30 100 VIII
Jaarverslag en slotwet ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2004

nr. 5
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 2 juni 2005

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd over het Jaarsverslag 2004 van 18 mei 2005 (Kamerstuk 30 100 VIII, nr. 1).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 juni 2005. De vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Cornielje

De Adjunct-griffier van de commissie,

Jaspers

1

Is nagegaan welk bedrag de instellingen voor hoger onderwijs aan BTW betalen voor de accreditatie van de opleidingen?

Het is bekend dat de instellingen voor hoger onderwijs BTW betalen voor de diensten van de Visiterende Beoordelende Instanties (VBI's). De omvang van het BTW-bedrag is niet nagegaan. De Inspectie voor het onderwijs voert op dit moment wel een onderzoek uit naar de kosten van accreditatie.

2

Hoe zijn de structurele gelden voor homo-emancipatie in het onderwijs, die de Kamer middels het amendement Van der Laan1 beschikbaar stelde, tot nu toe besteed? Hoe wordt bij de beslissing over de besteding van deze gelden vormgegeven aan de primaire verantwoordelijkheid van de coördinerend staatssecretaris voor homo-emancipatie?

Zoals eerder aan u is gemeld2 worden de middelen uit het amendement Van der Laan, conform de tekst van het amendement, ingezet voor implementatie van instrumenten die de afgelopen jaren in proefprojecten door COC Nederland, het APS en de AOb zijn ontwikkeld. Daarnaast ondersteun ik het project «De vrolijke schooldag» van COC Nederland, Lifestyle Empowerment Services en Forum. Dit project beoogt scholen te ondersteunen bij het formuleren van een integrale aanpak van omgangsvormenbeleid. Ik ben hierover reeds met deze partijen in gesprek.

Om beter zicht te krijgen op de feitelijke situatie rond de veiligheid van homoseksue-len in het onderwijs wordt in de VO monitor veiligheid, die op dit moment in ontwikke-ling is, expliciet aandacht besteed aan discriminatie.

Het onderzoek wordt in het najaar 2005 uitgevoerd, de eerste resultaten van de monitor zullen begin 2006 beschikbaar zijn. Tevens wordt voor het schooljaar 2005–2006 het toezicht ten aanzien van veiligheid, waarbinnen discriminatie een expliciet aandachtspunt is, aangescherpt.

De interdepartementale coördinatie van het homo-emancipatiebeleid is gericht op de volgende vier functies: signaleren van ontwikkelingen op hoofdlijnen, stimuleren om knelpunten op te lossen, bevorderen van samenhang in beleid en in de uitvoering daarvan alsmede periodiek rapporteren.

De uitvoering van beleid is de verantwoordelijkheid van de betrokken departementen. Binnen dit kader heeft overleg plaatsgevonden in de Interdepartementale werkgroep voor het homobeleid (IWOH).

Nog voor de zomer ontvangt u van de coördinerend bewindspersoon voor het homobeleid, staatssecretaris Ross-Van Dorp van VWS, een gezamenlijke beleidsbrief over het homobeleid.

Hierin wordt uitvoeriger ingegaan op de inzet van het amendement en de overige maatregelen om homotolerantie in het onderwijs te bevorderen.

3

Bij welke prestatiegegevens zijn de systemen die deze gegevens genereren niet valide, betrouwbaar en bruikbaar, zoals de Algemene Rekenkamer constateert in het rapport?

De Rekenkamer concludeert in par. 3.2 van het «Rapport over de totstandkomingsprocessen van de prestatiegegevens die worden opgenomen in het beleidsverslag 2004» dat de beschrijving van een aantal systemen voor levering van prestatiegegevens nog niet in voldoende mate tegemoetkomen aan de eisen die hieraan worden gesteld. De betreffende prestatiegegevens vindt u in de bijlage van het bovengenoemde AR-rapport (blz. 17). De signalen van de Rekenkamer worden serieus genomen: waar nodig wordt de transparantie van de totstandkoming van de prestatiegegevens bevorderd.

4

Waarom heeft u afgezien van concrete informatie over belangrijke maatschappelijke doelen en prestaties die wel in de begroting 2004 zijn opgenomen?

Als gevolg van de richtlijnen voor de nieuwe begrotingsopzet (afslanking) is een één-op-één relatie tussen begroting 2004 en verantwoording 2004 niet mogelijk. Om naast de afgeslankte verantwoording toch voldoende aandacht te kunnen besteden aan het bereiken van de maatschappelijke doelstellingen is dit jaar een nieuw document – Beleid in Beeld – toegevoegd. Hierin worden aan de hand van trends en benchmarks onder meer de output – de resultaten- en de outcomes – de effecten – van het OCW bestel op hoofdlijnen in kaart gebracht. Vooralsnog voor onderwijs en wetenschap, volgend jaar ook voor Cultuur. Zie ook het antwoord op vraag 1 over het rapport van de AR. Ook de kerncijfers 2000–2004 geven hierover informatie.

5

Bent u bereid om voortaan in de begroting en in het jaarverslag de aanwending van de intensiveringsmiddelen (enveloppemiddelen) op het gebied van de verschillende beleidsprioriteiten afzonderlijk, integraal, inzichtelijk en waar nodig ook interdepartementaal te verantwoorden? Kunt u dat alsnog doen voor het jaarverslag over 2004?

In de begrotingen 2004 en 2005 is de aanwending van de enveloppemiddelen afzonderlijk integraal in de beleidsagenda en op de artikelen toegelicht.

Voor het jaarverslag 2004 is, evenals het jaarverslag 2003, de keuze gemaakt – in lijn met de VBTB-gedachte – om alle uitgaven integraal op de artikelen toe te lichten.

In deze toelichting zijn de mutaties als gevolg van de aanwending van de enveloppemiddelen meegenomen.

In het beleidsverslag is, onder de beleidsprioriteiten 2004–2007, meer in algemene zin over de voortgang van de door OCW geformuleerde prioriteiten verslag gedaan.

De aanwending van de enveloppemiddelen komt daar dan ook niet specifiek in terug. Daar waar de enveloppemiddelen specifiek in afzonderlijke maatregelen zijn verwerkt is dat ook op de artikelen zichtbaar gemaakt.

De keuze voor bovenstaande benadering maakt het voor mij technisch niet mogelijk om nu alsnog de verantwoording op een geheel andere wijze te benaderen.

Dat geldt ook voor uw verzoek voor een interdepartementale benadering.

Daarnaast speelt hier de uitdaging mee, dat er wordt gestreefd om de begroting en jaarverslag toegankelijk maar ook dunner te maken.

6

Kunt u aangeven hoe hoog het percentage aan verminderde regeldruk is dat reeds is bereikt per ultimo 2004 en per heden?

Nog voor het debat over de verantwoording van de OCW begroting ontvangt u van mij een brief waarin gedetailleerd mijn programma van administratieve lastenverlichting staat beschreven. Daarin treft u ook de tot op heden gerealiseerde reductie voor zover meetbaar.

7

Wordt de doelstelling van 25% minder regeldruk in 2007 nog onverkort behaald en kunt u aangeven wanneer daartoe welke regels worden afgeschaft?

Ook voor deze vraag wil ik u verwijzen naar de brief over de vermindering van de administratieve lasten die u binnenkort ontvangt. In deze brief staat het door u gevraagde overzicht en tevens dat ik onverkort vasthoudt aan de doelstelling van 25%.

8

Kunt u inzicht geven in de aanwending van de extra middelen voor onderzoek- en innovatie, over alle betrokken departementen heen?

In de Miljoenenota 2004 is extra geld uitgetrokken voor onderzoek en innovatie. De aanwending is beschreven in het WEBU (eind 2003). Het extra geld wordt ingezet via de smart mix. Kortheidshalve verwijs ik naar het ter zake in het Jaarverslag 2004 op blz. 15 gestelde.

9

Wat zijn de resultaten van het door de ministeries van Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gezamenlijk opgepakte onderwerp investeringen in cultuur om het vestigingsklimaat voor (creatieve) bedrijven te stimuleren?

In het najaar zullen de ministeries van EZ en OCW gezamenlijk de brief Cultuur en Economie naar de Tweede Kamer sturen. Hierin worden concrete voorstellen voor beleidsmaatregelen gedaan om de kansen die de creatieve bedrijfstakken bieden en de economische effecten van cultuur en creativiteit verder te versterken, en de economische dimensie van de cultuursector beter te ontwikkelen.

Daartoe is een onderzoek gestart naar de directe en indirecte economische betekenis van creatieve productie en de implicaties daarvan voor beleid.

De onderzoeksresultaten worden in juni verwacht en zullen het proces van de beleidsvorming voeden.

Op 28 juni organiseren EZ en OCW gezamenlijk de conferentie Cultuur en Economie, waar de onderzoeksresultaten worden besproken met belanghebbenden uit de creatieve bedrijfstakken en andere delen van het bedrijfsleven. Ook vertegenwoordigers van onderwijsinstellingen en de overheid zullen aanwezig zijn. Niet alleen zullen de onderzoeksresultaten en knelpunten die er in de creatieve bedrijfstakken bestaan worden besproken, ook zal de conferentie worden benut om beleidsmatige ideeën te toetsen en de aanwezige kennis en creativiteit te benutten om te zoeken naar mogelijke oplossingen. De resultaten van deze conferentie worden meegenomen bij de verdere beleidsvoorbereiding.

10

Is het formaliseren van de nullijn, waarmee de inkomensachteruitgang voor het onderwijspersoneel in po en vo werd voorkomen, toereikend om onderwijspersoneel ook in de komende periode een concurrerende beloning te geven? Zo ja, welke aanwijzingen heeft u daarvoor? Zo neen, welke maatregelen gaat u dan nemen in meerjarenperspectief?

De afspraken die bij de verlenging van de Onderwijs (PO en VO) 2003 zijn gemaakt, zijn geheel in lijn met het Najaarsakkoord 2003 waarin de sociale partners een dringend beroep op alle CAO-partijen doen om voor 2004 geen contractloonstijging overeen te komen.

Om de huidige concurrentiepositie te versterken zijn daarnaast vanaf 2004 extra middelen aan de instellingen toegekend ten behoeve van de schoolleider in het primair onderwijs en de beloningsdifferentiatie in het vmbo. Met de werkgeversorganisaties zijn in dat kader convenanten gesloten over de inzet van deze middelen.

11

Blijft het streefdoel met betrekking tot voortijdig schoolverlaten ook voor ons nationaal beleid een reductie van 50% in 2010? Betekent de opmerking dat de nationale definitie van voortijdig schoolverlaten een genuanceerder en positiever beeld oplevert dat de Lissabondoelstelling van minder belang wordt geacht?

• Ja, het streefdoel blijft ook voor ons nationaal beleid een reductie van 50% in 2010. Hierbij moet worden aangetekend dat het verminderen van het voortijdig schoolverlaten echter sterk afhankelijk is van de conjuncturele ontwikkeling. Als de perspectieven van jongeren op de arbeidsmarkt slecht zijn, zijn zij geneigd hun opleiding af te maken of een vervolgopleiding te doen. Dan behalen relatief veel jongeren een startkwalificatie en neemt het aantal voortijdige schoolverlaters af. Maar het omgekeerde geldt natuurlijk ook. Deze conjuncturele ontwikkeling is van invloed op het bereiken van de Lissabon doelstellingen en hiervan afgeleide nationale beleidsdoelstellingen.

• De Lissabondoelstelling verschilt enigszins van de nationale doelstelling om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. «Lissabon» is gericht op een reductie van het aantal jongeren van 18–24 jaar zonder startkwalificatie met 50% in 2010. Het nationale beleid is om het aantal voortijdige schoolverlaters van 12–23 jaar met 50% te verminderen per 2010. Naarmate het beter lukt om het aantal voortijdige schoolverlaters te verminderen, zal ook de omvang van het cohort 18–24-jarigen zonder startkwalificatie afnemen.

• Onder voortijdige schoolverlaters worden volgens de Nederlandse wetgeving geen jongeren gerekend die praktijkonderwijs of een mbo-1 opleiding hebben afgerond en werk hebben gevonden. Door ervoor te zorgen dat de laatstgenoemde categorieën expliciet benoemd kunnen worden, ontstaat op termijn een scherper (en ook iets positiever) beeld van de nationale beleidseffecten. Aan de inzet om de Lissabon doelstelling te behalen, doet dit niets af.

12

Waarom zijn de cijfers over het aantal voortijdige schoolverlaters over 2004 nog niet in het jaarverslag opgenomen? Wanneer informeert u de Kamer hierover?

De effectrapportages schooljaar 2003/2004 zijn door de RMC-regio's in december 2004 ingediend bij het ministerie van OCW. De analyse is in het voor jaar van 2005 gereed. Uit de voorlopige rapportage blijkt dat het aantal voortijdig schoolverlaters zich stabiliseert op het niveau van 2003. De definitieve voortgangsrapportage 2004 wordt in het najaar van 2005 naar de kamer gezonden.

13

Wat is de omvang van de nieuwe programmadirectie «Dialoog» en binnen welke periode moet de directie de gestelde taken uitvoeren?

De programmadirectie DIALOOG bestaat momenteel uit 3 fte's. De bedoeling is om dit uit te breiden naar circa 5 fte's. De looptijd van de directie DIALOOG is van 01-01-05 tot 01-01-06. In september 2005 zal de stand van zaken met betrekking tot het programma worden opgemaakt en worden bezien of verlenging van de looptijd van het programma noodzakelijk is.

14

Kunt u de onderwijsuitgaven uitsplitsen per leerling in het primair en voortgezet onderwijs en per student in het hoger onderwijs in een overzicht voor Nederland en de ons omringende landen?

De uitgaven per deelnemer in een aantal ons omringende landen zijn opgenomen in Kerncijfers 2000–2004 OCW (zie onderstaande tabel). Deze uitgaven zijn gecorrigeerd voor verschillen in koopkracht, zij weerspiegelen dus geen verschillen in prijsniveaus tussen deze landen. De internationale gegevens zijn niet recenter beschikbaar dan over 2001.

Tabel 2.29 Uitgaven per deelnemer (x € 1), 2001

 NEDBELDENDUIFRAVKEU-15VSOESO
Primair4 5294 9577 0543 9484 4504 1134 8957 0434 519
Secundair5 9657 3717 5596 1677 5535 5286 4878 1796 065
Tertiair incl R&D12 08810 79713 3049 7868 23310 0189 42720 7149 365
Tertiair excl R&D7 5237 53110 0345 9356 4897 5476 58818 724

Bron

EAG 2004, Tabel B1.1, pag. 215

15

Wanneer beschouwt u de specifieke projecten in het speciaal basisonderwijs en in het speciaal onderwijs «opleiden in de school» als geslaagd? Welke kwalitatieve en kwantitatieve doelen staan u voor ogen?

Ik beschouw deze specifieke projecten als geslaagd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

• Scholen in het kader van integraal personeelsbeleid een visie hebben ontwikkeld op de scholings- en begeleidingsfunctie binnen hun school en die vervolgens ook hebben vorm gegeven.

• Een infrastructuur voor opleiden en begeleiden in de school is vormgegeven, als onderdeel van integraal personeelsbeleid.

• Scholen hiervoor goede afspraken hebben gemaakt met de opleidingen voor onderwijspersoneel, inclusief de opleidingen speciaal onderwijs over taak- en verantwoordelijkheidsverdeling bij opleiden in de school.

• De ervaringen en opbrengsten van opleiden in de school worden besproken met en verspreid worden bij onderwijsinstellingen en opleidingen.

De volgende kwalitatieve en kwantitatieve doelen staan mij voor ogen:

• Voor het speciaal basisonderwijs:

Kwantitatief doel: de uitstroom van onderwijspersoneel uit de deelnemende scholen van speciaal basisonderwijs wordt in 2005 met 1%-punt op macroniveau teruggebracht.

• Voor het speciaal basisonderwijs én speciaal onderwijs:

Kwalitatief doel: middels een kwalitatieve beschrijving wordt aangegeven hoe de doorstroom (zie onder voorwaarden) van personeel heeft plaatsgevonden. Uit deze beschrijving blijkt duidelijk de begin- en eindsituatie m.b.t. de bekwaamheden van personeel op de deelnemende scholen.

• Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs:

Kwalitatief én kwantitatief doel: bij de start van het project voert de WEC-raad een nulmeting en bij de afronding van het project een eindmeting uit over onderwijspersoneel voor wie een (herhaald) beroep is gedaan op artikel 3, zevende lid van de WEC (melding van onbevoegdheid). Met een kwantitatieve en kwalitatieve beschrijving geeft de WEC-raad aan op welke wijze alsnog aan de benodigde eisen kon c.q. kan worden voldaan.

16

Hoe komt het dat in het startjaar 2002 geen activiteiten werden uitgevoerd in verband met het verhogen van de zwemvaardigheid? Bestaan er nog voor gemeenten andere subsidiemogelijkheden inzake het schoolzwemmen? Hoe zijn de gemeenten geselecteerd die deelnamen aan het traject «verhogen zwemvaardigheid»?

In 2002 werden weinig uitvoerende activiteiten verricht in het kader van de uitvoering van het «Plan van aanpak verbetering zwemvaardigheid». Wél hebben alle deelnemende gemeenten in 2002 veel voorbereidende activiteiten verricht om de zwemvaardigheid onder kinderen in de basisschoolleeftijd te verhogen. De reden hiervan is, dat omstreeks mei 2002 de subsidies voor uitvoering van het «Plan van aanpak verbetering zwemvaardigheid» aan de 35 deelnemende gemeenten werd toegekend. Alle gemeenten hebben daarop plannen voor activiteiten ontwikkeld in samenwerking met basisscholen. Deze plannen waren nog niet gereed voor uitvoering bij de aanvang van het schooljaar 2002–2003 en daarom is de uitvoering van deze plannen pas in de loop van het jaar 2003 gestart.

Er zijn geen specifiek op schoolzwemmen gerichte subsidiemogelijkheden. Wél kunnen gemeenten en scholen het schoolzwemmen onderdeel maken van bredere subsidiemogelijkheden als bijvoorbeeld de BOS-regeling van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De selectie van gemeenten die deelnemen aan de uitvoering van het Plan van aanpak verbetering zwemvaardigheid vond plaats op basis van de mate waarin kinderen in de basisschoolleeftijd onvoldoende zwemvaardig zijn. De indicatoren hiervoor hadden betrekking op de absolute en relatieve aantallen leerlingen met een (onderwijs)achterstandsindicatie.

17

Welke concrete doelen gaat u bereiken met het project «kwaliteit in specialiteit» voor een kwaliteitsverbetering van onderwijs aan leerlingen met een handicap?

Het project «Kwaliteit in specialiteit» loopt van augustus 2004 tot en met december 2006. Aan het eind van de looptijd van dit project verwacht ik dat alle (v)so scholen een vorm van kwaliteitszorg hebben ingevoerd, waarvan tenminste 50% van de (v)so-scholen het kader voor kwaliteitszorg hanteert zoals dat op sectorniveau en vanuit het project is ontwikkeld en beschikbaar wordt gesteld. Op het gebied van de kwaliteitsverbetering van het vso verwacht ik dat bij aanvang van het schooljaar 2006/ 2007 binnen alle REC's de drie functies van het vso (1) diploma-gericht en doorstroming naar het reguliere onderwijs, 2) arbeidsgericht onderwijs en 3) beschermd wonen en werken) zijn gerealiseerd. Daarbij geldt dat indien een REC een bepaalde functie niet zelf kan uitvoeren, deze is belegd bij samenwerkingspartners in de regio.

De bijdrage die het project levert bij de invoering van de kerndoelen in het speciaal onderwijs moet erin resulteren dat de helft van de scholen in het schooljaar 2006/ 2007 voldoet aan de indicatoren van de inspectie aangaande: 1) leerstofaanbod, 2) didactisch handelen en 3) leerlingenzorg.

18

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de wachtlijsten zelf?

Zowel het aantal leerlingen dat op een wachtlijst staat als het aantal samenwerkingsverbanden dat een wachtlijst heeft is aanzienlijk verminderd.

Met de notitie «Korte termijn aanpak zorgstelsel funderend onderwijs» is ook het rapport van de inspectie over de wachtlijsten in het speciaal basisonderwijs op 29 april jl. aan de Tweede Kamer toegestuurd. In de notitie zelf is gemeld dat op 1 oktober 2004 72 leerlingen wachtten op een plaats op een school voor speciaal basisonderwijs (zie tabel). Per oktober 2001 en oktober 2002 waren dat er respectievelijk 620 en 475. Van deze 72 leerlingen zijn 26 leerlingen niet op tijd geplaatst. In 2003 waren dat er 99. Van de 212 onderzochte samenwerkingsverbanden hadden er 19 te maken met een wachtlijst. Van de leerlingen die per 1 oktober op een wachtlijst stonden, wordt 61 procent ambulant begeleid op de basisschool. Om toegelaten te worden tot een speciale school voor basisonderwijs moet een leerling in het bezit zijn van een beschikking van de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL). Per oktober 2004 wachtten 529 leerlingen op een onderzoek door de PCL

Kwantitatieve gegevens inspectierapport wachtlijsten speciaal basisonderwijs 2004

 20002001200220032004
Aantal leerlingen op wachtlijst50062047524072
Samenwerkingsverbanden met lijst9091795019
Ambulante begeleiding in %3849362561
Aantal leerlingen op onderzoekslijst PCL1 2921 0301 062837529

19

Betekent uw bewering dat samenwerkingsverbanden, die gedurende meerdere jaren grote wachtlijsten hadden, geen leerlingen meer op de wachtlijst hadden staan, dat de wachtlijstproblematiek is opgelost, of duiken ze op in termen van het Onderwijsverslag als thuiszitters?

De afgelopen jaren hebben veel samenwerkingsverbanden geïnvesteerd in maatregelen die op langere termijn de wachtlijsten oplossen. Deze maatregelen, samen met de wijzigingen in het wettelijk kader hebben ertoe geleid dat de wachtlijsten, ook op scholen die jarenlang een wachtlijst hebben gehad verdwijnen.

Maatregelen die zijn genomen zijn onder andere: het uitbreiden van de bovenschoolse zorg, flexibele instroom mogelijk maken, maatregelen om de zorg op de basisschool te verbeteren. Het is dan ook niet zo dat de kinderen die voorheen op een wachtlijst stonden nu thuiszitten.

20

Waarmee hebben onveilige zitplaatsen in het gemeentelijk leerlingenvervoer zoal nog meer te maken dan zitplaatsen die worden gedeeld en wat doet u daar dan aan?

Mij zijn geen signalen bekend dat er sprake zou zijn van onveilige zitplaatsen in het gemeentelijk leerlingenvervoer. Voor het leerlingenvervoer gelden dezelfde voorschriften als voor al het andere vervoer. Zitplaatsen worden niet gedeeld. In de Regeling zitplaatsverdeling auto's en bussen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, is het artikel op grond waarvan in auto's en bussen in bepaalde situaties zitplaatsen mochten worden gedeeld, per 1 januari 2004 geschrapt.

21

Wat is er aan gedaan om de scholen die niet op tijd of niet met de gewenste kwaliteit hun gegevens hebben aangeleverd, deze informatie alsnog te laten leveren? Is de informatie inmiddels geleverd?

De IB-groep heeft in een intensieve campagne, contact gezocht met de scholen waar-van bij de IB-groep duidelijk was dat die begin november 2004 nog veel gegevens via het onderwijsnummerproces, m.b.t. de teldatum 1 oktober 2004, aan de IB-groep moesten aanleveren. Deze contacten en het opschorten van een deel van de maan-delijkse bekostiging van de scholen totdat de gegevens geleverd waren, hebben er toe geleid dat begin februari 2005 het departement kon beschikken over voldoende betrouwbare gegevens.

22

Welk verband ziet u tussen (on)voldoende keuzevrijheid en een goede aansluiting tussen voortgezet en hoger onderwijs? Mag een vergroting van de keuzevrijheid tevens een herinvoering van het pretpakket gaan betekenen?

Bij de herijking van de tweede fase van havo en vwo is steeds uitgegaan van het behoud van de vier profielen, elk gericht op een goede aansluiting bij een of meer sectoren binnen het hoger onderwijs.

De terugkeer van het pretpakket is dus niet aan de orde. Wel wordt binnen het kader van de profielen bezien in hoeverre meer keuzevrijheid mogelijk is zonder dat de genoemde aansluiting bij het hoger onderwijs daaronder zou lijden.

23

Betekent uw constatering dat de zorgstructuur in en om de school aandachtspunt blijft, dat de gestelde doelen niet werden bereikt? Zo neen, kunt u dan specificeren in hoeverre dat wel het geval is?

In het Jaarverslag 2004 constateer ik niet dat de zorgstructuur in en om de school, maar dat de ontwikkeling van een integraal en samenhangend veiligheidsbeleid op scholen aandachtspunt blijft.

De versterking van de zorgstructuur in en rond de school is daarbij een belangrijk aandachtspunt.

Dit thema maakt onderdeel uit van de jeugdagenda van de Operatie Jong. De ambitie van het kabinet is om in 2007 een 100 procent dekkend zorgnetwerk in en rond de scholen te hebben gerealiseerd. Hiervoor is eind 2004 een plan van aanpak naar uw Kamer gestuurd (Tweede Kamer 2004–2005, 29 284, nr. 5). Begin 2005 zijn hiervoor de eerste activiteiten gestart, derhalve kan ik u op basis van gegevens in het jaarverslag 2004 nog geen realisatie van doelen melden. De eerste voortgangsrapportage Jong, waar rapportage over het thema Zorgstructuren in en rond de school onderdeel van uitmaakt, wordt begin juni naar de Tweede Kamer gezonden.

24

Worden dyslectische leerlingen nu ook op alle scholen snel en goed begeleid? Wat voor gegevens heeft u daarover?

Over dit onderwerp komen begin volgend jaar gegevens beschikbaar. Dan worden de resultaten van het Masterplan Dyslexie bekend, en kan inzicht worden geboden in onder meer de verbetering in de begeleiding van leerlingen met dyslexie in het primair en voortgezet onderwijs.

25

Wat hebt u ondernomen teneinde het onderwijsaanbod te verbeteren en een goede overgang van vmbo naar mbo te bewerkstelligen?

• Ten eerste zijn ook in 2004 de Impulsmiddelen beroepskolom ter beschikking gesteld. Deze worden, zoals ook blijkt uit de binnenkort te publiceren monitor, vooral ingezet voor verbetering van de programmatische en de pedagogisch-didactische aansluiting en voor verbetering van procedures bij de overgang naar het MBO (portfolio, intake e.d.).

• Ten tweede is in Koers BVE en Koers VO aangegeven hoe, ondermeer, bedoelde aansluiting verder zal worden verbeterd. Wat betreft het MBO wordt grote nadruk gelegd op de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen om hierover, in overleg met alle betrokken partijen in de regio, waaronder zeker ook de VMBO-scholen, afspraken te maken en ambities te formuleren. De instellingen zijn inmiddels uitgenodigd hun ambities op dit punt te formuleren. Wat betreft het VO zijn de doelstellingen in Koers in 2005 geconcretiseerd in de notitie «VMBO, het betere werk».

• Ten derde is in december 2004 een tweede kaderbrief risicoleerlingen aan de instellingen gestuurd, waarin de ruimte voor maatwerk wordt verduidelijkt. In deze brief is de nadruk gelegd op toenemende ruimte voor maatwerk binnen het VO, zodat risicoleerlingen zoveel mogelijk eerst hun VMBO-traject kunnen afronden alvorens naar MBO door te stromen.

• Ten vierde heeft de regering, mede op basis van in Koers BVE aangekondigde maatregelen, in 2004 een wetsvoorstel voorbereid tot stimuleren van de samenwerking tussen scholen voor VO en BVE-instellingen. Dit wetsvoorstel is in april 2005 bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel maakt intensieve samenwerking met overdracht van VO-middelen naar de instelling mogelijk, ondermeer bij het realiseren van maatwerktrajecten voor risicoleerlingen.

• Ten vijfde zijn in 2004 de proeftuinen nieuwe kwalificatiestructuur MBO gestart. Het procesmanagement nieuwe kwalificatiestructuur had de opdracht zorg te dragen voor afstemming op het VMBO.

26

Wat is het resultaat in 2004 met betrekking tot de daling van het aantal analfabete allochtonen?

• Educatie onderscheidt op het gebied van alfabetisering de opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) en cursussen alfabetisering voor autochtonen.

• Van de NT2-opleidingen is alleen het totaal aantal door gemeenten ingekochte trajecten bekend voor het jaar 2004. Het gaat om 46 573 trajecten op de niveaus 1 t/m 5. In de registratie wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen trajecten voor analfabete en gealfabetiseerde NT2-cursisten.

• Volgens de Monitor Alfabetisering 2002–2003 is het aantal autochtone analfabeten dat in dat jaar een alfabetiseringscursus volgde 5600.

• De Tweede Kamer wordt zeer binnenkort met een afzonderlijke brief geïnformeerd over de resultaten van de Monitor Alfabetisering 2003–2004.

27

Waaruit blijkt dat er een «betere internationale profilering van het Nederlandse hoger onderwijs» tot stand is gebracht?

De hoger onderwijsmarkt heeft zich ontwikkeld tot een mondiale markt. Binnen Europa wordt gestreefd naar een onderwijsruimte waarbinnen studenten zich vrij kunnen bewegen. De zogenaamde opkomende economieën kunnen niet voorzien in de vraag naar hoger onderwijs. Studenten uit de betreffende landen volgen vaak hoger onderwijs in het buitenland. Het Nederlandse hoger onderwijs moet stevig gepositioneerd worden om de concurrentie met het buitenland aan te kunnen.

De internationaliseringsbrief bevat een aantal voornemens dat de internationale positionering van het Nederlandse hoger onderwijs sec ondersteunt.

Op dit moment is een communicatiestrategie in ontwikkeling om het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland te promoten.

Nederland richt zich op vier landen met potentiële markten. In deze landen zijn Netherlands Educational Support Offices (NESO's) opgericht. Zij hebben onder andere een rol bij de generieke promotie van het Nederlandse hoger onderwijs. De NESO's zullen worden uitgebreid naar andere landen.

Naast deze meer algemene activiteiten, wordt gestreefd naar versterking van bestaand toponderwijs tot zogenaamde «centres of excellence» om het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland meer gezicht te geven.

Wat betreft ons hoger onderwijssysteem heeft de Inspectie in het rapport «BaMa ontkiemt» aangegeven dat met het omzetten van het hoger onderwijs naar een tweecycli systeem, een belangrijke positieve stap is gezet naar internationale vergelijkbaarheid.

28

Hoe verklaart u de afname van het aantal Nederlandse studenten in het buitenland?

In de Begroting 2005 (OCW, Artikel 8 Internationaal Beleid) is aangegeven dat de (geregistreerde) uitgaande mobiliteit van scholieren, studenten en docenten de laatste jaren over het algemeen gestaag toeneemt, mede dankzij de diverse nationale en Europese programma's. De totale uitgaande mobiliteit in het jaar 1999/2000 was 29 645 tegenover 33 0072 in 2001/2002.

Het jaar 2002/2003 laat echter een lichte terugval zien, die vooral verklaard kan worden door een terugval in de sector van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (BVE).

In het BVE wordt het mobiliteitsbeleid meer en meer gericht op kwaliteit. Het beëindigde Onbegrensd Talentprogramma, en de daarbij behorende registratieverplichting, is de oorzaak van de geregistreerde uitgaande mobilitieit in het BVE (van 5 379 in 1999/2000, naar 6 841 in 2001/2002, naar 1 475 in 2002/2003). Beoogd is dat de mobiliteit nu plaatsvindt vanuit de lumpsum-financiering. Gegevens hierover ontbreken.

Nieuwe mobiliteitsgegevens zullen worden gepubliceerd in de BISON Monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs 2004. Deze verschijnt in de zomer van 2005 en zal zo als gebruikelijk aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

29

Is de onderuitputting van 20 miljoen Euro te verklaren door de door het kabinet gekozen wijze van aanwending van de intensiveringsmiddelen? Is er sprake van veel versnippering, overlegstructuren en projectenbureaucratie?

De onderuitputting van 20 miljoen euro is als volgt te verklaren.

• Het aantal zij-instromers in 2004 was aanzienlijk minder dan begroot vanwege de gewijzigde arbeidsmarktsituatie. De vraag naar en het aanbod van leerkrachten is landelijk bezien redelijk met elkaar in evenwicht. Daardoor is de noodzaak bij de onderwijsinstellingen afgenomen om zij-instromers in dienst te nemen.

• Over de samenstelling van het Landelijk Platform voor de beroepen in het onderwijs is uitvoerig overlegd met de Tweede Kamer. Tijdens het Algemeen Overleg op 28 oktober 2004 werd hierover overeenstemming bereikt. Onmiddellijk hierna is de procedure gestart voor het aantrekken van een voorzitter en leden. Dat heeft geresulteerd in de installatie van het Landelijk Platform op 29 maart 2005.

• De aanbesteding van de uitvoering van het project meerjarige personeelsplanning is met de vereiste zorgvuldigheid geschied. Een dergelijke procedure vergt de nodige tijd. De aanbesteding heeft op 7 december 2004 plaatsgevonden, samen met die van het project bekwaamheidsdossiers.

30

Trad de daling van het ziekteverzuim met één procentpunt ten opzichte van het ziekteverzuimpercentage in 1999 in gelijke mate op in primair, speciaal en voortgezet onderwijs? Zo neen, wat waren dan de verschillen?

Ten opzichte van 1999 is het verzuimpercentage het sterkst gedaald in het basis- en speciaal onderwijs (beiden bijna 1,9 procentpunt). Ook in het voortgezet onderwijs is er sprake van een flinke daling (1,2 procentpunt). Dit betekent dat de doelstelling uit het arboconvenant van een daling van 1 procentpunt ten opzichte van het ziekteverzuimpercentage in 1999 gehaald is.

31

Wat waren de resultaten van de opfriscursus voor herintredende leerkrachten in het speciaal onderwijs? Hoeveel deelnemers zijn nu daadwerkelijk werkzaam in het speciaal onderwijs, uitgedrukt in full-time-eenheden?

In het cursusjaar 2003–2004 hebben 30 personen deelgenomen aan de opfriscursus voor herintreders in het speciaal onderwijs; voor het cursusjaar 2004–2005 gaat het om 65 cursisten. Het is mij niet bekend hoeveel van de cursisten die in 2004 de opfriscursus hebben afgerond nu daadwerkelijk werkzaam zijn in het speciaal onderwijs; dit is geen standaardinformatie die gevraagd wordt van de opleidingen die de cursus verzorgen. De motieven om deel te nemen aan deze cursus zijn divers: sommigen volgen de cursus omdat zij recent weer aan het werk zijn gegaan, anderen omdat zij op korte termijn weer aan de slag willen en weer anderen omdat zij voorbereid willen zijn op een dergelijke stap op een wat langere termijn.

32

Is de indemniteitsregeling inmiddels overeenkomstig de motie-Dittrich opgehoogd tot 100%? Zo neen, waarom niet?

Naar aanleiding van de motie Dittrich heb ik – in overleg met het ministerie Financiën – besloten het indemniteitspercentage van 10% met ingang van januari 2005 te verhogen tot 30%. Dit betekent een aanzienlijke verbetering van de regeling.

Een eerste evaluatie van de effecten van de doorgevoerde verruiming (o.a. voor de premies) vindt eind 2006 plaats. Daarnaast is het rapport «Lending to Europe» van belang, dat onlangs door een groep van museumexperts aan de Raad van Ministers van de EU is aangeboden. Dit rapport gaat ook uitgebreid in op alternatieve mogelijkheden om de collectiemobiliteit te verhogen. De manier waarop de aanbevelingen van het rapport zullen worden geimplementeerd zal mede richting geven aan mijn beleid op gebied van de collectiemobiliteit, waartoe de indemniteitsregeling dus één van de instrumenten vormt.

33

Betekent het vastleggen van genoemde verplichtingen in 2004 dat voor 2005 een forse daling van de verplichtingen te verwachten is?

Ja, ten opzichte van de vastgelegde verplichtingen in 2004


XNoot
1

* I.v.m. een correctie in de titel.

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Cornielje (VVD), voorzitter, Lambrechts (D66), Hamer (PvdA), Van Bommel (SP), Vendrik (GL), Mosterd (CDA), Blok (VVD), Balemans (VVD), Slob (CU), Vergeer (SP), Tichelaar (PvdA), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Eski (CDA), Smeets (PvdA), ondervoorzitter, Eijsink (PvdA), Leerdam, MFA (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Kraneveldt (LPF), Hermans (LPF), Van Dam (PvdA), Visser (VVD), Azough (GL) en Roefs (PvdA).

Plv. Leden: Ferrier (CDA), Rijpstra (VVD), Bakker (D66), Bussemaker (PvdA), Vacature (SP), Tonkens (GL), Brinkel (CDA), Hirsi Ali (VVD), Örgü (VVD), van der Vlies (SGP), Kant (SP), Dijksma (PvdA), Hessels (CDA), Sterk (CDA), Atsma (CDA), Van Bochove (CDA), Van Hijum (CDA), Verbeet (PvdA), Arib (PvdA), Stuurman (PvdA), De Krom (VVD), Varela (LPF), Nawijn (LPF), Adelmund (PvdA), Aptroot (VVD), Halsema (GL) en Kalsbeek (PvdA).

XNoot
1

Kamerstuknr. 29 800 VIII, nr. 12.

XNoot
2

Kenmerk 29 800 VIII, nr. 159.

Naar boven