Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 30674 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 30674 nr. B |
Vastgesteld 2 oktober 2007
Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de fracties van VVD en SP hebben met belangstelling kennis genomen van dit voorstel tot wijziging van de Militaire Ambtenarenwet (MAW) en intrekking van de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht.
De leden van de VVD-fractie stellen dat in het wetsvoorstel de verplichtingen en beperkingen van militairen verder worden aangescherpt en de individuele vrijheden van militairen worden ingeperkt. Hierdoor wordt de bijzondere positie van de militair bevestigd. De spanning tussen de plichten van de militair en zijn rechten als werknemer neemt echter toe. Hoe groot deze spanning in de praktijk zal zijn hangt voor een belangrijk deel af van de uitwerking van de wet in het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en andere rechtspositionele regelgeving.
Is de minister het met de leden van de VVD-fractie eens dat het verder aanscherpen van de verplichtingen en de beperkingen van de individuele vrijheden van militairen synchroon zou moeten lopen met het aanscherping van de zorgplicht van de Nederlandse staat als werkgever jegens haar militairen?
Indien de minister dit standpunt van de leden van de VVD-fractie deelt, hoe denkt de minister hieraan concreet invulling te geven, c.q. welke maatregelen zal de minister voorstellen om de zorgplicht van de Nederlandse Staat jegens haar militairen aan te scherpen? Indien de minister het standpunt van de leden van de VVD-fractie niet deelt, kan de minister aangeven waarom niet?
Positie van individuele militairen in het internationaal rechtsverkeer
Eenheden van de krijgsmacht, maar ook individuele militairen, worden regelmatig ingezet in wisselende multinationale verbanden. Een aspect waarover bij de leden van de VVD-fractie een groeiende onzekerheid bestaat, is de positie van individuele militairen in het internationale rechtsverkeer. Deze onzekerheid wordt gevoed door een aantal recente voorvallen waarbij de Nederlandse regering slechts schoorvoetend de verantwoordelijkheid aanvaardt die zij heeft voor uitgezonden militairen die schade hebben geleden in de uitoefening van hun werkzaamheden tijdens operaties in multinationaal verband.
Deelt de minister de mening van de leden van de VVD-fractie, dat ook indien Nederlandse militairen worden ingezet onder de verantwoordelijkheid van een niet Nederlandse multinationale of bondgenootschappelijke militair-strategische autoriteit, dit Defensie niet ontslaat van de eigen verantwoordelijkheid om, naast de van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, binnen de grenzen van het redelijke, alles in het werk te stellen om de militair te beschermen en te voorkomen dat hij schade lijdt bij de uitoefening van zijn werkzaamheden?
Zo ja, hoe denkt de minister concrete invulling te geven aan deze eigen verantwoordelijkheid tijdens de voorbereiding, de uitvoering en de nazorg van operaties onder de verantwoordelijkheid van een niet Nederlandse multinationale of bondgenootschappelijke autoriteit?
Indien de minister niet de mening van de leden van de VVD-fractie deelt kan de minister aangeven waarom niet?
Uit berichten in de pers blijkt dat Defensie de mogelijkheden onderzoekt om burgerpersoneel in te zetten in missiegebieden. Het zou hierbij voornamelijk gaan om logistiek – onderhoud- en beveiligingspersoneel. Tevens constateren de leden van de VVD-fractie een duidelijke trend dat de verplichtingen en beperkingen van burgerambtenaren bij defensie steeds verder opschuiven in de richting van verplichtingen die gelden voor militairen. Stapsgewijs worden steeds meer geboden en verboden die voor militairen gelden ook van toepassing verklaard voor burgerambtenaren bij Defensie (stakingsverbod, gedragsregels etc.). Uit persberichten blijkt voorts dat de minister de Adviesraad Internationale Vraagstukken heeft verzocht om te onderzoeken of ook civiele Contractors ingezet kunnen worden voor het uitvoeren van onder meer onderhoud- en beveiligingstaken in missiegebieden.
De leden van de VVD-fractie vragen de minister of hij kan bevestigen dat er een trend bestaat om in toenemende mate burgerambtenaren van Defensie uit te zenden naar missiegebieden? Zo ja, betreft het hier een tijdelijke trend of is er sprake van een structurele trend?
Als er sprake is van een structurele trend, wordt dit dan (mede) veroorzaakt door een scheefgroei in het functiebestand tussen functies voor militairen en functies voor burgerambtenaren in de zin dat er onvoldoende functies voor militairen zijn opgebracht? Zo ja, is de minister dan voornemens om de verdeling van het functiebestand tussen militaire- en burgerfuncties te herzien?
Wat is de officiële visie die hieraan ten grondslag ligt?
De leden van de VVD-fractie vragen wat de status is van burgerambtenaren in het missiegebied en op welke wijze is deze in de wet verankerd?
Wordt de wens van de minister om ook civiele Contractors in zetten in missiegebieden uitsluitend ingegeven door financiële overwegingen en/of tijdelijke krapte aan bepaalde categorieën personeel, of is deze wens gebaseerd op een onderliggende visie? Zo ja, wat is deze onderliggende visie?
De Wet dient mede de uitstroom van militaire ambtenaren naar civiele functies te bevorderen. Daartoe is de staatssecretaris onder meer van plan flankerend beleid te voeren in de vorm van onder andere een persoonlijk ontwikkelingsplan, een elektronisch portfolio en een communicatieoffensief. De leden van de SP-fractie vragen hoe het staat met de invoering hiervan? Kan in redelijkheid worden aangenomen dat dit flankerend beleid volledig functioneert op het moment dat de wet gewijzigd wordt?
De staatssecretaris stelt dat het flankerend beleid dat de uitstroom van militaire ambtenaren naar civiele functies moet bevorderen «budgettair neutraal zal uitwerken» doordat ambtenaren langer in dienst zullen blijven. De leden van de SP-fractie vragen de staatssecretaris of hij een idee kan geven van de uitgaven die hij aan dit beleid wil uitgeven (en daarmee wil besparen doordat ambtenaren langer in dienst blijven)?
Tijdens het debat in de Tweede Kamer over de MAW op 14 juni 2007 stelt de staatssecretaris dat huidige militairen wel kunnen profiteren van de voordelen van de het flexibele personeelssysteem, «maar gevrijwaard zullen blijven van de eventuele negatieve effecten». De leden van de SP-fractie vragen aan welke mogelijke negatieve effecten daarbij gedacht moet worden?
Verder spreekt de staatssecretaris in hetzelfde debat de verwachting uit dat door het invoeren van een flexibel personeelssysteem «militairen gemiddeld langer in dienst zullen blijven». Waarop stoelt deze verwachting en hoe verhoudt zij zich met het doel van de wet om ook de uitstroom van militair personeel te bevorderen?
In artikel 1b van de wet staat dat de minister onder buitengewone omstandigheden af kan wijken van wat er in de wet is vastgelegd is. Artikel 1b betreft een nieuw artikel in de wet. De leden van de SP-fractie vragen wat de motivatie is om dit artikel op te nemen? In welk concreet opzicht schiet de huidige regelgeving rond algemene en beperkte noodtoestand te kort? Aan wat voor soort situaties waarin de minister van de wet kan afwijken moet concreet gedacht worden?
Vertrouwende, dat deze vragen volledig en tijdig zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Samenstelling:
Van den Berg (SGP), Van der Linden (CDA), Dupuis (VVD), Rosenthal (VVD), Ten Hoeve (OSF), De Graaf (VVD), voorzitter, Vedder-Wubben (CDA), Kox (SP), Russell (CDA), 1e vice-voorzitter, Schouw (D66), Van Driel (PvdA), Eigeman (PvdA), Franken (CDA), Thissen (GL), Van Kappen (VVD), De Boer (CU), K.G. de Vries (PvdA), Willems (CDA), Haubrich-Gooskens (PvdA), Hillen (CDA), Smaling (SP), 2e vice-voorzitter, Koffeman (PvdD), Böhler (GL), Strik (GL), Kuiper (CU), Elzinga (SP) en Vliegenthart (SP).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-20072008-30674-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.