28 644
Wijziging van de Brandweerwet 1985, de Wet rampen en zware ongevallen en de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen in verband met de bevordering van de kwaliteit van de rampenbestrijding door middel van een planmatige aanpak en de aanscherping van het provinciale toezicht en tot wijziging van de Wet ambulancevervoer (Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 13 februari 2003

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

HOOFDSTUK I ALGEMEEN

Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel inzake de kwaliteitsbevordering van rampenbestrijding zal weer een heel belangrijke stap worden gezet in de richting van een duidelijkere sturings- en regierol van de regionale brandweer. De leden van de CDA-fractie ondersteunen dit wetsvoorstel volledig, mede gelet op de discussies die de Kamer heeft gevoerd over de vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam en de evaluatie hiervan. Ook met betrekking tot de conclusies uit het in opdracht van de Tweede Kamer uitgebrachte rapport van de Raad voor de Transportveiligheid over de Herculesramp geeft dit wetsvoorstel nieuwe impulsen om de brandweer en de samenwerking tussen politie, brandweer en ambulancediensten die noodzakelijk is bij de rampenbestrijding, te verbeteren.

Uiteindelijk dient een goede rampenbestrijdingsorganisatie de fundamentele basis te zijn om fouten uit het verleden te verbeteren, maar ook om de motivatie bij mensen die in deze organisatie moeten werken, te verhogen.

Eén van de instrumenten om deze sturings- en regierol optimaal te kunnen hanteren, is het multidisciplinaire en regionale beheersplan dat nu onderdeel uitmaakt van dit wetsvoorstel. Ondanks het feit dat leden van de CDA-fractie geen behoefte hebben aan nog meer bureaucratie, zijn zij van mening dat met dit beheersplan een integrale slag kan worden gemaakt waardoor vele andere plannen en richtlijnen kunnen vervallen en dit plan uniform van toepassing kan worden verklaard.

De afgelopen jaren is intensief overlegd over de beste wijze waarop rampen en zware ongevallen kunnen worden voorkomen en bestreden, zo merken de leden van de PvdA-fractie op. Vele rapporten hebben dit debat begeleid. Tekortkomingen (bijvoorbeeld in inhoudelijke of bestuurlijke samenhang) zijn een en andermaal aan de kaak gesteld. In de voorliggende wetswijzigingen streeft de regering naar aangescherpte duidelijkheid over bestuurlijke verantwoordelijkheden bij rampenbestrijding. In een aantal van de wijzigingen (noodzaak territoriale congruentie en vaststellen van gebiedsindeling) kunnen deze leden zich goed vinden. Hun vragen bij de voorliggende tekst komen vooral voort uit zorg om de optimale operationaliteit van de rampenbestrijding, die moet voortvloeien uit bestuurlijke helderheid, slagvaardigheid, adequate toerusting van diensten, met name de brandweer, betere onderlinge afstemming en optimale materiële condities.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel «kwaliteitsbevordering rampenbestrijding». Het betreft een belangrijke stap in de richting van het vergroten van de slagvaardigheid en effectiviteit van de gehele keten van de rampenbestrijding. Deze leden wijzen op de brede maatschappelijke (en politieke) steun voor dit wetsvoorstel als zodanig. Weinig twijfel lijkt er te bestaan over de noodzaak om, zeker ook na enkele ingrijpende ervaringen de afgelopen jaren, noodzakelijke verbeteringen in de rampenbestrijding door te voeren. Kernwoorden die de leden in dit verband noemen zijn: verbeteren van de kwaliteit van de rampenbestrijding, het verbeteren van de samenwerking tussen de verscheidene actoren binnen de rampenbestrijding, versterking van de (sturings-en regie)rol van de regionale brandweer, komen tot territoriaal congruente regio's en versterken van het toezicht.

Uitgaande van de bestaande knelpunten en de noodzaak tot verbetering, heeft de regering in voorliggend wetsvoorstel een behoorlijk aantal (nieuwe) planfiguren geïntroduceerd. Hierdoor ontstaat een behoorlijke regeldichtheid. Het is deze toeneming van de verschillende rapportages, plannen en informatie-uitwisseling waartegen in een aantal adviezen bedenkingen worden geuit. In het verleden is te vaak de nadruk gelegd op het ontplooien van nieuwe initiatieven waarbij de implementatie en verankering van regelgeving minder aandacht kregen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering of met voorliggend wetsvoorstel niet sprake is van overregulering. Er zou namelijk een papieren werkelijkheid kunnen ontstaan die geen verband houdt met een werkelijke verbetering van de kwaliteit en samenwerking binnen de keten. Deze leden waarschuwen voor een zekere «planfixatie» die de verbetering waar voorliggend wetsvoorstel op ziet, kan tegenhouden. Is de regering bereid op dit punt te heroverwegen?

De leden van de SP-fractie steunen het voornemen van de regering om de kwaliteit van de rampenbestrijding te bevorderen. Dienaangaande hebben zij in het vervolg enige opmerkingen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel, het advies van de Raad van State en van de commentaren van onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Raad van RGF'en, De Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Brandweer en Hulpverlening (KNVBH) en de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR). Deze leden onderschrijven de noodzaak van modernisering van de organisatie van de rampenbestrijding, de versterking van de voorbereiding (waaronder het oefenen) alsmede de verscherping van het toezicht op de taakuitvoering. Zij zijn blij dat er nu een voorstel ligt, zodat het debat over de wijze waarop een en ander vorm moet krijgen, kan beginnen. Zij wijzen wel op het feit dat de Raad voor het openbaar bestuur (ROB) nog met een advies komt en hebben begrip voor het verzoek dit mee te nemen bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Deze leden zullen in hun bijdrage telkens gebruik maken van de opmerkingen die in de reacties van bovengenoemde organisaties vermeld staan. Zij verzoeken de regering dan ook uitgebreid stil te staan bij die reacties.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het wetsvoorstel wel voldoende «uptodate» is, gezien de ontwikkelingen sinds 11 september 2001. Diverse instanties spreken de verwachting uit dat rampen zich in de toekomst veelvuldiger, maar ook onverwachter en op grotere schaal zullen voordoen dan voorheen. Deze leden vragen of het wetsvoorstel voorziet in de nodige slagkracht die nodig is om bij zulke grootschalige calamiteiten (te denken valt aan aan Enschede, MKZ, BSE, Energie, ICT- of bioterreur) het hoofd koel te houden bij de bestrijding en organisatorisch voldoende adequaat te zijn toegerust. Wat is de reactie van de regering op de constatering dat de schaal waarop problemen zich manifesteren en de snelheid waarmee problemen zich kunnen verspreiden dan wel cumuleren, niet meer congruent zijn met de schaal waarop het openbaar bestuur en zijn organen zijn ingericht?

In het verlengde daarvan delen deze leden eveneens de bezorgdheid over de beperking van het wetsvoorstel tot diverse planfiguren. Zij vrezen – zoals ook blijkt uit reacties van genoemde organisaties – planfixatie, juridisering en bureaucratisering en zij verzoeken de regering mee te delen op welke wijze dit voorkomen kan worden. Zij delen eveneens de bezorgdheid over de termijnen waarbinnen het wetsvoorstel geimplementeerd en uitgevoerd kan worden, mede in het licht van het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2001, waaruit blijkt dat de afgelopen 25 jaar doelstellingen onvoldoende gerealiseerd zijn wegens een gebrek aan implementatie- en slagkracht. Een verwijzing naar C2000 als voorbeeld van hoe het niet moet, achten deze leden daarbij op zijn plaats. Ook het project versterking brandweer heeft naar hun oordeel onvoldoende opgeleverd. In algemene zin delen zij de vrees dat de traditionele aanpak die uit het voorstel spreekt, onvoldoende daadkracht zal opleveren om de beoogde kwaliteitsimpuls te realiseren. Zij verzoeken de regering te verduidelijken hoe zij denkt dit te voorkomen. Daarnaast verzoeken deze leden de regering in te gaan op de noodzaak van zo'n omvangrijke besluitvormingsstructuur voor het vaststellen van het beheersplan en het organisatieplan, waarbij zoveel bestuurlijke organen betrokken worden dat de doorlooptijd wellicht al meer dan een hele kabinetsperiode zal vergen.

In diverse artikelen wordt voorgesteld bij AMvB vast te stellen op welke wijze lagere overheden dienen om te gaan met de uitvoering van de in deze wet vastgelegde regels. Op welke termijn zullen de bedoelde AMvB's in werking moeten treden? Welke financiële gevolgen hebben de bedoelde AMvB's en in welke mate zal het rijk de lagere overheden daarvoor compenseren?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Naar de mening van deze leden is dit wetsvoorstel een goede stap in de richting van een al omvattende rampenbestrijdingsorganisatie. In één van de commentaren op dit wetsvoorstel werd gesteld dat de voorbereiding van rampenbestrijding teveel gebaseerd is op de ervaringen in Enschede en Volendam. In het desbetreffende commentaar wordt erop gewezen dat juist op het gebeid van rampenbestrijding ruimte moet zijn voor onverwachte rampen. De genoemde leden vragen de regering in hoeverre zij van mening is dat voorliggend wetsvoorstel die ruimte behoudt voor de rampenbestrijdingsorganisatie. In het verlengde daarvan missen deze leden een verwijzing naar biologische rampen. Zij vragen of er bij dergelijke rampen niet bijzondere maatregelen moeten worden genomen en of die momenteel al voldoende zijn geregeld.

Ook merken de leden van de fractie van de ChristenUnie op dat sommigen erop wijzen dat bij het vastleggen van voorwaarden van rampenbestrijding het gevaar kan bestaan dat sprake is van een papieren veiligheid («als de plannen maar kloppen»). Op welke wijze denkt de regering dat gevaar tegen te gaan?

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij kunnen zich geheel verenigen met de doelstelling om de kwaliteit van de rampenbestrijding te bevorderen. De grote betekenis en noodzaak van een goed functionerende rampenbestrijding zijn bij enkele recente rampen opnieuw nadrukkelijk naar voren gekomen.

De leden van de SGP-fractie stellen vast dat de veiligheidsvraagstukken als gevolg van de technische ontwikkelingen in complexiteit toenemen, waardoor de veiligheidsrisico's een grootschaliger karakter krijgen. Die ontwikkelingen vragen om toenemende samenwerking van de veiligheidspartners op bovenlokaal niveau. De genoemde leden constateren dat er ten aanzien van die samenwerking de nodige gebreken zijn geconstateerd, waaronder het gebrek aan inhoudelijke, organisatorische en bestuurlijke samenhang en het gebrek aan inzicht van de betrokkenen in het totale proces van de rampenbestrijding. De regering wil deze gebreken bestrijden door territoriale afstemming van diensten, verbetering van het planmatig werken en aanscherping van het toezicht. De leden van de SGP-fractie zien dat als adequate aangrijpingspunten voor verbetering van de kwaliteit van de rampenbestrijding. Zij willen in het vervolg op elk van deze punten afzonderlijk nader ingaan.

HOOFDSTUK 2 TERRITORIALE CONGRUENTIE

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd over de opschaling naar 25 integrale veiligheidsregio's, onder rechtstreeks toezicht van het Rijk. Aan optimale samenwerking in regionaal verband tussen brandweer, ambulancediensten en uiteindelijk ook politie kan op deze manier inhoud worden gegeven waarbij efficiency en motivatie vergroot zullen worden. Indien deze regio's onder direct toezicht van het Rijk vallen, is het de vraag in hoeverre een derde bestuurslaag, in casu de provincie, een meerwaarde heeft boven het toezicht zoals nu voorgesteld in het wetsvoorstel. Deze leden zijn nog niet zover dat zij deze toegevoegde waarde onderkennen en zij willen een betere argumentatie van de regering dat zij het commentaar en de argumentatie van de Commissie-Brouwer niet heeft overgenomen.

Ook uit de vele reacties die zijn binnengekomen op het onderhavige wetsvoorstel blijkt dat velen in het veld de extra toezichthoudende rol van de provincie niet zien zitten. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat of op basis van argumenten voldoende draagvlak moet worden gevonden om deze toezichthoudende taak van de provincie te handhaven of dat moet worden teruggekeerd naar het alternatief zoals voorgesteld door de Commissie-Brouwer.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering in de voorstellen niet heeft voortgeborduurd op de voorstellen van de commissie-Brouwer die vanuit gemeentelijke organisaties de laatste jaren ten aanzien van gemeentelijke bestuurlijke verantwoordelijkheden bij rampenbestrijding waren ingezet.

Centraal in voorliggend wetsvoorstel staat de totstandkoming van een congruente territoriale gebiedsindeling. Deze kan op de steun van de leden van de VVD-fractie rekenen. Deze leden zien de territoriale congruentie van de verschillende veiligheidsregio's als voorwaarde voor een goede bestuurlijke samenwerking. Over dit laatste zal binnenkort de Raad voor het openbaar bestuur een advies uitbrengen. Het bevreemdt deze leden dat dit advies niet is afgewacht. Deze zal weliswaar niet primair gericht zijn op de territoriale congruentie, maar op de organisatorische en bestuurlijke inbedding. Toch hechten de leden van de VVD-fractie aan dit advies juist omdat de organisatorische en bestuurlijke inbedding aan voorliggend wetsvoorstel raakt. Zij vragen een toelichting van de regering op dit punt.

Bij het bevorderen van de congruente gebiedsindeling van de brandweerregio's, de regio's voor de geneeskundige hulpverlening en de politieregio wordt de politieregio als uitgangspunt genomen. Dat heeft de steun van de leden van de VVD-fractie. Zij zijn echter van mening dat deze afstemming niet te strikt moet worden opgevat. Afwijking en maatwerk moeten mogelijk blijven.

Deze leden zijn het eens met de regering om de ene uitzondering waarvan thans sprake is als het gaat om de afstemming, niet in een overgangsbepaling in de wet op te nemen. Zij zijn met de regering van mening dat gezien het feit dat het niet ondenkbaar is dat op termijn de politieregio-indeling wordt aangepast, er een mogelijkheid moet blijven in het belang van de rampenbestrijding al dan niet tijdelijke keuzes te maken.

De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) biedt de basis voor de gemeenschappelijke regeling in het kader van de brandweerregio's en de regio's voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR-regio's). In welke verhouding staat voorliggend wetsvoorstel tot de notitie van het kabinet van 20 december 2002 betreffende de Wgr-plus?

De leden van de SP-fractie wijzen er op dat de bestuurlijke indeling van veiligheidsregio's congruent aan politieregio's niet op het brede draagvlak kan rekenen dat de regering voorstelt. Kan zij hierop ingaan en de voor- en (aangedragen) nadelen duidelijk afwegen? Zij vragen de regering in te gaan op de aantijging dat dit het thema rampenbestrijding van de agenda van gemeenten zal doen verdwijnen en dat de tijd en energie van de reorganisatie ten koste zal gaan van het werk.

De leden van de GroenLinks-fractie delen de doelstelling van de regering om te komen tot een heldere regionale gebiedsindeling. In de diverse reacties wordt eveneens gesteld dat de vorming van 25 veiligheidsregio's essentieel is. Maar deze leden zien met dit voorstel een toekomstige situatie ontstaan waarin naast gemeente, provincie, rijk en politieregio's nog een regionale indeling voor de rampenbestrijding zal bestaan, die wellicht niet goed aansluit bij de bestaande bestuurlijke indelingen. Is dat de wens van de regering en waarom meent zij daarmee te komen tot de meest optimale indeling? Deze leden vragen de regering wat de winst is van het bij AMvB voorschrijven van deze gebieden in plaats van de provincies daarin hun plaats te laten behouden. Voorts verzoeken zij daarbij aan te geven hoe de politieregio's zich zullen verhouden tot de op te richten rampenbestrijdingsregio's. Is het de bedoeling om uiteindelijk dezelfde indeling te bereiken en zo ja, wanneer en zijn de mogelijke uitzonderingen alleen om de veiligheidsregio's tijd te geven zich daaraan aan te passen?

Verder begrijpen de leden van de GroenLinks-fractie dat er nog een rapport van de ROB over de bestuurlijke en organisatorische inbedding van de veiligheidsregio's zal verschijnen. Graag zien zij een uitgebreide bespreking daarvan tegemoet in de nota naar aanleiding van het verslag. Zonder een gedegen bestuurlijke en organisatorische inbedding van de rampenregio's achten deze leden aanvaarding van dit wetsvoorstel niet goed denkbaar en zij vragen derhalve een uitgewerkte visie van de regering op dit punt. Zij willen daarbij tevens wijzen op het rapport van de commissie-Brouwer van mei 2002, waarin het gehele veld vertegenwoordigd was en in welk advies een tweelagenmodel wordt voorgestaan van 25 regio's met landelijk toezicht door het rijk. Ook de VNG wijst in haar reactie op dit rapport dat het gehele veld zou hebben overgenomen en zij meent dat daaraan in dit wetsvoorstel tekort wordt gedaan. Kan de regering nader ingaan op haar keuze voor een aanzienlijke uitbreiding van de provinciale controle en toezichtstaken en de rol van de Commissaris van de Koningin (CdK) daarin? Kan zij ingaan op het model dat de commissie-Brouwer voorstaat en toelichten waarom dat bij de politie wel opgaat, maar bij de rampenbestrijding niet?

Kan de regering meedelen welke rol de Wgr speelt in het realiseren van de veiligheidsregio's en waarom? Welke visie heeft de regering op het voorstel voor een bestuurlijke en organisatorische fusie van de regionale brandweer, GGD, CPA en GHOR tot een nieuwe regionale veiligheidsorganisatie? Hoort de politie daar dan ook bij en zo nee, waarom niet? Hoe denkt de regering over personele unies van het bestuur van de (gefuseerde) hulpverleningsregio's met dat van de regionale politiekorpsen, in plaats van het regionale politiemodel over te nemen voor de veiligheidsregio's?

Ook willen deze leden weten wat de rol is voor de gemeenteraad respectievelijk de colleges van B&W en hoe de lokale politiek betrokken blijft bij de rampenbestrijdingsorganisatie, vooral wat betreft aansturing maar ook controle en toezicht. Zij lezen dat rampenbestrijdingsplannen, na door de burgemeester te zijn vastgesteld, «vervolgens aan de gemeenteraad worden voorgelegd» en verzoeken de regering toe te lichten waarom hier geen sprake is van overleg vooraf en gezamenlijke vaststelling om de invloed van de raad op het veiligheidsbeleid werkelijk te vergroten. Waar deze leden een instemmingsrecht voor de gemeenteraad ten aanzien van het lokale veiligheidsbeleid voorstaan en de regering zelf een inbrengrecht van de gemeenteraden zegt voor te staan, missen deze leden daarvan elke notie in dit wetsvoorstel. Graag zien zij een aanvullend voorstel op dit punt tegemoet. Verder verzoeken zij in te gaan op de suggestie voor een directeur Crisisbeheersing en Rampenbestrijding op regionaal niveau, ondersteund met een multidisciplinaire staf met de daarbij horende bevoegdheden. Ziet de regering daar iets in en waarom wordt die figuur niet bij wet geregeld? Deelt zij de opvatting dat in het wetsvoorstel een regeling van kwaliteitszorg als taak van het bestuur van de (brandweer)regio zou moeten worden opgenomen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie zijn benieuwd om welke reden in het wetsvoorstel geen rekening is gehouden met de bevindingen van de commissie-Brouwer, die op verzoek van het georganiseerde veld van brandweer en rampenbestrijding heeft geadviseerd over de organisatorische en bestuurlijke inbedding van rampenbestrijding. Deze leden vragen alsnog om een reactie op de voorstellen van de commissie-Brouwer.

In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat de regering de Raad voor het openbaar bestuur om een advies heeft gevraagd over de bestuurlijke inbedding van veiligheidsregio's. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de uitkomsten van dit advies niet zijn afgewacht en zijn betrokken bij voorliggend wetsvoorstel.

Deze leden steunen de voorstellen over territoriale congruentie. Wel hebben zij een vraag over de zin «daarbij moet de interregionale en de interprovinciale samenwerking expliciet worden gewaarborgd» (memorie van toelichting, bladzijde 5).

Daarnaast vragen zij de regering om een reactie naar de relatie van de 25 veiligheidsregio's en de aangescherpte rol van de 12 provincies op het terrein van veiligheid. Komt het een uniform toezichtsysteem niet ten goede als het toezicht in plaats van bij de provincie toch bij het Rijk wordt ondergebracht? Tevens vragen zij de regering te reageren op de kritiek van onder andere de VNG dat in voorliggend wetsvoorstel wel de territoriale congruentie wordt geregeld, maar onvoldoende oog is voor de organisatorische en bestuurlijke congruentie.

Naar de mening van de leden van de SGP-fractie is bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel terecht uitgegaan van het bestaande bestuurlijke stelsel, waarbij de gemeente de primaire verantwoordelijkheid heeft voor de rampenbestrijding. Zij hebben ook niet op voorhand de behoefte om daarin in de toekomst verandering aan te brengen. De aan het woord zijnde leden constateren evenwel dat de bestuurlijke inbedding van de veiligheidsregio's op dit moment onderwerp van studie is. De regering heeft de Raad voor het openbaar bestuur immers gevraagd om haar over dit thema te adviseren. Kan de regering een schets geven van de mogelijke gevolgen van een keuze voor een andere bestuurlijke inbedding van de veiligheidsregio's voor de nu voorgestelde wetsbepalingen? Kan de regering bevorderen dat het bedoelde advies door de Kamer kan worden betrokken bij de verdere behandeling van het onderhavige wetsvoorstel?

De leden van de SGP-fractie kunnen zich vinden in het voorstel van de regering om de territoriale congruentie duidelijk vast te leggen en dus wettelijk te regelen. Zij constateren dat er voor uitzonderingsgevallen wel ruimte wordt gelaten voor incongruentie tussen de brandweer- en GHOR-regio's enerzijds en de politieregio's anderzijds. Kan de regering verduidelijken waarom een dergelijke incongruentie ook op langere termijn in het belang van de rampenbestrijding kan zijn? De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de mogelijkheid van incongruentie tussen brandweeren GHOR-regio's enerzijds en politieregio's anderzijds onder meer open wil laten voor het geval dat de indeling van politieregio's wordt aangepast. Is het ook in die gevallen niet wenselijk dat de brandweer- en GHOR-regio's binnen een bepaalde termijn opnieuw congruent worden met de desbetreffende politieregio's, zo vragen de leden van de SGP-fractie. Is de regering bereid om incongruentie tussen brandweer- en GHOR-regio's enerzijds en politieregio's anderzijds in de wet alsnog aan een termijn te binden, zodat ook incongruenties die in de toekomst door wijziging van de indeling van de politieregio's ontstaan, op termijn niet de doelstelling van dit wetsvoorstel op het punt van de territoriale congruentie zullen ondermijnen?

HOOFDSTUK 3 VERBETERING VAN DE PLANMATIGE AANPAK

Is het nieuw inzetten van provinciale aansturing ten aanzien van rampenplan en rampenbestrijdingsplanvorming het probate middel voor het geconstateerde tekort? Ligt de oorzaak van gebrekkige rampenbestrijdingsplanvorming niet eerder op het vlak van onderbemanning en andere prioritering bij de gemeenten, die ook niet zal worden weggenomen als er meer provinciale druk op de ketel komt, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

Nauw verband met de eerder gestelde vraag over de veelheid aan plannen, betreft de coördinatie ervan, aldus de leden van de VVD-fractie. De Raad van State heeft gewezen op de veelheid aan plannen die verscheidene instanties moeten opstellen en in dat verband aandacht gevraagd voor de afstemming tussen de diverse plannen. De leden van de VVD-fractie vragen net als de Raad wie de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de coördinatie en de afstemming.

De overweging van de Raad heeft geleid tot een extra paragraaf in de memorie van toelichting onder de titel «inhoudelijke coördinatie van de planvorming». De leden van de VVD-fractie erkennen de verduidelijking die hiervan het gevolg is, maar zien de toelichting in zekere zin juist ook als een bevestiging van een mogelijk gemis aan coördinatie. Immers, weliswaar is duidelijk wie voor welk onderdeel van de (voorbereiding op de) rampenbestrijding verantwoordelijk is en door welke instantie welk plan moet worden opgesteld. Maar dit betreft al met al een gespreide verantwoordelijkheid. Er wordt in de reactie van de regering op de argumentatie van de Raad van State wel gerept van «overleg» dat nodig is tussen de verschillende hulpdiensten en andere betrokken hulpdiensten; van deze verwachting gaat geen dwingende werking uit. Deze leden blijven de inhoudelijke coördinatie tussen de vele plannen van betrokkenen in de rampenbestrijdingsketen als een belangrijk aandachtspunt zien. Met de Raad van State wensen de leden van de VVD-fractie goede inhoudelijke afstemming/coördinatie van de planvorming. In dezen kunnen zij zich de zorg die in verschillende reacties op dit wetsvoorstel wordt genoemd en doorklinkt, goed voorstellen. Zij vragen de regering om een reactie op bovenstaande.

Ter ondersteuning van een meer planmatige voorbereiding op de rampenbestrijding, wordt het opstellen van een beheersplan verplicht. Er wordt de nadruk op gelegd dat het beheersplan geen integraal veiligheidsplan is. Zo worden alleen de operationele diensten en gemeentelijke diensten voorzover zij een taak hebben bij de rampen en de nazorg, in het beheersplan opgenomen.

De diensten die geen rechtstreeks verband houden met de rampenbestrijding, waarbij worden genoemd vergunningbeleid met betrekking tot milieu, Bouw en woningtoezicht, Verkeer en stadsontwikkeling, hebben in dat opzicht logischerwijs geen plaats in het beheersplan.

De leden van de VVD-fractie respecteren de heldere keuze die is gemaakt maar maken wel de opmerking dat ook aspecten van het algemene veiligheidsbeleid van invloed zijn op de rampenbestrijding als zodanig. Vandaar dat deze leden de regering verzoeken te overwegen om in het beheersplan toch te laten opnemen ook die aspecten die weliswaar niet rechtstreeks verband houden met de rampenbestrijding, maar er toch aan raken.

In de memorie van toelichting stelt de regering dat het Landelijk Beraad Rampenbestrijding momenteel een samenhangend stelsel van kwaliteitseisen voor de rampenbestrijding opstelt. Deze eisen zijn volgens de leden van de VVD-fractie zeer bepalend en richtinggevend. Zij zien deze richtsnoeren als belangrijke initiators bij de verbetering van de kwaliteit van de (controle op de) rampenbestrijding. Op welke termijn wordt de uitkomst hiervan verwacht?

De regering neemt het voorstel van de Raad van State om deze kwaliteitseisen in de wet op te nemen, niet over. Enerzijds, omdat deze thans nog volop in ontwikkeling zijn. Bovendien wordt gewezen op de behoefte om na opneming van de kwaliteitscriteria in een AMvB eventuele wijzigingen na praktijkervaringen door te voeren. De leden van de VVD-fractie menen echter dat deze kwaliteitscriteria belangrijk zijn. Zij vragen de regering of zij voornemens is om de kwaliteitscriteria later in de wet op te nemen.

Een andere aanbeveling van de Raad van State betreft zijn aanbeveling enkele andere organisaties die betrokken (kunnen) zijn bij de (voorbereiding op de) rampenbestrijding te betrekken. In het bijzonder de aandacht die wordt gevraagd voor Defensie, spreekt de leden van de VVD-fractie aan. Zij zouden graag een reactie van de regering op dit punt zien.

Ook vraagt de Raad van State aandacht voor de omvangrijke taak waarvoor de brandweercommandant zich gesteld ziet indien dit wetsvoorstel in zijn huidige vorm zou worden ingevoerd. Hij werpt de vraag op of aanpassing van de taken van de (regionaal) brandweercommandant niet in de rede ligt. De leden van de VVD-fractie beklemtonen de verandering in de verantwoordelijkheden van de regionale brandweer en daarmee van de brandweercommandant die met dit wetsvoorstel gepaard gaat. Kan de kwaliteit voldoende gewaarborgd blijven? Is de expertise die thans bij de regionale brandweer aanwezig is, voldoende om de toekomstige taken aan te kunnen?

De leden van de SP-fractie merken met zorg op dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties weliswaar verantwoordelijk is voor de rampenbestrijding (zoals ook opgemerkt in de inleiding van de memorie van toelichting), feitelijk is hij niet bij machte om dwingendesturing te geven als er tekortkomingen in deze rampenbestrijding worden geconstateerd. Dit blijkt uit de memorie van toelichting van artikel 19 van de brandweerwet (23 804, nr. 3, bladzijde 9). De leden van de SP-fractie vragen de regering hierop in te gaan en voorstellen te doen om de handhaving van rampenplannen te verbeteren.

Daarnaast waarschuwt de NVBR voor «planfixatie» door de uitgebreide aandacht voor plannen in de wet. Planfixatie maakt de uitvoering rigide en niet toegespitst op de bestrijding van rampen die per definitie onvoorzien zijn. Kan de regering toelichten hoe zij deze fixatie voorkomt?

Ten aanzien van de delegatiebepalingen stellen de leden van de SP-fractie vragen bij de delegatie van het vaststellen van de toetsingscriteria. Tevens roepen het niet bij wet vaststellen van de regels omtrent het rampbestrijdingsplan, de beproeving en actualisatie ervan en het afzien van een rampbestrijdingsplan vragen op. Is het in deze situaties niet beter om in de wet criteria en minimale eisen vast te stellen?

Voor de voorgestelde inventarisatie van lokale risico's hebben de leden van de GroenLinks-fractie een landelijke risicokaart bepleit, waarin bijvoorbeeld ook chloortreinen en vliegtuigroutes boven woongebieden worden aangetekend. Zij willen erop wijzen dat een motie over een dergelijke analyse door de Kamer is aangenomen naar aanleiding van het debat over de vuurwerkramp Enschede. Deze leden zijn blij dat er een verplichte risico-inventarisatie komt gekoppeld aan een overzicht van rampenbestrijdingsplannen, bovendien op maat van de provincie respectievelijk de gemeenten, gekoppeld aan de rampenplannen. Maar deze leden missen door deze oplossing de figuur van een landelijke overzichtskaart van risico's. Op welk moment worden deze risicokaarten verplicht? Komen daarin bijvoorbeeld ook chloortreinen en vliegtuigroutes boven woongebieden voor? Leiden deze kaarten ook tot regionale dan wel lokale risicokaarten, en zo nee, waarom niet? Kan de regering op basis van de lokale kaarten ook een – digitale – landelijke kaart maken, waarin alle lokale kaarten gebundeld worden?

In het licht van de organisatorische en bestuurlijke congruentie hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie zorgen over de buitengewoon ingewikkelde en complexe besluitvormingsstructuur voor het vaststellen van het beheersplan en het organisatieplan. Zij onderschrijven direct de noodzaak van een weloverwogen proces, maar er moet voorkomen worden dat teveel tijd en capaciteit zal moeten worden ingezet voor besluitvormingsvraagstukken, wat ten koste kan gaan aan de uitvoering op dit terrein. De Raad van State concludeert dat het beheersplan niet zou hoeven worden vastgesteld door alle gemeentebesturen. Deze leden vragen de regering in hoeverre er mogelijkheden zijn dat gemeenten deze bevoegdheid overdragen aan een ander orgaan.

De leden van de SGP-fractie merken op dat de regering een aanzienlijke uitbreiding van de planverplichting voorstelt. Zij constateren dat het geheel daarvan helder is gestructureerd en dat er daarbij terecht veel aandacht is voor de samenhang tussen de verschillende bestuurslagen en de diverse veiligheidsinstanties alsmede voor de actualiteit van de onderscheiden plannen. Hoewel de leden van de SGP-fractie zijn overtuigd van de noodzaak van een planmatige aanpak, vragen zij toch of de nu voorgestelde uitbreiding van de planverplichting noodzakelijk is en voldoet aan de criteria van eenvoud en uitvoerbaarheid. Kan de forse inzet op planvorming en afstemming niet zoveel tijd en energie in beslag gaan nemen dat het ten koste gaat van de noodzakelijke aandacht voor de uitvoering? Hoeveel tijd is er voor de onderscheiden bestuurslagen en de verschillende veiligheidsinstanties naar verwachting gemoeid met het nakomen van de voorgestelde planverplichting? Is het gevaar ook niet aanwezig dat door fixatie op leerervaringen van ongevallen in het verleden als gevolg van een groot accent op de planvorming leidt tot afneming van de nodige creativiteit om in te kunnen spelen op niet voorzienbare situaties? De leden van de SGP-fractie vragen de regering in het licht van de hiervoor gestelde vragen nader in te gaan op de noodzaak en wenselijkheid van de voorgestelde planverplichting. Ziet de regering mogelijkheden om deze planverplichting enigszins in te perken, zonder afbreuk te doen aan de doelstelling van het wetsvoorstel?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de voorgestelde verbetering van het planmatig werken is ingegeven doordat er in het verleden onvoldoende planmatig werd gewerkt. Zij vragen of het daarnaast ook niet zo was dat bestaande plannen in het geheel niet of slechts gebrekkig werden uitgevoerd en afspraken niet altijd werden nagekomen. De genoemde leden vragen of dat punt niet in de eerste plaats aandacht verdient en hoe de regering denkt dat die praktijk kan veranderen.

De leden van de SGP-fractie verwachten dat het hanteren van een toetsingskader een belangrijke verbetering zal betekenen voor de kwaliteit van de planvorming en van het toezicht van de provincies en het rijk. Zij vinden het van belang en stellen met waardering vast dat daarin een belangrijke plaats is ingeruimd voor multidisciplinair oefenen. Zij vragen om in het toetsingskader ook aandacht te besteden aan de plaats van kerken en geestelijke verzorging in de gemeentelijke rampenplannen. Ook vragen de genoemde leden wat de regering ervan weerhoudt om de belangrijkste toetsingscriteria overeenkomstig het voorstel van de Raad van State in de wet vast te leggen. De leden van de SGP-fractie vragen naar de actuele stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van het toetsingskader en vragen de Kamer een concept van het toetsingskader zo mogelijk nog tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel te doen toekomen.

HOOFDSTUK 4 HET TOEZICHT OP DE RAMPENBESTRIJDING

De discussie die is ontstaan nadat het concept wetsvoorstel is uitgebracht, spitst zich vooral toe op het systeem van toezicht, dat meer bestuurslagen heeft geïntroduceerd dan minder. Dit laatste zou toch anno 2003 verwacht mogen met het oog op de ingezette deregulering.

Vooral de rol van de provincie, als het gaat om toezicht, staat ter discussie. Ook de leden van de CDA-fractie hebben nog grote vraagtekens of de gewenste kwaliteitsslag wordt gemaakt op een wijze zoals dat vanuit de basis is gewenst.

Deze leden onderschrijven de rol van de Commissaris van de Koningin (CdK) als het gaat om de feitelijke rampenbestrijding; echter bij het uitbreiden van deze rol met toezichthoudende taken, zoals nu voorgesteld in deze wet, zijn duidelijk vragen te stellen.

De leden van de CDA-fractie zijn niet voor gedetailleerde regelgeving, ook al gaan er stemmen op naar aanleiding van de gebeurtenissen in Enschede en Volendam, om iedere onzekerheid op het gebied van de fysieke veiligheid uit te sluiten. Het betreft hier menselijk handelen dat goed georganiseerd kan en moet worden. Maar deze mensen die uiteindelijk direct bij de rampen worden betrokken, zijn geen robots maar gemotiveerde rampenbestrijders. Vooral deze motivatie mag nooit ondergraven worden. Dat wil zeggen dat de kwaliteitsbevordering uiteindelijk vertaald zal moeten vinden in de cultuur van al diegenen die bij de rampenbestrijding zijn betrokken; ieder met zijn eigen verantwoordelijkheid en specialisme.

De leden van de CDA-fractie zetten vooralsnog vraagtekens bij het toezicht en de aanwijzingsbevoegdheid van de CdK met betrekking tot de uitvoering van het beheersplan. Zij zijn van mening dat dat niet past in de onderhavige wetsystematiek. Er dient nog een duidelijker onderscheid te worden gemaakt tussen toezicht en kwaliteitszorg, zoals in de wet omschreven. Tenslotte zetten de leden van de CDA-fractie grote vraagtekens bij het in het leven roepen van twee bestuurslagen op provinciaal niveau wat kan leiden tot meer in plaats van minder bureaucratie.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de provincie voldoende is toegerust om de «toetsing op hoofdlijnen» van het gewenste beheersplan adequaat te kunnen vervullen. Worden er niet weer nieuwe bureaucratische onduidelijkheden geïntroduceerd met deze verschuiving van taken naar de provincie (memorie van toelichting bladzijde 22–23 ). Wat is – vanuit operationele slagvaardigheid bezien – de meerwaarde van een extra bestuurslaag in een toch al meerlagig stelsel van bevoegdheden?

Een belangrijk onderdeel van voorliggend wetsvoorstel betreft het versterken van het provinciaal toezicht, aldus de leden van de VVD-fractie. Vooral de VNG meent dat de uitbreiding van het provinciaal toezicht niet past binnen de huidige wetssystematiek.

Op dit moment is er voor de provincie een taak weggelegd wat betreft het toezicht. Deze is legitiem en wordt door niemand betwist. Kan de regering duidelijk uiteenzetten waarom dat bij de noodzaak tot versterking van het toezicht, diezelfde provincie een verzwaarde taak toebedeeld moet krijgen?

Volgens de reacties van belanghebbenden (Vereniging voor Brandweer en Hulpverlening, Raad van RGF'en, NVBR, en de VNG) leidt het wetsvoorstel tot een ingewikkeld en bureaucratisch systeem van toetsing en besturing. Hierbij wijzen zij vooral naar de rol van de provincie die aanzienlijk wordt verzwaard. De leden van de fractie van de SP verzoeken de regering toe te lichten hoe de provincie een toegevoegde waarde kan hebben die groter is dan haar huidige. Zullen en zo ja, hoe andere organisaties ontlast worden en heeft dit gunstigere financiële consequenties?

Kan de regering uitleggen waarom landelijke toetsingscriteria niet hebben geleid tot de keuze voor landelijke toetsing, vragen de leden van de GroenLinks-fractie. Kan zij ingaan op de kritiek dat deze provinciale rol niet in de gekozen systematiek van de wet past? Kan zij ingaan op de verhouding tussen de provinciale toetsing op hoofdlijnen en de aanwijzingsbevoegdheid voor de provincie met betrekking tot de uitvoering?

De leden van de GroenLinks-fractie willen dat gemeenten, regio's of provincies die falen in het maken van en het oefenen met rampenplannen, rampenbestrijdingsplannen, het onderhoud daaraan en het oefenen ermee, onder curatele gesteld kunnen worden. Graag vernemen deze leden van de regering of voorzien kan worden in een soort artikel-12 status voor gemeenten die niet voldoen aan de eisen die aan de rampenbestrijding en de voorbereiding daarvan (rampenplannen en rampenbestrijdingsplannen) gesteld worden. Zij stellen zich daarbij voor dat de in gebreke blijvende gemeente een rampenplan, het onderhoud daaraan of het oefenen ermee van rijkswege krijgt opgelegd en dat kosten daarvan op de desbetreffende bestuurslaag worden verhaald. Wat is de opvatting van de regering op dit punt, en is zij bereid wettelijk te voorzien in deze mogelijkheid? Waarom acht de regering de taakverwaarlozingsregeling ingevolge artikel 124 Gemeentewet «te zwaar» en welke figuur wordt in het wetsvoorstel wel uitgewerkt? Hoe verhouden de bevoegdheden van de CdK zich tot de verplichting die al bestaat ingevolge de voorgestelde wetswijziging? Met andere woorden, wat voegt zij daaraan toe? Welke stappen kan de CdK zetten vóór een eventuele toepassing van artikel 124 Gemeentewet? Welke maatregelen zijn mogelijk indien veiligheidsregio's dan wel provincies hun taken verwaarlozen?

De leden van de SGP-fractie vragen de regering nader in te gaan op de verhouding tussen de mate van toetsing van de planvorming door de provincie en de aanwijzingbevoegdheid ten aanzien van de uitvoering alsmede op de opmerking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dat een aanwijzingsbevoegdheid vanuit wetsystematisch oogpunt gereserveerd zou moeten worden voor actuele situaties of buitengewone omstandigheden.

De leden van de SGP-fractie merken op dat er zowel vanuit de provincie als vanuit het rijk toezicht is op de organisatie en uitvoering van de rampenbestrijding, waarbij de provincie de mogelijkheid heeft om in te grijpen en de nationale inspecties een signalerende taak vervullen. De genoemde leden kunnen instemmen met de rol van de provincie in het geheel, maar vragen de regering desondanks om serieus in te gaan op het alternatief van een enkelvoudige toezichtrelatie vanuit het rijk, zoals in verschillende commentaren op het wetsvoorstel en reeds eerder door de commissie-Brouwer is voorgesteld en zoals dat ook bij de politie functioneert. In hoeverre kunnen de voorgestelde toezichtstaken van de provincie en het rijk op elkaar worden afgestemd om zoveel mogelijk bestuurlijke drukte te voorkomen? Hoe verhouden het toezicht van de provincie en het rijk zich tot de kwaliteitszorg van de betrokken instanties? Waarom heeft de regering geen bepalingen ten aanzien van de kwaliteitszorg in het wetsvoorstel opgenomen, zo vragen de leden van de SGP-fractie.

HOOFDSTUK 5 GENEESKUNDIGE HULP BIJ ONGEVALLEN EN RAMPEN

De leden van de PvdA-fractie merken op dat bij vele voorgaande gelegenheden klachten zijn geuit over de afstemming van de geneeskundige diensten op de politie en brandweerfuncties. Welke garanties bieden de voorstellen in het wetsvoorstel voor het oplossen van dit afstemmingsprobleem? (memorie van toelichting, bladzijde 29–32 en 47–49)

De leden van de SP-fractie hebben vernomen dat ziekenhuizen en gemeenten onvoldoende oefenen met hun rampenplannen (persbericht VROM 19 september 2002, FD 23 augustus 2002). Zij vragen of deze zorgwekkende constatering door de wet opgelost kan worden. Zo nee, verzoeken deze leden om extra waarborgen zodat ook het oefenen met rampenplannen op een adequaat niveau zal zijn.

HOOFDSTUK 6 DE RAMPENBESTRIJDINGSKETEN

De informatieverstrekking aan burgers over risico's en rampen verdient volgens de leden van de SP-fractie meer aandacht. Zij beschouwen het als belangrijk dat burgers op de hoogte zijn van risico's, maar ook dat zij weten als risico's onvoldoende in kaart zijn gebracht.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de regering aankijkt tegen multidisciplinair oefenen. Zijn er mogelijkheden om deze vorm van oefenen meer te ondersteunen?

Naar aanleiding van de rampen die in Nederland hebben plaatsgevonden is met enige regelmaat gesproken over psychosociale hulpverlening. In voorliggend wetsvoorstel ontbreekt deze vorm van hulpverlening. De leden van de fractie van de ChristenUnie pleiten ervoor om naast geneeskundige hulpverlening, ook psychosociale hulpverlening bij rampen en preventieve volksgezondheid en medische milieukunde bij rampen als taken op te nemen. Zij verwijzen in dit verband ook naar de motie bij kamerstuk 27 575, nr 14 die vorig jaar met algemene stemmen door de Kamer is aangenomen.

HOOFDSTUK 7 FINANCIELE ASPECTEN

De leden van de SP-fractie willen ervoor waken dat, zoals bij het veiligheidsplan bleek, de diensten tegelijkertijd met extra taken en een slinkend personeelsbudget te maken krijgen. Zij willen daarom van de regering vernemen of daar waar diensten zoals de brandweer, politie of gezondheidszorg extra taken krijgen, zij een evenredige verhoging van het budget krijgen voor personeel en eventueel noodzakelijk materieel.

De leden van de GroenLinks-fractie sluiten aan bij de vragen van de betrokken organisaties over de financiering van de rampenbestrijding en het toezicht. Kan de regering meedelen hoeveel geld er, naast de gelden die samenhangen met de actieplannen Enschede en Volendam, nodig is om dit wetsvoorstel (inclusief taakverzwaringen en personele uitbreidingen) te financieren en in welke mate daar in de begroting van BZK al gelden voor zijn gereserveerd?

Ook de taakverzwaring van de regio's en de provincies heeft financiële gevolgen. Kan de regering zeggen welke kosten verwacht worden en waarvoor dan precies? In de beleidsnota rampenbestrijding is aan de regio's 38,57 miljoen euro structureel ter beschikking gesteld en naar aanleiding van Enschede/Volendam is nog eens 27,68 miljoen euro extra ter beschikking gesteld. Voor de provincies zal het wetsvoorstel leiden tot een uitbreiding met 200 formatieplaatsen. Hoe kan de regering beweren dat dit gereserveerde geld ook voldoende zou zijn om deze wet te kunnen uitvoeren? Voor aanloop- en frictiekosten van de territoriale congruentie is tot 2003 3,5 miljoen euro ter beschikking gesteld. Op grond waarvan denkt de regering dat schaal- en eficientievoordelen het benodigde extra geld zullen opleveren?

De leden van de SGP-fractie stellen vast dat de regering er ten aanzien van de kosten voor de totstandkoming van de territoriale congruentie vanuit gaat dat deze gedekt worden door de daaruit voortkomende efficiencywinst. De genoemde leden twijfelen aan de juistheid van deze veronderstelling. In hoeverre is er reeds zicht op de financiële consequenties van de totstandkoming van de territoriale congruentie?

De aan het woord zijnde leden wijzen er met nadruk op dat voldoende financiering voor de verschillende actoren noodzakelijk is. Zonder adequate financiering zullen de verschillende instanties en bestuursorganen naar elkaar gaan verwijzen, zodat de doelstelling van het wetsvoorstel slechts zeer moeizaam zal worden bereikt. Is de regering ervan overtuigd dat de betrokken bestuursorganen en veiligheidsinstellingen hun extra taken met de reeds ter beschikking gestelde middelen ruimschoots kunnen uitvoeren? Waren de desbetreffende middelen ook voor de nu voorgestelde extra taken bedoeld of moeten daarmee ook andere doelen worden gerealiseerd?

HOOFDSTUK 8 ARTIKELEN

Artikel II, onderdelen B en D

Artikel 3 Wrzo

In de gemeentelijke rampenplannen dient conform het voorgestelde artikel 3 vijfde lid van de Wet rampen en zware ongevallen ten aanzien van het terrein van de gezondheidszorg planvorming plaats te vinden met betrekking tot de geneeskundige organisatie op het terrein waar een ramp of een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden, met betrekking tot de psychosociale zorg en met betrekking tot het beperken van de schadelijke gevolgen. In de voorgestelde artikelen 4 en 5 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen wordt echter slechts de geneeskundige hulpverlening genoemd. De leden van de SGP-fractie vragen de regering om een verklaring voor deze incongruentie.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Van de Camp

De griffier van de commissie

De Gier


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), fng voorzitter, Kalsbeek (PvdA), Van Heemst (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rietkerk (CDA), De Wit (SP), Van Gent (GL), Van der Staaij (SGP), Blok (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Wolfsen (PvdA), Eerdmans (LPF), Sterk (CDA), Spies (CDA), Haverkamp (CDA), Vacature (CDA), Vacature (PvdA), Vacature (PvdA), Vacature (PvdA), Vacature (PvdA), Vacature (LPF), Vacature (GroenLinks), Vacature (VVD), Vacature (VVD), Vacature (VVD) en Vacature (SP).

Plv. leden: Mosterd (CDA), De Vries (PvdA), Adelmund (PvdA), van der Ham (D66), De Grave (VVD), Meijer (CDA), Lazrak (SP), Vacature (GroenLinks), Slob (CU), Van Beek (VVD), Rambocus (CDA), Vacature (PvdA), Vacature (LPF), Vacature (CDA), Çörüz (CDA), Verburg (CDA), Bruls (CDA), Vacature (PvdA), Vacature (PvdA), Vacature (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Varela (LPF), Halsema (GL), Rijpstra (VVD), Vacature (VVD), Vacature (VVD) en Vacature (SP).

Naar boven