik last van heb.

Mevrouw Eijsink heeft een heleboel vragen gesteld over elementen die wat haar betreft in de nota ontbraken. Ik heb al gezegd dat dit te maken heeft met de opzet waarvoor wij dit jaar gekozen hebben. Er had een aantal onderwerpen bij kunnen komen dat dan voor een belangrijk gedeelte een herhaling van zetten zou zijn geweest. Volgend jaar zal de opzet van de nota weer wat breder zijn. Dan is de Veteranenwet inmiddels in werking getreden en zijn er weer punten waarop wij kunnen doorwerken. Dit was een terugkijknota.

Ik kom nu bij de tolken. Bij de ISAF-missie in Afghanistan is gebruikgemaakt van de diensten van Afghaanse tolken. Het persoonlijk verleden van de tolken, die meestal gevlucht waren uit Afghanistan, de beperkte voorbereiding op intensieve uitzendingen – dat waren ze immers – de hoge uitzenddruk, de incidentele betrokkenheid bij gevechtshandelingen en het feit dat de Afghaanse gemeenschap hun lang niet altijd accepteerde, hebben bij zestien tolken tot langdurig ziekteverzuim geleid, met vooral psychische klachten. De tolken zijn aangesteld als militair. Defensie heeft dan ook een zorgplicht voor deze tolken. Vanwege deze zorgplicht zijn sommige tolken, die eerder uit dienst zijn getreden, opnieuw als militair aangesteld. De tolken worden nader medisch onderzocht, ondergaan passende behandelingen en worden intensief begeleid bij hun re-integratie. In september 2012, over twee maanden, wordt voor de tolken een lotgenotendag georganiseerd. Enkele tolken hebben melding gemaakt van mogelijk strafbare handelingen die door Nederlandse militairen zouden zijn verricht tijdens de ISAF-missie. Deze mededelingen worden onderzocht. Wanneer daartoe aanleiding is, zal aangifte worden gedaan.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Vorig jaar hebben collega Ten Broeke en ik hier afzonderlijk vragen over gesteld. De minister zegt nu dat er meldingen zijn gedaan van strafbare handelingen. Kan de minister toezeggen dat hij de Kamer hierover zo snel mogelijk zal informeren? Zoals de minister zegt, hebben wij inderdaad een zorgplicht voor deze tolken. Wij spreken er nu over, maar ik zou graag zien dat de minister de Kamer hierover een brief stuurt. Is het mogelijk om dat nog deze week te doen?

Minister Hillen: Nee, dat is niet mogelijk. Ik zou dat wel willen, want hoe sneller dit tot het verleden behoort, hoe mooier het is. Zorgvuldigheid gaat hier echter boven snelheid. Hier spelen twee dingen. Ten eerste zijn er de psychische gevolgen en de ziektebeelden die de tolken kunnen vertonen als gevolg van hun uitzending, met alle ellende die erbij hoort. Ten tweede is het mogelijk dat er door Nederlandse militairen strafbare handelingen zijn verricht. Die kunnen ook een psychisch effect hebben gehad, maar los daarvan zijn het strafbare handelingen, als die zich tenminste hebben voorgedaan. Wij onderzoeken dit nu. Daarop ga ik niet vooruitlopen, want dan zou ik speculeren. Zodra dit voldoende onderzocht is en ik weet of ik hiervan aangifte moet doen of niet, zal ik de Kamer op de hoogte stellen en mijn appreciatie daarvan geven. Ik kan nog niet zeggen op welke termijn dat zal zijn.

Mevrouw Eijsink (PvdA): De minister heeft het over strafbare handelingen die door de tolken zijn waargenomen en kenbaar zijn gemaakt. Hij zal de Kamer daarover informeren. Wij hebben hier diverse malen overlegd om de missie in Afghanistan te evalueren. Toen is geen melding gemaakt van deze strafbare handelingen. Mag ik ervan uitgaan dat de minister daarvan toen niet op de hoogte was?

Minister Hillen: Dat is correct.

Ik heb mevrouw Eijsink al gezegd dat de inloophuizen wel degelijk betrokken moeten kunnen worden bij de veteranenzorg. Dat is mogelijk, want daarvoor is geld beschikbaar. Op welke manier dit precies georganiseerd wordt, is niet alleen aan Defensie, maar vooral aan het Veteraneninstituut en de andere organisaties daaromheen. Het is vanzelfsprekend dat wij op de werkvloer gefocust moeten blijven.

Wij proberen te promoten dat veteranen deelnemen aan militaire kampioenschappen. Sport is altijd goed. Zowel over Paralympics als over militaire kampioenschappen zijn wij in gesprek met NOC*NSF om te bekijken wat wij kunnen organiseren en op welke manier wij een en ander kunnen bevorderen. Als veteranen die invalide zijn geworden, kunnen deelnemen aan de Paralympics, kan door Defensie/ABP worden bijgedragen om dit mogelijk te maken.

Mevrouw Eijsink heeft gevraagd of re-integratie een taakstelling of een inspanningsverplichting is. In principe is het een inspanningsverplichting. Re-integratie kan nooit taakstellend zijn. Iemand is pas gere-integreerd als hij echt gere-integreerd is. Dat wil niet zeggen dat ik mij op voorhand excuseer of zeg dat de inspanning minder zal zijn. Ik wil dit geen seconde bagatelliseren. Toch is dit een inspanningsverplichting. Wij halen alles uit de kast. Voor de militaire oorlogs- en dienstslachtoffers gaan wij zo ver mogelijk. Zij hebben daarbij de garantie dat er bij de aard van de beperkingen passende arbeid komt. De reorganisatie beperkt de mogelijkheden bij de eigen eenheden, dat wel. De cavalerie bijvoorbeeld wordt ingekrompen. Dit beperkt echter niet de zorgplicht van Defensie als geheel. De MOD'ers hebben een absolute voorrangspositie bij het vervullen van functies en vacatures. Volledige re-integratie blijft een inspanningsverplichting die door ons zeer serieus wordt genomen.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat vind ik niet voldoende. Hier staat dat zij bij Defensie of bij een andere werkgever re-integreren. Als de minister dat zo schrijft aan de Kamer, betekent dat wat mij betreft een resultaatsverplichting. Het is mogelijk dat iemand binnen de organisatie niet meer een herplaatsing kan vinden. Wij hebben het het afgelopen jaar telkens gehad over samenwerking met organisaties, het bedrijfsleven en noem maar op. Het is dan toch een resultaatsverplichting? Iemand die gewond is geraakt tijdens een missie kan toch uiteindelijk niet vertrekken bij de overheid zonder dat hij een baan heeft? Wij bespreken hier van alles over veteranen en nazorg. Dan kunnen wij het toch niet hebben over een inspanningsverplichting? Kortom, wij hebben alles gedaan wat wij konden doen. Wat mij betreft is het een resultaatsverplichting.

Minister Hillen: Ik begrijp dat mevrouw Eijsink dat zegt. Ik denk dat de instelling waarmee zij de vraag stelt en die waarmee ik antwoord geef, hetzelfde zijn. Bij iemand die bijvoorbeeld volledig arbeidsongeschikt is – dat blijkt gaandeweg in het proces – loop je op een gegeven moment aan tegen een onmogelijkheid. Wij hebben wel onze zorgplicht, maar re-integratie is dan niet haalbaar. Wij halen alles uit de kast, het maximum, om iedereen te re-integreren. Praktisch gesproken leidt dat altijd tot resultaat, maar het blijft een inspanningsverplichting.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Er is nu een wetsvoorstel dat heet Wet werken naar vermogen. Dat is op dit moment even op de plank gelegd. Als dit wetsvoorstel in werking wordt gesteld, voor iedereen en ook voor de gewezen, gewonde militairen, betekent dit dat zij verplicht zijn om te werken. Als een dergelijk wetsvoorstel mogelijk in werking treedt, betekent dat dat de overheid – ik kijk dan niet alleen naar Defensie – een resultaatsverplichting heeft. Het kan niet zo zijn dat deze mensen met al onze mooie wetgeving tussen wal en schip vallen.

Minister Hillen: Laten wij met elkaar afspreken dat wij niemand tussen wal en schip laten vallen. Met mensen die geen werkvermogen meer hebben ga je aan de slag, maar gaandeweg kan blijken dat je op een gegeven moment moet passen. Dat wil niet zeggen dat je geen inspanning meer levert, maar het kan zijn dat het resultaat niet kan worden bereikt. Die uitzondering genoemd hebbend, komt er voor alle overigen resultaat.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik begrijp wat de minister zegt. Ik kan mij ermee verenigen, als wij afspreken dat wij gezamenlijk de verantwoordelijkheid hebben dat niemand tussen wal en schip valt. Defensie moet niet apart staan en kijken naar re-integratie voor deze mensen, terwijl er vervolgens een andere wet is die bepaalt dat deze mensen toch aan het werk moeten. Dan vallen zij weer tussen wal en schip. Met die harde afspraak kan ik mij verenigen, anders niet.

Minister Hillen: Ja, ik denk dat het daarop neerkomt. Ik denk dat wij dezelfde taal spreken.

Ik wil nog even iets uitgebreider ingaan op de inloophuizen, omdat wat ik net zei misschien een beetje kort door de bocht was. Ik lees nu keurig een tekst voor. Naast het netwerk van relaties, vrienden en lotgenoten vormen inloophuizen, veteranencafés, ontmoetingscentra, verenigingen van het Veteranen Platform en de bonden het nuldelijnsondersteuningssysteem. Een belangrijk kenmerk en succes van dit initiatief is dat dit plaatsvindt door en voor veteranen. Er is een studiegroep buddy support waar het Veteranen Platform, BNMO en het Veteraneninstituut deel van uitmaken en dat zich inspant om structuur aan te brengen in de nuldelijnsinitiatieven en om de kwaliteit daarvan te borgen. Het vfonds heeft het Veteranen Platform gevraagd om een coördinerende rol te spelen in de besteding van de financiering van het vfonds. Daarom betrekt het Veteranen Platform alle partijen. Daarnaast heb ik onlangs besloten om voor 2012 voor het Veteraneninstituut € 150 000 te reserveren voor het nuldelijnsondersteuningssysteem om een goede basis te vormen voor het initiatief van het vfonds en het Veteranen Platform.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik hoor wat de minister zegt, maar ik begrijp het nog niet. Ik heb inmiddels begrepen dat het moeizaam is om geld te halen uit de reservering voor met name de inloophuizen, want de inloophuizen zijn gewoon de informele kanalen. De vraag is welke verdeelsleutel er is en hoe de samenwerking verloopt, als dat geld er is. Wat de minister zei, weet ik al. Die samenwerking staat namelijk gewoon in het instellingsbesluit van buddy support in 2010. Dat valt echter wel onder het VI en het BNMO, maar niet onder het Veteranen Platform.

Minister Hillen: We hebben geen regie op hoe zich dat verder naar beneden toe doorvertaalt. Het Veteraneninstituut en het Veteranen Platform zullen vervolgens daarmee «wirtschaften» en zullen proberen iedereen recht te doen. We kunnen navragen hoe dat gaat, maar in principe sturen wij niet tot in de haarwortels mee.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik zeg nogmaals dat deze nota schraal is. De minister heeft een en ander aan de Kamer geschreven, maar we weten allemaal dat zo'n 80% in de informele zorg zit. Het is hartstikke goed dat 42 organisaties zijn aangesloten bij het Veteranen Platform, maar 80% van de veteranen moet het hebben van inloophuizen en veteranenontmoetingsplekken. Het gaat om de organisaties waarvan ik nu de foldertjes in mijn hand houd. Mensen gaan bij die plekken naar binnen. Ze komen daar niet voor het invullen van een vragenlijst maar voor een pilsje en een babbeltje. Dat is de nuldelijnsopvang. De Kamer moet die opvang in beeld krijgen. We kennen allemaal het geïnstitutionaliseerde en het formele, maar het gaat de komende jaren om het informele. Ik maak mij grote zorgen als de minister zegt: ik schrijf het wel in de nota, maar ik weet er eigenlijk niet zo veel van. Dat kan, maar dan vraag ik hem om samen te werken met desbetreffende organisaties, opdat daarover wel in de Veteranennota wordt geschreven. Ik begrijp dat de minister heeft gemeld wat andere organisaties doen in de tweede en derde lijn.

Minister Hillen: Dat is het grote probleem dat je altijd zult houden bij de vraag wat particulier initiatief is, wat de overheid regisseert en wat de grensgevallen daartussen zijn. Als particuliere initiatieven proberen tot samenwerking te komen, kunnen wij helpen door bijvoorbeeld geld beschikbaar te stellen of kaderregelgeving op te stellen of wat dan ook. In principe is het dan echter aan de particuliere sector om een en ander uit te voeren en er inhoud aan te geven. Als ik precies zou melden wat er gebeurt, is het alsof het ministerie van Defensie er verantwoordelijk voor is. Het is echter aan de particuliere sector om dit te doen.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat begrijp ik. Ik heb hier de nota inzake buddy support van 2010 voor me liggen, waarin de voorwaarden staan waaraan moet worden voldaan. Wat kan de Kamer controleren als 80% gebruikmaakt van informele kanalen? Daar krijgen we dan geen zicht op. Ik lever geen kritiek, maar ik probeer met de minister te overleggen over de vraag hoe de Kamer controle kan krijgen op alles wat er gebeurt rond onze veteranen. De Veteranenwet kan namelijk geen invulling krijgen als 70% tot 80% gebruikmaakt van informele kanalen. Ik doe hier hardop de volgende suggestie: de minister vraagt aan de organisaties of ze ons jaarlijks willen rapporteren en publiceert deze gegevens als bijlage bij de Veteranennota, zodat wij inzicht krijgen in wat er door het jaar heen gebeurt. Deze folders gaan over die twaalf organisaties. Zij hebben af en toe geld nodig. Dat is niet zo veel; ze vragen om een paar duizend euro. Die organisaties vangen mensen op met een kop koffie en een pilsje. Daar vinden de gesprekken plaats. Als wij het hier allemaal mee eens zijn – volgens mij is de minister het hier ook mee eens – dan moet de Kamer daar de komende jaren inzicht in krijgen. We moeten dus een soort rapportage ontvangen, een gesprek voeren of iets dergelijks, want anders heeft het bespreken van een hoofdstuk over zorg helemaal niet zo veel zin.

Minister Hillen: Ik ben het niet met eens met de laatste conclusie van mevrouw Eijsink, want die is wel heel pessimistisch.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat is een bal voor open doel.

Minister Hillen: Natuurlijk, als er meer informatie is, kun je een bredere kijk hierop krijgen. Ik zeg toe dat ik in de volgende Veteranennota een caleidoscopisch overzicht geef van wat er op het ogenblik allemaal aan zorg beschikbaar is, ook in de particuliere sfeer, de manier waarop zich dit ontwikkelt, wat ons beeld daarvan is en wat de posities daarin zijn, ook financieel. We bekijken dus of het financieel gezond is wat daar gebeurt. Ik zal een dwarsdoorsnede geven van wat daar op het ogenblik te zien is. Dan doen wij wat we moeten doen. Ik zal eveneens inzichtelijk maken wat Defensie eraan bijdraagt.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat is een belangrijke toezegging. Ik dank de minister daarvoor. Het is echter niet alleen van belang om een overzicht te geven. Dat is prima, maar het moet ook duidelijk zijn wat daar gebeurt. Ik heb gehoord dat de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, de heer Oostendorp, bij verrassing diverse keren veteranencafés heeft bezocht en daar een pilsje met veteranen heeft gedronken. Dat is zeer positief. Dat betekent dat juist informele contacten van groot belang zijn en dat we veel meer inzicht moeten krijgen in wat daaruit voortkomt.

Minister Hillen: Ik heb mevrouw Eijsink goed verstaan.

Mevrouw Eijsink vroeg of schokkende ervaringen worden meegenomen bij de uitkering. Ja, de essentie van de keuring is de verklaring van de militair zelf. Daar begint de hele keuring mee. Schokkende ervaringen maken daar uiteraard deel van uit. Als het percentage van 5,4 gelijk blijft, wil dat niet zeggen dat wij iets proberen te relativeren of wat dan ook. Er zijn natuurlijk zorgmijders. Wij denken echter dat de constructie zodanig is dat we zo langzamerhand een vrij goed overzicht hebben gekregen van de verschillende categorieën. Natuurlijk zal er best wel eens iemand tussen wal en schip vallen, maar de getallen blijven redelijk hetzelfde. Als die 5,4% hetzelfde blijft, gaat het om 5,4% van het totaal. Dat verandert niet.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik had graag gezien dat er meer in de nota had gestaan. De minister geeft aan dat ongeveer 50% van de zorglijsten ingevuld wordt, maar trekt wel de conclusie dat 5,4% van de respondenten betekent dat het percentage gelijk is gebleven. Ik begrijp wetenschappelijk gezien niet hoe de minister die redenering gestand kan houden. Als je kijkt naar die 5,4%, dan gaat het dus blijvend gewoon om veel gevallen. Ik heb begrepen dat hier ook de nazorg van onze Uruzganmensen in zit. Daar moeten we nu juist zicht op krijgen. Ik vind het nogal wat om te zeggen: 50% vult de lijst in en 50% niet. Dan hebben we toch een heel grote zorg? Ik zeg meteen de minister na dat het waanzinnig moeilijk is om ervoor te zorgen dat die zorglijsten goed ingevuld worden. Maar dan zullen we misschien met hem moeten nadenken over een andere en betere manier van benaderen. Ik noem weer de inloophuizen, ik noem weer de contacten. Dat is voor de komende jaren van essentieel belang. Als wij bij deze cijfers wegkijken, dan hebben wij over een paar jaar gewoon een groot probleem. Dan hebben we volgend jaar weer hetzelfde verhaal. Wij zijn ook als Kamer – ik kijk ook naar mezelf – verantwoordelijk voor een verbetering hiervan.

Minister Hillen: Als het verbeterd kan worden, zal ik dat niet nalaten. Tot nu toe hebben wij echter geen indicatie dat we verkeerd zitten. Als hiermee wordt versluierd dat ergens nog een groter probleem zit, dan zouden de zorgen van mevrouw Eijsink onmiddellijk de mijne zijn. Dat idee hebben wij echter niet. Wij hebben de indruk dat de informatie uit onze monitoring betrouwbaar is en dat die door haar statistische «voorspelbaarheid» ook echt op ervaringen is gebaseerd. Het zou erg opvallend zijn als er forse afwijkingen zouden ontstaan. Dat zou inderdaad onmiddellijk aanleiding geven tot ingrijpen. Tot nu toe is dat echter niet het geval. Dat geldt ook voor de mensen die zich aanmelden of al zorg ontvangen. Die percentages zijn al jaren hetzelfde. Wat dat betreft, hebben we het gevoel dat we de doelgroep goed in de vingers beginnen te krijgen. We hebben het gevoel dat we adequate zorg kunnen bieden.

De heer El Fassed (GroenLinks): In de brief staat dat uit het non-responsonderzoek blijkt dat militairen te kennen geven dat zij te vaak worden gevraagd om deel te nemen aan onderzoeken door middel van vragenlijsten. Er staat echter niet bij welke lessen daaruit getrokken worden. Op welke manier kunnen we die andere 50% ertoe brengen om in ieder geval aan te geven of zij wel of geen problemen hebben?

Minister Hillen: Dat is best moeilijk. Natuurlijk kun je daar nog wel verschillende technieken voor ontwikkelen, maar we moeten er ook voor oppassen dat we niet bezig zijn met het opdringen van zorg. We moeten niet met alle geweld iedereen maar de hele tijd in onze aandacht willen hebben. Er zijn een heleboel militairen die met iets anders bezig zijn. Die vinden het gewoon gezeur dat ze de hele tijd vragenlijsten moeten invullen. Die mening respecteer ik evenzeer als de mening van degenen die de vragenlijst wel invullen of die heel direct zorg aanvragen.

De heer El Fassed (GroenLinks): Misschien moet er gekeken worden naar het aantal vragenlijstonderzoeken en naar de vraag welke daarvan prioriteit hebben. Ik mag toch aannemen dat dit soort vragen wel prioriteit hebben.

Minister Hillen: De vragenlijsten zijn geen doel op zich. Ons doel is om te proberen optimale zorg te geven. Dat gebeurt in het belang van de betrokkenen. Op het moment dat we dat niet zouden doen, zou dat ook snel genoeg blijken. Dat zouden wij heel vervelend vinden, niet alleen voor degenen die de zorg missen maar ook gezien het beeld dat zou kunnen ontstaan dat het niet goed genoeg is. Veteranen moeten er staat op kunnen maken dat wij goede zorg geven. Wij denken dat datgene wat wij nu toepassen en wat wij ook geleidelijk door ervaring hebben opgebouwd, behoorlijk dekkend is. Als het nog beter kan, zullen wij dat niet nalaten. Wij denken echter dat het op het ogenblik voldoende dekkend is. Laten we gewoon voortgaan en in een goede gedachtewisseling met de Kamer voortdurend de vinger aan de pols houden om te kijken of we ergens tekort komen. We hebben de bonden en ook de verschillende organisaties die ook als een bok op de haverkist zitten. Ik denk dat we met elkaar bezig zijn om een heel goede begeleiding van veteranen te organiseren of al georganiseerd hebben. Ik ben op dat punt niet zorgeloos, want dat mag je hier nooit zijn, maar ik heb wel het gevoel dat we de zaak goed in de vingers hebben.

De heer El Fassed (GroenLinks): Is bij het non-responsonderzoek bezien op welke alternatieve wijze hiernaar gevraagd kan worden?

Minister Hillen: Als een militair steeds niet reageert, dan wordt nagevraagd bij hem waarom hij geen antwoord geeft. Meestal blijkt dan dat hij er geen behoefte aan heeft.

Mevrouw Eijsink heeft ook gevraagd naar de politie. Ik vat het kort door de bocht samen: er is een tekort aan geestelijke verzorging bij de krijgsmacht en als de politie erbij komt, wordt het wel heel veel. Het gaat veel meer om het uitwisselen van ervaring met traumatische ervaringen, wat kan nu onze geestelijke zorg ook beschikbaar is voor de politie. Er is dus een andere bedoeling.

Is het Veteranenregistratiesysteem nu gevuld? Ja. En werkt het? Ja. Kan de uitzendduur ook korter dan vier maanden zijn? In principe kan alles, maar we gaan ervan uit dat heel zware uitzendingen voor vier maanden zijn en standaarduitzendingen voor zes maanden. In een voorkomend geval – tot nu toe is dat nog niet nodig geweest – kan het natuurlijk korter. Dit staat los van de individuele waardering. Het kan heel goed zijn dat iemand eerder wordt teruggehaald omdat hij de stress van een uitzending niet kan verwerken. Vier maanden blijft in principe de termijn voor zwaardere uitzendingen. Dit hangt samen met de operationele eisen, de opgedane ervaring, het samen trainen, kortom alles wat te maken heeft met die uitzending. Vier maanden blijft in dat licht het standaardrecept.

Mevrouw Eijsink heeft veel vragen gesteld, maar ik ben nu volgens mij een heel eind. Daarmee kom ik bij de heer Van Dijk. Hij vroeg naar de registratie van zelfdoding. Het Amerikaanse onderzoek waarnaar in krantenberichten wordt verwezen, kennen wij niet. De berichten kennen wij uiteraard wel, maar het originele artikel niet. Van onze operationele commando's zijn geen signalen bekend over bijzonderheden op het gebied van zelfdoding. De studie naar de haalbaarheid van onderzoek naar zelfdoding bij veteranen – aangekondigd in antwoord op Kamervragen hierover – wordt over enkele weken voltooid. Deze studie heeft betrekking op het combineren van gegevens uit het Veteranenregistratiesysteem met gegevens inzake overlijdensoorzaken bij het CBS. Indien dit juridisch en financieel mogelijk is, wordt het onderzoek ondergebracht bij het Veteraneninstituut.

De heer Jasper van Dijk (SP): Mijn vraag was of het ook wordt opgenomen in de Veteranennota. De minister houdt die mogelijkheid ook open in antwoord op vraag 8: «Indien de studie leidt tot inzicht in de mate waarin zelfdoding voorkomt onder veteranen, kan deze informatie vanaf 2013 in de Veteranennota worden opgenomen.» Gaat de minister dat ook doen?

Minister Hillen: Indien dat inzicht er komt, zullen we dat inderdaad doen.

De heer Jasper van Dijk (SP): En wanneer horen we dat?

Minister Hillen: Dat wordt duidelijk zodra het onderzoek uit is. Zoals ik heb gezegd, wordt dat binnen enkele weken voltooid. Indien blijkt dat het mogelijk is, zal het voortaan worden opgenomen in de Veteranennota.

De heer Van Dijk heeft ook vragen gesteld over het antimalariamiddel Lariam. Ik bedacht me dat ik het zelf ook weleens heb geslikt, dus als ik wat gewelddadig word ... Er zijn geen aanwijzingen dat bij Nederlandse militairen sprake is van langdurige, ongewenste effecten op psyche en gedrag ten gevolge van het gebruik van Lariam. Wanneer in het verleden bijverschijnselen optraden, werd er een alternatief geboden. Tegenwoordig kan Lariam in een incidenteel geval nog steeds worden voorgeschreven, maar het is geen middel van eerste keuze, en het zal alleen worden voorgeschreven na zeer zorgvuldige afweging.

De heer El Fassed vroeg hoe de informatieoverdracht van sociaal-medische teams plaatsvindt. Is die onvoldoende? Zijn daar richtlijnen voor? Wat ons betreft, is daar een goed protocol voor en werkt dat goed. Op dat punt hebben wij dus geen verbeteringen of suggesties in voorbereiding. Voor ons werkt het goed.

Ik denk dat ik hiermee de meeste vragen beantwoord heb.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik zou graag nog mijn vragen over het integraal zorgconcept en over de wachtlijsten bij het Landelijke Zorgsysteem voor Veteranen en over de reactie van de RZO beantwoord krijgen. Daarnaast heb ik gevraagd wat de zin die begint met «Voor het uitdragen van positieve beelden» op pag. 3 van de nota betekent. Bij het integraal zorgconcept doel ik op de toezegging over re-integratie uit de evaluatie van 2010. Met de wachtlijsten doel ik op de achttien, negentien instellingen van het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen. De veteranenzorgorganisatie RZO legt de nadruk op professionalisering van het LZV. De RZO verwijst daarbij naar het rapport van december 2010. Volgens mij zouden er dan nu al stappen moeten worden gezet.

Minister Hillen: Mede voor haar nauwgezetheid heeft mevrouw Eijsink erkenning gekregen van de Bond van Wapenbroeders. Met die onderscheiding feliciteer ik haar van harte.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Charmant! En nu het antwoord.

Minister Hillen: Het integraal zorgconcept is bijna gereed. De Kamer krijgt daarover nog voor het reces een brief. Dat zal dus volgende week zijn. Wat betreft de wachtlijsten: er zijn wachtlijsten in de ggz, maar specifiek voor Defensie zijn daarvan op het ogenblik geen bijzonderheden bekend.

Mevrouw Eijsink verwees naar de «positieve beelden» waarover gesproken wordt in de nota. Het is helemaal niet de bedoeling om daarmee iets te bagatelliseren. Misschien las zij dat erin. Op pag. 3 staat: «Volgens de deelnemers wordt de beeldvorming over veteranen nog te veel gekleurd door de problemen van een kleine groep en de zorgvraag van deze groep.» De problemen van die groep proberen wij daarmee niet te bagatelliseren. De volgende zin begint als volgt: «De beeldvorming over de veteraan zou zich volgens de deelnemers meer moeten richten op het effect van de inzet van militairen.» Dit is niet om de groep die problemen heeft, wat weg te drukken. Als mevrouw Eijsink dat erachter leest, is mijn reactie dat dit niet de bedoeling van de nota is. Of heb ik haar verkeerd begrepen?

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik begrijp heel goed wat de minister zegt, maar ik vind het, na zo veel jaar, toch opmerkelijk. Dit was de discussie van jaren geleden. De realiteit is dat er mensen zijn die problemen hebben, hetzij incidenteel, hetzij structureel. Daar gaat dit over. Hopelijk zijn wij in 2012 toch op een punt beland waarop dit verschil kan worden gemaakt. Het is anders dan tien of vijf jaar geleden. Ik zou zo graag willen dat dit in de nota weerspiegeld werd. Deze opmerking zet mij dus, misschien niet op een verkeerd, maar in ieder geval wel op een ander been.

Minister Hillen: Dat was niet de bedoeling. De nota gaat over het algemeen over de mensen die problemen hebben. Dit is een weerslag van de discussie die wij op De Zwaluwenberg hebben gehad.

De voorzitter: Wij gaan nu over naar de tweede ronde. Ik kijk even naar de collega's en ik constateer dat daaraan behoefte bestaat.

De heer Bosman (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording.

Het is belangrijk dat we spreken over veteranen in het kader van erkenning en waardering. In dat licht bezie ik ook de laatste opmerking van de minister over de beeldvorming over de veteranen. Zoals ik al in mijn inbreng heb gememoreerd, zijn veteranen meer dan een groep die alleen zorg nodig heeft. Het is een groep die geïntegreerd is in de samenleving. Zij doen aan allerlei dingen actief mee in de samenleving en zouden daarbij herkenbaar benoemd kunnen en moeten worden.

Ik dank de minister voor de toezegging dat we begin 2013 volledig aan de slag gaan met de AMvB. Het is goed te horen dat al in de geest van de wet gehandeld wordt. Het is echter verstandig en goed voor de beeldvorming als alle participerende organisaties eensgezind tot de AMvB komen en in de verantwoordelijkheid kunnen delen, zodat de zorg voor de veteranen zo goed mogelijk geregeld wordt.

Ik kom op de ereschuld. Het beeld dat mensen oproepen dat deze minister een vuurtje nodig had, vond ik niet overtuigend. Ik denk dat de minister uitstekend het vuur op verschillende plekken aangestoken heeft om vooruitgang te boeken, waarvoor dank.

Voorzitter. Het is goed dat we dit jaar weer gesproken hebben over de veteranen. Ik kijk uit naar Veteranendag komende zaterdag.

De heer Hernandez (PVV): Voorzitter. Ook ik kijk daarnaar uit. Het is altijd een heugelijk moment.

Ik wil de minister ook bedanken voor zijn antwoorden. Ik denk dat de lange schorsing geholpen heeft. Het gebeurt wel eens dat niet alle vragen in een keer goed beantwoord worden. In dit geval wel.

Ik ben erg enthousiast over het project Verhalen van Veteranen. De minister zegt dat hij daar € 150 000 voor beschikbaar stelt en zelfs denkt aan vte's om er een nog betere invulling aan te geven. Dat was echter niet helemaal zoals ik het bedoeld had. Waar het mij om gaat, is dat de bekendheid onder de basisscholen en middelbare scholen vergroot wordt, zodat de vraag van die scholen toeneemt en daarmee dus ook de bekendheid met en de zichtbaarheid van de krijgsmacht in de samenleving. Ik wil de minister daarin steunen. Ik dien daarom de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het onderwijsproject «Verhalen van Veteranen» erg succesvol blijkt te zijn en steeds meer leerlingen worden bereikt door het toenemend aantal schoolbezoeken van veteranen;

overwegende dat de koppeling van veteranen aan scholen een welkome aanvulling is op het onderwijsprogramma op basisscholen en middelbare scholen, alsmede de zichtbaarheid van Defensie bevordert in de samenleving;

overwegende dat kennisvergroting van ons militaire verleden onder de jeugd begint in het onderwijs en veteranen voor de klas hier een enorme bijdrage aan kunnen leveren;

overwegende dat er in Nederland nog vele basisscholen en middelbare scholen niet bekend zijn met dit onderwijsproject en gestreefd moet worden om zo veel mogelijk scholen deel te laten nemen aan dit project;

verzoekt de regering, de bekendheid van het onderwijsproject «Verhalen van Veteranen» te vergroten onder Nederlandse basisscholen en middelbare scholen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Hernandez. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 102 (30 139).

De heer Hernandez (PVV): De minister zegt dat hij in beginsel niet negatief staat tegenover de spreiding van Veteranendag over een aantal regio's in het land. Even voor de duidelijkheid: het was niet mijn bedoeling om Veteranendag op te knippen. Het moet een landelijk iets blijven. Het is een mooi evenement, dat we er zeker in moeten houden. Mijn punt is dat het alleen in Den Haag is. In het kader van een stukje bekendheid wil ik voorstellen om regio's in het leven te roepen en Veteranendag dan wisselend het ene jaar hier en andere jaar daar te organiseren. Ik wil de minister hierin steunen met de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de jaarlijkse Nederlandse Veteranendag ieder jaar in Den Haag plaatsvindt;

overwegende dat spreiding van de organisatie van dit nationale evenement over de gehele natie bijdraagt aan de zichtbaarheid van de krijgsmacht in Nederland;

overwegende dat veel oudere veteranen woonachtig door het hele land vaak moeite hebben om helemaal naar Den Haag af te reizen;

verzoekt de regering, de jaarlijkse Veteranendag wisselend te organiseren in provinciale steden verdeeld over vier Nederlandse regio's (Noord, Zuid, Oost, West) en om de Kamer hierover met een concreet voorstel nader in te lichten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Hernandez. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 103 (30 139).

De heer Bosman (VVD): Het klinkt sympathiek, maar ik maak mij toch zorgen. Er zijn nu veel lokale initiatieven. Er is een Zeeuwse veteranendag. Drenthe heeft een grote veteranendag. Als je het grote evenement laat circuleren, loop je dan niet het risico dat die lokale initiatieven teniet worden gedaan? Dat circuleren zou dan een averechts effect hebben op datgene wat je wilt bereiken, namelijk het bekend zijn van veteranen overal in de haarvaten van de samenleving, niet één keer per jaar of één keer in de drie jaar, maar op ieder moment van de dag.

De heer Hernandez (PVV): Ik zeg ook niet dat dit in plaats van die initiatieven moet worden gedaan. Ik stel alleen voor de nationale Veteranendag, die ieder jaar in Den Haag plaatsvindt, te laten rouleren over het land en die niet alleen in Den Haag te laten plaatsvinden, om zo meer recht te doen aan het nationale karakter ervan. Ik wil helemaal geen afbreuk doen aan lokale initiatieven. Sterker nog, misschien kunnen ze elkaar ondersteunen.

De heer Holtackers (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden op mijn vragen. Ik heb de minister horen zeggen dat hij in 2014 aandacht zal besteden aan de prestaties en het leed van Nederlandse militairen in de Eerste Wereldoorlog en de honderdduizenden burgers die daarbij betrokken waren. Ik weet dat dit misschien wordt overvleugeld door de miljoenen dodelijke slachtoffers in andere landen, maar ook deze categorie mensen verdient erkenning en waardering. Daarom zijn herinnering en herdenking op zijn plaats.

Ik had voor de tweede termijn nog een vraag over de «vragenlijstenmoeheid», maar daarover heeft collega El Fassed al het nodige gezegd.

Ik kom op mijn laatste vraag in dit notaoverleg. In de nota is te lezen dat er ontzettend veel dingen op de rit zijn gezet. Onze minister heeft daarin een heel prominente rol vervuld. In de boom van het veteranenbeleid is de jaarring van minister Hillen een heel grote. Maar laten we nu nog even naar de toekomst kijken. Als we nu een conclusie trekken uit wat er de laatste jaren is gebeurd en een doorkijk maken naar de komende jaren, wat zouden dan de trends in het veteranenbeleid zijn? Ik krijg graag daar graag een kort overzicht van.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn inbreng in eerste termijn. Sorry, ik bedoel: voor zijn beantwoording van de vragen. Wij leveren immers de inbreng, de minister de antwoorden.

Ik onderstreep graag wat de minister zelf heeft ingebracht over de ereschuld. Hij heeft veel moeite gedaan. Die inzet waardeert de PvdA-fractie zeer. Wel heb ik nog een vraag over de brief van de minister over de nieuwe schadevergoedingsregeling. Ik had de minister gevraagd de Kamer daarover te informeren. Ik krijg daarop graag nog een reactie.

Ik blijf met de minister van mening verschillen over de appreciatie van de Veteranennota. Wij appreciëren die verschillend. De minister zegt: de nota is omvangrijk, er staat veel in, hij is opgebouwd uit veel elementen van wat gebeurd is en we gaan terugkijken. Als je terugkijkt, moet je ook weten op basis van welke criteria je terugkijkt. Dat vind ik er niet in terug. Laat ik nog een keer gezegd hebben dat ik begrip heb voor de reorganisatie en voor mensen in de organisatie die overbelast zijn door wat van hen wordt gevraagd. Dat kan en mag echter niet wegnemen dat we een Veteranennota moeten hebben waarin alle bits and pieces benoemd worden. Ik vraag de minister om gebruik te maken van de inzet van de organisaties zelf. Ik zou bijna zeggen: zij kunnen de minister de bijlagen 1, 2, 3 en 4 gewoon aanleveren. Ik noem het voorbeeld van de inloophuizen, van de buddy support. Als de minister de nuldelijnsgroep, de buddy support-groep, vraagt om een rapportage te maken van wat die groep het afgelopen jaar heeft gedaan – ik heb het verslag hier zelfs bij me – laat de minister die dan zijn eigen rapportage sturen, laat de minister dan de vruchten plukken van wat hij door de jaren heen zelf heeft gezaaid. Datzelfde geldt voor andere organisaties, zoals – ik zal geen uitputtende rij noemen – de organisatie die zich bezighoudt met de UNIFIL-betrokkenheid. Dat zou veel meer zicht geven op de informele groepen, waarop we nu te weinig zicht hebben. Daarover maak ik me zorgen. Ik krijg daarop graag een reactie.

Over de brief over Uruzgan die we hebben gehad, verschillen we van mening. De toezegging aan de Kamer om een apart hoofdstuk over Uruzgan in te brengen, was wel duidelijk. Ik vraag de minister met klem om dat volgend jaar wel te doen. Het gaat niet om de aantallen pagina's, maar wel om capaciteit, kwaliteit en de antwoorden op de vraag wat er aan zorg is geboden en – ik spreek collega Holtackers na – de vraag welke trends zijn onderzocht, welke trends de minister in dat jaar heeft opgepakt en welke moeilijkheden hij is tegengekomen. In de brief die de minister nagezonden heeft, lees ik dat 50% reageert op de vragenlijst en dat de respons van het thuisfront lager is, namelijk 20%. Over dat laatste hebben wij het niet eens gehad. Ik ben ambtenaar genoeg geweest om te weten dat, als hij schrijft «ongeveer 50%», het lager is dan 50%. Anders staat er «meer dan 50%». Als de vragenlijsten niet voldoen, als mensen daar gewoon geen behoefte aan hebben, dan vraag ik de minister met ons mee te denken om naar een andere, nieuwe manier te zoeken. Dat kan. Daar hebben wij door de jaren heen vaker over gesproken. Ik ben ervan overtuigd dat de minister daar uitputtend aan werkt. Het is geen kritiek van mij, maar het kan zo zijn dat mensen het niet willen, niet kunnen, er geen behoefte aan hebben en denken: weer zo'n vragenlijst. Laten wij dan kijken naar andere mogelijkheden.

Ik lees in diezelfde brief dat er voorts plannen zijn om de taken van de commandant uit te breiden en deze een nog nadrukkelijkere rol te geven. Hoe kan dat? Wij hebben immers al eerder in de Kamer gesproken over de taken van de commandant. Dat zijn er te veel. Commandanten hebben heel veel op hun bordje. En als je weet dat je in een reorganisatietraject zit en dat je baan er misschien aangaat, dan ga je toch niet naar je eigen commandant toe om te vertellen: ik heb het heel erg lastig, ik zit niet zo lekker in mijn vel? Graag een reactie daarop.

Ik hoop dat de minister in de volgende nota wel weer ingaat op het thuisfront, waar wij eerder wel altijd over hebben kunnen lezen. Ik vraag hem met klem weer uitvoerig in te gaan op wat de Kamer nodig heeft om controle te kunnen uitoefenen op kwaliteit, capaciteit en lessons learned.

Het volgende zeg ik in mijn woorden en ik hoop daarmee recht te doen aan de woorden van de minister. Ik ben blij dat de overheid een resultaatsverplichting heeft bij de re-integratie van onze gewonde militairen en burgers bij Defensie en dat wij mensen straks niet tussen wal en schip laten vallen.

Ik wil graag in de volgende nota uitvoerig informatie over de inloophuizen. Dat kan ook in de vierde bijlage, met een fantastische rapportage vanuit die ontmoetingscentra. Die denken en schrijven heel graag met de minister mee.

Er zit zo ongelooflijk veel energie in de organisatie van de minister, als ik het zo mag verwoorden. Zijn mensen helpen en ondersteunen hem graag bij het uitbreiden van de Veteranennota. Dat is voor de Kamer van belang. Dat helpt ook bij het probleem van de minister dat hij onvoldoende capaciteit heeft. Misschien is dat zo aan de overkant op Plein 2, maar die capaciteit zit in zijn organisatie. Afgelopen zaterdag heb ik mogen spreken op de Heemsteedse Veteranendag, de zaterdag daarvoor in Naarden-Bussum. Gelet op de energie in de organisatie bij de nuldelijn en bij de buddy support, zou ik zeggen: gebruik het. Use it, you're not gonna lose it.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Dank voor de antwoorden, de toezegging over de kwestie van de insignes en het feit dat de minister hierover in gesprek gaat met de Molukse gemeenschap. Hierbij is een zorgvuldige afweging van groot belang. Ik zie dan ook uit naar de brief hierover.

Verder wens ik de minister en de volgende regering veel steun toe bij een adequate uitvoering van de Veteranenwet.

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Er zijn toezeggingen gedaan om in gesprek te gaan om die twee losse delen en de verantwoordelijkheid van de Staat te bespreken. Er is toegezegd daarbij een collega-minister mee te nemen. Bij voorkeur zou dat de minister van VWS kunnen zijn. Je ziet dat het bij de uitvoering van de wet – we hebben dat al vaker besproken als het om veteranenbeleid ging – ook gaat om leren en lessen trekken uit onderzoeken. Ik hoop dat we in de toekomst zullen zien wat bijvoorbeeld zo'n non-responsonderzoek kan doen en dat we mensen niet moeten vergeten of onder de radar laten verdwijnen. We moeten dat zorgvuldig doen.

Ik sluit me verder aan bij de vragen die mevrouw Eijsink gesteld heeft.

Minister Hillen: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in tweede termijn. De heer Bosman vroeg of alle betrokkenen bij de AMvB betrokken zullen worden. Ja, dat zullen we zo veel als mogelijk doen.

Mevrouw Eijsink breekt een lans voor de betrokkenheid van de hele sector. In de verschillende facetten van het veteranenbeleid zullen wij dat ook optimaal proberen. Ik zal in de volgende nota een validatie geven van de vele bloemen die bloeien aan het front. Ik zal die beschrijven en een oordeel geven over hoe het allemaal loopt. Overigens is de gevraagde monitor vorig jaar strikt genomen ook niet meegezonden. Die is door het Veteraneninstituut gezonden en dat is dit jaar niet gebeurd. Misschien zal de monitor de Kamer nog bereiken, maar dat weet ik verder niet. Zij staat in ieder geval op de website. De Kamer kan haar volgend jaar ook weer krijgen.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat over die duizend bloemen klinkt goed. Ik weet van diverse organisaties, bijvoorbeeld rond buddy support of nuldelijnszorg, dat zij hun eigen rapportages hebben. Het lijkt me dat het de minister werk uit handen neemt, op zijn validatie na dan, als hij daarnaar verwijst. Hij kan het als bijlage meesturen of op welke andere manier dan ook doen. Dat vergemakkelijkt het gesprek. Dat is heel dicht bij de veteraan en heel dicht bij de militair. Dan kunnen we zelf door de jaren heen zien hoe het verloop is.

Minister Hillen: Ik zie dat punt wel, maar ik kan alleen verantwoording afleggen voor wat er gebeurt. Dat is de essentie. Mevrouw Eijsink wil allerlei informatie over zaken waarvoor ik niet verantwoordelijk ben. Zij mag van mij alles weten, maar als mijn handtekening eronder staat, betekent dat ook dat ik me verantwoordelijk verklaar voor wat ik de Kamer stuur. Het is goed dat we dit even met elkaar uitpraten. Mevrouw Eijsink kan van mij, bij wijze van spreken, best een aantal bijlagen krijgen met wat er zoal verschenen is, maar dat is niet onder mijn verantwoordelijkheid gebeurd. Ik probeer de Kamer zo veel mogelijk te informeren over zaken waarop zij mij kan aanspreken.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Daar wil ik nog wel even verder over discussiëren. De minister zegt onder verwijzing naar het vfonds tegen ons dat hij niet kan rapporteren over de inloophuizen. Maar waarom zet hij het dan in zijn nota, terwijl hij zegt dat de nota een terugblik is? Dan weet ik niet op basis van welke criteria en welke verantwoordelijkheid we hier spreken. De minister stuurt de Kamer dus informatie toe waarvan hij nu zegt: ik ben er niet verantwoordelijk voor. Het is one way or the other: we kunnen controleren of niet. Als ik doorvraag op een onderdeel uit de Veteranennota zegt de minister dat ik bij de Stichting Veteranen Platform moet zijn. Of die bijlage moet erbij. Als ik doorvraag, blijkt de minister bij nader inzien niet verantwoordelijk voor zijn appreciatie. Ik snap dat niet.

Minister Hillen: Het is ook een moeilijk leerstuk. Ook als er kleinere bedragen worden neergezet, wil de Kamer natuurlijk controleren hoe die bedragen besteed worden. Een overheid moet particuliere initiatieven niet willen reguleren. Misschien bedoelen we hetzelfde of misschien zit er verschil, maar ik denk dat het van groot gewicht is om vast te stellen dat we hier doen wat van de overheid is. Al het andere wat erbij georganiseerd wordt en waarvoor ik grote belangstelling heb en grote warmte voel, is niet per definitie iets waarop de minister van Defensie kan worden aangesproken, ook een volgende minister niet. Als er een aantal verslagen zou zijn van het werk van al die instanties, dan zou ons inzicht gegeven worden in de manier waarop dingen gaan. Het inzicht kan ook zijn dat er hiaten of wat dan ook zijn. Daar kan de Kamer mij vervolgens op aanspreken. Hoe de instellingen hun werk doen, is echter hun zaak.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik probeer toch even de verbinding te leggen met de Veteranenwet. Daarin staat heel duidelijk dat er een connectie moet komen met inloophuizen en veteranencafés. Kortom, dat gaat om de 80% die nu in het informele circuit een zorg kan uiten bij een kop koffie of een pilsje. Het gat mij er niet om dat we dat geld kunnen controleren. Het gaat erom welke zorg aangeboden wordt. Hoe krijgen we zicht op de nuldelijnszorg en de buddy support? Dat is immers ons gezamenlijke belang. Ik begrijp heel goed wat de minister zegt. We proberen elkaar te naderen. Maar volgens mij is dat toch een zorgpunt dat uit de Veteranenwet voortkomt, want de minister en de Kamer moeten zicht krijgen op de zorg die nodig is voor de veteraan die risicomijdend is, die bij de nuldelijnszorg zit et cetera. Daarover moeten we nadenken. Dat is wel controle van de regering.

Minister Hillen: Daarom heb ik ook gezegd dat ik caleidoscopisch zal aangeven wat in het veld al is gebeurd en dat ik er een appreciatie van zal geven of wat wij als zorg zien, voldoende gedekt is. Dat is evenwel iets anders dan dat ik verantwoordelijk word voor alle particuliere organisaties of daarin kan ingrijpen. Dat is vaak niet het geval; hoogstens kan ik zelf aanvullend beleid presenteren. Het onderscheid zal heel subtiel blijven, maar is niet onbelangrijk.

Voorzitter. De heer Hernandez heeft nogmaals het belang onderstreept van verhalen van veteranen voor de klas. Zijn eerste motie, die op stuk nr. 102, heeft mijn hartelijke steun, maar ik mag niet stemmen. Ik ben het er geheel mee eens en zou de motie niet eens nodig hebben als aansporing voor het beleid.

De tweede motie van de heer Hernandez, die op stuk nr. 103, over Veteranendag is een ander verhaal. Ik heb gezegd dat ik best eens wil kijken of regionalisering een mogelijkheid is. Den Haag is echter niet voor niets ingesteld met alle faciliteiten zo die erbij horen. Ik neem kennis van deze motie en ontraad haar op dit moment. Ik denk namelijk dat we eerst maar eens moeten nadenken of dat nodig zou zijn voordat we de samenleving het gevoel geven dat dit op handen is. Wat dat betreft vind ik de motie enigszins voortijdig.

De heer Holtackers heeft gevraagd naar de trend in het veteranenbeleid in de komende jaren. Ik denk dat deze voor de hand ligt. Ik denk dat de trend voornamelijk jonge veteranen betreft, de overgang van de kort naoorlogse generatie naar de generatie van de veteranen van deze tijd. Die zal op tal van punten onze aandacht vragen.

Mevrouw Eijsink heeft gevraagd naar de restschade. De Kamer krijgt daarover een brief.

Ik zeg toe dat er volgend jaar een hoofdstuk over ISAF komt. Dat komt niet apart per brief, maar wordt in de totale nota opgenomen. Ik zeg niet dat dit elk jaar is, maar volgend jaar wel. Gaandeweg zullen we moeten kijken of dit een speciale categorie is. Voor volgend jaar zeg ik dit echter toe.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Er is een eerdere toezegging dat we sowieso per missie wat meer informatie zouden krijgen om zicht te blijven houden op het verloop van de mensen die zorg nodig hebben vanuit de verschillende missies. Ik vraag de minister juist wel om dat opnieuw op te nemen, net zoals in de nota's waarin dat wel gedaan werd.

Minister Hillen: U doelt op alle verschillende missies?

Mevrouw Eijsink (PvdA): Hierover is eerder gesproken in de Kamer. Het is eerder toegezegd. Ik heb ze hier voor mij liggen. Voorheen kon dat wel. Volgens mij is het verstandig voor beide partijen, zowel voor de minister als voor ons, om zicht te houden op het verloop, niet alleen op de cijfers, maar ook op de problemen. We hebben eerder gesproken over de Indiëgangers, die met name als zij boven de 80 zijn meer zorg nodig hebben. Dat blijkt ook uit de cijfers. Ik noem het even praatje-plaatje; ik zou behalve het plaatje ook graag het praatje weer terugzien.

Minister Hillen: Sommige missies zijn ook niet zo verschrikkelijk groot, maar ik zal in ieder geval een geannoteerde tabel proberen te presenteren. Dat is praatje-plaatje. Over heel grote missies, zoals ISAF, zal ik in ieder geval een paragraaf opnemen. Ik zal kijken of dat voor een aantal andere ook nodig is.

Ik kom nu op de vragenlijsten die niet voldoen, omdat zij geweigerd worden of iets dergelijks. Wij zullen die vragenlijsten zelf voortdurend onder schot houden. Wij zullen nogmaals met de verschillende organisaties in het veld bekijken of wij op dat punt nog tot verbetering moeten komen.

Ik doe nu alweer een toezegging; dit keer over het thuisfront. Volgend jaar zal ik in de Veteranennota ook een paragraaf wijden aan het thuisfront.

Mijns inziens hebben wij voldoende van gedachten gewisseld over re-integratie. Wij zitten daar volgens mij hetzelfde in. Zodra er echt geen arbeidsvermogen meer is, probeer je misschien wel te beginnen, maar zul je niet eindigen. In de regel krijgt de te re-integreren militair echter voorrang op allen. In principe eindigt hij dus op een functie.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik ga nog even in op de vragenlijsten. Als minder dan 20% van het thuisfront die invult en van de rest ongeveer 50%, wat gaan wij daar dan mee doen? Door de jaren heen is hier van de kant van de minister veel aan gedaan. Ik heb ook verwezen naar de rol van de commandant die de minister blijkbaar wil vergroten, want hij wil hem een nadrukkelijkere rol geven. Volgens mij betekent dit dat wij een nieuw proces in moeten en moeten bekijken op welke manier de minister dan wel de informatie krijgt. Die informatie is immers leidend voor de diverse onderzoeken, voor de maatregelen en voor de trends. Wij halen die informatie er onvoldoende uit. 50% is natuurlijk niet veel. Slechts 20% van het thuisfront is al helemaal niet veel. Dat is eigenlijk onder de maat, zeker omdat wij door de jaren heen gezegd hebben dat het belang van het thuisfront steeds groter wordt. Dat hebben wij steeds gezegd. Als wij er aan de hand van deze cijfers geen verdieping uit halen, hebben wij de komende periode een probleem. Wij kunnen dit op basis van deze cijfers toch niet herhalen?

Minister Hillen: Ik begrijp best wat mevrouw Eijsink heeft gezegd over de commandanten. Tegelijkertijd proberen wij de verantwoordelijkheid van de commandanten steeds meer in beeld te brengen, niet alleen bij de verwerking, maar ook bij de voorkoming. Zij moeten echt een goed beeld hebben van hun mensen.

Wij ervaren de uitval van de invulling van de vragenlijsten op dit ogenblik niet als een heel dringend probleem. Ik zeg toe dat ik daar nog eens heel goed naar zal kijken. Bovendien zal ik in de volgende Veteranennota verantwoording afleggen over de manier waarop wij omgaan met de vragenlijsten. Ik zal bekijken of wij op dat vlak problemen zien en op welke wijze die getackeld zijn. Ik zeg echter niet iets toe, voordat ik zelf nog eens goed daarover heb kunnen nadenken en heb kunnen bekijken waar het precies misgaat en of ik het erg vind dat het misgaat.

Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat begrijp ik heel goed. Die toezegging is prima. Het gaat mij meer om die 50% militairen van wie wij het niet weten. Onder hen zal een percentage zorgmijders zitten. Hoe krijgen wij dit alles op tafel? Misschien kan de minister daarover nadenken.

Ik koppel hier ook een vraag aan. Er komt weer een symposium. Wellicht is het goed als de Kamerleden in voorbereiding op de volgende Veteranennota hierbij uitgenodigd worden, puur voor onze eigen informatie en voor ons eigen denken en misschien meedenken.

Minister Hillen: Ik stel dat zeer op prijs.

Je zou kunnen zeggen dat de zorgmijders nooit in beeld komen, omdat zij geen vragenlijsten indienen. Dat is echter niet waar. Als er zich bij hen een zorgvraag ontwikkelt, komen zij bijvoorbeeld via de particuliere zorg of wat dan ook uiteindelijk wel in beeld en kunnen de links wel degelijk gelegd worden. Het is dus niet zo dat je per definitie nooit zicht op hen hebt. Via allerlei kanalen kunnen zij weer in beeld komen. Wij ervaren dit bovendien op dit ogenblik niet als een heel relevant probleem. Ik zal echter uitzoeken of dit wel zo is. In de volgende nota zal ik daar inzicht in geven met een verantwoording van de manier waarop wij op het ogenblik de vragen stellen en waarom wij denken dat wij met de antwoorden de hele doelgroep voldoende kunnen bedienen.

De voorzitter: Nu echt de laatste keer, mevrouw Eijsink.

Mevrouw Eijsink (PvdA): U bent heel coulant geweest. Dank u wel, voorzitter.

Het gaat erom dat de minister daarin ook de achttien of negentien instellingen van het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen meeneemt. Daar komt namelijk voor een deel een inzicht in de werkelijke problematiek terug. Wat is de wachtlijst? Hoeveel mensen maken gebruik van de zorg? Hoe lang maken zij daar gebruik van? Volgens mij krijgen wij dan een beter inzicht en overzicht van de trends voor de komende jaren, waar de minister naar vraagt.

Minister Hillen: Dat noem ik een «open deur»; dat is dan logisch.

Mevrouw Eijsink (PvdA): De minister heeft ze echter niet meegenomen in de nu voorliggende nota, sorry.

De voorzitter: Nee, dat was de laatste keer, mevrouw Eijsink.

Minister Hillen: De vragen van de heer El Fassed en de heer Van Dijk heb ik impliciet al beantwoord tijdens de behandeling van alle punten die aan de orde zijn gekomen.

Ik zal uiteraard verslag doen van mijn gesprek met de Molukse gemeenschap. Ik weet nu nog niet wanneer dat zal plaatsvinden, want het is nog niet geagendeerd. Ik weet ook nog niet wie ik zal meenemen. Wellicht is dat staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten, de verantwoordelijke bewindpersoon. Het kan ook zijn dat ik minister Leers vraag. Ik zal nog bekijken in welke samenstelling dat gesprek zal plaatsvinden.

De voorzitter: Ik bedank de minister voor zijn beantwoording in tweede termijn. Er zijn acht toezeggingen gedaan.

  • De minister zal de Kamer in oktober 2012 een brief sturen over de stand van zaken omtrent de uitwerking van een regeling ereschuld veteranen.

  • De minister zal de Kamer te zijner tijd informeren over de uitkomsten van de gesprekken met de Molukse gemeenschap over het draaginsigne voor militairen naar aanleiding van het ingrijpen bij De Punt in 1977.

  • De minister zegt toe dat hij de Kamer in de Veteranennota 2013 zal informeren over het overleg over regionalisering van de Veteranendag.

  • De minister zal de Kamer te zijner tijd informeren over de nazorg jegens de tolken die in Uruzgan voor de Nederlandse militairen hebben gewerkt, ook in relatie tot mogelijke strafbare handelingen door militairen waarvan de tolken al dan niet ooggetuigen zijn geweest.

  • De minister zal in de Veteranennota 2013 caleidoscopisch ingaan op de particuliere zorgverlening aan veteranen.

  • De Kamer ontvangt voor 5 juli 2012 een brief over een integraal zorgconcept.

  • De Kamer ontvangt een brief over de restschade. Ik begrijp nu van de minister dat die voor 1 september 2012 verstuurd zal worden.

  • De Veteranennota 2013 bevat een passage over de invulling van de vragenlijsten door veteranen.

Sluiting 15.10 uur.

Naar boven