Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24323 nr. 1 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24323 nr. 1 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 augustus 1995
Bijgaand doe ik u toekomen een notitie waarin een nadere verkenning is opgenomen van de mogelijkheden tot toepassing van het verlaagde btw-tarief op milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten en op arbeidsintensieve diensten.
Deze verkenning strekt mede tot uitvoering van de motie van de heren Ybema, Van der Vaart, Van Rey, Leerling en Schutte (Kamerstukken II 1992/93, 22 873, nr. 22).
EEN VERKENNING VAN DE MILIEU-, ENERGIEBESPARINGS- EN WERKGELEGENHEIDSASPECTEN VAN DE WERKINGSSFEER VAN HET VERLAAGDE BTW-TARIEF
In deze notitie waarin een nadere verkenning is opgenomen van de mogelijkheden tot toepassing van het verlaagde btw-tarief op milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten en op arbeidsintensieve diensten, schets ik de stand van zaken van deze dossiers in (het verband van) de Europese Unie (hierna: EU). Bovendien wil ik de Kamer, vooruitlopend op de Brusselse besluitvorming, inzicht geven in het Brusselse besluitvormingstraject en een referentiekader bieden voor de politieke meningsvorming ter zake van een aantal aspecten van nationale maatregelen als te zijner tijd de Brusselse besluitvorming daartoe de ruimte biedt. Ik wil benadrukken dat Nederland in lijn met uitspraken van de Kamer regelmatig in EU-verband – zowel formeel als informeel – ervoor heeft gepleit dat de lid-staten op het desbetreffende gebied de vrijheid moeten krijgen het verlaagde BTW-tarief toe te passen op prestaties waarvan dat in het kader van het milieu- of werkgelegenheidsgebied van belang wordt geacht, voorzover hierdoor geen ernstige grensoverschrijdende concurrentieverstoring plaatsvindt. Ik heb de Kamer daarover bij diverse gelegenheden geïnformeerd. Daarbij heb ik ook aangegeven dat ik helaas niet optimistisch ben dat Nederland op korte termijn daarvoor de ruimte zal krijgen1. Heronderzoek, in het kader van (mogelijke) besprekingen in EU-verband, naar de werkingssfeer van de verlaagde btw-tarieven in de Europese interne markt vindt ingevolge de zogenoemde btw-tariefrichtlijn2 periodiek om de twee jaar plaats, aan de hand van een verslag van de Europese Commissie. Het eerste verslag is eind 1994 door de Commissie uitgebracht. Om nog aan te duiden redenen verwacht ik niet dat de daarmee ingezette en thans lopende heroverwegingsronde nog tot een significant positief resultaat ter zake van de milieu- en werkgelegenheidsaspecten van de btw-tariefindeling leidt. De aandacht dient thans primair te worden gericht op de volgende ronde van heronderzoek, op basis van een nieuw verslag van de Europese Commissie per einde 1996. Deze notitie tracht aan te geven op welke wijze het Nederlandse pleidooi in die volgende ronde nog beter onderbouwd en voorbereid, kracht kan worden bijgezet.
Niettemin zal ik in het kader van het lopende heronderzoek naar de werkingssfeer van de verlaagde btw-tarieven in Brussel het pleidooi voor opneming van milieuvriendelijke en energiebesparende prestaties en van arbeidsintensieve diensten blijven voortzetten.
Zoals u bekend is, heb ik recent als een eerste stap in de gewenste richting, de Europese Commissie verzocht Nederland bij wijze van experiment en vooralsnog voor een periode van enkele jaren te machtigen op schoenherstellersdiensten – onder verwijzing naar het arbeidsintensieve en milieuvriendelijke karakter ervan – het verlaagde btw-tarief toe te passen. Ik heb dit verzoek waarbij ik ook de kledingherstelling heb betrokken, nader toegelicht op de vergadering van de Ecofinraad van 10 juli jl.3 en daarbij tevens opnieuw de Commissie en de Raad opgeroepen verder te werken aan vorengenoemd tarieven-heronderzoek en aan wijziging van de reikwijdte van het verlaagde btw-tarief met het oog op de milieu- en werkgelegenheidsaspecten van de btw-tariefindeling. Ik hoop daarmee te bevorderen dat zowel de discussie over, als de voortgang in, deze dossiers blijft plaatsvinden en dat de nieuwe Commissaris Monti – die ik binnenkort persoonlijk op deze dossiers hoop te kunnen aanspreken – ook in het aangekondigde btw-groenboek hieraan aandacht zal schenken. Tot mijn spijt is tijdens vorengenoemde vergadering wederom gebleken dat Nederland in de Ecofinraad vooralsnog alleen staat in het streven naar integratie van deze aspecten in de btw-tariefindeling. De overwegingen die daarbij bij andere lid-staten een rol spelen, worden toegelicht in paragraaf 2.2.
Een lichtpunt is evenwel dat onlangs, op 19 juli jl., de Commissie economische en monetaire zaken en industriebeleid van het Europese Parlement – op voorstel van haar rapporteur en lid van het Europese Parlement de heer A. Metten – een voor de Nederlandse doeleinden op dit terrein gunstig verslag heeft aangenomen. In dit verslag dat het Europese Parlement vermoedelijk in september a.s. zal vaststellen en dat een advies inhoudt op een voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn over de btw-heffing op landbouwprodukten4, worden twee amendementen, terzake van de reikwijdte van het verlaagde btw-tarief, op de Zesde btw-richtlijn voorgesteld. Deze amendementen strekken ertoe de toepassing van het verlaagde btw-tarief mogelijk te maken op «arbeidsintensieve dienstverlening, reparatie en onderhoudsdiensten» en op «goederen waaraan een Europese Milieukeur is toegekend». Hiermee wordt beoogd druk uit te oefenen op de Europese Commissie om op dit terrein initiatieven te nemen. Ook al zitten aan dit tekstvoorstel nog wel wat haken en ogen5 – zoals ik verder in deze notitie zal aangeven – toch heb ik op hoofdlijn met instemming van deze ontwikkeling kennis genomen; ik besef echter ook terdege dat een dergelijk advies niet door de Europese Commissie en de Ecofinraad behoeft te worden overgenomen.
Helaas moet derhalve vooralsnog worden aangenomen dat het Brusselse traject geruime tijd zal nemen en pas op zijn vroegst in de volgende ronde van heronderzoek van de tarieven tot het gewenste resultaat zal kunnen leiden. Daarbij past tevens de opmerking dat – ook al zijn de Commissie en de overige lid-staten op een bepaald moment zo ver om in beginsel de politieke bocht tot integratie van milieu- en werkgelegenheidsaspecten in de btw-tariefindeling te nemen – de uiteindelijke keuze van de desbetreffende prestaties waarop (facultatief) het verlaagde btw-tarief kan worden toegepast, een unanieme beslissing vergt. De uitkomst van een communautaire onderzoek door alle vijftien lid-staten die tot een uiteindelijke keuze zou moeten leiden, is thans nog niet te voorspellen.
Met het oog op de volgende Brusselse ronde neem ik mij voor dat Nederland de bevindingen van eigen onderzoek in Brussel zal inbrengen, ook in bilateraal overleg met de andere lid-staten; niet alleen die van de huidige stand van zaken, maar ook die van het voortschrijdende werk dat – gebruikmakend van de tijd die het Brusselse traject nog zal vergen – kan plaatsvinden.
In deze notitie wordt op een aantal suggesties met betrekking tot het milieu-aspect bij de btw-tariefindeling ingegaan. Deze op zich waardevolle maar nog verder uit te werken suggesties zullen, samen met andere nog opkomende suggesties, worden meegenomen in de werkzaamheden van de zogenoemde fiscale vergroeningscommissie.
Naast een aantal algemene overwegingen met betrekking tot achtergrond en voorwaarden bij de beoordeling van het inzetten van een btw-tariefverlaging ter bevordering van niet-fiscale doelstellingen is in deze notitie, wat betreft de btw-tariefindeling voor arbeidsintensieve diensten, een aantal uitgangspunten opgenomen, dat samenhangt met de effectiviteit van een dergelijke maatregel. De uitkomsten van een eerste doorberekening van de effecten die het Centraal Planbureau (CPB) op mijn verzoek heeft gemaakt, geven een nogal divers beeld van de gevolgen van de toepassing van het verlaagde btw-tarief in de sfeer van de arbeidsintensieve diensten en zullen dienen voor een verdere verdieping van de relevante aspecten en effecten (kosten/baten) van een dergelijke toepassing. Ik zal bezien of en hoe een nadere toespitsing kan plaatsvinden naar die dienstverlenende sectoren waarbij een dergelijke toepassing het grootste werkgelegenheids-effect zal hebben, opdat de resultaten in het Brusselse overleg kunnen worden ingebracht. Bij een uiteindelijke nationale afweging van maatregelen zal een toetsing aan de hoofddoelstelling – de dienstbaarheid aan het werkgelegenheidsbeleid – moeten plaatsvinden. Daarbij is de vraag aan de orde op welke wijze (nog te genereren) budgettaire middelen gelet op die doelstelling zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet: specifiek via het btw-instrument of generiek op andere wijze.
In dit verband heb ik aan de Kamer toezending van een aantal macro-economische «spoorboekjes» toegezegd6. Omdat mij is gebleken dat deze gegevens echter niet al beschikbaar zijn, heb ik via de Minister van Economische Zaken het Centraal Planbureau verzocht dergelijke exercities op te stellen. Zodra deze beschikbaar zijn, zal ik ze separaat aan de Kamer doorgeleiden. Samen met de resultaten van vorengenoemde specifieke toespitsing naar dienstverlenende sectoren, kunnen deze nadere CPB-gegevens een basis geven voor een verdere afweging van al dan niet generieke of specifieke maatregelen die het meest dienstbaar kunnen zijn aan het werkgelegenheidsbeleid.
Voorts wordt, zoals ik de Kamer al heb laten weten, inmiddels bezien of de huidige EU-regelgeving zodanig kan worden geïnterpreteerd dat reeds thans een aantal prestaties met een arbeidsintensief karakter onder het verlaagde btw-tarief kan worden gebracht. Omdat ik daarvan geen substantiële effecten verwacht, zal het Brusselse traject in het kader van de tariefevaluaties, hoe onzeker de uitkomst daarvan ook is, de belangrijkste weg blijven.
Relevant bij de beoordeling van btw-verlagingen ter bevordering van niet-fiscale doelstellingen7 is de verenigbaarheid van die verlagingen met de fiscale systematiek en de mate waarin deze vanuit het desbetreffende beleidsveld bezien doeltreffend zijn (beleidseffectiviteit). Daarnaast dient ook te worden meegewogen of de kosten in een redelijke verhouding staan tot het nagestreefde belang (kosteneffectiviteit). Tevens moet bij btw-verlagingen uiteraard rekening worden gehouden met de budgettaire aspecten en het Europese kader.
Met name bij maatregelen in de btw-sfeer dient bij de toetsing aan de fiscale systematiek rekening te worden gehouden met de ruimte die de EU-regelgeving biedt. De hiervoor al genoemde tariefbepalingen in de Zesde btw-richtlijn zijn vastgesteld teneinde de werking van de interne markt te verbeteren. Op de bij deze richtlijn behorende facultatieve lijst (Bijlage H behorende bij de Zesde btw-richtlijn, hierna: de lijst) zijn de aan de lid-staten toegestane toepassingsmogelijkheden voor het verlaagde btw-tarief limitatief vermeld. De lijst is als Bijlage I bij deze notitie gevoegd.
Bij de vaststelling van de lijst is er rekening mee gehouden dat btw-tariefverschillen tussen de lid-staten de werking van de interne markt van de EU niet mogen belemmeren. Daarom zal een op basis van niet-fiscale overwegingen te treffen mogelijkheid tot toepassing van het verlaagde btw-tarief geen grensoverschrijdende gevolgen voor de concurrentiepositie van verschillende lid-staten mogen oproepen8.
Aanpassing van de facultatieve lijst is overigens alleen mogelijk op basis van een voorstel van de Europese Commissie en met unanimiteit tussen de lid-staten.
Bezien vanuit de optiek van de grensoverschrijdende concurrentieverhoudingen zou theoretisch in EU-verband een andere weg open staan. Een geheel andere aanpak in het tarievendossier zou namelijk een rigide Europese tarievenstructuur zijn, waarbij al dan niet met overgangsregelingen de lid-staten worden verplicht tot toepassing van dezelfde tarief-indeling – derhalve een verplichting om voor bepaalde prestaties het verlaagde btw-tarief toe te passen en voor de overige prestaties het algemene btw-tarief9 – en tot toepassing van dezelfde tarieven – een verlaagd en een algemeen tarief naar het zelfde percentage in alle lid-staten. Bij zo'n aanpak worden alle eventuele concurrentieverstorende elementen door de btw-tarieven voorkomen. Los van de vraag naar de wenselijkheid van zo'n aanpak, zal deze vooralsnog stuiten op politieke en budgettaire overwegingen van de lid-staten. Ook een verplicht verlaagd tarief voor enkele bepaalde prestaties – zoals bij voorbeeld voor bepaalde arbeidsintensieve diensten en milieuvriendelijke prestaties – om daarmee mogelijke concurrentieverstoringen te voorkomen, behoort gelet op de standpunten van de lid-staten bij de totstandkoming van de btw-tariefbepalingen vooralsnog niet tot de mogelijkheden. Deze wel voor de toekomst open te houden optie is thans binnen de huidige Europese verhoudingen politiek moeilijk te realiseren. Daarbij speelt tevens een rol dat Denemarken alleen één, hoog, algemeen btw-tarief toepast.
In de huidige systematiek betekent uitbreiding van de lijst, door het facultatieve karakter ervan, een verruiming van de mogelijkheid van tariefverschillen tussen lid-staten. Het element van concurrentieverstoring zal derhalve een belangrijke toetssteen zijn bij een eventuele uitbreiding. Het is mijn voornemen vervolg-onderzoek met name te richten op de kwantificering van dat effect en op de selectie van goederen en diensten waarbij dat effect aantoonbaar afwezig dan wel van zeer ondergeschikte betekenis is. Gelet ook op budgettaire consequenties lijkt daarbij de mogelijkheid van enige verstoring in de grensstreken voor bepaalde plaatsgebonden diensten – zoals die van kappers en schoenherstellers – van minder belang10 dan verstoring bij de levering van dure consumptie-goederen. De huidige lijst is in het overleg tussen de lid-staten tot stand gekomen als een soort grootste gemene deler, zowel wat betreft het facultatieve karakter als de daarop vermelde prestaties. De lijst bevat dan ook prestaties waarop veel van de toenmalige lid-staten al voor 1 januari 1993 een verlaagd tarief toepasten en waarvan het gevaar voor concurrentieverstoring door btw-verschillen te verwaarlozen werd geacht.
Toevoeging aan de lijst van geheel andere prestaties - zoals bij voorbeeld milieuvriendelijke goederen – zal voor veel lid-staten op dit moment een brug te ver zijn. De behoefte en de bereidheid om de eerder als compromis tot stand gekomen lijst te wijzigen of aan te vullen is, zo is in de discussies in Brussel tot nu toe gebleken, bij de lid-staten niet groot. Daarbij spelen op de achtergrond politieke en budgettaire overwegingen. Gewezen wordt onder meer op het gevaar van concurrentieverstoring en op de precedentwerking van elke aanpassing van de lijst. Als één lid-staat op de levering van een bepaald goed een verlaagd tarief gaat toepassen, kan dit in een andere lid-staat leiden tot maatschappelijke druk (met budgettaire gevolgen) om ook een verlaagd tarief toe te passen. Dan resulteert enerzijds het gevaar van precedentwerking als één bedrijfstak wel wordt gebracht onder het verlaagde tarief en een andere niet, en anderzijds het gevaar dat als wordt ingegaan op een tariefwens van één lid-staat er bij of in de andere lid-staten druk ontstaat om ook allerlei wensen in Brussel in te dienen.
Het uitgangspunt van het heronderzoek is opgenomen in een door de Raad en de Europese Commissie bij de vaststelling van de in de btw-tariefbepalingen opgenomen revisieclausule gezamenlijk naar buiten gebrachte verklaring. Volgens deze verklaring – die mede op Nederlands aandringen is vastgesteld – zal bij de evaluatie bijzondere aandacht worden geschonken aan leveringen van milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten11. Nederland heeft bij de aanvaarding van de btw-tariefrichtlijn tevens verklaard, dat naar haar oordeel bij het heronderzoek naar de werkingssfeer van de verlaagde tarieven in het bijzonder de positie van schoen- en kledingherstellers zal moeten worden heroverwogen. Deze Nederlandse stellingname is expliciet gebaseerd op de gedachte dat het arbeidsintensieve en milieuvriendelijke karakter van deze diensten, alsmede het ontbreken van het gevaar van grensoverschrijdende concurrentieverstoring, toepassing van het verlaagde tarief rechtvaardigt.
In het in december 1994 uitgebrachte verslag van de Commissie – een verslag dat formeel gezien nodig is voordat het voorzitterschap van de Raad van de EU kan (maar niet hoeft te) besluiten de evaluatie van de btw-tarieven in bespreking te brengen – wordt geen expliciete aandacht geschonken aan milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten. Dit verslag wordt gekenmerkt door een technisch karakter en het ontbreken van een brede politieke context. Een en ander hangt wellicht samen met het aftreden van de toenmalige Commissie in januari 1995. De Commissie geeft aan thans geen aanleiding te zien tot wijziging van de btw-tariefindeling, zodat ook geen voorstellen worden gedaan de lijst te wijzigen. Wel valt uit het verslag een bevestiging af te lezen van de veronderstelling dat het bestaan van de huidige btw-tariefverschillen niet zonder meer belemmerend werkt voor de goede werking van de interne markt.
Naast de EU-aspecten voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief tekenen zich langs de vorengeschetste hoofdlijnen (verenigbaarheid met fiscale systematiek en effectiviteitstoetsing) voor de eventuele overheveling van leveringen en diensten van het algemene naar het verlaagde btw-tarief uit milieu-, energiebesparings- en werkgelegenheidsoverwegingen enkele noties af12.
Zo geldt dat – in verband met het recht op aftrek van voorbelasting – alleen de consumptie door de niet btw-plichtige gebruiker (doorgaans de eindverbruiker) kan worden beïnvloed. Toepassing van een verlaagd btw-tarief ter stimulering van activiteiten van andere dan laatstgenoemde afnemers blijft zonder effect, omdat de in rekening gebrachte btw in die gevallen voor de afnemers aftrekbaar is.
In verband met het objectieve karakter (de heffing grijpt aan bij belastbare handelingen en niet primair bij personen) van de btw-systematiek dient de btw-verlaging voorts te zijn gekoppeld aan concreet omschreven categorieën goederen en diensten en niet aan categorieën ondernemers of branches. De afbakening van de prestaties waarvoor de btw-verlaging is bedoeld, zal niet altijd eenvoudig zijn. Te denken valt bij voorbeeld aan het vaststellen van de grens tussen reparatie-activiteiten en de levering van goederen zelf of van (belangrijke) onderdelen van die goederen.
De juistheid van de tarieftoepassing dient derhalve in de praktijk controleerbaar te zijn. Het gevaar is reëel dat een al dan niet met een reparatie samenhangende levering van goederen waarvoor het algemene tarief zou moeten gelden, wordt gepresenteerd als een laag belaste reparatie.
Ten slotte zal het voordeel voor de ondernemers van het met de btw-verlaging gemoeide additionele omzetpotentieel in voorkomende gevallen moeten opwegen tegen het nadeel van de daarmee gepaard gaande administratieve lastenverzwaring13. Dit geldt met name voor ondernemers die hun omzet grotendeels realiseren door prestaties waarop het algemene btw-tarief van toepassing is en blijft. Voor andere ondernemers, zoals kappers zal dit argument minder wegen als hun diensten onder het verlaagde btw-tarief worden gebracht.
Zoals wordt aangegeven in het Tweede Nationaal Milieubeleidsplan (Kamerstukken II 1993/94, 23 560), zullen voor het realiseren van beleidsdoelstellingen die zich vanuit milieu-oogpunt aandienen, in de komende tijd op een breed terrein forse inspanningen worden gevergd van overheid, bedrijven en particulieren. Deze inspanningen zijn mede gericht op het streven naar een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. De cyclus van produceren en consumeren zal moeten worden omgebogen. In de tijdens de vorige kabinetsperiode door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken uitgebrachte nota inzake produkt en milieu (Kamerstukken II 1993/94, 23 562) worden de lijnen aangegeven voor de ontwikkeling van een produktgericht milieubeleid. De hoofddoelstelling van dit beleid is te komen tot een situatie waarin marktpartijen – producenten, handel en consumenten voortdurend streven naar een vermindering van de milieubelasting van produkten.
Met de groeiende zorg om het milieu is het besef toegenomen dat mogelijkheden die de belastingheffing – met behoud van haar identiteit als fiscaal instrument – kan bieden ten behoeve van het milieubeleid, serieus moeten worden overwogen. In het vervolgrapport inzake fiscale instrumenten voor het milieubeleid (Kamerstukken II 1991/92, 22 779, nr. 1) wordt daarop nader ingegaan. Ik heb inmiddels een werkgroep ingesteld om mij te adviseren over mogelijkheden voor vergroening van het fiscale stelsel.
In het verleden is in specifieke gevallen de inzet van het prijsmechanisme door gebruikmaking van het belastinginstrumentarium een geschikt middel gebleken voor het stimuleren van om milieu-redenen gewenste produkten. Te denken valt aan de fiscale maatregelen ten gunste van met een katalysator uitgeruste auto's en de stimulering van ongelode benzine.
De Europese Commissie heeft de inzet van economische en fiscale instrumenten ten behoeve van een duurzame ontwikkeling in algemene zin genoemd in het in 1992 door de Europese Commissie gepresenteerde Vijfde Milieu Actie Programma van de EU14.
3.2. Het verlaagde btw-tarief en een produktgericht milieubeleid
Het belang van het verlaagde btw-tarief voor het stimuleren van milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten bestaat hierin, dat de btw in de fase van het consumptieve verbruik van goederen en diensten deel uitmaakt van de kostprijs voor de eindverbruiker. Naar de huidige tarieven en uitgaande van volledige doorberekening15 in de prijzen, brengt overheveling van het algemene tarief naar het verlaagde tarief voor de desbetreffende goederen en diensten een prijsverlaging mee van circa 10 % voor particulieren, voor niet tot aftrek van voorbelasting gerechtigde btw-ondernemers en voor de overheid. Voor genoemde afnemers zal deze lagere prijs voor het milieuvriendelijke produkt in het algemeen een stimulerend effect kunnen hebben ten opzichte van een niet-milieuvriendelijk alternatief. Uiteraard is de omvang van het initiële prijsverschil tussen het meer en het minder milieuvriendelijke produkt daarbij mede van belang.
Voor het hanteren van milieukwaliteitskenmerken bij de toepassing van het verlaagde btw-tarief geldt zowel uit fiscale overwegingen als uit milieu-oogpunt als één der vereisten dat de voor stimulering in aanmerking komende milieuvriendelijke goederen en diensten helder onderscheiden kunnen worden van hun minder milieuvriendelijke alternatieven. Uit milieu-oogpunt is het alleen zinvol die produkten extra aan te moedigen die met inachtneming van alle voor het milieu relevante factoren per saldo milieu-vriendelijker zijn dan eveneens verkrijgbare alternatieve produkten. In Bijlage II wordt nader ingegaan op enkele elementen en eerste suggesties op dit terrein. Deze nog uit te werken en andere nog opkomende suggesties zullen worden meegenomen en uitgewerkt – en afgestemd met de bewindslieden van andere departementen – in de werkzaamheden van de zogenoemde werkgroep vergroening van het fiscale stelsel.
Zoals in het Regeerakkoord wordt opgemerkt, is het tekort aan werkgelegenheid de belangrijkste zorg voor de Nederlandse regering. Teveel mensen verblijven in de wachtkamer van de arbeidsmarkt, komen al op (te) jonge leeftijd buiten het arbeidsproces te staan, of worden geheel niet door de arbeidsmarkt opgenomen. Geen middel mag onbeproefd blijven om dit probleem aan te pakken.
In die lijn is zowel in de Kamer als bij het kabinet de gedachte opgekomen ook het btw-instrument mede dienstbaar te maken aan het werkgelegenheidsbeleid. Daarbij zouden ter uitbreiding van de werkgelegenheid in de desbetreffende sectoren arbeidsintensieve diensten goedkoper moeten worden gemaakt door deze onder het verlaagde btw-tarief te brengen. Het begrip arbeidsintensieve diensten – in feite een verzamelbegrip – is als zodanig echter uit fiscaal oogpunt moeilijk hanteerbaar16.
Voor het nodige houvast bij de concrete afbakening van de term arbeidsintensieve diensten is het volgende van belang. Btw-verlaging zal het meest effectief zijn in sectoren van dienstverlening met een lage materiaal- en een hoge loon-component en waar een lager arbeidstarief direct of tenminste op korte termijn nieuwe werkgelegenheid zal opleveren. Dit impliceert tevens dat het veelal diensten zal betreffen waar geen hoogwaardige specialisatie voor nodig is. Voor specialistische dienstverlening is het arbeidsaanbod immers weinig elastisch, terwijl het gezien de schaarsheid van geschikt personeel, benodigde studietijd e.d. ook slechts op de langere termijn te beïnvloeden is. Als bij voorbeeld echter een glazenwasser zijn diensten goedkoper kan aanbieden, mag aangenomen worden dat dit ook in de particuliere sfeer tot omzetvergroting kan leiden. Die omzetvergroting zou kunnen leiden tot personeelsuitbreidingen.
Voorts geldt uiteraard dat bij een btw-verlaging voor deze diensten de in paragraaf 2.4 geschetste voorwaarden in acht dienen te worden genomen. Zo zal het nastreven van btw-verlaging voor diensten jegens afnemers die de hun in rekening gebrachte btw kunnen aftrekken, niet het beoogde resultaat hebben. Voor een aftrekgerechtigde ondernemer maakt het van uit de invalshoek van vraagstimulering bij voorbeeld niet uit of een glazenwasser 6% of 17,5% btw berekent: de ondernemer kan zijn btw-voordruk toch verrekenen.
Op nationaal niveau heeft na oriënterend overleg met het bedrijfsleven een eerste klein onderzoek voor een aantal sectoren enige duidelijkheid gebracht over de mogelijke effecten van een tariefverlaging. Van het Centraal Planbureau (CPB) is een eerste doorrekening verkregen van de effecten van toepassing van het verlaagde btw-tarief op de direct aan de dienstverlening gerelateerde arbeidslooncomponent voor kappers- en schildersbedrijven en de reparatiesector voor gebruiksgoederen. Volgens het CPB zou een dergelijke btw-verlaging – zonder compensatie van de budgettaire derving ad f 400 mln via verhoging van de btw-tarieven of van het belastingdeel van de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting – 1850 arbeidsjaren opleveren (het zogenoemde directe effect). Vindt bedoelde compensatie wèl plaats, dan zal het totale werkgelegenheidseffect aanzienlijk geringer zijn, maar nog wel positief. Als men tentatief rekening houdt met de verschuiving van het «zwarte» naar het formele circuit, zou het werkgelegenheidseffect weer uitkomen in de orde van grootte van het directe effect.
Op grond van deze gegevens is een eerste, zij het divers, beeld verkregen van de gevolgen van de toepassing van het verlaagde btw-tarief in de sfeer van de arbeidsintensieve diensten. Van deze toepassing valt een positief, maar bescheiden, effect op de werkgelegenheid te verwachten. De budgettaire derving per gecreëerde arbeidsplaats is echter aanzienlijk. Naarmate met dit middel tevens andere beleidsdoeleinden worden bevorderd, neemt het belang van de desbetreffende maatregel echter toe. Ik wijs daarbij op de schoen- en kledingherstellingsdiensten, waar behalve het werkgelegenheidsaspect ook het milieuvriendelijke karakter van de diensten een rol speelt. Door het stimuleren van reparatie-activiteiten wordt met betrekking tot schoenen en kleding immers bijgedragen aan de bestrijding van het wegwerp-karakter daarvan. Voorts speelt enerzijds de technologische innovatie bij kleding- en schoenreparaties vanuit milieu-oogpunt een minder prominente rol dan bij andere duurzame consumptiegoederen, terwijl anderzijds substantiële afbakeningsproblemen ten opzichte van leveringen van goederen bij deze dienstverleners minder zijn te verwachten. Daarbij komt ook nog dat de desbetreffende diensten een bijzondere categorie vormen, omdat deze tot 1993 in Nederland aan het verlaagde btw-tarief waren onderworpen17.
Bij een nadere analyse zullen ook bijkomende belangen, zoals het belang van de verschuiving van de lastendruk van arbeid naar milieu en de ontmoediging van de informele economie, nader dienen te worden gewogen alvorens kan worden besloten tot een pleidooi voor toepassing van het verlaagde btw-tarief op bepaalde specifieke arbeidsintensieve diensten. Op de uitkomst van deze weging kan ik thans niet vooruitlopen. De eerste beschikbare CPB-gegevens inzake kappers- en schildersbedrijven en de reparatiesector voor gebruiksgoederen kunnen dienen als basis voor een verdere verdieping van de relevante aspecten en effecten (kosten/baten) van de toepassing van het verlaagde btw-tarief op arbeidsintensieve diensten. Opzet daarbij is te komen tot een scherpere selectie en afbakening van (deel-) sectoren met de grootste effectiviteitswaarde teneinde een zo efficiënt mogelijk btw-pakket te kunnen definiëren dat – zoals in paragraaf 1.2 over CPB-exercities is aangegeven – in breder verband in een kosten/baten-kader kan worden afgewogen tegen de effecten van andere maatregelen. De resultaten hiervan kunnen tevens van invloed zijn op en bijdragen aan in EU-verband te entameren overleg en onderzoek. Ook bij dat verdere onderzoek zullen het bedrijfsleven en andere departementen worden betrokken.
Lijst van de Leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde BTW-tarieven mogen worden toegepast
Bij de omzetting in nationale wetgeving van de onderstaande categorieën waarin aan goederen wordt gerefereerd, mogen de Lid-Staten voor de vaststelling van de juiste omschrijving van de betrokken categorie gebruik maken van de gecombineerde nomenclatuur.
| Categorie | Omschrijving |
|---|---|
| 1 | Levensmiddelen (met inbegrip van dranken, maar met uitsluiting van alcoholhoudende dranken) voor menselijke en dierlijke consumptie; levende dieren, zaaigoed, planten en ingrediënten welke gewoonlijk bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen; produkten die gewoonlijk bestemd zijn ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen. |
| 2 | Waterdistributie. |
| 3 | Farmaceutische produkten van een soort die gewoonlijk gebruikt wordt voor de gezondheidszorg, het voorkomen van ziekten of voor medische en veterinaire behandelingen, met inbegrip van voorbehoedsmiddelen en produkten bestemd voor de hygiënische bescherming van de vrouw. |
| 4 | Medische uitrusting, hulpmiddelen en andere apparaten, welke gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps, voor uitsluitend persoonlijk gebruik door gehandicapten, met inbegrip van de herstelling daarvan, en kinderzitjes voor motorvoertuigen. |
| 5 | Vervoer van personen en de bagage die zij bij zich hebben. |
| 6 | Levering van boeken ook bij uitlening door bibliotheken (met inbegrip van brochures, folders en soortgelijk drukwerk, platen-, teken- en kleurboeken voor kinderen, muziekpartituren – gedrukte of geschreven –, landkaarten en hydrografische en soortgelijke kaarten), kranten en tijdschriften, voor zover niet uitsluitend of hoofdzakelijk reclamemateriaal. |
| 7 | Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen. |
| Ontvangst van radio- en televisie-uitzendingen. | |
| 8 | Diensten door en auteursrechten voor schrijvers, componisten en uitvoerende kunstenaars. |
| 9 | Levering, bouw, renovatie en verbouwing van in het kader van het sociaal beleid verstrekte huisvesting. |
| 10 | Levering van goederen en diensten welke normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw, met uitzondering evenwel van kapitaalgoederen zoals machines of gebouwen. |
| 11 | Door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip, van het verstrekken van vakantie-accommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken. |
| 12 | Het verlenen van toegang tot sportevenementen. |
| 13 | Het recht gebruik te maken van sportaccommodaties. |
| 14 | Levering van goederen en dienstverrichtingen door organisaties die door de Lid-Staten als liefdadige instellingen zijn erkend en die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid, voor zover deze prestaties niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 13. |
| 15 | Diensten verstrekt door lijkbezorgers en crematoria, alsmede de daarmee verband houdende levering van goederen. |
| 16 | Verstrekking van medische en tandheelkundige verzorging, alsmede thermale behandeling, voor zover deze niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 13. |
| 17 | Diensten in verband met reiniging van de openbare weg, ophalen van huisvuil en afvalverwerking andere dan de diensten die worden verstrekt door de in artikel 4, lid 5, bedoelde lichamen. |
MILIEU
In deze bijlage wordt een aantal opties voor een verlaagd btw-tarief voor milieuvriendelijke goederen en diensten gerubriceerd en voorzien van enkele kanttekeningen. Het accent valt daarbij op die milieuvriendelijke goederen en diensten die niet reeds aan de orde zijn in de algemene discussie over arbeidsintensieve diensten; de fietsenmakers en de schoenherstellers worden hier dus niet opnieuw vermeld. De onderwerpen van deze bijlage zullen aan de Werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel ter nadere advisering worden voorgelegd.
Deze milieukeur is sinds 1992 in werking op basis van een communautaire verordening18. Een produkt dat op grond van deze verordening in aanmerking kan komen voor een Europese milieukeur wordt in de zogenoemde integrale ketenbenadering bezien op alle milieu-aspecten van zijn levenscyclus: produktie, distributie, gebruiksmogelijkheden, bijprodukten en verwijdering.
Ingevolge de verordening wordt op het desbetreffende produkt of de verpakking daarvan een logo aangebracht. Via een separaat register kan controle plaatsvinden op het juiste gebruik van dat logo 19. Op deze wijze kunnen de voor het milieukeur in aanmerking komende produkten desgewenst ten behoeve van de btw-heffing ook nationaal, zowel fysiek als administratief, worden onderscheiden van de overige produkten.
Toepassing van het verlaagde BTW-tarief op alle produkten die het Europese milieukeur hebben kan worden overwogen. Een bezwaar van die mogelijkheid is dat in dat geval niet te voren kan worden overzien op welke produkten dat tarief van toepassing wordt. De lijst van produkten met het Europees milieukeur wordt immers geleidelijk uitgebreid en het initiatief ligt hier voor een deel bij de fabrikanten. Het is dus niet bij voorbaat te zeggen of het verlaagde tarief dan van toepassing wordt op produkten die in het nationale milieubeleid ook het meest van belang zijn. Het is zelfs denkbaar dat milieuvriendelijke produkten die in het nationale milieubeleid van groot belang zijn niet onder het Europese systeem komen en andere, minder belangrijke, juist wel. Budgettair komt deze optie bovendien feitelijk neer op een open einde regeling. In de praktijk zal het moeilijk zijn om nationaal weer een onderscheid te (mogen) maken tussen produkten met Europees milieukeur die nationaal wèl, en die nationaal niet onder het verlaagde tarief worden gebracht; dit zou weer een nationale dimensie introduceren in een Europees geharmoniseerde milieukeuring. Ook is dan het concurrentie-aspect tussen de lid-staten niet voldoende afgedekt. Wellicht zou de koppeling aan het verlaagde tarief van een produkt met een Europees milieukeur een afzonderlijke Europese beslissing per produkt moeten zijn.
De uiteindelijke besluitvorming rond het milieukeur berust bij de Raad van de EU. Deze zal ook de handelspolitieke aspecten van de koppeling EU-milieukeur-facultatieve lijst is ogenschouw moeten nemen. Hierbij is het volgende van belang.
Ingevolge de Europese milieukeur-verordening komen uit de EU afkomstige produkten voor het verkrijgen van een EU-milieukeur in aanmerking onder dezelfde voorwaarden en via dezelfde procedure als produkten uit derde landen. Deze omstandigheid kan echter als zodanig niet zonder meer tot de conclusie leiden dat koppeling van de EU-milieukeur aan de mogelijkheid tot toepassing van het verlaagde btw-tarief verenigbaar is met het algemene kader van de wereldwijde handelspolitieke afspraken. Derde landen of producenten uit derde landen zouden zich in GATT/WTO verband op het standpunt kunnen stellen dat zij van de koppeling van het verlaagde btw-tarief aan de EU-milieukeur een onevenredig nadeel ondervinden, bij voorbeeld omdat de industriële structuur en regelgeving op milieugebied ter plaatse afwijken van de Europese situatie20.
Alvorens in de Ecofin-Raad kan worden besloten omtrent het opnemen van de EU-milieukeur in de facultatieve lijst, lijkt voorafgaand overleg in GATT/WTO-kader dus noodzakelijk.
Het Europese milieukeur kan thans met name worden verleend aan vaatwassers en wasmachines21. Juist voor dit type dure consumentenprodukten kunnen grenseffecten aan de orde zijn indien deze in aangrenzende landen aan sterk verschillende btw-tarieven zijn onderworpen, zodat het bezwaar van concurrentieverstoring snel zal worden opgebracht door één van de lid-staten. Mogelijk zou de regeling, vanwege de uitvoeringskosten, ook nadelig kunnen uitwerken voor kleinere ondernemers.
Voorts moet bedacht worden dat een btw-verlaging ook een vergroting van de vraag naar de desbetreffende produktsoort kan veroorzaken. Het is niet bij voorbaat te zeggen dat een verdere penetratie van bij voorbeeld vaatwassers, ook al zouden dit relatief milieuvriendelijke zijn, per saldo gunstig voor het milieu is.
De uitvoeringsaspecten van een koppeling van een verlaagd btw-tarief aan het Nederlandse milieukeur22 zijn in beginsel dezelfde als die van een koppeling aan het Europese milieukeur. Theoretisch is dit dus mogelijk. In Europees verband zal deze optie (nog) moeilijker liggen dan een koppeling aan het Europese milieukeur, omdat er dan in het geheel geen Europese harmonisatie in de keuze van produkten en criteria plaatsvindt en de beïnvloeding van concurrentieverhoudingen dus onvoorspelbaar is. Voorts gelden voor deze optie dezelfde kanttekeningen als bij de koppeling aan het Europese milieukeur, zij het dat dan wel nationaal een budgettaire afbakening kan worden gemaakt. Indien wel een koppeling aan het Europese milieukeur zou worden gerealiseerd maar niet aan het Nederlandse milieukeur, zou kunnen worden gezegd dat de relatieve waarde van het Nederlandse milieukeur afneemt.
De energiezuinigheid is één van de relevante meetpunten van de integrale ketenbenadering die bij de toekenning van het Europese milieukeur wordt gehanteerd. Als toepassing van het verlaagde btw-tarief wordt gekoppeld aan de Europese milieukeur zal dan ook minder aanleiding bestaan tot stimulering op grond van energiezuinigheid alleen. Aldus zou immers – anders dan in de integrale ketenbenadering – aan één schakel van de integrale milieuketen doorslaggevende betekenis worden toegekend.
Ingeval evenwel de koppeling van het verlaagde btw-tarief aan de EU-milieukeur niet wenselijk of niet haalbaar zou blijken, kan vanuit energiebesparingsoogpunt aan de orde komen om enkele energiebesparende produkten voor toepassing van het verlaagde btw-tarief in aanmerking te laten komen. Te denken valt hierbij aan spaarlampen, zonne- en warmtepompboilers23, foto-voltaïsche zonne-energie-installaties24 en gekeurde HR-ketels25. Omdat het hier om goederen gaat zullen aspecten van concurrentieverstoring een snelle overeenstemming over uitbreiding van de facultatieve lijst in de weg kunnen staan. Juist indien de prijsverlaging extra vraag zou uitlokken, en een BTW-verlaging dus effectief is, is dit aspect aan de orde. Zo zou een afstandsverkoper in een land met een verlaagde tarief wellicht interessante zaken kunnen doen met de burgers in een land waar dat nog niet het geval is. Omdat in deze optie het verlaagde tarief niet gekoppeld kan worden aan een reeds bestaande administratieve procedure, zoals bij een koppeling aan het Europese milieukeur wel het geval zou zijn, zouden door afbakeningsproblemen de uitvoeringskosten uiteraard hoger uitvallen.
Containers voor gescheiden afval-inzameling
Vooruitlopend op de uitkomst van de discussie over de EU-milieukeur wordt voor containers voor de centrale gescheiden inzameling van afval, zoals glasbakken e.d., vermelding op de facultatieve lijst wel bepleit. Zoals al is meegedeeld in het vervolgrapport inzake fiscale instrumenten voor het milieubeleid, kan dit mogelijk effect hebben bij aanschaf door gemeenten, aangezien deze de hun terzake in rekening gebrachte btw niet kunnen aftrekken. Anderzijds zijn de ontwikkelingen op het gebied van gescheiden inzameling reeds dermate ver gevorderd en voor een groot deel ook wettelijk verplicht, dat de effectiviteit van deze optie niet groot zal zijn. Mogelijk zou dit anders liggen voor compostbakken voor particulieren, zij het dat gemeenten hiervoor soms reeds een lokale stimuleringsregeling kennen.
Andere milieuvriendelijke diensten
Naast reparatiebedrijven kan de aandacht vanuit milieu-oogpunt in de nadere studies ook uitgaan naar onder meer bedrijven die gebruiksgoederen verhuren («gedeeld bezit» als alternatief voor levensduurverlenging via reparatie), hoveniersbedrijven en bedrijven die actief zijn op het gebied van hergebruik, zoals de bandenvernieuwingsbedrijven, zeker voor zover ook sprake is van arbeidsintensieve sectoren.
Richtlijn nr. 92/77/EEG van de Raad van de Europese Unie van 19 oktober 1992, PbEG L 316. Deze richtlijn bevat de tariefbepalingen die in de Zesde btw-richtlijn zijn opgenomen.
Voor een separaat verslag van de vergadering van de Ecofinraad op 10 juli jl. wordt verwezen naar de brief van de Minister van Financiën van 18 juli jl. aan de Voorzitter aan de Tweede Kamer.
Zie onder meer par. 4.1. en voetnoot 16 en de opmerkingen ter zake van het EuropeesMilieukeur in Bijlage II.
Tijdens het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Financiën op 8 juni jl. (Kamerstukken II, 1994–95, 23 900 IXB, nr. 24, blz. 7.
Het gaat hierbij het milieu- en werkgelegenheidsaspect voor veel lid-staten om geheel nieuwe doeleinden van de btw.
Dit schept al direct een moeizaam theoretisch spanningsveld. Indien een btw-verlaging immers effectief is om werkgelegenheid te scheppen of consumptie te sturen, is kennelijk sprake van een grote prijsgevoeligheid van de desbetreffende goederen en diensten. Daardoor is het in een aantal gevallen moeilijk te beargumenteren dat geen grensoverschrijdende gevolgen zouden kunnen ontstaan. Met name voor zover het gaat om relatief dure consumptiegoederen – in het kader van milieuvriendelijke c.q. energiebesparende produkten valt te denken aan HR-ketels – zullen particulieren daarvoor de binnengrenzen van de EU overschrijden en is het bovendien ook goed mogelijk om via de regeling van afstandsverkopen een laag btw-tarief in het ene land «te gelde» te maken in een ander land. In voorkomend geval zal dan de marktwerking lid-staten tot btw-verlaging kunnen dwingen, wat de lid-staten ook weer huiverig kan maken.
Zoals de Europese Commissie oorspronkelijk voor ogen stond bij de indiening van de ontwerp-btw-tariefrichtlijn; een aanpak die bij de bespreking daarvan door de lid-staten niet haalbaar is gebleken.
Als regel worden diensten geacht te zijn verricht op de plaats waar de dienstverlener is gevestigd. De vraag is wel – verwezen kan worden naar de klachten van benzinepomphouders in de grensstreken – of een btw-tariefsverschil van ca. 10% voor bijvoorbeeld garages niet leidt tot aanzienlijke grensoverschrijdende concurrentieverstoring. Voor diensten aan onroerende goederen (bijvoorbeeld schilderwerk) geldt dat de heffing plaatsvindt in het land waar het onroerend goed is gelegen. Dit kan derhalve bij grensoverschrijdende dienstverlening niet leiden tot concurrentieverstoring, wel tot controleproblemen.
Raad en Commissie verklaarden dat bij het heronderzoek van de werkingssfeer van de verlaagde tarieven bijzondere aandacht zal worden geschonken aan leveringen van milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten en dat daarbij in elk geval concurrentieverstoringen en wijzigingen in het algemene tarievensysteem zullen worden voorkomen.
Deze noties stemmen goeddeels overeen met hetgeen is geformuleerd in het op 4 september 1992 aan de Tweede Kamer aangeboden vervolgrapport inzake fiscale instrumenten voor het milieubeleid (Kamerstukken II 1991/92, 22 779, nr. 1). Daarbij ging het om de toetsing van de eventuele invoering van een milieucriterium in de btw.
Bedoelde extra administratieve lasten vloeien voort uit het feit dat de ondernemers – in alle schakels van de ondernemersketen – bij hun btw-afdracht meer dan voorheen zullen worden geconfronteerd met afdracht naar twee tarieven in plaats van naar één tarief. Ten behoeve van de aangifte zal de met btw belastbare omzet daarbij moeten worden gesplitst in een naar het algemene tarief te belasten deel en een naar het verlaagde tarief te belasten deel.
Of voor een bepaald goed of een bepaalde dienst in de praktijk inderdaad een volledige doorberekening van de tariefsverlaging naar de consument zal plaatsvinden, is afhankelijk van de prijselasticiteit.
Ook gelet op het belang van een eenduidige tarieftoepassing in de lid-staten van de EU is het begrip arbeidsintensieve diensten door zijn open karakter ongeschikt om als zodanig op de facultatieve lijst bij de btw-tariefrichtlijn te worden vermeld. Daardoor zou de nationale besluitvorming inzake de voor stimulering in aanmerking komende diensten tot (te) grote divergenties kunnen leiden.
De budgettaire derving van overheveling van kleding- en schoenreparaties naar het verlaagde btw-tarief bedraagt circa f 25 mln.
Verordening (EEG) nr. 880/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 maart 1992 (PbEG L 99).
Zo worden bij toekenning van een EU-milieukeur in elk geval de naam van produkt en fabrikant of importeur van het produkt, alsmede de redenen en de ter zake doende gegevens op grond waarvan de EU-milieukeur is toegekend, openbaar gemaakt.
Ook zonder koppeling aan een verlaagd BTW-tarief hebben recentelijk vastgestelde criteria voor de verlening van een EU-milieukeur voor keukenrollen en wc-papier al kritiek ontmoet bij papier- en pulpfabrikanten uit de Verenigde Staten, Canada en Brazilië.
Andere produktgroepen waarvoor de eisen zijn gesteld en gepubliceerd zijn bodemverbeteraars, toiletpapier en keukenrollen. Verwacht wordt de publikatie voor verf, wasmiddelen en lichtbronnen.
Door de Stichting Milieukeur zijn certificatieschema's gepubliceerd voor de produktgroepen schrijfpapier, verf, koel- en vriesapparatuur, kattebakvulling, koffiezetapparaten, lichtbronnen, stoelen, CV-ketels en combitoestellen, douchekoppen, toiletpapier, kopieerpapier, kettingpapier, TV-toestellen, schoeisel, schrijfgerei, ringbanden, ordners, kleding/textiel en gordijnen en vitrages.
Een warmtepompboiler is een energiebesparende warmwatervoorziening waarbij gebruik wordt gemaakt van een warmtepomp. Een warmtepomp is een apparaat dat laagwaardige warmte (bij voorbeeld schoorsteenwarmte) opwaardeert naar hoogwaardige warmte (bij voorbeeld huiskamerwarmte).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24323-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.