26 721
Financiële activiteiten provincie Zuid-Holland

26 906
Nieuwe bepalingen inzake het financieringsbeleid van openbare lichamen (Wet financiering decentrale overheden)

nr. 11
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 2000

In mijn brief van 27 april 2000 (26 721, nr. 8) schreef ik u te zullen informeren over de resultaten van een bestuurlijk overleg over financieel toezicht tussen de betrokken gedeputeerden van de provincies en mij. De gemaakte afspraken kunt u aantreffen in het rapport «Toezicht op schrift», welke ik u hierbij doe toekomen.1 In deze brief ga ik in op de afspraken die zijn gemaakt op het bestuurlijk overleg op 31 mei jl. Tevens zal ik ingaan op mijn toezegging in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Wet fido in de Tweede Kamer.

Bestuurlijk overleg financieel toezicht

In het bestuurlijk overleg van 31 mei jl. is onder meer afgesproken dat de dertien toezichthouders in Nederland, dit zijn de 12 provincies en BZK, een inspanning zullen verrichten om uiterlijk op 1 november 2000 te beschikken over een zodanig beleidskader dat tenminste de elementen van het minimum-beleidskader daarin zijn opgenomen. De (nieuwe) beleidskaders zullen, voor zover reeds mogelijk, feitelijk worden toegepast op de begrotingen 2001. Het nieuwe beleidskader van mijn departement is per 1 juli 2000 in werking getreden. Ik heb u daarover reeds geïnformeerd in mijn brief van 23 augustus jongstleden (kenmerk IFLO2000/U82668).

De overige gemaakte afspraken zijn als volgt:

1. Het bestuurlijk overleg ziet de volgende plaatsbepaling van het financieel toezicht. Enerzijds is het financieel toezicht aanvullend in die zin dat de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten de primaire verantwoordelijkheid draagt voor het financieel beleid. Anderzijds heeft de toezichthouder een eigen verantwoordelijkheid die rechtstreeks voortvloeit uit zijn wettelijke taak. Daarnaast ziet het bestuurlijk overleg als ambitieniveau voor het financieel toezicht dat dit zich richt op de uitkomst van financiële besluitvormingsprocessen en de kwaliteit van de processen die ten grondslag liggen aan de gepresenteerde financiële stukken. De toezichthouder maakt daarbij onder meer gebruik van de bevindingen van de accountant.

2. Het bestuurlijk overleg acht het wenselijk dat elke toezichthouder beschikt over een actueel beleidskader voor het toezicht. Het is tevens wenselijk dat de onderscheiden beleidskaders, onverlet de eigen verantwoordelijkheid van elke toezichthouder, zijn gebaseerd op gedeelde uitgangspunten betreffende de informatie-uitwisseling, het financieel toetsingskader, het bestuurlijk oordeel en de bestuurlijke maatregelen. De toezichthouders bewaken de actualiteit van hun beleidskader.

3. De Minister van BZK zal in zijn hoedanigheid van financieel toezichthouder overleg voeren met de provincies over het beleidskader dat hij per 1 juli 2000 voornemens is te gaan hanteren. Dit overleg zal de concrete uitwerking van het minimumbeleidskader betreffen. De provinciale toezichthouders zullen overeenkomstig overleg voeren met de (verenigingen van) inliggende gemeenten.

4. De financieel toezichthouders informeren elkaar uiterlijk 15 oktober 2000 over de stand van zaken ten aanzien van de onderscheiden beleidskaders.

5. De gezamenlijke toezichthouders zullen er zorg voor dragen dat het minimum-beleidskader periodiek zal worden aangepast aan nieuwe inzichten en nieuwe wet- en regelgeving. De bepalingen van de Wet fido zullen worden verwerkt na de parlementaire behandeling.

6. Het bestuurlijk overleg onderschrijft de aanbevelingen van de werkgroep naar aanleiding van de zogenoemde stofkamexercitie. Dat is een exercitie waarbij is bezien of de relevante wet- en regelgeving knelpunten voor het toezicht bevat of actualisering moet worden overwogen.

7. Het bestuurlijk overleg komt overeen dat de jaarlijkse rapportage van de Minister van BZK over het financieel toezicht op provincies in het afgelopen (verslag)jaar wordt uitgebreid met als vast onderdeel een overzicht van de in het kader van het provinciaal toezicht onder preventief toezicht gestelde gemeenten.

8. De toezichthouders overleggen jaarlijks over hun bevindingen naar aanleiding van het gevoerde toezicht.

9. Het rapport van de werkgroep zal als gezamenlijk rapport van de Minister van BZK en provincies worden openbaar gemaakt en worden aangeboden aan de Tweede Kamer, de gemeenten, de provincies, de VNG, het IPO en de Rfv.

De afspraken over een minimum-beleidskader komen naar het oordeel van het bestuurlijk overleg niet in mindering op de eigen wettelijke verantwoordelijkheid voor het financieel toezicht van het Rijk op de provincies respectievelijk de provincies op de gemeenten. Dit kan betekenen dat in voorkomende gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van het minimum-beleidskader. Het ligt in de rede dat in die gevallen door de gezamenlijke toezichthouders – in het kader van regulier periodiek onderhoud van het minimum-beleidskader – wordt bezien of sprake is van een incidentele afwijking in een bijzonder geval, dan wel dat het minimum-beleidskader als zodanig nadere overweging behoeft. In dit kader kan de noodzaak aan de orde komen om het minimum-beleidskader aan te passen aan nieuwe wet- en regelgeving of nieuwe inzichten. In de hiervoor onder 7 genoemde rapportage zal ik u in dat geval hierover informeren.

Het rapport «Toezicht op schrift» zal onder meer worden toegestuurd aan alle gemeenten en provincies.

Uitvoering financieel toezicht

Bij het overleg over het wetsvoorstel Wet fido is ook gesproken over de deskundigheid en de beschikbare menskracht die nodig is om het financieel toezicht uit te voeren. Ik heb daarbij toegezegd u hierover nog nader te informeren. Het volgende strekt daartoe.

Uit het besluit van het bestuurlijk overleg over het rapport «Toezicht op schrift» komt naar voren dat de wettelijke kaders en uitgangspunten voor het toezicht onverkort van toepassing zijn. Voor wat betreft de uitvoering van het financieel toezicht in de praktijk komt, mede op grond van de ervaringen van de laatste jaren, naar voren dat de wijze en de kwaliteit van de uitvoering belangrijker is dan de aanwezige personele capaciteit. Een en ander betekent dat een significante uitbreiding van de toezichtscapaciteit niet in de rede ligt. Voor een beter toekomstig toezicht zie ik een verbetering van de instrumentering, de kwaliteit van de uitvoering en de deskundigheid van de (ambtelijke) toezichthouders. Het eerder genoemde beleidskader strekt daartoe onder meer. Verder ben ik van plan, zoals al aangegeven, om met de provincies te overleggen hoe de kwaliteit van de uitvoering, bijvoorbeeld door vormen van benchmarking, en de professionaliteit van de uitvoerders verbeterd kan worden.

Zoals ik u reeds in een van mijn eerdere brieven heb gemeld, komt er een (nieuwe) beschrijving van de administratieve organisatie met betrekking tot het financieel toezicht op de provincies. Een van die bepalingen in die beschrijving zal zijn dat van de jaarlijkse werkoverleggen die mijn ambtenaren met die van de provincies hebben, verslagen zullen worden gemaakt die door beide partijen zullen worden vastgesteld. Dat is inmiddels gebeurd voor de overleggen die het afgelopen voorjaar zijn geweest. Gegeven deze aanpak met het accent op kwaliteit, wordt aan de capaciteit van het financieel toezicht op de provincies voorshands een beperkte uitbreiding gegeven van 1,8 plaatsen naar circa 2,5 plaatsen. Tijdelijk komt daar nog 1 extra plaats bij. De capaciteit van het financieel toezicht op de gemeenten ten slotte is een bevoegdheid van de provincies zelf.

Ik vertrouw er op u voor dit moment voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven