nr. 164
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 18 december 1995
Conform mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg met de vaste commissie
voor Justitie en de algemene commissie voor de Rijksuitgaven van 13 december
jongstleden (19 637/24 440, nr. 163) treft u bijgaand de antwoorden
aan op twee vragen van het lid Dittrich.
1. De heer Dittrich heeft gevraagd of de contactambtenaren van de IND
niet in alle gevallen aan het eind van de dag de op die dag afgenomen nadere
gehoren zouden kunnen uitwerken. Naar de mening van de heer Dittrich zou dit
de kwaliteit van de rapporten van gehoor kunnen verbeteren.
De wijze en het moment van uitwerken van rapporten van gehoor door de
contactambtenaren is binnen de IND overgelaten aan de districten zelf. Thans
werken de districten Noord-West en Noord-Oost volgens de wijze die de heer
Dittrich voorstelt. Ook in de OC-experimenten in Schalkhaar en Oisterwijk
is dat het geval. Ik wil bezien of het zinvol is om ook in de overige districten
op dezelfde werkwijze over te stappen. Belangrijker is echter de vraag of
de rapporten van gehoor de kwaliteitstoets kunnen doorstaan. Inmiddels zijn
binnen de IND kwaliteitsnormen voor het nader gehoor vastgesteld. Bovendien
worden alle contactambtenaren middels een opleiding bij het Koninklijk Instituut
voor de Tropen verder bijgeschoold. Voorts wijs ik erop dat binnen het NTOM
de rechtshulpverlener en de asielzoeker de gelegenheid hebben om binnen een
bepaalde termijn eventuele correcties en aanvullingen op het rapport van gehoor
aan te brengen, die bij de beoordeling van het asielverzoek worden betrokken.
2. Verder heeft de heer Dittrich gevraagd of ik nader wilde ingaan op
de vermeende geringe effectiviteit van het uitvoeren van adrescontroles door
de vreemdelingendienst, als middel om na te gaan of een vreemdeling daadwerkelijk
het land heeft verlaten.
Vreemdelingen van wie is vastgesteld dat zij niet of niet langer in Nederland
mogen blijven, krijgen in beginsel de gelegenheid het land op
eigen gelegenheid te verlaten. Daarbij wordt ter voldoening aan art. 24 van
de Vreemdelingenwet een redelijke termijn (doorgaans 4 weken) gegund, behoudens
in de gevallen waarin het belang van de openbare orde, de openbare rust of
de nationale veiligheid zich daartegen verzet. Ik acht het van groot belang
dat na het verstrijken van die redelijke termijn wordt nagegaan of de vreemdeling
nog op het laatst bekende adres verblijft. Is dat het geval, dan zal worden
overgegaan tot gedwongen verwijdering. Is dat niet het geval, dan wordt dit
geregistreerd. Hoewel een dergelijke controle geen absolute garantie biedt
dat een vreemdeling werkelijk het land heeft verlaten, zou het achterwege
laten van deze controles naar mijn mening afbreuk doen aan de geloofwaardigheid
van het vreemdelingentoezicht en van het verwijderingsbeleid. Daarnaast is
de adrescontrole ook van belang als ijkpunt om vast te kunnen stellen of nadere
maatregelen genomen kunnen en moeten worden in het kader van de toepassing
van de regeling «beëindiging ROA-verstrekkingen documentloze asielzoekers».
De Staatssecretaris van Justitie,
E. M. A. Schmitz