nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 16 november 2000
In het wetgevingsoverleg inzake de Aanpassingswet IB 2001 op 13 november
jl. is onder meer gesproken over de mogelijkheid om de arbeidskorting voor
bijstandsgerechtigden niet te betrekken bij de verrekening van inkomsten uit
arbeid met de bijstandsuitkering. Daarbij is door uw commissie om nadere informatie
gevraagd over dit onderwerp. De staatssecretaris van Financiën heeft
daarbij aangegeven dat vóór de behandeling van de Veegwet op
20 november de kamer nader geïnformeerd wordt. Middels deze brief
kom ik tegemoet aan deze toezegging.
In mijn brief (26 447 nr. 37) aan de vaste kamercommissie SZW inzake
alleenstaande ouders heb ik voorgesteld om de huidige vrijlatingsregeling
in de Abw te vervangen door een vrijlating van de arbeidskorting voor die
bijstandsgerechtigden die een categoriale ontheffing van één
of meer arbeidsverplichtingen hebben (alleenstaande ouders met een kind jonger
dan vijf jaar en personen van 57½ jaar en ouder).
Vanuit de kamer wordt nu de wens geuit om deze vrijlating voor alle bijstandsgerechtigden
toe te passen vanuit de gedachte om (meer) werk aantrekkelijk te maken. Het
vrijlaten van de arbeidskorting voor groepen bijstandsgerechtigden die een
volledige participatie-verplichting hebben heeft echter een aantal nadelige
effecten:
1. Het vrijlaten van deze heffingskortingen zou er toe leiden dat de burgers
die nu in deeltijd werken naast de bijstandsuitkering financieel minder gestimuleerd
worden de bijstand volledig te verlaten.
2. Daarnaast merk ik op dat de verbreding van de nieuwe vrijlatingsregeling
ook een ander bijkomend gevolg heeft. Ik doel daarbij op de groep werknemers
met een inkomen op of net boven het wettelijk minimumloon. Deze groep zou
als gevolg van de verbreding van de vrijlatingsregeling een beroep kunnen
doen op een aanvullende bijstandsuitkering. Dit zou leiden tot een toename
van het aantal bijstandsgerechtigden.
ad 1.
De groep bijstandsgerechtigden die nu werkt naast de uitkering bestaat
uit ongeveer 42 000 personen, waarvan er 2500 alleenstaande ouder met
een kind jonger dan vijf en ongeveer 2000 ouder dan 57½ jaar zijn (gegevens
per ultimo 1998). Dat betekent dat bij verbreding van de doelgroep van de
nieuwe vrijlating automatisch maximaal 37 500 bijstandsgerechtigden extra
in de nieuwe vrijlatingsregeling terecht zullen komen. Het gaat daarbij om
bijstandsgerechtigden die zich volgens de wet fulltime beschikbaar moeten
stellen voor de arbeidsmarkt. Door verbreding van de regeling ontvangt deze
groep automatisch een financieel voordeel van maximaal f 2027,–
per jaar, hetgeen een budgettair beslag zou betekenen van maximaal f 76
mln. Het zal duidelijk zijn dat dit extra financiële voordeel van f 2027,–
per jaar in de praktijk een negatief effect zal hebben op de volledige uitstroom
van deze groep bijstandsgerechtigden uit de bijstand. Door deze verbreding
wordt dus de armoedeval vergroot.
ad 2.
Er zijn ongeveer 240 000 werknemers buiten de bijstand met een uurloon
tussen 100 en 110% WML. Afhankelijk van het aantal arbeidsuren, het uurloon
en de gezinssamenstelling zal een deel van deze groep bij verbreding van de
vrijlating een beroep kunnen doen op een aanvullende bijstandsuitkering. Dit
zal leiden tot een toename van het budgettair beslag in de Abw. De omvang
van dit beslag is mede afhankelijk van gedragseffecten. Ook de uitvoeringslasten
nemen toe.
Het voorstel om de vrijlating voor de twee genoemde specifieke groepen
vrij te laten maakt deel uit van een totaalpakket aan maatregelen in verband
met de reïntegratie van alleenstaande ouders en behoeft een wijziging
van de Abw.
Hoewel, gelet op de samenhang met IB 2001, invoering van de nieuwe vrijlating
per 1-1-2001 voor de hand zou liggen behoort dit niet tot de reële mogelijkheden.
Enerzijds omdat er sprake is van een samenhangend pakket van beleidswijzigingen
inzake alleenstaande ouders. Wanneer de voorstellen met betrekking tot de
vrijlating daar uit worden gehaald kunnen de verschillende voorstellen niet
goed meer in hun onderlinge samenhang bezien worden. Anderzijds kunnen de
gemeenten per 1-1-2001 niet toegerust zijn om een nieuwe vrijlatingsregeling
uit te voeren.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W. A. F. G. Vermeend