Blad gemeenschappelijke regeling van Veiligheidsregio Twente
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veiligheidsregio Twente | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1554 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veiligheidsregio Twente | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1554 | beleidsregel |
De Wet veiligheidsregio’s stelt eisen aan de (organisatie van de) regionale crisisbeheersing. Om daaraan te voldoen, heeft het bestuur van Veiligheidsregio Twente (VRT) het Regionaal Risicoprofiel en het Regionaal Beleidsplan vastgesteld. Met het beleidsplan legt het bestuur van de Veiligheidsregio Twente het beleid voor zijn (wettelijke) taken vast.
In opdracht van de directeur Crisisbeheersing heeft de werkgroep Operationele ondersteuning de huidige versie van het regionaal crisisplan geactualiseerd.
Conform artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s is VRT verplicht een Regionaal Crisisplan vast te stellen waarin de uniforme aanpak van alle mogelijke crisissituaties in de regio, bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden zijn beschreven.
1.2 Wettelijk en procedureel kader regionale crisisbeheersing
Een ramp wordt in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s gedefinieerd als een gebeurtenis:
Onder het begrip ‘ernstige verstoring’ wordt verstaan dat ‘het leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate bedreigd worden of zijn geschaad’.
Voor de definitie van een crisis is geen wettelijke regelgeving. Een crisis wordt over het algemeen gedefinieerd als een situatie waarin een vitaal belang van de samenleving is aangetast of dreigt te worden aangetast. In de Contourennota Crisisbeheersing en Brandweerzorg (2022) wordt aangeven dat aan de huidige beschrijving wordt toegevoegd dat de reguliere coördinatie- en besluitvormingsstructuren en/of bevoegdheden ontoereikend zijn om die situatie het hoofd te bieden. Een crisissituatie is daarmee een uitzonderingssituatie, ook als het langer duurt voordat teruggekeerd kan worden naar reguliere structuren en bevoegdheden.
1.4 Doel van het regionaal crisisplan
Het crisisplan beschrijft op basis van artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s hoe de crisisorganisatie is ingericht. Het beschrijft de organisatie, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van de rampenbestrijding en crisisbeheersing in de regio Twente. Het crisisplan is een plan dat de wijze beschrijft waarop in multidisciplinair verband wordt samengewerkt.
Daarnaast geeft het crisisplan een opsomming van de rampbestrijdingsprocessen, wie verantwoordelijk is voor de inrichting en uitvoering hiervan en in welk document deze processen zijn beschreven. De uitwerking van de monodisciplinaire procesbeschrijvingen staan beschreven in deel 2 van het regionaal crisisplan.
De crisisorganisatie is inzetbaar voor alle soorten rampen en crises. Hiervoor wordt de generieke aanpak gehanteerd zoals beschreven in dit crisisplan. Dat neemt niet weg dat een aantal specifieke risico’s extra aandacht en dus planvorming behoeft. Deze risico’s staan beschreven in het Regionaal Risicoprofiel. Voor deze risico’s bestaan rampbestrijdingsplannen en coördinatieplannen. Deze plannen beschrijven de aanvullingen op en afwijkingen van de in het crisisplan beschreven crisisorganisatie:
1.6 Afstemming, beheer en actualisatie
Volgens de Wet veiligheidsregio’s heeft VRT met de buurregio’s afgestemd hoe het crisisplan zich verhoudt tot de daar aanwezige (operationele) plannen en procedures op het gebied van crisisbeheersing.
Het crisisplan wordt minimaal éénmaal per vier jaar (en indien noodzakelijk vaker) opnieuw vastgesteld door het bestuur van de veiligheidsregio en ter informatie toegestuurd aan de regionale en interregionale crisispartners en de Commissaris van de Koning.
Het Regionaal Crisisplan is digitaal beschikbaar. Het Regionaal Crisisplan is openbaar en te vinden op www.vrtwente.nl. De digitale versie is ook voor externe crisispartners te vinden op SharePoint en wordt daarnaast eenmalig naar de externe partners toegestuurd. Ook de ondersteunende documenten zoals Richtlijnen Optreden (RO) en taakkaarten zijn te vinden op SharePoint.
Binnen Veiligheidsregio Twente is afgesproken dat wanneer GRIP is afgekondigd, de ‘kenniskring leren van incidenten’ de maandag na het incident bijeenkomt met de hoogst operationeel leidinggevende om leerervaringen te bespreken en een factsheet van het incident/de crisis op te stellen. De uitkomsten worden gebruikt voor opvolgende leeractiviteiten (opleiden, trainen en oefenen) en kunnen aanleiding zijn voor actualisatie van dit crisisplan of andere plannen en ondersteunende documenten. Monodisciplinair kan er uiteraard ook worden geëvalueerd.
In dit crisisplan wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de uitgangspunten en basisafspraken van de crisisorganisatie. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de regionale crisisorganisatie, waaronder de meldkamer, het CoPI, het crisisteam, het (R)CT en het ROT. In hoofdstuk 4 komt de bovenregionale crisisorganisatie en de nationale crisisstructuur aan bod. Hoofdstuk 5 gaat in op de GRIP systematiek, met afspraken over alarmering, op- en afschaling, mandatering en de bijbehorende basisbezetting. Hoofdstuk 6 geeft een overzicht van de hoofdprocessen per kolom en de ondersteunende processen, terwijl hoofdstuk 7 de verschillende crisispartners beschrijft. In de bijlagen zijn onder meer de prestatie-eisen en een afkortingenlijst opgenomen.
2. Uitgangspunten crisisorganisatie
In dit hoofdstuk wordt de regionale crisisorganisatie beschreven. De crisisorganisatie beoogt een handelingsstructuur te zijn: een organisatie die bedoeld is om onder tijdsdruk zo snel mogelijk, en dus zonder te veel gedwongen procedurele afstemmingsmomenten, direct en slagvaardig te handelen.
2.1 Meta-uitgangspunten en prestatie-eisen crisisorganisatie
Twente heeft een crisisorganisatie die flexibele, slagvaardige en outputgerichte crisisorganisatie, waarbij de inwoner centraal wordt gesteld. De onderstaande uitgangspunten en prestatie-eisen geven richting aan de crisisorganisatie en vormen hiermee de basis voor de verdere uitwerking van de regionale crisisorganisatie.
De crisisorganisatie werkt voor en samen met de inwoner
De omgang door de crisisorganisatie met haar inwoners is essentieel om de betrokkenheid en inzet van de bevolking bij crises goed te benutten. Twente bevordert en benut samen- en zelfredzaamheid en draagt daarmee bij aan de weerbaarheid van de samenleving.
Bij (flits)crises gaat slagvaardigheid ten behoeve van de inwoner boven interne afstemming
Acute/flits crises vragen om snelle besluitvorming (slagvaardigheid), maar tegelijk dienen de processen en acties van de kolommen op elkaar afgestemd te zijn, zodat het maximale resultaat behaald kan worden (coördinatie). De keuze om bij één van beide doelstellingen de prioriteit te leggen, betekent onvermijdelijk een mindere realisatie van de andere doelstelling. VRT kiest voor een slagvaardige crisisorganisatie, waarin de output voor de inwoner centraal staat, ook al betekent dat dat er geen optimale afstemming kan plaatsvinden.
Crisistaken worden óf uitgevoerd door crisisspecialisten óf ze passen bij de dagelijkse werkzaamheden
Een crisis specifieke taak die in de hectiek en (tijds)druk van een crisis moet worden uitgevoerd, vergt intensieve opleiding en training. Een gevolg hiervan is dat VRT kiest voor een tweeledige aanpak:
Naast de uitgangspunten zijn prestatie-eisen geformuleerd. Deze prestatie-eisen zijn richtinggevend. Het geeft een inspanningsverplichting weer, waarbij er ruimte blijft voor improvisatie en professionaliteit. Prestatie-eisen voor een crisisorganisatie zijn te ingewikkeld om als outcome-eisen te definiëren, omdat er immers in een niet genormeerde situatie moet worden opgetreden: er moet dus worden geïmproviseerd.
De geformuleerde richtinggevende ‘eisen’ sluiten aan bij de uitgangspunten. Dat betekent dat naast het behalen van de prestaties de focus op improvisatie en inspelen op de (zelf)redzame inwoners van Twente ook noodzakelijk is.
Onderscheid wordt gemaakt, tussen de primaire hulpverleningsprocessen en de interne rand-voorwaardelijke processen als informatievoorziening en logistiek: zonder dit soort randvoorwaardelijke processen werkt de crisisorganisatie niet.
In bijlage 1 zijn de prestatie-eisen van de primaire hulpverleningsprocessen en de interne randvoorwaardelijke processen verder uitgewerkt.
De organisatie gaat op basis van de meta-uitgangspunten en prestatie-eisen uit van de volgende basisafspraken:
De crisisorganisatie bestaat uit maximaal twee besluitvormende lagen. Andere organisatieonderdelen kunnen slechts ondersteunend zijn aan één van beide lagen. In de meeste gevallen gaat het om een CoPI en het crisisteam (CT). Deze twee lagen zijn met elkaar verbonden door een rechtstreekse lijn tussen de leider CoPI en de Operationeel Leider (OL). Dit wordt ook wel de gouden lijn genoemd.
Als de situatie dit vereist, kunnen de Leider CoPI (LC), de Operationeel Leider, de burgemeester en de voorzitter van de veiligheidsregio gemotiveerd van de GRIP regeling afwijken. GRIP is bedoeld als hulpmiddel en biedt een duidelijke structuur en standaardisering in de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Een GRIP-fase kan direct worden afgekondigd zonder dat het lagere niveau is ingesteld.
Invoegen-uitvoegen- tussenvoegen: flexibiliteit. In het volgende hoofdstuk wordt de startopstelling van de crisisorganisatie beschreven. Aanvullend op de basissamenstelling van elk onderdeel, kunnen naar behoefte, in opdracht van de leider van het onderdeel, aanvullende functionarissen worden gealarmeerd. Deze flexibiliteit is lastig om op papier te zetten, omdat dit maatwerk per incident is. Daarom wordt de startopstelling beschreven en kan vanuit daar worden ingevoegd, tussengevoegd en uitgevoegd. In uitzonderlijke situaties wordt er geïmproviseerd.
De crisisorganisatie kent vier hoofdtaken voor de bestrijding van crises:
Overdracht. De crisisorganisatie zorgt voor een zorgvuldige afhandeling van het incident en een goede overdracht naar de getroffen gemeente(n) en betrokken partners. Daarbij wordt een advies voor de nafase opgesteld, waarin onder meer de openstaande actiepunten, de strategische kaders en de toebedeelde verantwoordelijkheden zijn opgenomen. Deze overdracht stelt de reguliere organisaties in staat om het herstel, de nazorg en de verdere besluitvorming gestructureerd en adequaat voort te zetten.
In Twente gaan we ervan uit dat iedere functionaris direct na alarmering start met zijn werkzaamheden, ongeacht de locatie waar men zich op dat moment bevindt. Dit sluit aan bij artikel 2.3.2 van het Besluit veiligheidsregio’s, waarin staat binnen welke tijd de werkzaamheden moeten zijn begonnen. Deze tijden verschillen per team en per functie en zijn opgenomen in de betreffende onderdelen van dit plan.
Naast het direct starten met werkzaamheden geldt een richttijd om, indien noodzakelijk, fysiek aanwezig te kunnen zijn op iedere locatie in Twente. Dit betekent dat crisisfunctionarissen binnen een zodanige reisafstand van de regio woonachtig moeten zijn dat zij tijdig ter plaatse kunnen zijn wanneer de situatie dat vereist. Wonen of zich bevinden op grotere afstand, is daarom niet passend voor het vervullen van piketfuncties binnen Veiligheidsregio Twente.
De crisisorganisatie is primair ontworpen voor flitscrises: acute situaties waarin direct handelen en snelle besluitvorming noodzakelijk zijn. Bij niet acute of voorzienbare crises ligt dit anders. Deze crises verschillen van acute situaties in aard, duur en omvang. Ze ontwikkelen zich vaak geleidelijk, houden langer aan en raken meerdere beleidsterreinen of maatschappelijke domeinen tegelijk. Voorbeelden zijn langdurige verstoringen van vitale infrastructuur, complexe gezondheidsdreigingen, maatschappelijke onrust of situaties met aanzienlijke bestuurlijke en sociale impact.
Deze ontwikkelingen vragen niet alleen om een passende crisisstructuur, maar raken ook aan weerbaarheid: het vermogen van onze organisatie, partners en samenleving om verstoringen te voorkomen, op te vangen en zich aan te passen. Samen- en zelfredzaamheid is daarin een belangrijk onderdeel. Het versterken van weerbaarheid is daarmee een belangrijk uitgangspunt van onze generieke voorbereiding en sluit aan op de inzet vanuit de ‘warme’ crisisorganisatie zoals in dit plan beschreven.
Door maatschappelijke, technologische, klimatologische en geopolitieke ontwikkelingen is de verwachting dat dit type langdurige en beleidsintensieve crises in de toekomst vaker voorkomen. De samenleving wordt complexer en kwetsbaarder door onder meer digitalisering en cyberdreigingen, klimaatverandering en extreme weersomstandigheden, internationale spanningen en de verwevenheid van vitale processen. Hierdoor neemt de kans toe op langdurige verstoringen die meerdere beleidsterreinen tegelijk raken en een langdurige inzet van de crisisorganisatie vragen.
Hoewel erbij langdurige of beleidsintensieve crises meer tijd is voor afstemming en voorbereiding, vraagt dit type inzet een crisisorganisatie die gedurende langere tijd gecoördineerd, gestructureerd en met voldoende capaciteit kan blijven functioneren. Tegelijkertijd moeten sleutelfunctionarissen beschikbaar blijven voor acute en onverwachte incidenten. De reguliere crisisorganisatie kan daarom niet langdurig in crisismodus blijven draaien zonder risico op uitputting of verlies van paraatheid.
Om beide doelen te borgen — langdurige inzet van de crisisorganisatie én operationele paraatheid voor een nieuwe flitscrisis — kan bij verwachting van een langdurige inzet worden overgeschakeld naar een crisisprojectorganisatie.
In alle gevallen start de inzet vanuit de in dit plan omschreven crisisorganisatie. Dit kan vanuit een flitscrisis, waarbij uit de crisisdiagnose blijkt dat langdurige inzet nodig is. Vanuit de crisisorganisatie kan dan een crisisprojectorganisatie worden ingericht.
Een crisisprojectorganisatie kan ook vanuit een bestuurlijke vraag van een gemeente (bij dreigende of langdurige problematiek) worden ingesteld. Als de gemeente een vraag stelt, kan op basis van een crisisdiagnose een voorstel worden gedaan van een crisisprojectorganisatie. Hierbij worden ook afspraken gemaakt over het moment van afschalen van de veiligheidsregio.
Bij dit type langdurige en beleidsintensieve crises kan een gemeente ervoor kiezen te werken met gemeentelijke kernteams (zoals bijvoorbeeld ingezet tijdens de coronacrisis of opgenomen in planvorming voor het scenario black-out of handreiking maatschappelijke onrust). Deze kernteams kunnen, afhankelijk van de crisis, (tijdelijk) worden ingevoegd in de crisisorganisatie en worden dan toegevoegd aan de regionale crisisorganisatie. Het invoegen van gemeentelijke kernteams draagt bij aan goede afstemming en informatie-uitwisseling tussen de gemeentelijke organisatie en de regionale crisisorganisatie (en vice versa), zodat beide niveaus beschikken over een actueel en gedeeld beeld en besluiten en acties op elkaar aansluiten.
2.4.1 Inzet crisisstructuur bij niet-crisissituaties
Los van (dreigende) crises kan het helpend zijn om (delen van) de crisisstructuur tijdelijk en laagdrempelig in te zetten bij niet-crisis situaties met een verhoogde maatschappelijke impact of complexiteit. Zonder formele opschaling kan de structuur dan ondersteuning bieden bij het organiseren van een gedeeld beeld, het afstemmen met partners en het vastleggen van besluiten en acties. Uitgangspunt is flexibele, functiegerichte inzet: we zetten alleen die rollen, overleggen en werkwijzen in die op dat moment nodig zijn en schalen waar nodig bij of af.
3. Regionale crisisorganisatie
Dit hoofdstuk beschrijft de regionale crisisorganisatie en werkt per onderdeel uit hoe de organisatie in de praktijk functioneert. Achtereenvolgens komen de meldkamer, het CoPI, het (gemeentelijk) crisisteam, de operationele staf en het Regionaal Crisisteam aan bod. Per onderdeel worden samenstelling, operationaliteit en taken beschreven.
Bij rampen en crises vervult de gemeenschappelijke meldkamer een spilfunctie voor alarmering en communicatie met de brandweer, politie en ambulancezorg, gemeenten (bevolkingszorg) en crisiscommunicatie. Daarnaast is de meldkamer een belangrijk knooppunt voor de eerste informatie-uitwisseling en bereikbaarheid richting crisispartners (waar nodig via de afgesproken contact- en informatielijnen), zodat ook zij tijdig kunnen worden geïnformeerd en gealarmeerd en hun rol kunnen invullen.
Taken en verantwoordelijkheden
De meldkamer is verantwoordelijk voor de processen: intake, regie op inzet, opschaling en ondersteuning. Dit geldt voor de drie afzonderlijke meldkamers van brandweer, politie en ambulancezorg, waar het gaat om de monodisciplinaire taken, maar ook voor de meldkamer als geheel en voor de kolommen bevolkingszorg en crisiscommunicatie. De meldkamer verkrijgt, verifieert en combineert essentiële informatie over een incident of crisis en legt deze gegevens vast in een gemeenschappelijk meldkamersysteem (GMS). Op basis van deze gegevens schat de meldkamer de juiste hulp- en inzetbehoefte in.
Zodra is vastgesteld dat is voldaan aan de criteria voor grootschalige alarmering 1 wordt de meldkamer aangestuurd door één leidinggevende: de Calamiteitencoördinator (CaCo). De CaCo heeft de volgende kerntaken en bevoegdheden:
3.2 Commando Plaats Incident (CoPI)
Op het plaats incident wordt praktisch uitvoering gegeven aan de bestrijding van de crisis. In onderstaande tabel wordt de kernbezetting van het CoPI beschreven. Het CoPI kan afhankelijk van de behoefte worden uitgebreid met functionarissen van bijvoorbeeld externe partijen.
Op de plaats incident wordt praktisch uitvoering gegeven aan de bestrijding van de crisis in zowel het bron- als effectgebied. De diensten geven praktisch uitvoering aan de bestrijding van de acute crisis. De hulpverleningsdiensten organiseren hun eigen monodisciplinaire opschaling, optreden en kennen een eigen informatie- en bevelslijn en laten zich ondersteunen door een eigen monodisciplinaire kolom.
De bezetting van het CoPI richt zich primair op drie kerntaken:
De interdisciplinaire afstemming tussen de officieren van dienst (OvD’s) vindt na het ontstaan van de crisis plaats op basis van behoefte. Na de eerste hectiek van het incident is er meer tijd om gestructureerd multidisciplinair af te stemmen. Het CoPI staat onder leiding van een Leider CoPI.
Als meerdere CoPI’s nodig zijn bij hetzelfde incident, wordt situationeel gekeken hoe dit precies wordt ingericht en gecoördineerd.
3.3 Het gemeentelijk crisisteam (CT)
Als ingeschat wordt dat de burgemeester moet worden gealarmeerd vanwege de noodzaak tot duiding en/of bestuurlijke (top)besluitvorming, dan wordt de burgemeester bijgestaan door een klein crisisteam.
3.3.1 Samenstelling, locatie en operationaliteit
Gemeente- of stadhuis brongemeente Ook hier geldt dat de functionarissen direct na alarmering starten met hun werkzaamheden. Wettelijk gezien is dit voor de leden van het crisisteam 60 minuten, met uitzondering van de Operationeel Leider (45 minuten). Van dit team staat alleen de Operationeel Leider op piket. Daarnaast kent de gemeente vaak een piketregeling voor de burgemeester. |
Het gaat hier om de bezetting in de eerste chaotische fase direct na een crisis. Deze bezetting kan, vaak nadat de eerste hectische fase voorbij is (± 2 uur), bijvoorbeeld worden uitgebreid met de gemeentesecretaris, zodat deze goed invulling kan geven aan zijn rol in de nafase en lokale kennis kan inbrengen in het crisisteam. De lokale gemeentesecretaris en bestuursadviseur moeten dan in samenspraak besluiten welke onderlinge taakverdeling zij willen hanteren.
De Operationeel Leider, de bestuursadviseur en de communicatieadviseur adviseren en informeren de burgemeester bij het uitvoeren van zijn rollen als bestuurder, beslisser, boegbeeld en burgervader. Het crisisteam heeft als opkomstlocatie één ruimte in het gemeente- of stadhuis. De operationele staf komt ook naar het gemeente-of stadhuis en bevindt zich in de nabijheid van het crisisteam.
De beleidsondersteuner legt in het crisisteam de besluiten vast in de landelijke voorziening crisisbeheersing LCMS (Landelijke Crisis Management Systeem). Bij voorkeur gebeurt dit met daarbij een korte overweging. De verslaglegging in LCMS is na afloop input voor de evaluatie. Het is dan ook belangrijk dat deze eenduidig plaatsvindt, het verslag door het crisisteam wordt vastgesteld en dat deze goed wordt gecontroleerd door bijvoorbeeld de bestuursadviseur en waar nodig een jurist. De beleidsondersteuner gaat na afloop van het CT met de Operationeel Leider mee naar de operationele staf.
Het crisisteam kan, als de burgemeester dat noodzakelijk acht, worden uitgebreid met bijvoorbeeld:
Een reden om het crisisteam uit te breiden met één van bovenstaande functionarissen is als de partner beschikt over eigen bestuurlijke bevoegdheden (algemene versus functionele keten).
Indien gewenst kunnen het Openbaar Ministerie, de politie en de burgemeester in een separaat lokaal driehoeksoverleg tot afstemming komen over de inzet van de bevoegdheden van de burgemeester die zijn gericht op het bewaken van de openbare orde en de bevoegdheden van de hoofdofficier gericht op het bewaken van de rechtsorde en strafrechtelijke aspecten van de crisis. In de hectische fase van de meeste flitscrises kan deze afstemming ook plaatsvinden in het crisisteam.
Bevoegdheden en taken burgemeester bij brand, rampen en crises
De burgemeester is bij brand, een plaatselijke ramp, crisis of ernstige dreiging daarvan bevoegd gezag.
Burgemeester (als bevoegd gezag):
De burgemeester is bevoegd toepassing te geven aan:
De burgemeester wordt bij de uitoefening van deze taken en bevoegdheden ondersteund door een gemeentelijk crisisteam.
Uitwijklocatie indien gemeentehuis of stadhuis buiten gebruik
De regionale crisisorganisatie kan binnen de gemeente uitwijken naar een locatie waar in ieder geval WIFI, een ruimte is voor het crisisteam, staf OL en de actiecentra van de kolommen.
Daarbij zijn we er ons van bewust dat niet alle faciliteiten aanwezig zullen zijn. Bij voorkeur wordt er uitgeweken naar brandweerkazerne of gemeentewerf.
Als er geen uitwijklocatie in de gemeente beschikbaar is, kan er uitgeweken worden naar het Regionaal Crisiscentrum (RCC) van Veiligheidsregio Twente, Lansinkesweg 59 in Hengelo. De specifieke locaties zijn opgenomen in de crisiscontactlijst.
De operationele staf komt bijeen bij een GRIP 3 of hoger óf in een situatie waarbij op verzoek van de Operationeel Leider een operationele staf wordt gevormd. De operationele staf adviseert en ondersteunt het CoPI en/of het crisisteam en helpt de Operationeel Leider bij de uitvoering van zijn taak als Operationeel Leider en operationeel adviseur.
De Operationeel Leider wordt ondersteund door een operationele staf, waarin ten minste zitting heeft:
Deze staf kan worden uitgebreid met:
Als de Operationeel Leider in overleg zit met het crisisteam, neemt hij de beleidsondersteuner met zich mee, deze vervult dan de rol van informatiemanager crisisteam. De Algemeen Commandant informatiemanagement blijft in de operationele staf, zodat de staf altijd bemenst is.
Taken en verantwoordelijkheden Operationeel Leider:
Afstemming Operationeel Leider met de Algemeen Commandanten en externe partners
De afstemming en advisering tussen de (staf) Operationeel Leider en de Algemeen Commandanten en/of externe partners vindt in de hectische fase hoofdzakelijk via de telefoon, teams, fysiek of via het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS) naar behoefte plaats. Indien mogelijk geeft de OL na afloop van het crisisteam een debriefing, zodat alle algemeen commandanten weten wat hem of haar te doen staat.
Nadat de eerste hectiek van het incident voorbij is, is er meer tijd en ruimte om gestructureerd multidisciplinair af te stemmen. Als de behoefte daartoe bestaat, kan een Operationeel Leider één of meerdere Algemeen Commandant(en) bij zich roepen om zaken af te stemmen. Ook kunnen de Algemeen Commandanten worden toegevoegd aan de operationele staf. Als een Algemeen Commandant hier behoefte aan heeft, stemt hij/zij dit af met de Operationeel Leider.
Bijzondere aandacht vraagt de communicatie- en afstemmingslijn tussen de Operationeel Leider (OL), Algemeen Commandant Crisiscommunicatie (ACC) en Strategisch Communicatieadviseur (SCA). De kolom crisiscommunicatie heeft als enige kolom vertegenwoordiging in het crisisteam. Dit maakt dat er naast de formele lijn tussen OL en ACC een tweede lijn loopt van ACC naar de SCA.
De Operationeel Leider is verantwoordelijk voor de totale operatie, dus inclusief crisiscommunicatie. In het crisisteam geeft de OL een feitelijk operationeel beeld, en het beeld met de beleving van de crisis door de buitenwereld middels de omgevingsanalyse. De SCA vult dit aan waar nodig en brengt de communicatiestrategie ter tafel. Na afloop van het CT koppelt de OL terug aan de ACC. De ACC informeert en adviseert de OL over de communicatie-aanpak en uitvoering van de gehele kolom crisiscommunicatie.
Via de informatielijn tussen de SCA en de ACC wordt de communicatieaanpak besproken ten behoeve van de advisering over de strategische communicatie door de SCA aan het crisisteam, specifiek de duiding van de crisis door de burgemeester.
Ruimte en positie geven aan elkaar binnen deze driehoek, met oog voor elkaars positie, expertise en verantwoordelijkheden, draagt bij aan een effectieve samenwerking en versterkt het gezamenlijke doel: een slagvaardige en goed afgestemde crisisorganisatie.
Ook voor bestuurlijke afstemming met andere partners in de crisisbeheersing met eigenstandige bevoegdheden, zoals het waterschap of beheerders van vitale infrastructuur, geldt dat zij indien nodig gevraagd kunnen worden om naar de staf van de Operationeel Leider te komen. Vanuit de staf kan dan worden bekeken of aansluiting en door wie bij het crisisteam gewenst is. Dit kan per crisisteamvergadering verschillen.
Als de voorzitter veiligheidsregio, in overleg met de Operationeel Leider, inschat dat duiding en/of bestuurlijke besluitvorming en afstemming op regionaal niveau noodzakelijk is, roept hij een Regionaal Crisisteam (RCT) bijeen. In de Wet veiligheidsregio’s is in art. 39 vastgelegd dat alleen de voorzitter dit kan bij een gebeurtenis van meer dan plaatselijke betekenis.
3.5.1 Samenstelling, locatie en operationaliteit
|
|
Standaard uitgenodigd3:
|
Voor de leden van het Regionaal Crisisteam geldt hetzelfde als voor de leden van het Gemeentelijk Crisisteam qua wettelijke tijden dat zij moeten zijn gestart met de werkzaamheden. In dit team staat alleen de Operationeel Leider op piket. |
Voor een gemeentegrensoverschrijdende crisis, wordt een Regionaal Crisisteam samengesteld. Hiervoor zijn drie varianten mogelijk:
Bij opschaling direct naar een Regionaal Crisisteam bepaalt de voorzitter veiligheidsregio in overleg met de Operationeel Leider welke variant gekozen wordt.
Het Regionaal Crisisteam kan als de voorzitter veiligheidsregio dat noodzakelijk acht worden uitgebreid met bijvoorbeeld:
Een reden om het crisisteam uit te breiden met één van bovenstaande functionarissen is als de partner beschikt over eigen bestuurlijke bevoegdheden (algemene versus functionele keten).
Indien gewenst kunnen het Openbaar Ministerie, de politie en de burgemeester in een separaat lokaal driehoeksoverleg tot afstemming komen over de inzet van de bevoegdheden van de burgemeester die zijn gericht op het bewaken van de openbare orde en de bevoegdheden van de hoofdofficier gericht op het bewaken van de rechtsorde en strafrechtelijke aspecten van de crisis. In de hectische fase van de meeste flitscrises kan deze afstemming ook plaatsvinden in het crisisteam.
Afbeelding 4: Crisisorganisatie: Regionaal Crisisteam
Bevoegdheden voorzitter veiligheidsregio
Indien sprake is van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de voorzitter van de veiligheidsregio bevoegd gezag (artikel 39 Wet veiligheidsregio’s):
3.6 Regionaal Operationeel Team
In uitzonderlijke situaties en wanneer een incident zich zodanig ontwikkelt dat er behoefte is aan meer ondersteuning en afstemming, kan de Operationeel Leider besluiten tot het instellen van een Regionaal Operationeel Team (ROT). Het ROT ondersteunt het CoPI en/of crisisteam. Er is dan sprake van een faciliterend ROT. Voor alle duidelijkheid: het faciliterende ROT is dan geen besluitvormende laag. In de meeste gevallen kan gewenste extra ondersteuning aan de operationele staf zelf worden toegevoegd.
Het ROT staat dan onder leiding van een Operationeel Leider (horizontale opschaling). De bevelslijn blijft bestaan tussen de Operationeel Leider in het crisisteam en de Leider CoPI. Beiden kunnen een informatielijn hebben met de leider van het faciliterend ROT.
Feitelijk is hier dan sprake van een uitgebreide operationele staf. De staf kan uiteraard naar behoefte worden uitgebreid met partners.
Bij sommige crises is de plaats incident niet specifiek, zoals bij een stroomstoring of extreme weersomstandigheden. Dan is er ook geen CoPI. Het ROT verzorgt dan de operationele inzet.
Ook in deze situatie blijft de twee lagenstructuur overeind, namelijk een ROT met (mogelijk) een crisisteam in het gemeentehuis of een Regionaal Crisisteam.
RCC of stad- of gemeentehuis brongemeente Ook voor de leden van het regionaal operationeel team geldt dat zij na alarmering starten met de werkzaamheden. Wettelijk gezien is dit voor de algemeen commandanten 45 minuten, met uitzondering van de AC-IM (40 minuten) en de ACC (30 minuten). De Operationeel Leider en alle AC’s staan op piket. |
De Operationeel Leider heeft ook dan de beschikking over zijn operationele staf met een Algemeen Commandant informatie en een beleidsondersteuner.
4. Bovenregionale crisisorganisatie en nationale crises
4.1 Bovenregionale crisisorganisatie
Een bovenregionale crisis is een crisis of ramp met bron of effect in meerdere veiligheidsregio’s. Er kan dan een interregionaal beleidsteam (IRBT) worden samengesteld. Het IRTB kan bijeen worden geroepen als er sprake is van een bovenregionale of landelijke crisis of ramp of indien er sprake is van een acute fase waarbij snelle bestuurlijke besluitvorming nodig is.
Het doel van het IRBT is om bij een bovenregionale crisis of ramp te komen tot afstemming tussen de betrokken voorzitters veiligheidsregio over besluitvorming in de verschillende veiligheidsregio’s. De basis voor het IRBT ligt in artikel 39 Wet veiligheidsregio’s (Wvr) en laat de bepalingen van de Wvr onverlet. Vanuit het gezag dat hen in de Wvr is gegeven, nemen de betrokken voorzitters veiligheidsregio deel aan het IRBT. In het IRBT stemmen zij af over besluiten die zij ieder vanuit hun bevoegdheid nemen. Afweging van belangen, ook met de andere bevoegde gezagen, vindt primair plaats in de afzonderlijke Regionale Beleidsteams (RBT’s) en de voorzitters nemen de afgewogen standpunten mee naar het IRBT. Na afstemming in het IRBT bekrachtigen de betrokken voorzitters veiligheidsregio het (bovenregionaal gelijkluidend) besluit in hun eigen RBT. Als de vereiste spoed zich verzet tegen het vooraf raadplegen van het RBT, kunnen de betrokken voorzitters op basis van artikel 39 lid 4 Wvr bij een (dreigende) crisis of ramp in het IRBT, staande de vergadering, gezamenlijk – maar wel ieder voor zich – formele (bovenregionaal gelijkluidende) besluiten nemen.
Om rechtsgevolg te geven aan de besluiten in het IRBT, nemen de voorzitters veiligheidsregio op basis van artikel 39 Wvr, ieder voor zich een besluit in lijn met de uitkomst van de stemming.5 Zij bekrachtigen dit besluit vervolgens in hun eigen RBT, tenzij de vereiste spoed zich hiertegen verzet.
De betrokken voorzitters veiligheidsregio brengen na afloop van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, schriftelijk verslag uit aan de raden van de getroffen gemeenten over het verloop van de gebeurtenissen en de besluiten die het IRBT heeft genomen. Zij vermelden daarbij of zij hebben ingestemd met de besluiten van het IRBT als deze op basis van meerderheid van stemmen tot stand zijn gekomen.
De nationale crisisstructuur wordt door het Rijk geactiveerd wanneer een situatie (dreigt te) escaleren tot een nationale crisis, bijvoorbeeld doordat de nationale veiligheid in het geding is of doordat de maatschappelijke impact zodanig is dat rijksbrede afstemming en besluitvorming nodig zijn. De Veiligheidsregio Twente (VRT) activeert deze structuur niet, maar kan (zoals andere partners) signalen, informatie en bestuurlijke aandachtspunten inbrengen via de daarvoor bedoelde lijnen. In geval van activering organiseert het Rijk (onder regie van de NCTV) de coördinatie en besluitvorming, aanvullend op de reguliere bestuurlijke en operationele structuren.
De kern van de nationale crisisorganisatie bestaat uit:
Onderstaand is de MCCb (en de bijbehorende ambtelijke ondersteuning) op hoofdlijnen uitgewerkt, passend bij de context van dit regionaal crisisplan. Voor de volledige landelijke uitwerking wordt verwezen naar het Nationaal Handboek Crisisbeheersing (Ministerie van Justitie en Veiligheid/NCTV, 6 december 2022).
De Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb) is het politieke/bestuurlijke overleg voor rijksbrede besluitvorming bij (dreigende) crises. De commissie wordt in beginsel voorgezeten door de minister van Justitie en Veiligheid; de minister-president kan besluiten zelf voor te zitten. Afhankelijk van de crisis schuiven de relevante ministers (en eventueel staatssecretarissen) aan. Op uitnodiging kan ook de voorzitter van het IRBT met raadgevende stem deelnemen. Als alle 25 veiligheidsregio’s betrokken zijn, is de voorzitter van het IRBT de voorzitter van het Veiligheidsberaad.
De ambtelijke voorbereiding en ondersteuning (o.a. ICCb/IAO en het NCC) is beschreven in in het Nationaal Handboek Crisisbeheersing (2022).
GRIP staat voor Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure. In deze procedure zijn afspraken vastgelegd over het opschalen en afschalen van de multidisciplinaire coördinatie bij incidenten, crises en rampen. GRIP vormt daarmee de basis voor zowel operationele als bestuurlijke opschaling en beschrijft welke teams, rollen en overlegstructuren worden geactiveerd per niveau.
Uit incidenten en oefeningen blijkt dat bij multidisciplinaire inzet behoefte ontstaat aan heldere coördinatie, taakverdeling en informatie-uitwisseling. GRIP voorziet hierin door – los van het aantal ingezette eenheden – te beschrijven wie wordt betrokken, waar wordt afgestemd en hoe de samenhang tussen operationele en bestuurlijke aansturing wordt georganiseerd.
GRIP beschrijft de systematiek om coördinatie en informatiebehoefte te organiseren en op elkaar af te stemmen, van routinematige incidenten tot een volledig opgeschaalde rampenbestrijdings- en crisisbeheersingsorganisatie.
GRIP beschrijft de basisstructuur voor multidisciplinaire coördinatie, maar sluit maatwerk niet uit. Afhankelijk van de aard, duur en bestuurlijke vraag kan de crisisorganisatie worden uitgebreid met aanvullende functionarissen of teams. Gemeentelijke kernteams zijn hiervan een voorbeeld: deze teams kunnen – met name bij langdurige en beleidsintensieve crises – worden ingevoegd in de crisisorganisatie om de afstemming en informatie-uitwisseling tussen gemeente en regionale crisisorganisatie (en vice versa) te versterken. Het inzetten van een gemeentelijk kernteam is daarmee niet gekoppeld aan één specifiek GRIP-niveau, maar volgt uit de behoefte aan capaciteit, continuïteit en verbinding.
De GRIP-procedure kan worden gestart wanneer sprake is van een (dreigend) incident, crisis of ramp waarbij een leidinggevende functionaris (ten minste op officiersniveau) van een betrokken discipline behoefte heeft aan gestructureerde multidisciplinaire coördinatie.
Opschaling binnen GRIP wordt beschreven met niveaus (van routine tot en met bovenregionale afstemming). Welk niveau passend is, hangt af van aard, omvang en impact van de situatie. De kerncriteria en bijbehorende basisbezetting zijn samengevat in de tabel verderop in dit hoofdstuk.
5.2 Alarmering en opschaling via de meldkamer
De meldkamer is het eerste knooppunt voor melding en alarmering. De werkwijze en rol van de meldkamer (incl. CaCo) is beschreven in hoofdstuk 3.1 (Meldkamer). In het kader van GRIP zijn met name de onderstaande afspraken relevant.
Afspraken multidisciplinair melding– en alarmering
Binnen vijf minuten nadat is vastgesteld dat is voldaan aan de criteria voor grootschalige alarmering geeft de meldkamer, op grond van de beschikbare gegevens, een zo volledig mogelijke beschrijving van het incident aan de onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing en aan andere functionarissen of eenheden als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid6
Het geven van leiding en het organiseren van coördinatie heeft tot doel om de mono- en multidisciplinaire processen zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Leiding en coördinatie is daarmee een middel, geen doel op zich.
Basisafspraken leiding en coördinatie
Opschaling sluit zoveel mogelijk aan bij de normale werkwijze van brandweer, geneeskundige zorg, gemeenten, politie en meldkamer. Met minimale wijzigingen kan een inzet doorgroeien van kleinschalig naar grootschalig. Daarom is het essentieel dat op ieder moment duidelijk is waar verantwoordelijkheden en afstemmingslijnen lopen.
Wanneer de situatie daarom vraagt, wordt opgeschaald naar een passende GRIP-fase om multidisciplinaire coördinatie en eenduidige aansturing te organiseren.
Binnen VRT kan, afhankelijk van de situatie, direct worden opgeschaald van GRIP 1 naar GRIP 3. GRIP 2 wordt in deze systematiek gebruikt voor scenario’s zonder duidelijk brongebied (bijvoorbeeld een stroomstoring), waarbij wel een ROT nodig is maar geen CoPI of crisisteam.
Per GRIP-fase zijn opschalingscriteria opgenomen. Ter verduidelijking zijn criteria en (start)bezetting samengevat in de tabel op de volgende pagina. Uitgangspunt is dat bij alarmering wordt uitgegaan van de bij het gekozen GRIP-niveau behorende basisbezetting. Aanvullende functionarissen en/of teams (bijvoorbeeld extra Algemeen Commandanten of stafsecties) worden alleen gealarmeerd wanneer dit expliciet wordt benoemd, zowel multidisciplinair als monodisciplinair. Ook worden functionarissen van hogere GRIP-niveaus geïnformeerd (zie ook 5.3). Dit sluit aan bij het principe van functioneel alarmeren: zo klein mogelijk starten, maar zonder terughoudendheid opschalen wanneer snelheid, veiligheid of maatschappelijke impact daarom vraagt.
Binnen VRT worden hiervoor geen specifieke operationele voorbereidingen getroffen; de operationele diensten spreken daarom van ‘routine’ en niet van ‘GRIP 0’. De multidisciplinaire crisisorganisatie (teams, taken en functionarissen) is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van dit crisisplan.
De bevoegdheid om een GRIP-niveau af te kondigen (opschaling) ligt bij verschillende functionarissen:
Voorafgaand aan een bestuurlijke opschaling door burgemeester of voorzitter veiligheidsregio vindt, waar mogelijk, afstemming plaats met de dienstdoende Operationeel Leider.
Voor specifieke scenario’s wordt verwezen naar de betreffende rampbestrijdingsplannen en coördinatieplannen.
Als de omstandigheden het toelaten, wordt afschaling voorbereid. Afschaling is het proces waarbij de crisisorganisatie teruggaat naar een lager GRIP-niveau of naar routine. Afschaling van (delen van) de crisisorganisatie vindt pas plaats nadat hierover afstemming heeft plaatsgevonden met de nog actieve teams. Wanneer een team wordt opgeheven, zorgen de teamleden voor overdracht van lopende zaken en informeren zij hun collega’s over de actuele stand van zaken.
Ook kan een GRIP-niveau in stand blijven terwijl bepaalde teams of functionarissen niet langer nodig zijn. Om te voorkomen dat kolommen afschalen zonder onderlinge afstemming, kan een team alleen worden opgeheven met toestemming van de leiding van het nog actieve team. Vanaf GRIP 1 draagt het CoPI zorg voor een goede overdracht aan de gemeente en/of (externe) partners door middel van het Overdrachtsformulier CoPI. Dit wordt opgesteld onder leiding van de Leider CoPI en vastgelegd door de OvD-IM. De OvD-BZ zorgt voor de overdracht van het formulier en acties aan de getroffen gemeente.
In de overdracht worden in ieder geval afspraken gemaakt over:
Voordat bestuurlijke en operationele teams geheel worden ontbonden, wordt vanaf GRIP 3 aan het (R)CT een advies nafase voorgelegd. Hierin staan onder meer de doelstellingen voor de nafase, uitgangspunten en de thema’s, openstaande actiepunten uit bron- en effectgebied (van alle disciplines). Na vaststelling in het (R)CT kan formeel worden afgeschaald. De getroffen gemeente(n) is/zijn vervolgens verantwoordelijk voor definitieve vaststelling in het college van B&W en voor de uitvoering van het plan van aanpak voor de nafase.
De leidinggevende van de actieve teams neemt het initiatief tot afschaling. Afhankelijk van het opgeschaalde niveau zijn dit de Leider CoPI, de Operationeel Leider, de burgemeester of de voorzitter veiligheidsregio.
Bij een langdurig incident is het van belang dat teams optimaal blijven functioneren. De leidinggevenden van de verschillende disciplines zijn verantwoordelijk voor het tijdig laten vervangen van hun ingezette functionarissen. Waar nodig kan de meldkamer ondersteunen bij het alarmeren van vervangende functionarissen. Bij aflossing dient rekening te worden gehouden met een maximale inzetduur van 8 uur. Uiteraard is het maximaal te werken aantal uren afhankelijk van het tijdstip van alarmeren.
Dit hoofdstuk geeft een compact overzicht van de hoofdprocessen per kolom. Daarnaast zijn de ondersteunende processen Informatiemanagement en Ondersteuning opgenomen. Waar in de kolomtabellen ‘Ondersteuning’ staat, gaat het om ondersteuning binnen de betreffende kolom; paragraaf 6.2 beschrijft de kolom-overstijgende ondersteuning, waaronder interregionale bijstand. Informatiemanagement wordt daarbij niet als ‘zesde kolom’ in de tabellen weergegeven, maar afzonderlijk beschreven als ondersteunend proces (zie paragraaf 6.1). Ondersteuning (waaronder interregionale bijstand) is opgenomen als ondersteunend proces (zie paragraaf 6.2). De volledige procesbeschrijvingen en werkinstructies (mono- en multidisciplinair) zijn uitgewerkt in het Regionaal Crisisplan deel II; de opbouw en benaming in dit hoofdstuk sluiten daarop aan.
De processen worden hieronder op hoofdlijnen weergegeven. De verdere uitwerking is te vinden in deel II van het Regionaal Crisisplan.
Definitie informatiemanagement
Informatiemanagement tijdens crisissituaties is een cyclisch proces van het effectief en efficiënt organiseren van de informatievoorziening binnen en tussen crisisstaven. Doel is dat eenieder binnen de crisisorganisatie tijdig kan beschikken over actuele en gevalideerde informatie om op zijn niveau leiding te kunnen geven, af te stemmen, te controleren en bij te sturen. Dit om de crisisorganisatie op essentiële punten een gedeeld beeld te geven en tijdig in staat te stellen de crisis te bestrijden. Dit is meer in detail uitgewerkt in deel II van het Regionaal Crisisplan.
Het informatiemanagement wordt ondersteund door het Veiligheidsinformatieknooppunt (VIK), als onderdeel van het Informatie- en Operationeel Centrum (IOC), en is beschikbaar in de koude, lauwe en warme fase.
Ondersteuning tijdens crisissituaties richt zich op het ondersteunen van de inwoners en de hulpverleners ter plaatse. Dit kan door middel het verzorgen van extra functionarissen en materieel.
Afspraken over aflossing binnen de crisisorganisatie zijn uitgewerkt in hoofdstuk 5 (GRIP), paragraaf ‘Aflossing’.
In eerste instantie wordt voor bijstand een beroep gedaan op de aangewezen functionarissen van VRT. Als dat niet mogelijk is, kan een bijstand verzoek worden gedaan bij de buurregio en/of het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC).
In elke crisis stemt de crisisorganisatie haar activiteiten af met die van tal van andere overheden en externe partners. Met welke partijen wordt samengewerkt, hangt direct samen met de aard, duur en omvang van het incident. Bij wet is vastgelegd dat in het Regionaal Crisisplan afspraken met crisispartners over risico en crisisbeheersing worden opgenomen.
Veiligheidsregio Twente heeft, tegen de achtergrond van de bestuurlijke netwerkkaarten crisisbeheersing, afspraken gemaakt met ketenpartners. Deze netwerkkaarten beschrijven voor verschillende scenario’s welk bevoegd gezag primair aan zet is en via welke bestuurlijke en operationele lijnen wordt afgestemd. Zij vormen een belangrijk kader voor de samenwerking tijdens multidisciplinaire inzet.
In crisissituaties werken verschillende bevoegdheden en verantwoordelijkheden samen. De veiligheidspartners opereren daarbij binnen twee bestuurlijke lijnen: de algemene keten en de functionele keten.
De algemene keten bestaat uit de bestuurlijke gezagslijn van burgemeester, voorzitter veiligheidsregio en minister van Justitie en Veiligheid. Binnen deze lijn is het lokale of regionale gezag primair verantwoordelijk voor de openbare orde, rampenbestrijding en crisisbeheersing. VRT is binnen deze keten leidend in de coördinatie van de multidisciplinaire inzet, tenzij wettelijke bepalingen anders voorschrijven.
Naast de algemene keten kennen sommige crises een bevoegd gezag dat voortkomt uit specifieke wettelijke taken, zoals bij het Openbaar Ministerie (OM), de waterschappen of beheerders van vitale infrastructuur. In deze functionele keten heeft de betreffende organisatie een eigen mandaat en bevoegdheden die, afhankelijk van het scenario, kunnen prevaleren boven de algemene keten. De veiligheidsregio werkt in dergelijke situaties ondersteunend binnen de kaders van deze functionele bevoegdheid.
De samenwerking tussen de algemene en functionele keten is uitgewerkt in de bestuurlijke netwerkkaarten crisisbeheersing. De afspraken in dit hoofdstuk sluiten hierbij aan en vormen de basis voor de samenwerking tussen de veiligheidsregio en haar ketenpartners tijdens multidisciplinaire incidenten.
In de volgende paragrafen worden de belangrijkste crisispartners beschreven, inclusief hun rol, verantwoordelijkheden en wijze van samenwerking binnen zowel de algemene als de functionele keten.
In situaties van gijzeling, ontvoering, continuïteit strafrechtspleging en – uitvoering is het Openbaar Ministerie (OM) het bevoegde gezag dat primair aan zet is. In situaties waarin het OM zichzelf primair aan zet acht, eist het vanuit zijn verantwoordelijkheidsdomein een belangrijke (zo niet doorslaggevende) rol op in de regionale crisisorganisaties. In deze situatie is de gezagsrol van de hoofdofficier van justitie op basis van artikel 13 Politiewet leidend. De voorzitter van de crisisorganisatie stemt maatregelen ter handhaving van de openbare orde af met de hoofdofficier. Desgewenst vindt de afstemming plaats in een apart (regionaal) driehoeksoverleg. Daarbij houdt het OM rekening met de maatschappelijke impact en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de (lokale) overheid. In situaties waarin het OM secundair betrokken is (denk aan openbare orde, rampen en zware ongevallen) stelt het OM zich ondersteunend op in de (regionale) crisisorganisatie. Het OM heeft zijn planvorming afgestemd op het Regionaal Crisisplan.
Nederland kent twee waterbeheerders: Rijkswaterstaat, beheerder van de rijkswateren en de waterschappen, beheerders van de regionale wateren. Daarnaast voeren ook provincies en gemeenten taken uit in het waterbeheer. Gezamenlijk hebben de organisaties de volgende zorgplicht:
De waterschappen zijn verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in hun beheergebied. Zij zorgen voor droge voeten, voldoende water en schoon water. Dit omvat onder andere
In Twente beheert waterschap Vechtstromen ongeveer 90 procent van het oppervlakte- en grondwater. De rest wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel en Drents Overijsselse Delta. Tijdens crisis fungeert Vechtstromen als eerste aanspreekpunt en kan het de andere waterschappen (tijdelijk) vervangen, maar neemt niet de bevoegdheden over.
De OvD’s van de waterschappen zijn 24/7 bereikbaar en beschikbaar. In het convenant tussen de waterschappen en VRT zijn afspraken over de bestrijding vastgelegd. Een verdere toelichting op de werkwijze van de waterschappen is terug te vinden in de crisisplannen van de waterschappen. De Operationeel Leiders van de betrokken waterschappen worden gealarmeerd bij een GRIP 2 situatie.
Rijkswaterstaat is eveneens partners in de waterzorg. Zij zijn verantwoordelijk voor het beheer van de Twentekanalen. Onder het beheer van deze kanalen valt ook het nautisch verkeersmanagement en beheer waterkeringen.
Binnen de waterzorg zijn provincies verantwoordelijk voor de grondwatervoorraden, de vergunningen van grote grondwateronttrekkingen (industrieel en voor drinkwater), zwemwater en in sommige gevallen vaarwegbeheer. Gemeenten hebben een zorgplicht voor de riolering, het afvoeren regenwater stedelijk gebied, het grondwater in stedelijk gebied en zijn bevoegd gezag voor ‘indirecte’ lozingen.
Defensie kan steunverlening of bijstand verlenen. Eén van de hoofdtaken van Defensie is civiele autoriteiten te ondersteunen bij rampen en crisis. Deze ondersteuning bestaat uit:
De catalogus Nationale Operaties beschrijft de capaciteiten die Defensie gegarandeerd binnen vastgestelde termijnen aan civiele autoriteiten beschikbaar kan stellen. Het aanvragen van een te bereiken effect heeft de voorkeur en een grotere kans van slagen.
Het convenant tussen VRT, Eenheid Oost van de Nationale Politie en Defensie bevat regio specifieke samenwerkingsafspraken. De dienstdoende Regionaal Militair Operationeel Adviseur (RMOA) is vanuit Defensie 24/7 bereikbaar en beschikbaar voor militair advies over bijstand, steunverlening en overige militaire onderwerpen. Deze functionaris heeft een opkomsttijd van maximaal 2 uur. De Regionaal Militair Beleidsadviseur (RMBA) kent geen piket, maar een vrije instroom.
Overzicht regio specifieke convenanten, dienstverleningsovereenkomsten en samenwerkingsovereenkomsten met ketenpartners van Veiligheidsregio Twente. De monodisciplinaire afspraken die elke kolom heeft gemaakt worden verder uitgewerkt door de kolom zelf in de procesbeschrijvingen/draaiboeken.
7.7 Grensoverschrijdende samenwerking
Twente is een grensregio die met ongeveer de helft van zijn grens raakt aan buurland Duitsland. Bijzonder daarbij is, dat Twente grenst aan twee Duitse deelstaten, Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen. Deze ‘Bundesländer’ maken weliswaar deel uit van één Duitsland, maar verschillen tegelijkertijd wel in o.a. wetgeving en organisatie.
In het verleden hebben noodsituaties rond o.a. stroomuitval en natuurbranden aangetoond dat de effecten gemakkelijk een landgrensoverschrijdend karakter hebben. Daarnaast ligt ongeveer 20 kilometer over de grens met Duitsland, net buiten de gemeente Lingen, het Kernkraftwerk Emsland (KKE) met een vermogen van 2.000 MeW, waarvan de risicocontouren tot in Twente reiken. Dit maakt samenwerking met onze Oosterburen noodzakelijk.
Op operationeel gebied zijn er diverse afspraken. Zo heeft de brandweer diverse convenanten afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de operationele grenzen. De GHOR heeft een publiekrechtelijk convenant grensoverschrijdende samenwerking ambulancehulpverlening tussen Kreis Borken en Ambulance Oost (2005). In dit convenant wordt geregeld dat bij een ongeval of acute ziekte op de snelst mogelijke wijze verantwoorde en adequate medische hulp wordt geboden, onafhankelijk van de plaats van het incident. Het verzoek tot (grensoverschrijdende) hulp wordt geregeld via de meldkamers in Apeldoorn (MKON) en Borken. Het convenant heeft met name werking in de gemeente Gronau, de gemeente Losser en het kerkdorp Overdinkel. Een dergelijk convenant is ook gesloten tussen de Ambulance Oost en de Grafschaft Bentheim.
Voor de ‘lauwe fase’ zijn er afspraken gemaakt om elkaar van informatie te voorzien. Er zijn contactpersonen aangewezen aan beide kanten van de grens die zorgen dat informatie gedeeld kan worden over situaties die mogelijk een crisis kunnen worden.
VRT heeft grensliaisons aangewezen, deze liaisons kunnen naar elkaars crisisorganisatie worden gestuurd, zodat we snel over de juiste informatie beschikken. De grensliaison functie is gekoppeld aan de die van de leider CoPI en de beleidsondersteuner. Er gaan dus altijd twee mensen naar Duitsland.
De hieronder genoemde prestaties zijn richtinggevend, waarvan op basis van professionaliteit kan worden afgeweken.
Alarmering (ook bij opschaling)
De alarmering is erop gericht om zo snel mogelijk de juiste mensen en middelen te mobiliseren. Uitgangspunt is functioneel alarmeren: start met de basisbezetting die past bij het (verwachte) GRIP-niveau en schaal gericht op wanneer de situatie daarom vraagt. Bij twijfel geldt: liever tijdig opschalen en alarmeren dan te laat.
Door middel van publieksinformatie (het geven van handelingsperspectieven op basis van feitelijke informatie) stimuleren we dat mensen zelfstandig de plaats van het incident verlaten en zelf tijdelijk opvang zoeken bij familie of vrienden. Zo nodig door het beschikbaar stellen van communicatiemiddelen (mobiele telefoons, internet), zodat betrokkenen zelf contact kunnen opnemen met hun verwanten.
Er wordt, als aan de orde, tijdelijke huisvesting geregeld. Het gaat hierbij om de mensen waarvan duidelijk is dat ze niet terug kunnen keren naar hun woning en ook niet ondergebracht kunnen worden bij familie/vrienden. Qua locatie kan gedacht worden aan hotel, vakantiepark of sporthal (bij grote omvang). Dit wordt afgestemd met de getroffen gemeente, woningcorporatie en/of Stichting Salvage.
Verwanteninformatie (SIS | Ik zoek mijn naaste )
Algemeen Commandant Crisiscommunicatie zorgt voor de publicatie van het nummer voor verwantencontact. Het boegbeeld legt als onderdeel van de duiding uit hoe het proces ‘informeren van verwanten’ is georganiseerd en welke problematiek dit met zich meebrengt (waaronder zorgvuldigheid versus snelheid).
Binnen vijf minuten nadat is vastgesteld dat is voldaan aan de criteria voor grootschalige alarmering geeft de meldkamer, op grond van de beschikbare gegevens, een zo volledig mogelijke beschrijving van het incident aan de onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing en aan andere functionarissen of eenheden als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid7 .
Het totaalbeeld wordt langs geautomatiseerde weg zo spoedig mogelijk en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is geverifieerd, beschikbaar gesteld aan de onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, andere bij de ramp of crisis betrokken partijen, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor de uitvoering van hun taken en bevoegdheden, en de minister.
De gegevens worden langs geautomatiseerde weg beschikbaar gesteld aan de onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing; andere de bij de ramp of crisis betrokken partijen die deze gegevens nodig hebben voor de uitvoering van hun taken en bevoegdheden, en het onderdeel dat het totaalbeeld bijhoudt.
Vanuit regelgeving zijn eisen geformuleerd ten aanzien van het regionaal crisisplan. Deze regelgeving betreft vooral de opbouw en samenstelling van een functiestructuur en richt zich daarmee op de vraag: wie doet wat en met welk resultaat? Dit is beschreven in deel I van het Regionaal Crisisplan Veiligheidsregio Twente.
Deel II van het Regionaal Crisisplan (RCP) van Veiligheidsregio Twente heeft als doel het vastleggen van de samenhang tussen de werkzaamheden, die uitgevoerd moeten worden bij zowel de besturende (leiding en coördinatie) als de primaire en ondersteunende processen inclusief de benodigde informatie.
Er wordt uitgegaan van een generiek proces leiding en coördinatie. Hiermee wordt bedoeld dat leiding en coördinatie in alle (opgeschaalde) situaties geldig moet zijn: strategisch, tactisch en operationeel. Leiding en coördinatie komt in alle opgeschaalde situaties voor. Bij de toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn uiteraard verschillen per opschalingsituatie; het proces blijft echter gelijk. Het proces leiding en coördinatie richt zich vervolgens op de volgende primaire (uitvoerende) en ondersteunende processen):
Hoofdstuk 2 is gereserveerd voor het sturende proces Leidinggeven en Coördineren, inclusief de processen informatiemanagement en ondersteuningsmanagement.
In de hoofdstukken 3 tot en met 6 zijn de processen beschreven van de primaire en ondersteunende processen Bevolkingszorg, Brandweerzorg, Politiezorg, Geneeskundige zorg en Crisiscommunicatie. De beschrijving per kolom varieert.
Het aansturen van de crisisorganisatie. Het omvat de feitelijke aansturing van de hulpverleningseenheden en onderdelen van de crisisorganisatie. Het geven van leiding en het organiseren van coördinatie heeft tot doel om de monodisciplinaire processen zo optimaal mogelijk te laten verlopen en daar waar nodig te zorgen voor de juiste afstemming. Leiding en coördinatie is daarmee een middel, geen doel op zich.
Dit vertaalt zich in de volgende algemene uitgangspunten:
Binnen elk team in de crisisorganisatie is er sprake van éénhoofdige leiding.
Operationele leiding betreft de bevoegdheid tot het in opdracht van de burgemeester of voorzitter Veiligheidsregio geven van bindende aanwijzingen aan commandanten/hoofden van de bij de crisisbestrijding samenwerkende zelfstandige disciplines en diensten zonder daarbij te treden in de operationele uitvoering door deze disciplines en diensten. De bestuurlijke leiding en de eindverantwoordelijkheid voor de afhandeling van incidenten, rampen en crises ligt bij de burgemeester of voorzitter veiligheidsregio.
Leiding en coördinatie starten direct na alarmering. Na alarmering, ontvangt de leider CoPI/operationeel leider (OL) het situatiebeeld vanuit de meldkamer Calamiteiten Coördinator (CaCo) via de RMG en raadpleegt hij het Geïntegreerd Meldkamer Systeem (GMS-systeem) via LIVEOP. Hij kan dan meteen, indien nodig, sturing geven.
Ter plaatse vormt de leider CoPI zich verder een beeld door eigen observaties en zich nader te informeren bij al aanwezige officieren van dienst (OvD’s) of, voor de OL, de algemeen commandant informatie of de leider CoPI. Daadkracht gaat voor afstemming, dus zolang er geen noodzaak is tot multidisciplinair overleg wordt sturing gegeven in direct contact tussen de leider CoPI/OL en de andere OvD’s/AC’s. De primaire commandolijn is via leider CoPI naar de OvD’s ter plaatse.
Wanneer besloten wordt tot het houden van een multidisciplinair overleg geldt de volgende procedure op hoofdlijnen. Voorafgaande aan de vergadering inventariseert de leider CoPI/OL samen met de OvD-IM, op basis van het situatiebeeld, de op dat moment bij de incidentbeheersing behorende thema’s. De volgende vragen komen hierbij aan bod: Wat is er aan de hand, wat hebben we daar eerder voor bedacht en welke aanpassingen op die plannen moeten we maken? Op basis van de thema’s worden doelstellingen geformuleerd voor de beheersing van het incident, ramp of crisis: wat moet er bereikt worden?
Aan het begin van de multidisciplinaire vergadering wordt het situatiebeeld getoetst door de leider CoPI/OL met de teamleden. Na verificatie wordt het beeld gesublimeerd tot situatiebeeld in LCMS door de OvD-IM/ AC-IM. Aan de hand van het situatiebeeld worden de thema’s en doelstellingen besproken en vastgelegd. Deze thema’s vormen samen de agenda.
Per thema bespreekt de leider CoPI/OL de onderstaande punten:
De besluiten en openstaande acties worden in het CoPI verwerkt in LCMS door de OvD-IM en in het Crisis Team (CT) door de beleidsondersteuner en in de operationele staf door de AC-IM. Alle besluiten worden ook direct gecommuniceerd met degene die ze moeten uitvoeren. Dit wordt geverifieerd door de leider CoPI/OL. De acties/opdrachten worden door de OvD’s/AC’s gecommuniceerd richting het veld en de monodisciplinaire teams (dit is afhankelijk van de monodisciplinaire opschaling).
De acties worden bij de eerstvolgende vergadering gecheckt in verband met de vorderingen van de uitvoering. Spoedeisende besluiten worden direct uitgezet en consequent gemonitord tot ze zijn uitgevoerd.
Een hulpmiddel hierbij is maken van een crisisdiagnose. Een crisisdiagnose is een flitsanalyse in tijd en ruimte van de crisis:
Een crisisdiagnose dient als hulpmiddel om in tijd/ruimte te denken zodat je bijvoorbeeld tijdig kunt opschalen. Dit helpt je voor de feiten uit te kunnen lopen in plaats van reactief te moeten acteren. Dit betekent dat elementen van het scenario dat zich afspeelt beoordeeld moeten worden op:
De leider CoPI ziet in de eerste plaats toe op de outcome van de hulpverlening. Onderdeel van zijn taak is daarmee het signaleren van afstemmingsproblemen die een belemmering vormen voor een goede outcome. In dat geval pakt de leider CoPI deze afstemmingsproblemen actief op door de betrokken OvD’s aan te spreken. Het kan daarbij nodig zijn om een fysieke CoPI-vergadering te beleggen, maar dat is niet per se noodzakelijk.
In de tweede plaats denkt de leider CoPI mee met de wenselijke bestuurlijke en monodisciplinaire opschaling van de incidentbeheersing. Ook ziet de leider CoPI toe op het gebruik van (zelf)redzaamheid volgens het uitgangspunt voor de Twentse crisisorganisatie. De leider CoPI (en zijn ondersteuning) stelt zich zichzelf daarom telkens de volgende feitelijke en procesmatige vragen:
Op basis van deze vragen bekijkt hij of de juiste opschaling heeft plaatsgevonden (GRIP en monodisciplinair, juiste knoppen ingedrukt).
Om indien noodzakelijk direct bestuurlijke besluitvorming te vragen of informatie door te geven die voor de bestuurlijke duiding van belang is, heeft de leider CoPI een zogenoemde ‘gouden lijn’ met de operationeel leider. In operationele zin betekent dit dat in alle omstandigheden de telefoon opgenomen wordt als de ander belt.
Onderstaande vragen kunnen als hulpmiddel dienen bij het (eerste) gesprek tussen de leider CoPI en de operationeel leider:
Op het niveau van het crisisteam vindt een continu proces van beeld- en besluitvorming plaats. Dat wil zeggen dat er niet noodzakelijkerwijs vergaderingen hoeven plaats te vinden om bestuurlijke besluiten te nemen of tot duiding van de crisissituatie te komen.
Het is aan de adviseurs in het crisisteam om de burgemeester te helpen door regelmatig een expliciete crisisdiagnose (aard, betrokkenen en context) te maken en daaruit strategische uitgangspunten te destilleren. Deze strategische uitgangspunten geven richting aan zowel de acute als de nafase waarbij prioriteiten kunnen wijzigen al naar gelang de situatie. Deze uitgangspunten dienen als besliscriteria: wat is het probleem, welke oplossingen zijn mogelijk en verhouden deze oplossingen zich tot de geprioriteerde belangen? Op deze wijze wordt ook inzichtelijk waar zich dilemma's voordoen en gekozen moet worden tussen belangen. Tegelijkertijd maakt dit kader het ook mogelijk om ogenschijnlijk 'lastige vraagstukken' vrij snel op te lossen door deze te toetsen aan de uitgangspunten als besliscriteria.
Betrokkenen: wie hebben onze primaire aandacht, wie zijn de partners, wat zijn eventueel afwijkende belangen en voor wie nemen we geen tijd of verantwoordelijkheid? Maar ook vragen als welke sectoren/ketens zijn getroffen en bepaal (met behulp van netwerkkaarten) wie in de keten verantwoordelijk is voor het treffen van maatregelen.
Op basis van de crisisdiagnose kunnen de doelen en uitgangspunten worden bepaald. Dit kan in de vorm van een positief effect (wat willen we realiseren) en/of in de vorm van een ongewenst effect (wat willen we voorkomen). Voor de burgemeester is van belang om vanuit de doelen te redeneren om te kijken naar welke rol/stijl deze situatie om vraagt en op welke punten hij/zij nader advies wil.
Het is hierbij belangrijk de zelf- en samenredzaamheid in het oog te houden: sluit zo veel mogelijk aan bij initiatieven van de samenleving en bedrijfsleven.
Op alle hiervoor beschreven niveaus is het van belang dat de inwoner wordt betrokken. Op de hiervoor vermelde wijze worden de doelen in beeld gebracht die moeten leiden tot het formuleren van een handelingsperspectief voor de betrokken inwoners. Als meerdere kolommen een handelingsperspectief formuleren, moet er actief worden overlegd om tot een samengesteld handelingsperspectief te komen dat bijvoorbeeld via een NL-alert of via www.twenteveilig.nl kan worden gecommuniceerd.
Tijdens een incident is, afhankelijk van de opschaling, de Algemeen Commandant Bevolkingszorg (AC-BZ) of OvD-BZ verantwoordelijk voor processen Bevolkingszorg. Verantwoordelijk voor de uitvoering zijn de hoofden die op hun beurt verantwoording afleggen aan de hoogst leidinggevende van Bevolkingszorg, de AC-BZ of OvD-BZ. De regionale kolom Bevolkingszorg wordt ondersteunt door lokale medewerkers van de getroffen gemeente. In onderstaande afbeelding wordt de functiestructuur van de kolom Bevolkingszorg weergegeven.
Afbeelding 1: Functiestructuur crisisorganisatie kolom Bevolkingszorg
In de rampenbestrijding en crisisbeheersing speelt de gemeente een belangrijke rol: zowel in de voorbereiding, de uitvoering als in de nafase. Gemeenten hebben als onderdeel van het openbaar bestuur een algemene zorgplicht voor hun inwoners. We redeneren daarbij vanuit de maatschappelijke impact en betekenisgeving voor de bevolking.
De gemeentelijke processen die bij regionale crisisbeheersing in werking treden worden Bevolkingszorg genoemd.
Bevolkingszorg kent landelijke de volgende processen:
Publieke zorg bestaat uit de volgende deelprocessen:
Verantwoordelijk voor de uitvoering is in Twente het Hoofd Samenleving. Het Hoofd Samenleving draagt zorg voor de voorbereiding op de deelprocessen opvang, voorzien in primaire levensbehoeften en verplaatsing van mens en dier en geeft leiding aan het lokale team Samenleving. Daarnaast coördineert het Hoofd Samenleving het contact met getroffen en betrokken partijen. Denk aan contact met scholen, religieuze instellingen, verenigingen, bedrijven. Dit loopt bij voorkeur via lokale medewerkers van de gemeente, maar hij kan ook zelf optreden als visitekaartje van de getroffen gemeente.
Binnen het team Opvang kunnen de volgende functies worden bekleed:
Bereiken dat verminderd zelfredzamen tijdelijk opgevangen kunnen worden.
Door middel van publieksinformatie (het geven van handelingsperspectieven op basis van feitelijke informatie) stimuleren we dat mensen zelfstandig de plaats van het incident verlaten en zelf tijdelijk opvang zoeken bij familie of vrienden. Zo nodig door het beschikbaar stellen van communicatiemiddelen (mobiele telefoons, internet), zodat betrokkenen zelf contact kunnen opnemen met hun verwanten.
Er wordt, als aan de orde, tijdelijke huisvesting geregeld. Het gaat hierbij om de mensen waarvan duidelijk is dat ze niet terug kunnen keren naar hun woning en ook niet ondergebracht kunnen worden bij familie/vrienden. Qua locatie kan gedacht worden aan hotel, vakantiepark of sporthal (bij grote omvang). Dit wordt afgestemd met de getroffen gemeente, woningcorporatie en/of Stichting Salvage.
Uitgangspunt voor de externe samenwerking is dat externe partijen (naar behoefte) worden ingeschakeld door of via het Hoofd Samenleving. Al deze externe partijen werken in of bij de opvanglocatie onder verantwoordelijkheid van het Hoofd Samenleving. Uiteraard hebben zij daarbij hun eigen professionele verantwoordelijkheid, maar ten aanzien van de gang van zaken in de opvanglocatie is het Hoofd Samenleving leidend.
De OvD-BZ bereidt de opvang voor.
De situatie ter plaatse vraagt om opvang van (verminderd zelfredzame) mensen (en dieren). De OvD-BZ vormt zich een beeld van de aard en omvang van het incident en de behoefte aan opvang aan de hand van de inzetopdracht opvang en het situatiebeeld. De OvD-BZ analyseert en vormt een oordeel over de wijze waarop de opvang gerealiseerd kan worden. Is de spontane opvang voldoende adequaat voor mens en dier? Op basis hiervan bepaalt hij de aanpak. Hij kan gebruik maken van de afspraken met het NRK voor mensen en middelen. De OvD-BZ alarmeert indien gewenst vervolgens het NRK. Als er voldoende tijd is om de opvang te organiseren, kan het hoofd Samenleving het NRK alarmeren.
De OvD- BZ alarmeert en informeert het Hoofd Samenleving of vraagt aan de AC-BZ om dit te doen. Het Hoofd Samenleving verzorgt de verdere uitvoering van het proces Opvang en de alarmering van de teamleden Opvang. De locatiegegevens, doelgroep en omvang van de groep worden vermeld in LCMS.
Het team Opvanglocatie voert de opvang uit, onder leiding van het Hoofd Samenleving.
Het Hoofd Samenleving maakt hierbij gebruik van de medewerkers van het NRK en de assistenten opvanglocatie en maakt gebruik van checklists die in de preparatiefase tot stand zijn gekomen.
Afhankelijk van aard en omvang van het incident en van het aantal (verwachte) verminderd zelfredzamen in de opvanglocatie, bepaalt het hoofd Samenleving de indeling en structuur van het team binnen de opvanglocatie. Wanneer de opvanglocatie gereed is, meldt het Hoofd Samenleving dit onmiddellijk aan de AC-BZ en/of de OvD-BZ. Komt het Hoofd Samenleving tot de conclusie dat bepaalde voorzieningen of faciliteiten, die niet aanwezig zijn in de opvanglocatie, op korte of langere termijn nodig zijn, dan dient hij een verzoek hiertoe in bij de AC-BZ. Het Hoofd Samenleving rapporteert periodiek – afhankelijk van de situatie – aan de AC-BZ. Met deze overlegt hij ook over de voortgang van de opvang. Ook bepaalt het Hoofd Samenleving het aflossingsschema met het NRK en zijn medewerkers in de opvanglocatie. Waar nodig, overlegt het Hoofd Samenleving met de AC-BZ over de inzet van medewerkers uit andere processen of van externe partijen.
Het Hoofd Samenleving houdt een logboek bij van alle belangrijke gebeurtenissen. Alle activiteiten en besluiten die in de opvanglocatie genomen/uitgevoerd worden, worden vastgelegd in het logboek. Het Hoofd Samenleving is hiervoor verantwoordelijk. Het logboek wordt bijgehouden en opgeslagen in Teams Bevolkingszorg. Het eindproduct wordt in LCMS gearchiveerd.
Is beëindiging van de opvang in zicht, dan bereidt het Hoofd Samenleving samen met zijn team de afbouw voor.
Eventuele afwijkingen in de uitvoering worden medegedeeld aan de AC BZ
3.1.2 Deelproces Voorzien in primaire levensbehoeften
Verantwoordelijk voor de uitvoering van dit deelproces is het Hoofd Samenleving. Voor de uitvoering van dit proces maakt hij gebruik van de functionarissen binnen het lokale team Samenleving. Het proces voorzien in primaire levensbehoeften beperkt zich in principe tot de verzorging van niet zelfredzame inwoners. De problematiek van getroffen bedrijven wordt inzichtelijk gemaakt, om te kunnen beoordelen of gemeentelijke bijstand wenselijk is.
Primaire levensbehoeften worden onderverdeeld in een aantal productgroepen:
Vitens neemt in voorkomende gevallen de levering van nooddrinkwater voor hun rekening. De distributie van nooddrinkwater valt onder het proces voorzien in primaire levensbehoeften.
Voorzien in noodhulp (zoals drinkwater, voeding, kleding, financiële middelen) voor getroffenen en dieren die tijdelijk zelf niet in hun levensbehoeften kunnen voorzien, in geval van een ramp of crisis anders dan de tijdelijke opvang en de verzorging op een opvanglocatie.
Inwoners en dieren getroffen gebieden
Voorbereiden voorzien in primaire levensbehoeften
Het Hoofd Samenleving bereidt het voorzien in de primaire levensbehoeften voor.
Het Hoofd Samenleving is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit deelproces. Hij vormt zich een beeld van aard en omvang van het incident en de behoefte aan primaire levensbehoeften, aan de hand van de opdracht tot voorzien in primaire levensbehoeften, het situatie beeld en het bevolkingszorgbeeld. Hij analyseert en vormt zich een oordeel over de wijze waarop de primaire levensbehoeften gerealiseerd en afgeleverd (waar/wanneer/bij wie) kunnen worden.
Hij zorgt voor de inzet van mensen en middelen binnen het eigen mandaat. Indien nodig doet hij bij de AC-BZ een aanvraag voor extra mensen en middelen, boven de beschikbare capaciteiten en mogelijkheden. Hij legt (of laat door de ICO vastleggen) de ondernomen activiteiten vast in LCMS.
Uitvoeren voorzien in primaire levensbehoeften
Het team Samenleving voert het deelproces Voorzien in primaire levensbehoeften uit.
Het team verwerft de benodigde goederen en diensten. Zodra deze beschikbaar zijn geeft het Hoofd Samenleving het sein aan de AC-BZ of de OvD-BZ dat de goederen of diensten geleverd kunnen worden.
Het Hoofd Samenleving draagt zorg voor het verstrekken van de benodigde primaire levensbehoeften. Hij stemt de operationele activiteiten periodiek af met de betrokken (keten)partners. Gedurende de periode dat goederen en diensten worden verstrekt, geeft het Hoofd Samenleving de AC-BZ of de OvD-BZ informatie over de voortgang van de uitvoering. Eventuele afwijkingen in de uitvoering worden door het Hoofd Samenleving meegedeeld, zodat de AC-BZ of OvD-BZ nieuwe besluiten kan nemen. Zodra de activiteiten worden beëindigd, start het Hoofd Samenleving met de afbouw van het proces. Iedere medewerker in het proces laat de door hem ondernomen activiteiten door de ICO vastleggen in LCMS.
3.1.3 Deelproces Verplaatsen van mens en dier
Het Hoofd Samenleving zorgt ook voor de verplaatsing van mens en dier.
Het in veiligheid brengen van mensen en dieren door deze te verplaatsen of laten verplaatsen van een getroffen of bedreigde plaats naar een veilige plaats.
Inwoners en dieren getroffen gebied(en).
Voorbereiden Verplaatsing van mens en dier
Het Hoofd Samenleving bereidt in het deelproces Verplaatsen van mens en dier de verplaatsing voor.
Het hoofd Samenleving is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit proces. Hij vormt zich een beeld van aard en omvang van het incident en de behoefte aan vervoer/transport, aan de hand van de opdracht verplaatsen mens en dier, het situatiebeeld en het bevolkingszorgbeeld. Hij analyseert en vormt een oordeel over de wijze waarop de verplaatsing gerealiseerd kan worden. Op basis hiervan bepaalt hij de aanpak. Als de benodigde inzet van menskracht en middelen het mandaat van het Hoofd Samenleving overstijgt, doet het Hoofd Samenleving een aanvraag voor menskracht en/of middelen bij de AC-BZ of OvD-BZ.
Hij legt de ondernomen activiteiten vast in LCMS.
Uitvoeren Verplaatsing van mens en dier
Het team Samenleving coördineert de uitvoering van de verplaatsing. Het team verwerft de benodigde transportmiddelen. Zodra deze beschikbaar zijn, geeft het Hoofd Samenleving het sein aan de AC-BZ of de OvD-BZ dat de mensen en dieren verplaatst kunnen worden en monitort de voortgang.
Hij stemt de operationele activiteiten periodiek af met de betrokken (keten)partners. Eventuele afwijkingen in de uitvoering worden door het Hoofd Samenleving meegedeeld, zodat de AC-BZ of OvD-BZ nieuwe besluiten kan nemen. Zodra de activiteiten worden beëindigd, start het Hoofd Samenleving met de afbouw van het proces. Iedere medewerker in het proces laat de door hem ondernomen activiteiten door de ICO vastleggen in LCMS.
Het proces omgevingszorg is onderverdeeld in de volgende deelprocessen:
Binnen het team Bevolkingszorg geeft de AC-BZ of de OvD-BZ de opdracht tot het opstarten van de deelprocessen. Deze worden naar behoefte en afhankelijk van de crisissituatie ingezet. In Twente geeft het Hoofd Fysiek Domein leiding aan de lokale medewerker(s) binnen het team.
Verantwoordelijk voor de uitvoering van het deelproces Milieubeheer is het Hoofd Fysiek Domein. Binnen het team bestaan de volgende functies:
Het hoofd Fysiek Domein bereidt het deelproces Milieubeheer voor.
Het Hoofd Fysiek Domein is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit proces. Hij vormt zich een beeld van aard en omvang van het incident en de behoefte aan Milieubeheer aan de hand van de opdracht Milieubeheer, het situatiebeeld en het bevolkingszorgbeeld. Hij analyseert en vormt een oordeel over de wijze waarop Milieubeheer gerealiseerd kan worden. Op basis hiervan bepaalt hij de aanpak.
Afhankelijk van de duur, de aard van de te treffen maatregelen en het aantal benodigde mensen, doet hij een aanvraag voor mensen en middelen bij de AC-BZ of OvD-BZ (als dit buiten eigen mandaat ligt). Wanneer er een akkoord is op de aanvraag mensen en middelen kan de uitvoering starten.
Het team Fysiek Domein coördineert de milieumaatregelen waar nodig in samenwerking met de Omgevingsdienst Twente (ODT). Het Hoofd Fysiek Domein stemt de operationele maatregelen af met de betrokken (keten)partners. Hij draagt zorg voor het (doen) uitvoeren van de werkzaamheden. Er wordt informatie verstrekt over de voortgang van de uitvoering. Eventuele afwijkingen in de uitvoering worden direct gemeld aan de AC-BZ of OvD-BZ, zodat nieuwe besluiten kunnen worden genomen.
Optioneel wordt door het team een advies opgesteld. Als het advies (inclusief bijbehorend plan van aanpak) milieu- en gezondheidseffecten bevat of asbestsanering dan wordt het, via de AC-BZ, door de OL voorgelegd aan het (regionaal) crisisteam.
Zodra de benodigde maatregelen zijn getroffen en er geen schadelijke gevolgen meer zijn voor het milieu, wordt gestart met de afbouw van het proces. Alle activiteiten worden vastgelegd in LCMS (door een Informatie coördinator). Als de milieueffecten nog niet zijn afgerond, vindt een doorstart plaats in de nafase (zie deelproces Preparatie nafase).
Verantwoordelijk voor de uitvoering van het deelproces Ruimtebeheer is het Hoofd Fysiek Domein Ruimtebeheer. Binnen het team kunnen de volgende functies bekleed worden:
Tijdens een bijzondere situatie zorgdragen voor het beheer van wegen, rioleringen, water, groen, openbare verlichting en overige infrastructuur/nutsvoorzieningen in de openbare ruimte van de gemeente.
Het Hoofd Fysiek Domein bereidt het deelproces Ruimtebeheer voor.
Hij is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit proces. Hij vormt zich een beeld van aard en omvang van het incident en de behoefte aan Ruimtebeheer aan de hand van de opdracht Ruimtebeheer, het situatiebeeld en het bevolkingszorgbeeld. Hij analyseert en vormt een oordeel over de wijze waarop Ruimtebeheer gerealiseerd kan worden. Op basis hiervan bepaalt hij de aanpak. Afhankelijk van de duur, de aard van de te treffen maatregelen en het aantal benodigde mensen, doet hij een aanvraag voor mensen en middelen (indien buiten het eigen mandaat). Wanneer er een akkoord is op de aanvraag van mensen en middelen kan de uitvoering starten.
Het team Fysiek Domein coördineert de te nemen maatregelen in de openbare ruimte.
Het Hoofd Fysiek Domein stemt de operationele maatregelen af met de betrokken (keten)partners. Het hoofd draagt zorg voor het (doen) uitvoeren van de werkzaamheden. Er wordt met regelmaat informatie verstrekt over de voortgang van de uitvoering aan de AC-BZ of OvD-BZ. Afwijkingen worden gemeld, zodat nieuwe besluiten kunnen worden genomen.
Zodra de benodigde maatregelen in de openbare ruimte zijn getroffen, wordt gestart met de afbouw van het proces. Alle activiteiten worden vastgelegd in LCMS.
Verantwoordelijk voor de uitvoering van het deelproces Bouwbeheer is het Hoofd Fysiek Domein. Binnen het team zijn er de volgende functies:
Het waarborgen van een veilige en gezonde bebouwde omgeving. Dit door het nemen van maatregelen op het gebied van het beheer van gebouwen. Het gaat hierbij om toezicht- en handhavingstaken op het gebied van bouwregelgeving, maar ook over het beheer van monumenten, cultureel erfgoed, openbare gebouwen, kunstwerken, et cetera.
Het Hoofd Fysiek domein bereidt het proces Bouwbeheer voor.
Het Hoofd Fysiek Domein is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit proces. Hij vormt zich een beeld van aard en omvang van het incident en de behoefte aan Bouwbeheer aan de hand van de opdracht Bouwbeheer, het situatiebeeld en het bevolkingszorgbeeld. Hij analyseert en vormt een oordeel over de wijze waarop het beheer gerealiseerd kan worden. Op basis hiervan bepaalt hij de aanpak.
Afhankelijk van de duur, de aard van de te treffen maatregelen en het aantal benodigde mensen, doet hij een aanvraag voor mensen en middelen (buiten zijn eigen mandaat). Wanneer er een akkoord is op de aanvraag mensen en middelen kan de uitvoering starten.
Het team Fysiek Domein coördineert de te nemen bouwtechnische maatregelen
Het Hoofd Fysiek Domein stemt de operationele maatregelen af met de betrokken (keten)partners. Het hoofd draagt zorg voor het (doen)uitvoeren van de werkzaamheden. Er wordt informatie verstrekt over de voortgang van de uitvoering aan de AC-BZ of OvD-BZ.
Optioneel wordt door het team een advies opgesteld. Als het advies bouwtechnische zaken betreft dan wordt het door de OL, via de AC-BZ, voorgelegd aan het (R)CT. Zodra de benodigde maatregelen zijn getroffen en de gebouwen veilig toegankelijk, gesloopt of afgesloten zijn, wordt gestart met de afbouw van het proces. Alle activiteiten worden vastgelegd in LCMS.
3.3.1 Deelproces Informatievoorziening
Het Hoofd informatie (HIN) is verantwoordelijk voor het deelproces Informatievoorziening. De HIN draagt zorg voor het algehele bevolkingszorgbeeld in LCMS. De hoofden van de processen Bevolkingszorg zorgen voor de input. De informatie coördinatoren vullen het LCMS voor de processen op verzoek van deze hoofden. LCMS wordt gebruikt om informatie te halen en te plaatsen ten behoeve van Bevolkingszorg.
Het informeren van alle bij de crisisbeheersing betrokken personen binnen de kolom Bevolkingszorg.
Organiseren en uitvoeren proces informatievoorziening
De HIN is verantwoordelijk voor de uitvoering van het proces Informatievoorziening. De HIN:
De HIN geeft aan de Informatie Coördinatoren de opdracht tot het vullen van LCMS. Voor het bevolkingszorgbeeld ontvangt de HIN van de Informatie Coördinatoren actuele informatie van elk (deel)proces (bv. besluiten, acties en producten). De HIN maakt op basis van deze informatie een samenvatting voor Bevolkingszorg in LCMS (multi relevante informatie). In deze samenvatting staat de informatie die zowel voor Bevolkingszorg als de multi partners relevant is. Daarnaast bekijkt de HIN aan de hand van de multi en mono beelden van de andere partners welke informatie relevant zijn voor Bevolkingszorg. Ook deze informatie wordt geplaatst in de samenvatting.
3.3.2 Deelproces: Het organiseren van verwanteninformatie.
De HIN is ook verantwoordelijk voor het organiseren van het deelproces Verwanteninformatie.
Bij een grootschalige ramp/crisis maken we gebruik van het SIS (landelijke organisatie voor verwanteninformatie). Als SIS niet operationeel is, wordt vanuit Bevolkingszorg gefaciliteerd en gestimuleerd dat betrokkenen zo snel mogelijk hun verwanten informeren over hun toestand en verblijfplaats (zelfredzaamheid).
Verwanten zo snel mogelijk informeren over de situatie van hun naasten.
Verwanteninformatie (SIS)/ikzoekmijnnaaste.nl
Voorbereiden Verwanteninformatie
De AC-BZ besluit in Twente over het wel of niet inzetten van SIS.
De opdracht van de AC-BZ vraagt om de voorbereiding op verwanteninformatie. De AC-BZ besluit, in overleg met de HIN en/of OvD-BZ over het wel of niet inzetten van SIS. Als SIS wordt ingezet, belt de AC-BZ het piket LOCC, zodat de alarmering van SIS kan worden gestart. De AC-BZ informeert de AC-C over de inzet van SIS, zodat het callcenter publieksinformatie kan doorverwijzen naar het nummer voor verwanteninformatie en de burgemeester hiernaar kan verwijzen in zijn duiding.
De HIN BZ is de contactpersoon SIS voor de Teamleider SIS (van het LOCC)
De HIN zorgt dat betrokkenen gefaciliteerd en gestimuleerd worden om hun verwanten te informeren over hun toestand en verblijfplaats. De HIN-CC overlegt met de Coördinator Publieksinformatie over de punten die gecommuniceerd moeten worden. De HIN-GZ levert de gegevens van de slachtoffers rechtstreeks aan bij de Liaison GHOR SIS.
Het proces Ondersteuning bestaat uit de volgende deelprocessen: Bestuursondersteuning, Facilitaire ondersteuning en Preparatie nafase. De hoofden en adviseurs van elk proces dragen zorg voor de voorbereiding op deze processen.
3.4.1 Deelproces Bestuursondersteuning
Verantwoordelijk voor de uitvoering van het deelproces Bestuursondersteuning is in Twente het Hoofd Ondersteuning. Bestuursondersteuning bestaat uit de volgende deelgebieden: juridische ondersteuning, financiële en protocollaire zaken.
Het team Ondersteuning bestaat uit de volgende functies:
Bereiken dat het (Regionaal)crisisteam op adequate wijze wordt ondersteund op het gebied van juridische en financiële zaken, protocollaire, representatieve en kabinetszaken.
Voorbereiden Bestuursondersteuning
Het hoofd Ondersteuning bereidt het proces Bestuursondersteuning voor.
De opdracht van de AC-BZ of OvD-BZ vraagt om Bestuursondersteuning. Het Hoofd Ondersteuning is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit proces. Het Hoofd Ondersteuning vormt zich een beeld van aard en omvang van het incident. Daarnaast is het van belang om concreet in beeld te krijgen wat het (R)CT nodig heeft van het team Bestuursondersteuning. Op basis van deze beeldvorming bepaalt hij hoe de advisering en ondersteuning op het gebied van juridische (bijvoorbeeld noodbevoegdheden, andere juridische instrumenten of mate van aansprakelijkheid), financiële en/of protocollaire zaken vormgegeven wordt.
Afhankelijk van de aard van het incident en het aantal benodigde mensen, doet hij een aanvraag voor mensen en middelen bij de AC-BZ.
Uitvoeren Bestuursondersteuning
Het team Bestuursondersteuning zorgt dat de activiteiten uitgevoerd worden. Er wordt informatie verstrekt over de voortgang van de uitvoering. Eventuele afwijkingen in de uitvoering worden medegedeeld aan de AC-BZ zodat nieuwe besluiten kunnen worden genomen.
Zodra het advies/voorstel gereed is, wordt dit door de OL ingebracht in het (R)CT. Aan het (R)CT wordt een besluit gevraagd. Daarna kan uitvoering worden gegeven aan de activiteiten. Deze worden door de OL bij de AC’s weggezet.
Na beëindiging van de activiteiten wordt gestart met de afbouw van het proces of vindt een doorstart plaats in de nafase (zie proces Preparatie nafase). Alle activiteiten worden vastgelegd in LCMS.
3.4.2 Deelproces Preparatie nafase
Verantwoordelijk voor de uitvoering van het deelproces Preparatie nafase is de Adviseur Preparatie nafase. Afhankelijk van de crisis/ramp worden lokale/regionale experts betrokken bij de uitvoering van het proces.
Het ondersteunen van de overdracht van de crisisorganisatie naar de projectorganisatie nafase, door in de acute fase een advies nafase voor de getroffen gemeente(n) op te stellen en te laten vaststellen door het Crisisteam.
Voorbereiden Preparatie nafase
De Adviseur Preparatie nafase bereidt het advies nafase voor.
Via de OL geeft de AC-BZ opdracht aan de Adviseur nafase om het opstellen van een advies voor de nafase. De Adviseur Preparatie nafase is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit proces. De adviseur vormt zich een beeld aan de hand van de aard en omvang van het incident en de behoefte aan nazorg. Hij inventariseert de openstaande en nog uit te voeren acties bij de verschillende kolommen. Aan de hand hiervan stelt de Adviseur Preparatie nafase het advies op. Bij aanwezigheid van een CoPI wordt het overdrachtsformulier CoPI meegenomen als bijlage.
Indien nodig doet hij bij de AC-BZ een aanvraag voor extra mensen en middelen, boven de beschikbare capaciteiten en mogelijkheden.
Het team Preparatie nafase voert de voorbereiding op de nafase uit
In het advies worden onder andere voorstellen gedaan over:
De AC-BZ haalt, via de OL, de doelen, rollen, uitgangspunten voor het advies nafase op uit het (Regionaal)Crisisteam. Tijdens het opstellen van het advies worden eventuele afwijkingen in de uitvoering door het Adviseur Preparatie Nafase medegedeeld aan de AC-BZ.
De activiteiten van het team Preparatie nafase worden vastgelegd in LCMS. Wanneer het advies voor de nafase gereed is, biedt de Adviseur Preparatie Nafase dit aan bij de AC-BZ. De AC-BZ en de OL leggen het plan vervolgens voor aan het (R)CT, waar het ter vaststelling wordt voorgelegd. Na akkoord van het (R)CT wordt het plan, bij voorkeur via de gemeentesecretaris, doorgeleid naar de (reguliere) gemeentelijke organisatie ten behoeve van een (eventuele) projectorganisatie nafase.
3.4.3 Deelproces Facilitaire ondersteuning
Facilitaire ondersteuning bestaat uit de volgende deelgebieden: facilitair, ruimten, ICT, catering, en archief.
Verantwoordelijk voor de uitvoering is het Hoofd Ondersteuning. Binnen het team facilitaire Ondersteuning kunnen de volgende functies worden bekleed:
Het op de juiste tijd en juiste plaats leveren van personele en facilitaire voorzieningen zodat het (R)CT, Staf OL, het team Bevolkingszorg, Crisiscommunicatie en overige kolommen optimaal kunnen functioneren in het gemeentelijk crisiscentrum (GCC).
Randvoorwaarden/uitgangspunten
Voorbereiden Facilitaire ondersteuning
Het Hoofd Ondersteuning bereidt de Facilitaire ondersteuning voor.
De opdracht van de AC-BZ of OvD-BZ vraagt om Facilitaire ondersteuning. Het Hoofd Ondersteuning is de aangewezen verantwoordelijke voor de operationele voorbereiding van dit proces. Hij vormt zich een beeld van aard en omvang van het incident. Op basis van deze beeldvorming bepaalt hij hoe de Facilitaire ondersteuning vorm moet worden gegeven.
Afhankelijk van de aard van het incident en het aantal benodigde mensen, doet hij een aanvraag voor mensen en middelen binnen het eigen mandaat.
Uitvoeren Facilitaire ondersteuning
Het team Facilitaire ondersteuning voert de facilitaire ondersteuning uit.
Het hoofd zet de opdrachten uit bij het team. De uitvoering van dit proces start, voor een deel, al bij de alarmering van het Crisisteam. De onderdelen ontsluiting van het gemeentehuis, bemensing van de receptie en ICT worden direct bij de alarmering GRIP 3 via de meldkamer meegenomen.
Er wordt informatie verstrekt over de voortgang van de uitvoering. Eventuele afwijkingen of knelpunten in de uitvoering worden meegedeeld aan de AC-BZ, zodat nieuwe besluiten kunnen worden genomen.
In artikel 2.1.4 van het Besluit veiligheidsregio’s is opgenomen dat een sectie politie deel uitmaakt van een ROT. Het Referentiekader Regionaal Crisisplan 2016 (RCP) bepaalt dat een sectie van de in art 2.1.4 genoemde diensten minimaal bestaat uit een AC, een HIN en een HON.
De Stafsectie Politiezorg bestaat daarom, tenzij in het regionaal crisisplan van de betreffende veiligheidsregio anders is bepaald, minimaal uit de volgende onderdelen van de SGBO-structuur.
Eén of meerdere taakorganisaties Operatiën afhankelijk van de te leveren prestaties.
2. Taken Stafsectie politiezorg
De AC is in kader van de regionale crisisorganisatie verantwoordelijk voor:
Wanneer een Stafsectie Politiezorg actief wordt na een (GRIP) alarmering, kan een actiecentrum politie (SGBO) worden samengesteld. Een actiecentrum politie wordt gealarmeerd ten behoeve van de operationele commandovoering. De AC Politiezorg kan een Algemeen Commandant (SGBO) belasten met de aansturing van de taakorganisaties op afstand.
4. SGBO Taakorganisatie Operatiën
Afhankelijk van de te behalen operationele prestaties en de span of control van de uit te voeren processen en taken kan de SGBO beschikken over de volgende taakorganisaties:
De taakorganisatie Informatie staat onder leiding van het Hoofd Informatie en is belast met het tijdig en in de juiste kwaliteit en kwantiteit verwerven, verwerken, veredelen en verstrekken van informatieproducten. Onder deze organisatie vallen ook de waarnemers en verkenners. Verkenners werken (onopvallend) aan de voorbereidingen op een inzet.
De taakorganisatie Ondersteuning staat onder leiding van het Hoofd Ondersteuning en is belast met het tijdig en in de juiste kwaliteit en kwantiteit ter beschikking stellen van facilitaire en personele voorzieningen.
Het actiecentrum politie (SGBO) is gehuisvest in het gebouw van de Meldkamer Oost-Nederland, Europaweg 77 in Apeldoorn. De Stafsectie Politiezorg is gehuisvest in het Regionaal Crisiscentrum (RCC) en draagt zorg voor de verbindingen tussen het SGBO en het ROT.
Functiestructuur SGBO Brandweer
De SGBO Brandweer wordt ingesteld naar behoefte (knoppenmodel) en kent een basisstructuur die kan worden aangevuld als de bestrijding van het incident of crisis daarom vraagt. De SGBO Brandweer bestaat uit een stafstructuur en uit de uitvoerende eenheden voor grootschalig en bijzonder brandweeroptreden.
De staf van de SGBO Brandweer bestaat altijd uit de volgende rollen:
Wanneer de situatie erom vraagt kan de SGBO Brandweer worden uitgebreid met de volgende rollen:
Afbeelding 2: Functiestructuur crisisorganisatie kolom Brandweer
De samenstelling van de SGBO Brandweer wordt bepaald door de Algemeen Commandant Brandweerzorg (AC-B). De personele bezetting van de SGBO Brandweer wordt afgestemd op de behoefte die de bestrijding van het incident, ramp of crisis met zich meebrengt. De basisrollen worden in elke situatie ingevuld. Indien mogelijk en wenselijk worden rollen gecombineerd en worden deze uitgevoerd door dezelfde persoon.
In de kleinste samenstelling bestaat de SGBO Brandweer uit tenminste:
De brandweer kent de volgende hoofdprocessen:
Grootschalige ontsmetting (aanvullend)
Omvat het grootschalig ontsmetten van mens (burger en hulpverlener) en dier en het ontsmetten van voertuigen, infrastructuur en hulpverleningsmateriaal. In deze situaties kan er ook ondersteuning gevraagd worden via de landelijke steunpuntregio’s (GOE) en/of het landelijk georganiseerde specialisme de CBRN-response eenheid (onderdeel van het Ministerie van Defensie).
Daarnaast zijn er processen die ondersteunend zijn aan de hoofdprocessen. Deze processen ondersteunen in de besluitvorming in het aansturingsproces van de brandweerzorg en dienen ook voor afstemming met de processen van de andere kolommen. Het gaat om de volgende twee processen:
Omvat het beschikbaar stellen, beheren, verzorgen en op peil houden van persoonlijke en materiële middelen die noodzakelijk zijn voor de bestrijding van het incident. Hieronder valt ook het waarborgen van de optimale verbindingen voor communicatie. Indien nodig kan het Ondersteuningsteam Brandweer (OTB) of het Begrafenis Bijstandsteam (BBT) worden ingeschakeld.
Ook kunnen in aanvulling op de basis aan het SGBO Brandweer andere processen zoals communicatie/voorlichting worden toegevoegd.
5.1 (Hoofd)Proces Bron- en Emissiebestrijding
Het proces omvat alle repressieve brandweertaken: brandbestrijding, hulpverlening, incidentbestrijding gevaarlijke stoffen (IBGS) en waterongevallenbestrijding. Het proces start na een melding van een incident waarbij afhankelijk van de grootte en de ernst opgeschaald kan worden.
Uitvoeren proces bron- en emissiebestrijding
Het proces wordt uitgevoerd door de operationele (basis)eenheden onder leiding van de (H)OvD (-taakcommandant)
Bronbestrijding en emissiebestrijding
Waarnemen en meten (maakt onderdeel uit van bron- en emissiebestrijding)
De verkenningseenheden worden ingezet om de omvang van het incident (o.a. emissie van gevaarlijke stof) in kaart te brengen door waar te nemen en te meten. Waarnemen en meten levert feitelijke informatie op waarmee veronderstellingen over de situatie in zowel het bron- als het effectgebied geverifieerd kunnen worden. Dit is van groot belang voor de directe bestrijding van het incident en de te nemen maatregelen in het effectgebied.
Waarschuwen (maakt onderdeel uit van bron- en emissiebestrijding)
5.2 (Hoofd)Proces Grootschalige ontsmetting
Omvat het grootschalig ontsmetten van mens (burger en hulpverlener) en dier en het ontsmetten van voertuigen, infrastructuur en hulpverleningsmateriaal. In deze situaties kan er ook ondersteuning gevraagd worden via de landelijke steunpuntregio’s (GOE) en/of het landelijk georganiseerde specialisme de CBRN-response eenheid (onderdeel van het Ministerie van Defensie).
Na een emissie van chemische, biologische, radiologische en/of nucleaire stoffen moet er zo spoedig mogelijk ontsmet worden. Dit betekent ontsmetting van hulpverleners, burgers, dieren, infrastructuur, objecten, hulpverleningsmateriaal en voertuigen om verdere besmetting te voorkomen of te beperken.
Uitvoeren proces grootschalige ontsmetting
Het proces wordt uitgevoerd door de operationele (basis)eenheden onder leiding van de (H)OvD (-taakcommandant)
Uitvoering vindt plaats door basispeloton aangevuld met een Basis ontsmettingseenheid (BOE). De capaciteit voor ontsmetting beperkt zich tot kleine aantallen (maximaal 10 niet mobiele slachtoffers). Bij grotere aantallen kan gebruik gemaakt worden van de Grootschalige Ontsmettings Eenheid (GOE) (landelijk zes steunpunten, waarvan één in Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG)). Ook is voor grootschalig ontsmetting capaciteit beschikbaar vanuit Defensie. Deze steun kan aangevraagd worden in het kader van Militaire Bijstand. Om deze reden is er geen gegarandeerde opkomsttijd.
5.3 (Hoofd)Proces Grootschalige redding
Betreft het (grootschalig of specialistisch) redden in complexe situaties. Het bestaat uit het (interregionaal) Specialisme Technische Hulpverlening (STH) eventueel aangevuld met het landelijke Urban Search and Rescue team (USAR). Daarnaast kan er een beroep gedaan worden op de collega’s/eenheden van de Technisches Hilfswerk (THW) uit Duitsland.
Het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand.
Uitvoeren proces grootschalige redding
Het proces wordt uitgevoerd door de operationele (basis)eenheden eventueel ondersteund door Landelijke gespecialiseerde teams. Alle eenheden/teams vallen onder leiding van de (H)OvD (-taakcommandant)
Voor de standaardopdracht redding (grootschalig ongeval) is het basispeloton brandweer geschikt. Mocht bovenstaande onvoldoende zijn dan kan er een beroep gedaan worden op ondersteuning van het specialisme peloton Specialisme Technische Hulpverlening (STH). Dit is een landelijk specialisme, waarvan er vijf beschikbaar zijn in Nederland. Daarnaast kan er een beroep gedaan worden op de collega’s/eenheden van de Technisches Hilfswerk (THW) uit Duitsland.
5.4 (Ondersteunend) Proces Informatie
Betreft alles met betrekking tot informatiemanagement. Het draagt zorg voor een actueel en compleet brandweerbeeld door het tijdig verstrekken van de juiste informatie
Het analyseren, verwerken, veredelen en verstrekken van advies voor de SGBO Brandweer.
Operationele eenheden en leiding en coördinatie.
Het proces informatie zorgt voor de ondersteuning van de operationele informatievoorziening en het verkrijgen van informatie voor de kolom Brandweer. De verkregen informatie dient primair ter ondersteuning van de besluitvorming in het aansturingsproces Brandweer (al dan niet uitgesplitst in specialismen), en in geval van multidisciplinair optreden ter ondersteuning van de leider CoPI en/ of OL.
5.5 (Ondersteunend) Proces Ondersteuning
Omvat het beschikbaar stellen, beheren, verzorgen en op peil houden van persoonlijke en materiële middelen die noodzakelijk zijn voor de bestrijding van het incident. Hieronder valt ook het waarborgen van de optimale verbindingen voor communicatie. Indien nodig kan het Ondersteuningsteam Brandweer (OTB) of het Begrafenis Bijstandsteam (BBT) worden ingeschakeld.
Ook kunnen in aanvulling op de basis aan de SGBO brandweer andere processen zoals communicatie/voorlichting worden toegevoegd.
Het tijdig en in de juiste kwaliteit en kwantiteit ter beschikking stellen van facilitaire en personele voorzieningen.
Operationele eenheden en leiding en coördinatie.
Uitvoeren proces Ondersteuning
GHOR Twente beschikt over een 24/7 piketregeling voor de AC-GZ, HIN-GZ en OvD-G. De (O)-DPG is beschikbaar op vrije instroom. De meldkamer ambulancezorg (MKA) is verantwoordelijk voor het alarmeren van de GHOR-functionarissen. De Veiligheidsregio (GHOR) maakt afspraken met GHOR-ketenpartners voor de uitvoering van de geneeskundige processen. Gemaakte afspraken worden in een overeenkomst geborgd.
In opgeschaalde situaties is de GHOR verantwoordelijk voor de uitvoering van de geneeskundige zorgprocessen.
De geneeskundige zorg kent de volgende hoofdprocessen:
Daarnaast zijn er twee ondersteunende processen:
Functiestructuur Geneeskundige zorg
Afbeelding 3: Functiestructuur crisisorganisatie operationele GHOR
6.1 Proces Acute gezondheidszorg
Prestatie-eisen (acute gezondheidszorg)
Acute gezondheidszorg bestaat uit de volgende deelprocessen:
Het inzichtelijk maken van het totaal aantal gewonde slachtoffers op basis van de ernst van de letsels. Aan de hand van dit overzicht wordt de opschaling en de capaciteitsverdeling bepaald.
De taakverantwoordelijke triage is verantwoordelijk voor de regie op het proces Triage. De uitvoering wordt gedaan door een ambulanceteam.
Bij het aantreffen van meerdere slachtoffers start de eerst aankomende ambulance de ‘Eerste ambulance’ procedure. De taakverantwoordelijke richt zich op het classificeren van de slachtoffers. De primaire triage classificeert de slachtoffers in drie groepen: T1, T2 en T3. Op basis van dit classificatieoverzicht wordt de opschaling bepaald, inclusief hoeveel ambulances er nodig zijn voor de behandeling en het vervoer van deze gewonde slachtoffers. Dit is verder uitgewerkt in de Leidraad Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB).
De triage categorieën worden zichtbaar door slapwraps die bij de gewonde slachtoffers worden bevestigd.
Het stabiliseren en verzorgen van gewonde slachtoffers bij onvoldoende vervoerscapaciteit.
Als richtlijn geldt het Landelijk Protocol Ambulancezorg (LPA) en de leidraad Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB).
Triage en Treatment geven een slachtofferbeeld van behandelde gewonde slachtoffers door, via de OvD-G, aan de GHOR. Vaak verlaten (gewonde) slachtoffers op eigen initiatief het incident waardoor deze niet kunnen worden meegenomen in het slachtofferbeeld. Wel wordt door de GHOR het aantal zelfverwijzers opgevraagd bij ziekenhuizen en huisartsen.
De geneeskundige hulpverleners zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het deelproces Treatment. Eventueel in samenwerking met het MMT. De coördinatie en aansturing wordt gedaan door de OvD-G met behulp van de taakverantwoordelijke treatment.
De ernstig gewonde slachtoffers (T1) worden direct vervoerd naar ziekenhuizen met de beschikbare ambulances. De T2 gewonde slachtoffers worden ter plaatse behandeld en vervoerd zodra de T1 slachtoffers vervoerd zijn. De T3 slachtoffers worden opgevangen/behandeld door de noodhulpteams van het Nederlandse Rode Kruis of andere zorg, ter plaatse, in de T3 verzorglocatie of elders. Ondersteunt door een taakverantwoordelijke secundaire triage en/of een ambulanceteam.
Dit is verder uitgewerkt in de Leidraad Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB).
Het zo snel mogelijk verplaatsen van gewonde slachtoffers naar een passende behandellocatie met inachtneming van de medische behandelcapaciteit.
De taakverantwoordelijkheid Transport (coördinatie transport en gewondenspreiding) is belegd bij de centralisten van de meldkamer ambulance.
De taakverantwoordelijke Treatment stemt af met de taakverantwoordelijke Transport over het transport van de gewonde slachtoffers en de prioritering daarvan. De taakverantwoordelijke Transport coördineert het vervoer en spreiding van gewonde slachtoffers met inachtneming van:
Dit is verder uitgewerkt in de Leidraad Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB).
6.2 Proces Publieke gezondheidszorg
Publieke gezondheidszorg bestaat uit de volgende deelprocessen:
De GGD is verantwoordelijk voor de uitvoering van de deelprocessen binnen het proces publieke gezondheidszorg. De GGD heeft dit vastgelegd in het eigen GROP (GGD Rampen Opvang Plan).
6.2.1 Deelproces Psychosociale hulpverlening (PSH)
Het bieden van de benodigde psychosociale hulpverlening aan betrokkenen.
Uitvoeren proces psychosociale hulpverlening
De GGD is verantwoordelijk voor de uitvoering van het proces Psychosociale hulpverlening.
Tijdens een crisis kan er behoefte zijn aan psychosociale hulpverlening. De ACGZ neemt hiervoor contact op met de crisiscoördinator van de GGD. Dit is nader uitgewerkt in het GGD Rampen Opvang Plan (GROP).
6.2.2 Deelproces Infectieziektebestrijding (IZB)
Tijdens het uitvoeren van deze reguliere taak binnen de GGD kan een infectieziekte uitgroeien tot een epidemie/pandemie waarbij coördinatie en regie benodigd is.
De infectieziekte te bestrijden en verdere verspreiding te voorkomen.
Uitvoeren proces Infectieziektebestrijding
GGD is verantwoordelijk voor de uitvoering van het proces Infectieziektebestrijding. In het kader van de WPG wordt melding gedaan van een (verdachte) infectieziekte. De GGD brengt vervolgens de aard en de omvang in beeld en maakt beleid voor de bestrijding van de infectieziekte. Zij adviseert hierover het lokale bestuur wat betreft de te nemen maatregelen. Bij een (dreigende) grootschalige uitbraak neemt de GGD contact op met de GHOR om af te stemmen over de benodigde opschaling.
Dit is nader uitgewerkt in het GGD Rampen Opvang Plan (GROP).
6.2.3 Deelproces Medische milieukunde (MMK)
Bij incidenten waarbij gevaarlijke stoffen een rol spelen beschikt de GGD over een Gezondheidskundig Adviseur Gevaarlijke Stoffen (GAGS). De GAGS adviseert de operationele diensten over de te nemen maatregelen.
De GAGS kan bij incidenten ook behandelaars als huisartsen en medisch specialisten adviseren over de behandeling en maatregelen bij slachtoffers.
Advisering over de effecten van (milieu) verontreinigingen in de leefomgeving op de gezondheid. De advisering heeft tot doel de gezondheid te bevorderen en oorzaken van (chronische) ziekten weg te nemen.
Uitvoeren proces Medische Milieukunde
De GGD is verantwoordelijk voor de uitvoering van het proces Medische Milieukunde.
6.2.4 Deelproces Gezondheidsonderzoek (GOR)
Het gezondheidsonderzoek richt zich op het monitoren van gezondheidsklachten op korte en lange termijn.
Uitvoeren Gezondheidsonderzoek
De GGD is verantwoordelijk voor de uitvoering van het proces Gezondheidsonderzoek na Rampen. Als tijdens een crisis of calamiteit op korte of lange termijn gezondheidsklachten kunnen ontstaan, adviseert de Directeur Publieke Gezondheidszorg (DPG) de voorzitter (R)CT een gezondheidsonderzoek op te starten. In de opgeschaalde fase formeert de GGD een projectorganisatie gezondheidsonderzoek ter voorbereiding op het project nafase. Dit is nader uitgewerkt in de GROP.
Binnen alle betrokken geneeskundige organisaties is informatie beschikbaar en bestaat er behoefte aan informatie uit andere organisaties. De GHOR (HIN-GZ) maakt een actueel geneeskundig beeld met behulp van deze informatie en is hiermee de informatieregisseur binnen de geneeskundige keten. Dit actuele beeld is beschikbaar in LCMS-GZ en wordt ter beschikking gesteld aan de multidisciplinaire crisisorganisatie middels een koppeling met LCMS-VR. Andersom wordt het actuele multidisciplinaire beeld ter beschikking gesteld aan de geneeskundige keten middels een koppeling met LCMS-GZ. Betrokken zorgpartners die geen gebruik maken van LCMS ontvangen ook een actueel beeld, dit gebeurt veelal telefonisch.
Alle ketenpartners van de GHOR zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen ondersteuningsproces. Daarnaast is de sectie GHOR zelf verantwoordelijk voor de eigen interne ondersteuningsprocessen.
De OvD-C, operationeel woordvoerder en taakorganisatie hebben mandaat om zelfstandig naar buiten te communiceren over het incident. Alles wat op plaats incident te zien, ruiken, horen, proeven etc. is, mag gecommuniceerd worden. Uitzondering hierop is informatie over Slachtoffer aantallen, Identiteiten, Schade, Oorzaken, Scenario’s en Schuld (SISOSS). Deze punten verlopen via het crisisteam.
De crisiscommunicatie functionarissen hebben toegang tot de Twentse gemeentehuizen, LCMS en Sharepoint omgeving cc.vrtwente.nl. Daarnaast geldt dat deze functionarissen toegang hebben tot systemen passend bij hun functie, onder andere twenteveilig.nl en een mediamonitoringstool. De afspraak is dat functionarissen hun eigen device meenemen bij opkomst van een crisis.
7.3 Structuur kolom Crisiscommunicatie
Afbeelding 4: Functiestructuur crisisorganisatie kolom Crisiscommunicatie
De Algemeen Commandant Communicatie (AC-C) is verantwoordelijk voor de monodisciplinaire opschaling en aansturing van de kolom Crisiscommunicatie. Het Hoofd Informatie Communicatie (HIN-C) is de rechterhand van de AC-C. De afstemming en aansturing van de kolom Crisiscommunicatie gebeurt onder andere. via een stafsectie-overleg. Dit overleg wordt voorgezeten door de AC-C en daarbij sluiten de HIN-C, de Strategisch Communicatie Adviseur (SCA) en de taakorganisatie leden aan.
7.4 Doelstellingen crisiscommunicatie
Goede crisiscommunicatie staat voor het verspreiden van juiste, tijdige en begrijpelijke informatie over en tijdens een crisis, ramp of incident. De kolom Crisiscommunicatie (of onderdelen daarvan) wordt ingezet om tijdens een crisissituatie te voorzien in deze maatschappelijke informatiebehoefte, door aansluiting te zoeken bij de zorgen, vragen en emoties die leven onder de bevolking.
De inzet is erop gericht om op gecoördineerde wijze drie doelstellingen te bereiken:
Aansluiten bij de informatiebehoefte buiten. Feitelijk berichten over de situatie, het verloop van het incident, de genomen en de te treffen maatregelen, openbaarmaking, verklaring en toelichting van het beleid (van de burgemeester) over de bestrijding van de crisis. Het wegnemen of bijsturen van opvallende zaken in communicatie uitingen, die de impact versterken (geruchten of indringende foto’s).
Schadebeperking (handelingsperspectief geven):
Waarschuwen voor dreigende situaties en het bieden van een handelingsperspectief om de schade of impact van de gebeurtenis te beperken. Accent ligt op het snel en zorgvuldig geven van handelingsperspectieven en instructies, het geven van richting aan gedrag.
Duiden van de crisissituatie en die in een breder perspectief plaatsen. Aansluiten bij gevoelens van getroffenen en samenleving. Wat betekent dit voor getroffenen, betrokkenen en de samenleving (de ander)? De buitenwereld is het vertrekpunt. Dit is expliciet een taak van de verantwoordelijk burgemeester (als boegbeeld en burgervader/moeder).
Het maken van een doelgroep analyse door het invullen van de Cirkel van betrokkenen, vormt een belangrijke stap in de aanpak van de communicatieoperatie tijdens een crisis. In alle communicatie zijn de aanwezigen in de binnenste cirkel het uitgangspunt.
Mensen die niet getroffen of betrokken zijn, maar zich betrokken voelen. Een wezenlijk verschil, maar het maakt hen niet minder belangrijk. Deze groep heeft namelijk invloed op het verloop van de crisis. Dit zijn bijvoorbeeld: gebruikers van social media, geïnteresseerden of lotgenoten die een soortgelijke situatie hebben meegemaakt (‘Nederlands publiek’)
7.7 Processen kolom crisiscommunicatie
7.7.1 Proces Analyse en Advies
Het proces Analyse en Advies wordt uitgevoerd door een omgevingsanalist onder leiding van de AC-C. De omgevingsanalist maakt zowel de analyse, op de onderdelen Informatievoorziening, Schadebeperking en Betekenisgeving, als het bijpassende communicatieadvies.
De buitenwereld bepaalt of een situatie een crisis is. Goede crisiscommunicatie moet daarom aansluiten bij die perceptie in de buitenwereld. Daarom is het een essentiële eerste stap om naar binnen te halen wat er in de buitenwereld leeft. Dit doen we door het maken van een ‘omgevingsanalyse’. Door middel van het monitoren van on- en offlinebronnen, wordt inzicht verkregen in hoe de crisis in de buitenwereld wordt beleefd, welke informatiebehoeften er zijn, welke risico’s en zorgen leven, en hoe communicatie kan bijdragen aan het beperken van schade en het versterken van vertrouwen. Zo kan de communicatie doelgericht, tijdig en effectief worden afgestemd op de omgeving.
De omgevingsanalyse wordt gebruikt om de communicatiestrategie te bepalen, prioriteiten te stellen en goede teksten te schrijven die aansluiten bij de buitenwereld.
Ook de OvD-C, AC-C en de SCA adviseren over dilemma’s, beslissingen en keuzes van autoriteiten en hulpverleners; ze spiegelen de implicaties voor communicatie. Veelal is het omgevingsbeeld hierin de onderbouwende bron.
7.7.2 Proces Redactie en Woordvoering
Het proces Redactie en Woordvoering wordt uitgevoerd onder leiding van de AC-C. In het team kunnen de volgende functies worden bekleed:
Binnen het proces Redactie en Woordvoering wordt de ‘Aanpak’ uitgevoerd. Hier wordt gewerkt van ‘binnen’ naar ‘buiten’. Het schrijven van onder andere teksten, voor TwenteVeilig, statements, social media. En de beantwoording van telefonische publieksvragen. En hier wordt, gebruik makend van de Cirkel van betrokkenen, gekeken naar welke middelen moeten worden ingezet om de verschillende doelgroepen zo goed mogelijk te bereiken.
7.8 Overige processen Crisiscommunicatie
Het Hoofd informatie Communicatie (HIN-C) is verantwoordelijk voor de informatievoorziening binnen de kolom crisiscommunicatie:
Het informeren van alle bij de crisisbeheersing betrokken personen binnen de kolom Crisiscommunicatie en de multi-organisatie over de activiteiten van de kolom crisiscommunicatie.
Kijkend naar de gestelde meta-uitgangspunten vanuit de doorontwikkeling crisisorganisatie kan informatiemanagement het verschil maken door:
Slagvaardigheid richting de burger boven interne afstemming te bevorderen door onder andere met behulp van informatiesystemen en informatiespecialisten sneller cruciale informatie te delen tussen hulpverleners onderling. De hulpverlener kan deze informatiepositie vervolgens benutten om ook de burger sneller van informatie te voorzien.
De kolom Informatiemanagement is ondersteunend aan het proces van leiding en coördinatie en daarmee aan de verschillende OvD’s, leider CoPI en de operationeel leider. Binnen de kolom zijn verschillende taken die uitgevoerd worden. Deze staan in onderstaande tabel vermeld. Daarbij is aangegeven wie deze taken voor zijn/haar rekening neemt. Analoog aan de uitgangspunten van de crisisorganisatie, beschrijft dit de startopstelling en laat het de mogelijkheid om te improviseren waar nodig, om te komen tot de benodigde ondersteuning van het proces leiding en coördinatie.
Het informatiemanagement is in staat om de crisisorganisatie adequaat te ondersteunen bij haar slagvaardig optreden. Dat wil zeggen dat beschikbare informatie zo snel mogelijk wordt doorgegeven aan diensten zodat ze dit kunnen gebruiken waar dit operationeel relevant is.
Prestatie-eisen Informatiemanagement
Het totaalbeeld wordt langs geautomatiseerde weg zo spoedig mogelijk en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is geverifieerd, beschikbaar gesteld aan de onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, andere bij de ramp of crisis betrokken partijen, voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor de uitvoering van hun taken en bevoegdheden, en de minister.
De gegevens worden nadat zij beschikbaar zijn binnen tien minuten 8 verwerkt in het eigen beeld en voor zover mogelijk geverifieerd.
Functiestructuur Informatiemanagement
Afbeelding 7: Functiestructuur crisisorganisatie kolom Informatiemanagement
Proces werkwijze Informatiemanagement
Zodra een inzet multidisciplinair is, wordt de kolom Informatiemanagement actief. Dat begint bij de meeste incidenten bij de CaCo op de meldkamer. Bij GRIP 1 geeft de CaCo op RMG 04 een briefing aan de Leider CoPI, OL, OvD-IM en AC-IM. De CaCo wijst een RMG-kanaal aan voor de OvD’s. Deze wordt vraag gestuurd gebruikt. Regie hierop wordt verzorgd door de LC.
Als door één van de disciplines GRIP 1 is afgekondigd, wordt de OvD-IM actief. Deze OvD neemt zitting in het CoPI en verzorgt daar de informatievoorziening. Na alarmering stemt de dienstdoende OvD-IM af met de andere OvD-IM’s of iemand beschikbaar is om alvast het multidisciplinaire beeld op te bouwen terwijl hij zich richting CoPI begeeft. Op het moment dat de OvD-IM in staat is om de regie op de multidisciplinaire beeldvorming over te nemen, stemt hij dat af met de CaCo. De AC-IM wordt bij GRIP 1 geïnformeerd en monitort het incident om te anticiperen op mogelijke verdere opschaling. Bij alarmering worden twee AC-IM’s gevraagd beschikbaar te zijn, in onderling overleg stemmen zij af over de taken rondom GRIP 1 alarmering. Bij een GRIP 3 alarmering begeeft één AC-IM zich naar de locatie waar de Operationele Staf zich bevindt, en de andere begint met het gereed maken van een beeld voor het eerste crisisteam overleg.
De leider CoPI bepaalt of én wanneer een CoPI vergadering plaatsvindt in de MCU (Mobiele Commando Unit). Het kan zijn dat ervoor gekozen wordt om elkaar in eerste instantie bilateraal bij te praten. Als er een behoefte is vanuit de CoPI leden om alsnog een gezamenlijke CoPI vergadering te hebben dan wordt deze georganiseerd. Slagvaardigheid staat hierbij voorop! De OvD-IM draagt zorg voor de informatievoorziening en stemt hierin af met de andere OvD’s en de leider CoPI. Dat betekent onder andere het vullen van het CoPI beeld in LCMS en het maken van het plot. In de rapportage bevindt zich een voorstel van een vereenvoudigd tabblad ten behoeve van het CoPI.
De leider CoPI is uiteraard medeverantwoordelijk om de informatie op te halen bij de verschillende kolommen ten behoeve van het multidisciplinaire beeld en hieruit de thema’s te destilleren. De OvD-IM is in staat de leider CoPI te ondersteunen in het ophalen en analyseren van de benodigde informatie voor de multidisciplinaire beeldvorming en voelt zich verantwoordelijk om de noodzakelijke informatie te vinden en te ontsluiten. Hierin kan hij ondersteund worden door de AC-IM, CaCo en een eventueel actiecentrum (ondersteuning) indien noodzakelijk. Gezamenlijk zijn zij verantwoordelijk om het proces van leiding en coördinatie te ondersteunen door het vergaren van relevante informatie.
Op het moment dat een CoPI vergadering begint, is de OvD-IM degene die het eerste multidisciplinaire beeld met bijbehorende thema’s in concept schetst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de eerste plot. Hiermee focust de OvD-IM op de beeldvorming en krijgt de leider CoPI meer ruimte om aandacht te besteden aan de besluitvorming en het groepsproces. Aan de leider CoPI de vrijheid om van deze startopstelling af te wijken als de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
De AC-IM gaat zodra hij gealarmeerd is (bijv. bij GRIP 1) het incident monitoren en maakt een inschatting op basis van de ontwikkelingen van het incident in hoeverre hij hierin een actieve rol moet vervullen, al dan niet in afstemming met de OvD-IM. De AC-IM kan deze rol vervullen vanaf een locatie waar de beschikbare faciliteiten aanwezig zijn (thuis/kantoor/actiecentrum). Op het moment dat wordt opgeschaald naar een GRIP 3/crisisteam of hoger of waarbij een Operationele Staf wordt gevormd, voegt hij zich bij de OL.
Binnen de Operationele Staf monitort de AC-IM het multidisciplinaire beeld en de multi-relevante informatie uit de mono kolommen en draagt zorg voor een relevant totaal beeld voor de Operationele Staf en het Crisisteam. Dat doet hij op basis van beschikbare informatie uit LCMS en eventuele verificatie bij de OvD-IM of de AC of HIN functionaris van elke kolom.
Hij treedt verder op als adviseur van de OL en ondersteunt de OL in zijn contact met de verschillende kolommen. Hij kan de OL van advies voorzien over de thema’s voor het crisisteam en werkwijze in relatie tot de AC’s van de verschillende kolommen. In dit kader monitort hij dat de AC’s de juiste informatie op de juiste wijze delen ten behoeve van de beeldvorming voor het crisisteam (OL). Hierover heeft hij afstemming met de betrokken HIN functionarissen.
De AC’s en de HIN functionarissen van de verschillende kolommen hoeven niet fysiek aanwezig te zijn in het gemeentehuis. Dat vraagt alertheid van de HIN functionarissen en in het bijzonder de AC-IM om ervoor te zorgen dat het totaalbeeld actueel en relevant blijft. Indien gewenst is de AC-IM in staat om het operationele totaalbeeld te presenteren aan het crisisteam. Mocht de AC-IM ondersteuning nodig hebben dan kan hij dat uiteraard organiseren. De ondersteuning kan uitgevoerd worden door functionarissen die specifieke kwaliteiten hebben waar ten aanzien van informatiemanagement op dat moment behoefte aan is.
Elke kolom/discipline is zelf verantwoordelijk voor het eigen informatiemanagementproces. Dit proces is geborgd in de rol van HIN. Deze rol kan, afhankelijk van de grootte van het incident vervuld worden door een functionaris van de discipline die vanwege een andere taakverantwoordelijkheid, gealarmeerd is. Op het moment dat degene die verantwoordelijk is voor dit proces, inschat dat hij/zij niet meer in staat is deze rol te vervullen dient hij/zij in zijn eigen kolom ondersteuning hiervoor te vragen. Hij/zij draagt deze verantwoordelijkheid dan ook over aan een andere functionaris.
In deze fase is het mogelijk dat de OvD monodisciplinair zijn AC en eventueel al een actiecentrum actief heeft gemaakt. Vanuit de HIN rol kan afstemming worden gezocht met de AC-IM of de OvD-IM (bijvoorbeeld ter verificatie van informatie) en die monitort of de juiste monodisciplinaire informatie voor het multidisciplinaire beeld gedeeld wordt. Elke afzonderlijke HIN levert dus een stuk van de puzzel als het gaat om multidisciplinaire beeldvorming. Hiervoor gebruikt de HIN de beschikbare systemen, met LCMS als belangrijke spil hierin.
Beleidsondersteuner Operationele Staf
De Beleidsondersteuner Operationele Staf vervult meerdere taken ter ondersteuning van de OL. Dit ook met het oog om het crisisteam zo ‘lean & mean’ mogelijk te laten functioneren. In dit document wordt alleen gefocust op de taak voor de Beleidsondersteuner die hij/zij binnen Informatiemanagement uitvoert. De Beleidsondersteuner draagt binnen het proces van Informatiemanagement zorg voor het vastleggen van de besluiten en acties van het crisisteam in het beschikbare systeem (LCMS) en ondersteunt de OL in het bepalen van de thema’s die besproken moeten worden in het crisisteam.
De AC-IM is verantwoordelijk voor de multidisciplinaire operationele beeldvorming. De Beleidsondersteuner ondersteunt samen met de AC-IM de OL in het vergaren van de benodigde informatie.
Een nadere uitwerking van de werkwijze IM staat beschreven in de rapportage Informatiemanagement in de crisisorganisatie.
grootschalige alarmering: het bij een ramp of crisis onverwijld en volledig alarmeren van de onderdelen van de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, bedoeld in artikel 2.1.1, onderdelen b tot en met d;
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2026-1554.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.