Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 19637 nr. 163 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 19637 nr. 163 |
Vastgesteld 19 december 1995
De vaste commissie voor Justitie1 en de algemene commissie voor de Rijksuitgaven2 hebben op 13 december 1995 overleg gevoerd met staatssecretaris Schmitz van Justitie over het asielbeleid (voortzetting van het algemeen overleg d.d. 6 december 1995).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies in tweede termijn
De heer Van Oven (PvdA) constateerde dat het door hem geformuleerde uitgangspunt dat Nederland gebonden blijft aan het beginsel dat bescherming moet worden geboden aan personen die worden vervolgd of die met het oog op het Verdrag van Rome niet naar het land van herkomst kunnen worden teruggestuurd niet is weersproken en kamerbreed wordt gedeeld.
Verwijzende naar zijn opmerkingen over een wenselijke bufferruimte, die op korte termijn benut kan worden om pieken op te vangen, vroeg de heer Van Oven of (een deel van) de meevaller van 195 mln. op het terrein van het asielbeleid niet kan worden gebruikt ten behoeve van zo'n bufferruimte.
Hij herhaalde zijn vraag of de landsadvocaat de procureur-generaal van de Hoge Raad al eens heeft gesuggereerd cassatie in belang der wet uit te lokken. Ziet de staatssecretaris aanleiding om zelf ook eens met de procureur-generaal van de Hoge Raad over het instituut cassatie in belang der wet van gedachten te wisselen?
Waarom is het aangekondigde plan van aanpak voor de verwerking van de hoge instroom in 1994 niet opgenomen in het stappenplan? Het beleid is erop gericht om eerst de inkomende asielverzoeken af te doen en pas als er ruimte is de achterstanden weg te werken. Een versnelling van de afdoeningsprocedure leidt echter niet tot een afdoende oplossing van de «prop 1994» op korte termijn.
De heer Van Oven zei nogmaals dat de gemiddelde doorlooptijd van 31 maanden bij de Raad van State nog steeds alle aandacht behoeft, vooral ook omdat deze termijn gevaarlijk dicht in de buurt van de driejarentermijn komt. Het leek hem raadzaam de aandacht te richten op verkorting van die termijn in plaats van te gaan sleutelen aan de driejarennorm. Laatstgenoemd onderwerp zal ongetwijfeld uitgebreid aan de orde komen als het beleidsdocument van de staatssecretaris over het asielbeleid aan de orde is.
De Kamer is indertijd akkoord gegaan met een terughoudend VVTV-beleid. Door uitspraken van de rechterlijke macht is nu meer duidelijkheid ontstaan wat betreft een aantal met name genoemde landen, zij het dat naar de mening van de heer Van Oven ook bij verwijdering naar deze landen uiterste behoedzaamheid blijft geboden. Een terughoudend VVTV-beleid lost echter de problemen niet op, omdat er nog steeds vluchtelingen zijn die beleidsmatig of technisch niet verwijderbaar zijn. Dat deze mensen geruime tijd titelloos in Nederland moeten verblijven, is uiterst bezwaarlijk. Hierbij moet ook worden gedacht aan de opvangmogelijkheden, want deze mensen kunnen en mogen niets. Juist om die situatie te voorkomen en ook om anderzijds een sterke en voor de lange duur bestemde verblijfstitel te verschaffen is de VVTV uitgevonden. Desalniettemin zijn er veel «plank-zaken» ontstaan. Is de staatssecretaris bereid om in ruimere mate de verstrekking van VVTV-titels mogelijk te maken?
Kan de staatssecretaris ten slotte al iets meer meedelen over het project-management en hoe denkt zij de brug te slaan tussen dit management en de rechterlijke macht?
De heer Middel (PvdA) vroeg nogmaals naar de mening van de staatssecretaris over de omvang van een AZC in relatie tot het aantal inwoners van de vestigingsplaats. Hij benadrukte overigens niet van mening te zijn, dat het een het andere moet tegenhouden.
De heer Middel herhaalde zijn vraag over de onderwijsvoorzieningen voor leerplichtige kinderen. Er is wat dit betreft weinig eenduidigheid in de diverse AZC's.
Hospitalisering van asielzoekers heeft van doen met de duur van het verblijf in de centrale opvang en de tijdsbesteding. De verblijfsduur is nog steeds te lang en leidt tot afstomping, psycho-somatische klachten, onderlinge spanningen en ten slotte ook tot een moeilijker integratie als men in Nederland mag blijven. De heer Middel stelde prijs op een expliciete vermelding van de maximum verblijfsduur in een AZC.
De staatssecretaris heeft behartigenswaardige woorden gebezigd over de tijdsbesteding van asielzoekers, maar is zij bereid een niet al te rigide houding aan te nemen en een link te leggen met allerlei maatschappelijke initiatieven op dit punt? De heer Middel wees in dit verband op de capaciteiten en ook de bereidheid van veel asielzoekers om de handen uit de mouwen te steken.
De heer Middel herhaalde zijn pleidooi voor een contingentsgewijze uitplaatsing, waarbij rekening kan worden gehouden met de wensen van gemeenten en statushouders. Kunnen de in het stappenplan beschreven fasen niet dichterbij elkaar worden gebracht, door bijvoorbeeld deze mensen aan de hand door de bureaucratie te leiden? Verder zei hij dat er veel aan gelegen is om ze te huisvesten in de regio waar ze toch al centraal zijn opgevangen.
Wat gebeurt er met het geld dat gemeenten overhouden na beëindiging van de ROA? Lijkt het de staatssecretaris gewenst dat dit geld in de algemene middelen worden gestort?
De staatssecretaris is niet ingegaan op de constatering dat AMA's veelvuldig worden overgeplaatst in de procedure. De speciale status van AMA's telt niet mee bij de reguliere huisvesting in gemeenten. Als dit wel het geval is, zullen de gemeenten ongetwijfeld bereidwilliger zijn. Het feit dat de status blijft bestaan na de achttiende verjaardag, houdt een aantal beperkingen in voor de inmiddels volwassen asielzoekers. Een soepeler optreden lijkt gewenst. Ten slotte vroeg de heer Middel de staatssecretaris te wachten met het botonderzoek totdat de alternatieven in kaart zijn gebracht en de Kamer daarover is ingelicht.
De heer De Hoop Scheffer (CDA) betoogde dat het antwoord van de staatssecretaris hem niet heeft overtuigd. Hij doelde hierbij met name op de driejarentermijn en de daaruit voortvloeiende problemen. Het lijkt waarschijnlijk dat het beleid ten aanzien van bijvoorbeeld de «prop 1994» als gevolg van die driejarentermijn volstrekt vastloopt. De staatssecretaris heeft echter te kennen gegeven dat de driejarentermijn voor haar een harde grens is.
Uit de schriftelijke beantwoording blijkt dat de Raad van State een convenant heeft gesloten met de minister van Binnenlandse Zaken op grond waarvan de Raad van State tot 1 januari 1998 de tijd krijgt om de zaken betreffende vreemdelingen af te doen. Is dit nieuwe informatie? Het betekent in ieder geval wel weer een vooruitschuiven met een jaar. Bovendien is de kans zeer groot dat het beleid van de staatssecretaris vastloopt. Een van de oorzaken van de opeenhoping van asielzaken bij de Raad van State is dat de staat onvoldoende verweerschriften heeft uitgebracht.
De staatssecretaris zegt een terughoudend VVTV-beleid te voeren, onder andere met het oog op de aanzuigende werking van dat instrument. De heer De Hoop Scheffer meende echter dat daarvan vooral sprake is als het wordt gekoppeld aan een driejarentermijn. De praktijk is immers dat die termijn in de Nederlandse asielprocedure al snel wordt gehaald. Onder verwijzing naar hetgeen is gebeurd met Viëtnamese asielzoekers, waarbij ook de termijn van drie jaar – overigens buiten de schuld van de regering om – werd overschreden, voorzag hij grote problemen bij het wegwerken van de «prop 1994» en bijvoorbeeld de behandeling van Bosnische vluchtelingen. De heer De Hoop Scheffer pleitte er daarom voor de termijn van drie jaar te verlengen tot vijf jaar, waarbij dan ook een minder terughoudend VVTV-beleid zou kunnen worden gevoerd. Alles moet immers worden gedaan om te voorkomen dat deze mensen komen te «bungelen». In deze optie krijgen de asielzoekers eerder de nodige zekerheid. Ze weten van tevoren dat het gaat om een voorwaardelijke vergunning tot verblijf die vijf jaar geldt. In de praktijk van alledag leidt de VVTV al te vaak tot een VTV. Desgevraagd verklaarde hij dat Bosnische vluchtelingen wat betreft de integratie in de samenleving beter af zijn als ze te zijner tijd terug kunnen naar een veilig Bosnië. Waarom zou iemand na een periode van vijf jaar niet kunnen worden teruggestuurd als de situatie in het land van herkomst aanmerkelijk is verbeterd?
Welk tijdschema heeft de staatssecretaris voor ogen als het gaat om de verwijdering van asielzoekers wier asielverzoek is afgewezen? De heer De Hoop Scheffer benadrukte dat voorkomen moet worden dat er een nieuwe categorie gedoogden ontstaat: moeilijk verwijderbare asielzoekers.
De CDA-fractie is van mening dat er mogelijkheden moeten worden geschapen voor kortdurende vreemdelingenbewaring aan de grens omdat bijvoorbeeld in de weekends of 's avonds mensen die illegaal de grenzen oversteken niet meer naar de buurlanden kunnen worden teruggestuurd omdat er geen functionarissen aan de andere kant van de grens aanwezig zijn. Zodra die functionarissen wel aanwezig zijn, zouden bedoelde grensoverschrijders dan alsnog kunnen worden teruggebracht.
De staatssecretaris zegt dat het onwenselijk is om wat betreft de asielwetgeving telkens weer te worden geconfronteerd met incidentele wijzigingen. De heer De Hoop Scheffer kon zich hierbij wel wat voorstellen, maar benadrukte dat het geen alibi mag zijn om geen beleid te voeren. Mede om ervoor te zorgen dat er nu eindelijk eens wordt gekozen – in ieder geval op hoofdpunten – heeft het CDA een initiatief-voorstel inzake het MVV-vereiste ingediend.
Ten slotte zei de heer De Hoop Scheffer van mening te zijn dat het beleidsdocument in ieder geval nog voor het zomerreces van 1996 aan de Kamer dient te worden voorgelegd. Wellicht dat eind januari in een plenair debat de Kamer haar wensen dienaangaande kenbaar kan maken.
De heer Verhagen (CDA) schaarde zich volledig achter het uitgangspunt dat Nederland opvang dient te blijven bieden aan echte vluchtelingen en anderen die bescherming behoeven. Juist met het oog op een rechtvaardig asielbeleid, dient een effectief beleid voorop te staan dat mensen helpt die het echt nodig hebben.
Berenschot en de Algemene Rekenkamer hebben gewezen op het gebrek aan coördinatie en aansturing door Justitie op het terrein van het asielbeleid. De staatssecretaris heeft de twijfels op dit punt niet kunnen wegnemen. Zo is zij niet ingegaan op de vraag of gegarandeerd kan worden dat de IND beschikt over voldoende gekwalificeerde krachten om de uitvoering van het beoogde beleid mogelijk te maken. Daarnaast zijn bepaalde toezeggingen, gedaan onder andere in het kader van het stappenplan, in het antwoord van de staatssecretaris achterhaald. De heer Verhagen doelde in dit verband op het wegwerken van de achterstanden in het aantal asielverzoeken in eerste aanleg. In oktober is in antwoord op schriftelijke vragen geantwoord dat eind 1996 de achterstand volledig zal zijn weggewerkt. Geconstateerd moet echter worden dat over ruim 9000 verzoeken in eerste aanleg nog niet is beslist. De CDA-fractie is van mening dat de staatssecretaris moet garanderen dat die achterstand op korte termijn zal zijn weggewerkt. Een eerste vereiste daarvoor is het aanbrengen van een scheiding tussen asielzaken en reguliere zaken. Zo nodig moeten daarvoor extra mensen worden ingezet. Zijn overigens de nodige kwaliteitsverbeteringen al doorgevoerd?
De staatssecretaris voelt weinig voor het aanstellen van rechters-plaatsvervangers. Zij schrijft dat de huidige capaciteit van de rechtbanken toereikend is om hetgeen thans door de IND wordt aangeboden te verwerken. De heer Verhagen wees erop dat dit nu juist het probleem is. Als ernaar wordt gestreefd de capaciteit van de IND te vergroten, moet dat ook gevolgen hebben voor het vervolgtraject. Verder schrijft de staatssecretaris dat het aanstellen van rechters-plaatsvervangers onvoldoende soelaas biedt omdat veelal de specialistische kennis ontbreekt. De heer Verhagen meende dat hierop slechts één antwoord mogelijk is: een stoomcursus vreemdelingenrecht. Het leek hem ook dat zonder al te grote problemen kan worden voorzien in het gebrek aan zittingscapaciteit. Van de staatssecretaris mag in ieder geval worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt die ertoe leiden dat de asielprocedures sneller verlopen. De CDA-fractie zal de staatssecretaris afrekenen op het eindresultaat en niet in de eerste plaats op de wijze waarop zij daaraan in organisatorische zin gestalte wenst te geven. De fractie vraagt om een effectiever beleid dat sneller resultaten zal geven dan is voorzien in het stappenplan.
De staatssecretaris heeft niet kunnen aantonen waarom de toezegging van de minister-president dat eind 1995, begin 1996 het AZC in Ter Apel zal gaan functioneren geen gestand kan worden gedaan. Kan zij in dit overleg ingaan op de oorzaken van de vertraging van driekwart jaar of meer? Het is in ieder geval voor de CDA-fractie onaanvaardbaar. Dit project moet sneller worden gerealiseerd. Omdat de capaciteit in Ter Apel volstrekt ontoereikend is, is het nodig een extra AZC à la Ter Apel te realiseren. Daarvoor kan wellicht een bestaand AZC worden gebruikt. De heer Verhagen vroeg zich overigens af waarom het probleem van de vervuilde grond in Ter Apel niet eerder aan de orde is gesteld in het overleg tussen Defensie en Justitie en wees erop dat het desbetreffende rapport van Defensie ongeveer vier jaar oud is.
De heer Verhagen kon zich grotendeels vinden in het antwoord van de staatssecretaris op vragen over de positie van AMA's. Hij vond overigens wel dat een AMA, die de leeftijd van achttien jaar bereikt, recht heeft op een individuele beoordeling.
Mevrouw Sipkes (GroenLinks) sloot zich wat betreft de AMA's aan bij de opmerkingen van de heer Middel.
Volgens het schriftelijk antwoord beogen ambtsberichten niet een volledig beeld te geven van de politieke en mensenrechtensituatie. Mevrouw Sipkes wees er echter op dat een ambtsbericht vaak van doorslaggevende betekenis is voor de rechter en dus voor het lot van de asielzoeker. Dat ambtsberichten niet volledig zijn, is te begrijpen. Onbegrijpelijk is echter dat ze zelfs niet beogen volledig te zijn. Ambtsberichten moeten niet alleen frequenter verschijnen, maar dienen ook meer kwaliteit te krijgen.
Het aanvoeren van het argument van aanzuigende werking als gevolg van welk instrument dan ook begint zo langzamerhand een ritueel te worden. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom met betrekking tot Iran, Sri Lanka, Somalië en Angola de beleidsmatige belemmeringen voor terugkeer zijn opgeheven? Een ambtsbericht uit 1994 meldt dat de politieke situatie in Iran redelijk stabiel is, maar dat de mensenrechtensituatie niet is verbeterd. Toch ligt er nu een uitspraak van de Rechtseenheidkamer op basis waarvan een groot aantal Iraniërs dreigt te worden teruggestuurd. Dit vond mevrouw Sipkes een niet goed onderbouwde wijziging van het gedoogdenbeleid. Hoe verhoudt een en ander zich met de verzekering van de staatssecretaris dat er een individuele beoordeling zal plaatsvinden? Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor asielzoekers uit de andere drie landen. Daarom verzocht mevrouw Sipkes om nieuwe ambtsberichten.
Wat betreft het «generaal pardon» – beter is: een snelle toekenning van de gecreëerde status – merkte mevrouw Sipkes op teleurgesteld te zijn in de schriftelijke antwoorden van de staatssecretaris en voornemens te zijn hier tijdens de komende plenaire behandeling nog op terug te zullen komen.
De heer Van den Berg (SGP) herhaalde de totstandkoming van een beleidsdocument van zeer groot belang te achten en beschouwde het stappenplan als een stap in de goede richting. Hij zei nog steeds niet te begrijpen waarom de regering reparatiewetgeving wil koppelen aan het hoger beroep. Hij pleitte ervoor zo snel mogelijk met de noodzakelijke reparatiewetgeving te komen en die niet te koppelen aan een gevoelig onderwerp als het hoger beroep.
De heer Van den Berg vroeg zich met het oog op de «prop 1994» af of al het mogelijke wordt gedaan om de procedure zoveel mogelijk te versnellen. Hij refereerde in dit verband aan zijn vragen over versterking van de rechterlijke macht en drong erop aan niet te wachten tot medio 1996 met de nodige maatregelen.
Het VVTV-instrument is indertijd in het leven geroepen om een einde te maken aan de rechtsonzekerheid voor gedoogden. Nu in de praktijk blijkt dat dit doel niet wordt gerealiseerd, bepleitte de heer Van den Berg dit instrument in te zetten op de manier zoals destijds door de wetgever is beoogd. Er komen te veel signalen uit het land die erop duiden dat de desbetreffende asielzoekers op een onjuiste manier worden behandeld en te lang in een uiterst onzekere situatie verkeren.
De heer Rijpstra (VVD) merkte op dat de voorliggende rapporten het mogelijk maken een goed debat te voeren, ook al zullen er ongetwijfeld meningsverschillen blijven bestaan over de te nemen stappen.
De projectcoördinator – inclusief een bureau – zal naar alle waarschijnlijkheid toch wel tot eind 1996 functioneren. De coördinator zal verantwoording afleggen aan de portefeuillehouder in de bestuursraad en aan de staatssecretaris. Welke taak heeft de portefeuillehouder in dezen? Alleen ambtelijke of ook beleidsmatige zaken? Als deze persoon in feite het COA en de IND onder zich heeft, komt er dus een extra coördinatiepunt. Vooralsnog bleef de heer Rijpstra wat sceptisch tegenover de introductie van deze figuur staan.
Het is inderdaad wenselijk dat er een beleidsdocument komt, dat dan wel voor de zomer 1996 moet worden besproken. Gezien de vele (goede) rapporten moet dit ook haalbaar zijn.
De fractie van de VVD blijft zorgen houden over de samenwerking tussen de IND, de Vreemdelingendienst en de Marechaussee. Een meer centrale aansturing is gewenst. Wil de staatssecretaris onderzoeken of de oprichting van één immigratiedienst, die zich bezighoudt met het totaal van toelating, naturalisatie, verwijdering, uitzetting en het toezicht op vreemdelingen, wenselijk is. De staatssecretaris schrijft dat zij voornemens is in overleg te treden met de minister van Binnenlandse Zaken en het Korpsbeheerdersberaad over de mogelijkheid van een sterkere sturing. Dat overleg dient op zeer korte termijn plaats te vinden en de Kamer zou geïnformeerd moeten worden over de resultaten daarvan. Convenanten zijn hoogstwaarschijnlijk ontoereikend; een effectief beleid is meer gebaat bij detachering van personeel van de Vreemdelingendienst bij de IND.
De heer Rijpstra merkte vervolgens op het jammer te vinden dat de fractie van het CDA en niet de staatssecretaris met een wetsvoorstel inzake het MVV-vereiste komt. Kan zij aangeven waarom het departement niet zelf met voorstellen tot reparatiewetgeving is gekomen?
In de brief van 7 juni 1994 geeft de staatssecretaris te kennen dat de uitoefening van het mobiel vreemdelingentoezicht als een zelfstandige taak wordt uitgeoefend door de Koninklijke Marechaussee onder directe verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Zij voegde daaraan toe dat daartoe een voorstel tot wijziging van artikel 4 van de Vreemdelingenwet aan de Staten-Generaal zal worden gezonden en dat in afwachting daarvan het mobiel vreemdelingentoezicht zal worden uitgeoefend op basis van het huidige artikel 4 en het daarop gebaseerde KB. De heer Rijpstra vroeg wanneer bedoelde wijziging valt te verwachten.
In diverse rapporten wordt aangetoond dat in veel gevallen doorgeprocedeerd wordt om een A-status te verkrijgen. Tevens wordt geconstateerd dat de samengestelde aanvraag heringevoerd moet worden. De fractie van de VVD kan zich daarin vinden en meent dat hiermee niet moet worden gewacht tot juni 1996. Het is immers nog maar de vraag of alles wel tegelijkertijd moet worden gerealiseerd. Het is wellicht beter, prioriteiten te stellen. Als een en ander toch te lang gaat duren, zal de VVD-fractie met een eigen initiatief komen.
De heer Rijpstra zei vervolgens begrip te hebben voor de argumentatie van de heer De Hoop Scheffer om te komen tot een verlenging van de driejarentermijn, maar meende dat hierover beter kan worden gesproken tijdens de discussie over één status.
In feite is het onaanvaardbaar dat de rechterlijke macht met zo'n grote achterstand kampt bij het verwerken van de asielaanvragen. Waarom kan er niet een task force worden ingesteld die dit tijdelijke probleem te lijf gaat? Er moet echt een oplossing worden gevonden; de heer Rijpstra noemde in dit verband de mogelijkheid om deskundigen in het vreemdelingenrecht tijdelijk te detacheren naar de rechterlijke macht, ook al moet dit worden beschouwd als een noodoplossing.
Gezien de ervaringen in onder andere Schalkhaar schijnt het mogelijk te zijn de procedures te versnellen. Kan de staatssecretaris hierin iets meer inzicht bieden en bijvoorbeeld aangeven waar de knelpunten zitten? Dit jaar zullen er waarschijnlijk minder dan 25 000 mensen doorstromen naar de onderzoek- en opvangcentra; die instroom moet toch te verwerken zijn bij de huidige capaciteit? De staatssecretaris heeft gezegd dat de procedure korter kan. Waar is in haar ogen de winst te behalen en welke wettelijke belemmeringen zijn er nog? Zij wenst zich niet vast te leggen op een bepaalde termijn, maar zij kan toch wel aangeven wat de ideale situatie zou zijn in een nul-situatie? Een asielzoeker kan vier procedures tegelijkertijd aanspannen en het ligt voor de hand hier de winst te zoeken. Is het waar dat het standpunt van het kabinet inzake het hoger beroep niet voor het einde van het jaar valt te verwachten?
De logistieke kant van doorplaatsing is nog steeds een probleem. De staatssecretaris antwoordt dat dit vraagstuk van lange adem niet van vandaag op morgen kan worden opgelost. De heer Rijpstra was echter de mening toegedaan dat nu reeds een begin met de gerichte doorplaatsing moet worden gemaakt, zeker nu op 1 januari a.s. het aanmeldcentrum Schiphol van start gaat. Het moet mogelijk zijn op korte termijn een plan op tafel te hebben, zeker in de winterperiode waarin de instroom beduidend lager is.
In Ter Apel zal het COA nauw samenwerken met de IND; de staatssecretaris zal een brief vragen aan het COA waarin wordt ingegaan op het regime aldaar. De heer Rijpstra stelde prijs op spoedige ontvangst van die brief, waarin overigens ook de zienswijze van de IND zou moeten worden verwoord. Hopelijk zal er zelfs een gezamenlijke visie worden gegeven, ook al omdat er geen sprake is van een regulier AZC in Ter Apel.
De staatssecretaris merkte bij interruptie op dat de Kamer een visie van háár zal ontvangen.
De heer Rijpstra (VVD) zei dat graag af te wachten. Het is van groot belang dat het terugkeerbeleid slaagt. Als in april 1996 de eerste honderd uitgeprocedeerden geplaatst worden, moet het mogelijk zijn eind 1996 met de staatssecretaris van gedachten te wisselen over de eerste evaluatie. Hij zei zich grote zorgen te maken over het feit dat het zo lang duurt met het huis van bewaring in Ter Apel. Kan hierin werkelijk geen versnelling worden gebracht? Kan de staatssecretaris meer inzicht verschaffen in de financiële en personele aspecten van dat huis van bewaring en daarbij ook de exacte capaciteit vermelden?
De fractie van de VVD is het in grote lijnen eens met het stappenplan. Op een aantal terreinen is echter aanscherping wenselijk. Eind 1996 is een ijkpunt; dan kan worden bezien of de gewenste veranderingen tot het gewenste resultaat hebben geleid.
De heer Dittrich (D66) zei het antwoord van de staatssecretaris over het (terughoudende) VVTV-beleid onduidelijk te vinden. Indertijd stelde de wetgever de VVTV-status in om tegemoet te komen aan de kritiek van de Raad van State voor wat betreft het rechtszekerheidsbeginsel. Er is echter nog steeds een grote groep asielzoekers die niet verwijderbaar is maar toch niet in aanmerking komt voor die VVTV. Die mensen zitten veelal al geruime tijd in de centrale opvang. Wat gaat er precies met hen gebeuren? De staatssecretaris heeft te kennen gegeven dat terugzending naar bijvoorbeeld Iran alleen in individuele (uitzonderings)gevallen mogelijk is.
Ingaande op het verwijderingsbeleid wees de heer Dittrich erop dat Berenschot constateert dat adrescontrole een onbetrouwbaar middel is om na te gaan of iemand daadwerkelijk is vertrokken. Hoe oordeelt de staatssecretaris hierover?
Het antwoord van de staatssecretaris over de vraag naar de frequentie van ambtsberichten stelde de heer Dittrich tevreden, maar hoe zal de rechterlijke macht hierop reageren? Hoe groot is bijvoorbeeld de kans dat de rechter vaker het eerstvolgende ambtsbericht afwacht met alle gevolgen vandien voor de afwikkeling van de procedure?
De VNG heeft een brief geschreven over de technisch niet verwijderbaren en zegt problemen van openbare orde te verwachten als mensen uit de ROA-woningen worden gezet en ook geen andere ROA-voorzieningen meer krijgen. Wat is de reactie van de staatssecretaris op deze brief?
Ook de fractie van D66 vindt dat de Kamer voor het zomerreces van 1996 over het beleidsdocument van de staatssecretaris moet kunnen praten. De heer Dittrich pleitte er overigens wel voor het document te beperken tot de hoofdlijnen waarin een kamermeerderheid zich kan vinden. Het leek hem beter het door de heer Van Oven gevraagde overzicht van statussen in een aparte notitie op te nemen. De praktijk van alledag heeft grote behoefte aan een beleidsdocument waaruit valt op te maken wat het asielbeleid in de kern inhoudt. Het is dus niet raadzaam om allerlei discussiepunten in dat document op te nemen.
Wat betreft de uitplaatstermijn uit een AZC staan in het stappenplan slechts formuleringen als «verdere stroomlijning» en «concrete voortgangsbewaking». Is het niet mogelijk dat het COA in samenwerking met de IND de beschikkingen uitreikt om zodoende de nodige tijdwinst te behalen?
De volstrekt onduidelijke situatie met betrekking tot het MVV-vereiste kan onaanvaardbare gevolgen hebben. In het rapport van Regioplan staat bijvoorbeeld dat de IND aan een vreemdelingendienst heeft geadviseerd om aanvragen voor een VTV zonder dat de aanvrager over een MVV beschikt moeten worden afgewezen. Dat is echter in strijd met de uitspraak van de rechtseenheidkamer ter zake. Kan de staatssecretaris hierop commentaar geven. Ook de heer Dittrich vond het vreemd dat het zo lang duurt voordat er nadere wetgeving op dit punt komt. Het is jammer dat de staatssecretaris niet het initiatief heeft genomen. In het stappenplan wordt het MVV-vereiste ten onrechte gekoppeld aan het hoger beroep; dat laatste is immers op z'n vroegst in januari 1997 aan de orde. Er dient wat dit betreft een onderscheid te worden gemaakt tussen (technische) reparatiewetgeving en meer essentiële wetgeving als het hoger beroep.
D66 steunt de terugkeer van de een of andere vorm van hoger beroep van harte. Kan de staatssecretaris exact aangeven wanneer het standpunt van het kabinet komt? De heer Dittrich drong erop aan hiermee niet te lang te wachten.
Kan de staatssecretaris alsnog ingaan op de vragen uit eerste termijn over de kwaliteit van het eerste gehoor en de beschikking in eerste aanleg? Hoe oordeelt zij over de suggestie om contactambtenaren in de OC's aan het eind van de dag de gehoren uit te laten werken en niet de vijfde dag?
In de praktijk blijkt dat het uitreiken van een nuldagentermijn erg veel procedures tot gevolg heeft. Is de staatssecretaris bereid aan deze praktijk een eind te maken?
De heer Dittrich merkte vervolgens op het antwoord van de staatssecretaris over de positie waarin meerderjarig geworden AMA's komen te verkeren te mager te vinden, gelet op de aard van de problematiek.
Hoe oordeelt de staatssecretaris over het voorstel om het aantal nevenzittingsplaatsen uit te breiden van vijf naar zes? De heer Dittrich meende dat de hiermee gemoeide investering zich later dubbel en dwars terugverdient. In ieder geval zal moeten worden getracht de achterstand sneller dan binnen twee jaar weg te werken.
Met het oog op de gunstige resultaten van het vervoer van asielzoekers vanuit Schiphol naar de aanmeldcentra vroeg de heer Dittrich waarom de staatssecretaris niet eerder dit systeem heeft laten functioneren. Een vroegtijdige en daadkrachtige toepassing van het pendelinstrument zou waarschijnlijk een aanmerkelijke verlichting van de problematiek tot gevolg hebben gehad.
Het antwoord van de staatssecretaris
De staatssecretaris merkte allereerst op dat de projectmanager niet beschouwd moet worden als de zoveelste coördinator in de asielketen. Deze persoon moet meer beschouwd worden als de rechterhand van de staatssecretaris en wordt geacht de voortgang van het stappenplan te bewaken. Het spreekt voor zich dat hij niet buiten het ambtelijk apparaat en de IND en het COA om aan de touwtjes gaat trekken. Bij het reguliere overleg met de projectmanager zal ook de portefeuillehouder worden betrokken. In welke vorm een link zal worden gelegd met de rechterlijke macht, is nog niet geheel uitgekristalliseerd. De staatssecretaris meende voorshands dat dit zou kunnen gebeuren via de Dienst Rechtspleging. Zij ging ervan uit dat de projectmanager eind 1996 zijn werk zal hebben afgerond en dat er dan een behoorlijke uitvoeringsorganisatie zal zijn gecreëerd die zal kunnen zorgen voor een geringere doorlooptijd, minder procedures en in het algemeen meer rust in het asielbeleid.
De staatssecretaris deelde vervolgens mee dat de gemeenteraad van Vlagtwedde akkoord is gegaan met de bestuursovereenkomst.
De minister van Financiën stelt prijs op realistische begrotingen, maar heeft tegelijkertijd oog voor serieuze problemen. Het kabinet is als geheel van mening dat zich geen panieksituaties meer mogen voordoen als gevolg van een onverwacht hoge instroom van asielzoekers. Ter voorbereiding van de voorjaarsnota zal in ieder geval van gedachten worden gewisseld over de wenselijkheid, de rechterlijke macht structureel te versterken. De minister van Financiën mag er uiteraard van uitgaan dat Justitie zal trachten het asielbeleid financieel beheersbaar te maken. Zij zegde toe schriftelijk te zullen reageren op een vraag van de heer Van Oven naar de benodigde financiering van een eventuele bufferruimte.
Op een tweetal momenten is overwogen gebruik te maken van de bevoegdheid een vreemdelingenzaak voor te dragen voor cassatie in belang der wet. Het voorstel met betrekking tot het hoger beroep ligt thans bij de ministerraad en bij hantering van dat instrument zal bedoelde cassatie waarschijnlijk niet meer nodig zijn. Zo mogelijk zal het kabinet nog voor het kerstreces zijn standpunt bekend maken; als dat niet lukt, zal het zo spoedig mogelijk erna gebeuren.
In het kader van de voortgangsrapportage over de herziening van de rechterlijke organisatie is de Kamer ingelicht over de totale achterstand bij de Raad van State, dus inclusief de 4500 vreemdelingenzaken. Over de afdoening van de achterstanden is door Binnenlandse Zaken een convenant afgesloten met de Raad van State.
Er is terecht op gewezen dat het VVTV-instrument moet worden gebruikt waarvoor het destijds door de wetgever is bedoeld en dat er niet een extra categorie van «plankzaken» mag ontstaan. Na de termijn van drie jaar kan een VVTV'er in aanmerking komen voor een VTV. Dat betekent dus dat niet alle VVTV'ers die hier drie jaar zijn automatisch voor een VTV in aanmerking komen. Wat betreft de Bosnische vluchtelingen zijn er in 1994 2744 VVTV-beslissingen genomen en in 1995 2374. Van deze in totaal 5118 VVTV'ers hebben er 2434 doorgeprocedeerd naar de A-status. Er blijven dus 2684 over die dan eventueel in 1997 in aanmerking komen voor een VTV. Van ongeveer de helft van deze groep loopt de driejaartermijn overigens in 1998 af. Er is dus weinig aanleiding om die termijn uit te breiden. Als daartoe wel aanleiding zou bestaan, dient de wet te worden veranderd (artikel 13a van de Vreemdelingenwet).
Het kan zinvol zijn de grootte van het AZC af te stemmen op de omvang van de gemeenschap/vestigingsplaats. Met het oog op de exploitatiemogelijkheden is er overigens wel een ondergrens (250 asielzoekers). Een groot centrum in een kleine gemeenschap functioneert niet per definitie onvoldoende, maar met het oog op het noodzakelijke draagvlak dient dat aspect wel degelijk in de gaten te worden gehouden.
De politieke intentie is uitgesproken om de verblijfsduur in de centrale opvang maximaal zeven maanden te doen zijn, maar Berenschot heeft erop gewezen dat deze intentie bedrijfsmatig gezien onvoldoende onderbouwd is. De staatssecretaris wees erop dat het erg moeilijk is om een vaste termijn te stellen, want het is nu eenmaal niet mogelijk om mensen zonder de benodigde status te laten vertrekken. Er wordt al het nodige gedaan om de gemiddelde verblijfsduur terug te brengen, maar men moet zich wel realiseren dat niet zomaar kan worden afgestapt van het beginsel van de individuele beoordeling. Er dient inderdaad een niet al te rigide houding te worden aangenomen tegenover de dagstructurering van asielzoekers en de staatssecretaris zegde toe hiervoor aandacht te zullen vragen in het kabinet.
Over het uitplaatsingsmodel zal begin volgend jaar overleg worden gevoerd met de VNG en het IPO. Over de vraag of volwassen geworden AMA's moeten worden meegeteld bij de woningtoewijzing wordt thans overleg gevoerd met het ministerie van VROM. Zolang er geen goede alternatieven zijn voor leeftijdsonderzoek, wenste de staatssecretaris door te gaan met dit onderzoek. Het gestelde op bladzijde 5 van de brief over de gevolgen van de weigering van een AMA om medewerking te verlenen verdient herformulering.
De taakstellingen in het kader van het terugkeerbeleid zijn voor 1995 18 000, voor 1996 24 650 en voor 1997 23 500. Door middel van de driemaandelijkse rapportage zal de Kamer op de hoogte worden gebracht van de ontwikkelingen op dit punt.
Ingaande op de opmerking van de heer De Hoop Scheffer over de wenselijkheid van vreemdelingenbewaring aan de zuid- en oostgrens merkte de staatssecretaris op er na zijn nadere toelichting de voorkeur aan te geven hierop nader terug te komen.
De staatssecretaris zegde toe na te zullen gaan of de gevraagde kleinschalige reparatiewetgeving tot stand kan worden gebracht vooruitlopend op de wetgeving inzake het hoger beroep. In de reactie op het initiatiefvoorstel van het CDA zal kunnen worden aangegeven aan welke reparatiewetgeving wordt gedacht.
De gedane suggesties om de achterstanden in te lopen, zullen betrokken worden in het verdere overleg. Het ei van Columbus is bepaald nog niet gevonden, maar de staatssecretaris zei open te staan voor elke waardevolle suggestie.
De staatssecretaris zei in dit stadium nog geen commentaar te kunnen geven op de suggestie om te komen tot een tweede «Ter Apel».
Ambtsberichten vormen slechts één facet van de beoordeling van een situatie in een bepaald land. De IND beschikt over een landendocumentatiesysteem waarin ook berichten van Amnesty International en VluchtelingenWerk zitten, evenals verklaringen van mensenrechtenorganisaties. De rechter heeft overigens niet uitgesproken dat Iran een veilig land is, maar dat het niet in alle gevallen uitgesloten is dat iemand kan terugkeren naar dat land. Of men terug kan, wordt individueel getoetst. Vooral over een land als Iran wordt frequent informatie gevraagd en hetzelfde geld voor Sri Lanka. Natuurlijk kan niet worden voorkomen dat een rechter besluit een ambtsbericht af te wachten dat over bijvoorbeeld enkele weken verschijnt.
Met het oog op de kamerbrede wens ter zake zegde de staatssecretaris toe nog voor de zomer een beleidsdocument aan de Kamer voor te leggen, maar zij vroeg in dit verband nog wel aandacht voor de aanbeveling van Berenschot om niet te veel druk te leggen op de uitvoeringsorganisatie.
Het is inderdaad wenselijk, de kwaliteit van de vreemdelingendiensten te bewaken, maar de staatssecretaris vermocht niet in te zien wat detachering bij de IND hieraan kan bijdragen. Voor die kwaliteitsbewaking is de instemming nodig van het korpsbeheerdersberaad en de minister van Binnenlandse Zaken heeft al te kennen gegeven dat ook hij die kant op wil. De Kamer zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd. Het aanpakken van het asielvraagstuk staat momenteel voorop en mede daarom wilde de staatssecretaris zich nu niet laten verleiden tot bespiegelingen over de fundamentele gedachte van de heer Rijpstra met betrekking tot één immigratiedienst.
De suggestie van de heer Rijpstra met betrekking tot de bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee zal in overleg met Binnenlandse Zaken en Defensie nader worden bezien.
De staatssecretaris zei geen aanwijzingen te hebben dat asielzoekers, wier verzoek niet ontvankelijk is verklaard, voor problemen van openbare orde zorgen. In het eerstkomende overleg met de VNG zal dit aspect aan de orde kunnen worden gesteld, zeker nu deze mensen per 1 januari a.s. ook niet meer in aanmerking komen voor ROA-voorzieningen.
De voor- en nadelen van de nuldagen-termijn worden momenteel betrokken in het experiment Oisterwijk-Schalkhaar.
Dat goede suggesties altijd kunnen worden gebruikt, blijkt wel uit de onlangs gestarte pendeldienst tussen Schiphol en de aanmeldcentra. De Kamer komt hiervoor alle eer toe, maar dat betekent nog niet dat zij zich rijk mag rekenen als het gaat om de oplossing van het vraagstuk.
Ten slotte zegde de staatssecretaris toe nog schriftelijk te zullen reageren op de vragen van de heer Dittrich met betrekking tot adressencontrole en de werkwijze bij het eerste gehoor.
Samenstelling: Leden: V.A.M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M.M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Rabbae (GroenLinks), J.M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B.M. de Vries (VVD), O.P.G. Vos (VVD) en Van Vliet (D66).
Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Boogaard (groep-Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Van den Doel (VVD), Weisglas (VVD) en De Koning (D66).
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van Rey (VVD), voorzitter, Terpstra (CDA), Smits (CDA), ondervoorzitter, Reitsma (CDA), Ter Veer (D66), Ybema (D66), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Van Heemst (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Liemburg (PvdA), H.G.J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD), Hoogervorst (VVD), Van der Ploeg (PvdA), Bakker (D66), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Passtoors (VVD) en Ten Hoopen (CDA).
Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Hessing (VVD), Van de Camp (CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Schimmel (D66), Roethof (D66), Van Zuijlen (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Van Dijke (RPF), Hendriks, Rosenmöller (GroenLinks), Vliegenthart (PvdA), Adelmund (PvdA), Van Zijl (PvdA), Remkes (VVD), Marijnissen (SP), B.M. de Vries (VVD), Van Gelder (PvdA), Giskes (D66), Van Rooy (CDA), Verbugt (VVD), Klein Molekamp (VVD) en De Hoop Scheffer (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-163.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.