27 206
Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de invoering van de verplichting voor het bevoegd gezag tot het melden van voortijdige schoolverlaters die niet meer leerplichtig zijn, alsmede van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het bestrijden van voortijdig schoolverlaten (regels inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten)

nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 9 februari 2001

Bij de behandeling van de Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de invoering van de verplichting voor het bevoegd gezag tot het melden van voortijdige schoolverlaters die niet meer leerplichtig zijn, alsmede van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het bestrijden van voortijdig schoolverlaten (regels inzake regionale-meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten) heb ik de Kamer nadere informatie toegezegd in reactie op een aantal vragen van de zijde van de Kamer.

1. Schaalvergroting

In het Regeerakkoord is opgenomen dat er een studie zal worden verricht naar de effecten van deregulering, autonomievergroting en schaalvergroting. Zoals u weet heb ik de Onderwijsraad verzocht deze studie te verrichten. Het resultaat van deze studie, het rapport «Dereguleren met beleid. Studie naar effecten van deregulering en autonomievergroting» heb ik u bij brief d.d. 18 januari 2001 aangeboden (brief nr. OCW 01–69). In de inleiding op de studie wordt door de Onderwijsraad aangegeven dat deregulering en autonomievergroting de primaire aangrijpingspunten zijn. Schaalvergroting komt in de studie aan de orde voor zover deze aanleiding vindt in deregulering en autonomievergroting. De effecten van de schoolgrootte zijn niet in de studie opgenomen. Alhoewel het hier gaat om een studie van de Onderwijsraad en niet om een advies van de Onderwijsraad kan de Kamer een kabinetsreactie tegemoet zien.

In het advies «Aansprekend Burgerschap» van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling gaat de RMO in op de trend naar grootschaligheid van het onderwijs. In de kabinetsreactie op dit advies van 25 oktober 2000 (Kamerstukken 2000–2001, 27 400 XVI, nr. 10) – u toegezonden door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – is aangegeven dat weliswaar gekomen is tot de vorming van scholengemeenschappen in het voortgezet onderwijs en de vorming van regionale opleidingencentra in de bve-sector, maar dat veelal is gekozen voor het instandhouden of bouwen van meerdere vestigingen van kleinere opleidingscentra, waardoor de deelnemers met kleinere eenheden te maken hebben. Verder is aangegeven dat veel scholen in de praktijk werken aan interne schaalverkleining.

Voorts heb ik u op 23 november 2000 het Inspectierapport «voor wie is de school? Jongeren over de invloed van het schoolklimaat op het voortijdig schoolverlaten» aangeboden. In dit onderzoek is ook gekeken naar de invloed van de schoolgrootte. De Inspectie van het Onderwijs zal in het Onderwijsverslag over het jaar 2000 nader ingaan op haar bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek. In reactie daarop zal een kabinetsreactie worden opgesteld.

Thans vindt ook de Evaluatie WEB plaats. In dat kader zal apart worden ingegaan op «voldoen aan de individuele vraag, toegankelijkheid en de positie van de deelnemer». Daarbij is ook de invloed van de ROC-vorming en schoolgrootte aan de orde. Het onderzoeksrapport dat over dit thema is opgesteld, zal binnenkort beschikbaar komen.

Ik geef de Kamer in overweging de twee laatstgenoemde rapportages af te wachten.

2. Meldingstermijn

Naar aanleiding van het amendement van het lid Lambrechts (Kamerstukken 2000–2001, 27 206, nr. 7) heb ik de Tweede Kamer toegezegd bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten na te gaan of het terugbrengen van de meldingstermijn van twee naar één maand, waarbinnen het bevoegd gezag aan de woongemeente moet melden, tot problemen leidt. Het terugbrengen van de meldingstermijn naar 1 maand heeft geen bijzondere consequenties voor de gemeenten. Het moment van melding wordt vervroegd. Dat betekent dat het nog steeds om één keer melden gaat, alleen eerder. Er is geen inzicht in de vraag of in de periode van 4 tot 8 weken een groter aantal voortijdig schoolverlaters door het onderwijs gemeld gaat worden. Dit zal moeten blijken bij de uitvoering, die bij de evaluatie van de wet nader zal worden onderzocht.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven – overigens na consultatie van de Landelijke Vereniging van Leerplichtambtenaren (LVLA) – geen bezwaar te hebben tegen het hanteren van een termijn van één maand.

De termijn van 2 maanden komt overeen met de termijn van controle op langdurige afwezigheid in het kader van de Studiefinanciering. Terugbrenging van de meldingstermijn naar één maand betekent dat instellingen twee meldingen geven op twee momenten in plaats van twee meldingen op één moment. Deze administratieve last valt derhalve te overzien.

Ik ben dan ook bereid dit amendement over te nemen.

Tijdens het overleg heb ik reeds aangegeven op welke gronden ik het amendement van het lid Kortram (Kamerstukken 2000–2001, 27 206, nr. 8) ontraad.

3. Moties van het lid Kortram (Kamerstukken 2000–2001, 27 206, nrs. 10, 11, 12 en 13)

Alvorens op de inhoud van de moties in te gaan wil ik erop wijzen dat deze moties geen betrekking hebben op het voorliggend wetsvoorstel als zodanig. In motie nr. 10 wordt de regering verzocht om met een voorstel te komen voor een adequate afstemming tussen rijk, regio's en gemeenten inzake de registratie van leerlinggegevens. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken 2000–2001, 27 206, nr. 5) heb ik aangegeven dat de eigen verantwoordelijkheid van de regio's en de mogelijk daaruit voortvloeiende systemen passen in een algemene benadering. Veel problemen hebben een lokaal karakter en kunnen het best lokaal opgelost worden. Dat neemt niet weg dat ik een verantwoordelijkheid heb voor het bestel en om die waar te maken informatie nodig heb. Daarbij is de uniformiteit en eenduidigheid van die informatie van groot belang. Daarvoor zal ik bij ministeriële regeling op basis van het artikel 118h, eerste lid en 118i, derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de overeenkomstige artikelen in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de Wet op de expertisecentra (WEC) voorschriften geven. Hierbij zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij definities en gegevensstromen die in het kader van de leerplichtwet, de GOA/GSB-monitor en het Informatiestatuut zijn ontwikkeld. Naar mijn oordeel is het gevraagde in deze motie daarmee ingepast in het lopende beleid.

In motie nr. 11 wordt de regering verzocht een inventarisatie te maken van de problematiek rond risicoleerlingen met name in de niet-G25 gemeenten en de bijbehorende kosten die binnen deze gemeenten aan de orde zijn.Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen over de begroting 2001 is de motie Melkert aangenomen die de regering verzoekt f 10 miljoen extra beschikbaar te stellen voor de niet G25-gemeenten. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt deze motie uitgevoerd. De extra f 10 miljoen wordt versleuteld over de 39 rmc-functies, waarbij het aantal volwassen inwoners van de G25 niet meetelt bij de verdeling. De betrokken gemeenten zijn hierover door mij geïnformeerd en weten derhalve welke middelen voor welke gebieden beschikbaar zijn. Ik erken daarbij dat relatief kleine gemeenten minder mogelijkheden hebben een zelfstandig beleid in deze te voeren. Juist om die reden is gekozen voor een regionale benadering.

Op basis van de effectrapportages, die de contactgemeenten die de rmc-functie uitvoeren jaarlijks indienen, kan worden bezien hoe deze extra financiële impuls uitwerkt. Ik acht de motie derhalve overbodig.

In motie 12 verzoekt het lid Kortram de regering met een notitie te komen hoe groepen die buiten de meldplicht vallen, kunnen worden bereikt. De Leerplichtwet 1969 regelt de melding van het voortijdig schoolverlaten van de leerplichtige leerlingen. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet tevens in een melding door het bevoegd gezag van niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters tot 23 jaar. Op deze wijze is het op dit moment maximaal haalbare geregeld. Dit neemt niet weg dat – met name bij overgang tussen schoolsoorten, i.c. afronding van het vmbo – kinderen «uit het zicht» zouden kunnen raken. Dit kan alleen worden opgelost door gebruik van het onderwijsnummer. Het daartoe strekkend wetsvoorstel is in behandeling. Het in de motie gevraagde wordt daarmee ingepast in het lopende beleid. Ik acht deze motie voorbarig en moet deze derhalve ontraden.

In motie 13 wordt de regering tenslotte verzocht op korte termijn met een plan van aanpak te komen waarmee een offensief beleid tegen spijbelen en schoolverzuim van leerplichtige en niet-leerplichtige leerlingen kan worden ingezet. Veelvuldig spijbelen kan inderdaad inderdaag een indicatie van voortijdig schoolverlaten zijn. Aanpak van het spijbelen is echter allereerst een verantwoordelijkheid van de school, maar voor leerplichtigen ligt er een directe relatie met de Leerplichtwet. Om die reden heb ik in mei 1999 de Tweede Kamer het plan van aanpak voortijdig schoolverlaten doen toekomen vergezeld van het actieplan voor de leerplicht. Een eerste voortgangsrapportage heb ik de Tweede Kamer 5 februari 2001 toegezonden. Het gevraagde in de motie maakt daarmee integraal deel uit van mijn beleid.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

Naar boven