[Openstelling Programma Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling 2021-2027 NoordNederland (EFRO)]

 

Innovatief ondernemerschap in Noord-Nederland 2021-2027 – versterking van de mkb-dienstverlening

Een openstelling voor (noordelijke) consortia gericht op het benutten van kansen op het gebied van slimme energiesystemen, inclusief opslag op lokaal niveau, en duurzame energie.

De openstelling in het kort

Met deze subsidie-openstelling roepen we relevante, samenwerkende partijen op om met een gezamenlijk initiatief en vanuit een integrale visie en programmatisch aanpak in te spelen op de versterking van de mkb-dienstverlening in Noord-Nederland. Dit houdt in dat we relevante partijen uitnodigen om samenhangende activiteiten te ontwikkelen die het innovatief ondernemerschap verbeteren en versterken. Innovatief ondernemerschap zorgt voor meer toekomstbestendige mkb-ondernemingen die structureel innovatieve activiteiten ontplooien.

Het beoogde resultaat van deze openstelling is het creëren van een sterke basis voor mkb’ers om hun innovatief ondernemerschap te ontwikkelen, te versterken of te verbeteren. Daarnaast dient de openstelling als investering in de mkb-dienstverlening als samenhangend geheel.

 

Programma-doelstellingen EFRO 2021-2027 en achtergrond

Het Programma Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling 2021-2027 Noord-Nederland (EFRO-programma) kent meerdere doelstellingen. De drie belangrijkste doelstellingen uit het programma zijn:

 

  • 1.

    het benutten van kansen binnen de vier transities;

  • 2.

    het verbeteren van het innovatie-ecosysteem;

  • 3.

    het versterken van de randvoorwaarden voor het innovatie-ecosysteem.

Deze openstelling is (voornamelijk) gericht op de laatste doelstelling. De groep mkb’ers in Noord-Nederland die zich (structureel) bezighoudt met innovatie is klein en willen we met deze openstelling vergroten. Mkb’ers zijn gebaat bij verbeteringen van (innovatie)competenties van de ondernemer en van de onderneming. Met deze competenties kunnen zij ‘opklimmen’ en zich (door)ontwikkelen. Hiervoor is goede mkb-dienstverlening nodig. Dit sluit aan bij de derde doelstelling van het EFRO-programma: het creëren van (meer) innovatief ondernemerschap, als randvoorwaarde voor een sterker Noord-Nederlands innovatie-ecosysteem.

In het EFRO-programma wordt ook wel gesproken over de ‘innovatiecompetentieladder’ of ‘innovatiepiramide’. Hierin zijn de verschillende doelgroepen binnen het noordelijke innovatieklimaat in beeld gebracht.

De afbeelding geeft het veld van innovatieve ondernemers weer. Te zien is dat het EFRO-programma zich richt op alle innovatieve ondernemers op de zogenoemde ladder (van volgers tot koplopers). Deze specifieke openstelling richt zich op alle vier de doelgroepen, met het zwaartepunt op de volgers, toepassers en ontwikkelaars. Het is belangrijk dat in de uitvoering oog is voor deze verschillende doelgroepen.

Verder zijn er in het EFRO-programma een drietal uitgangspunten gedefinieerd:

 

  • 1.

    Doelgroep-differentiatie: werk aan een systeem waarbij de ondersteuning effectief gekoppeld is aan de doelgroepen die we willen bereiken (van koplopers tot volgers);

  • 2.

    Ketenaanpak: werk toe naar een situatie waarbij er een logische opvolging is van ondersteuningsmogelijkheden en follow-up;

  • 3.

    Positionering: tracht de activiteiten daar te plaatsen waar de doelgroep het meest effectief kan worden bereikt.

Bij deze openstelling gaat het primair om activiteiten die de mkb-onderneming en de ondernemer beter in staat stellen om kennis en vaardigheden te vergaren die nodig zijn voor innovatief ondernemerschap. Uit onderzoek blijkt dat deze opgave van het mkb relatief groot is. Veel mkb’ers zijn niet klaar of zelfs nog niet bezig met innovatie en bereiden zich onvoldoende voor op zaken als circulariteit en digitalisering. Het blijkt dat de grootste knelpunten niet zozeer om technologie draaien, maar om mensen: om ondernemers en werknemers die de (management) skills en vaardigheden missen om technologische vernieuwing toe te passen. Het dagelijks runnen van een bedrijf blijkt vaak lastig te combineren met het ontwikkelen en exploiteren van nieuwe vormen van kennis. Het potentieel dat mkb-ondernemingen hebben wordt hierdoor niet volledig benut.

Daarnaast ontbreken hiervoor voldoende en effectieve mkb-‘communities’, peergroups en mentorsystemen, waarbij mkb’ers elkaar ‘de ogen openen’, elkaar uitdagen, stimuleren en helpen de innovativiteit van de onderneming te vergroten.

Maar ook de huidige dienstverlening op het gebied van (innovatief) ondernemerschap laat te wensen over. De dienstverlening is vaak te beperkt in omvang om echt binnen mkb-ondernemingen het verschil te maken. Ze draagt onvoldoende bij aan het structureel versterken van competenties of het duurzaam beïnvloeden van gedrag. Ook is de ondersteuning vaak eenmalig (‘een steen in de vijver’) en ondersteunt het bedrijven niet systematisch in hun groei. Daar komt bij dat informatie over en kennis van het mkb versnipperd aanwezig is. Het blijkt lastig om mkb-ondernemers gericht op de radar te krijgen en de werkelijke vraag op tafel te krijgen. Doordat vaak een goed beeld van de mkb-ondernemer en -onderneming ontbreekt kan de mkb’er onvoldoende goed op het ‘juiste pad’ worden gezet en voldoende en passende vervolgstappen worden aangeboden (waardoor er nu te vaak ‘geschoten wordt met hagel’).

De dienstverlening sluit voor veel mkb’ers onvoldoende aan: zij ervaren deze niet als nabij, intuïtief, toegankelijk of zichtbaar. Bovendien raken zij verstrikt in een woud van loketten, tijdelijke projectjes en programma’s, met daarbij een onduidelijke rolverdeling tussen bijvoorbeeld gemeenten, provincies, eerstelijnsorganisaties en brancheverenigingen – een klassiek ‘bos-en-bomen’-probleem. Wat ontbreekt, is een systematische, koersvaste, samenhangende en datagedreven aanpak, met duidelijke regie en heldere rolafspraken. Hierdoor zijn de randvoorwaarden om innovatief ondernemerschap te stimuleren momenteel onvoldoende aanwezig.

Nationale context en ambitie

Gekoppeld aan de hierboven beschreven programma-doelstellingen EFRO 2021-2027 en de geschetste achtergrond is op nationaal niveau een relevant rapport opgesteld: ‘Actieagenda mkb-dienstverlening 2024-2026’, door Rob Schouten, Kwartiermaker MKB Dienstverlening, in oktober 2023 in opdracht van het Ministerie van EZK. De conclusies en aanbeveling uit dit rapport onderschrijven voorgaande en geven een nadere duiding. Het is hierbij wel goed om op te merken dat Noord-Nederland (in tegenstelling tot de rest van Nederland) een deugdelijke basis aan mkb-dienstverlening heeft met de aanwezigheid van de provinciale eerstelijnsorganisaties Ynbusiness, Grobusiness en IBDO.

Enkele relevante passages uit het rapport zijn:

Onderzoek laat nu juist zien dat een flink deel van het mkb niet over voldoende verandervermogen beschikt om de noodzakelijke transities te maken1.

1 Rabobank, Vier op de tien bedrijven heeft te weinig verandervermogen voor de transitie naar een duurzame en inclusieve economie, 2023

In juni 2022 bracht het Nederlands Comité voor Ondernemerschap een advies uit onder de titel ‘Dienstbare Dienstverlening’2. In essentie constateert het comité dat veel goed gaat maar dat er ook verbeteringen nodig zijn. Dienstverlening vanuit de overheden sluit onvoldoende aan op de vraag van de ondernemer. Bovendien is er een zo groot en divers aanbod dat mkbondernemers het niet meer overzien. Daarbij komt dat de aanbieders van publieke dienstverleners hun aanbod onvoldoende op elkaar afstemmen. Hierin schuilt een grote tragiek. Vanuit de beste intenties en erkenning van het belang van het mkb, wordt voor de uitvoering van beleid dienstverlening ingezet.

2 Nederlands Comité voor Ondernemerschap, Dienstbare Dienstverlening, juni 2022

 

  • -.

    Er is in Nederland een rijk ecosysteem opgebouwd ter stimulering (van de digitalisering) van het mkb.

  • -.

    Er is nauwelijks data beschikbaar over de impact van activiteiten. Evaluaties of metingen van de impact ontbreken veelal, ook kwalitatief mist vaak het inzicht.

  • -.

    Wel is duidelijk dat de deelname aan de publieke initiatieven beperkt is.

  • -.

    Het ecosysteem is complex, lastig te overzien en coördinatie ontbreekt. Er zijn veel actoren en geen centrale visie of aansturing.

En dat er daarom drie fundamentele omslagen nodig zijn:

  • 1.

    1. Voor het succesvol aanbieden van ondernemersdienstverlening moet er ook een vraag zijn. Deze vraag is op dit moment vaak niet manifest. Vraagactivatie is dan noodzakelijk. Hierbij geldt dat ondernemers zich vooral laten inspireren door andere ondernemers. We zetten daarom, samen met organisaties van ondernemers, zwaar in op het versterken van vitale communities van ondernemers.

  • 2.

    2. De huidige ondernemersdienstverlening mist te vaak de aansluiting met de belevingswereld van het mkb. De dienstverlening moet simpeler, dichtbij en intuïtief zijn.

  • 3.

    3. Publieke dienstverleners moeten gaan samenwerken als één overheid, waarbij ondernemers dit ook zo ervaren. Het gaat hier om het perspectief van een stelsel waarbij niet langer sprake is van versplintering van de dienstverlening.

En dit moet vervolgens leiden tot:

  • -.

    Dienstverleners en ondernemersorganisaties hebben een duidelijke rol en de rollen zijn complementair aan elkaar vanuit de vraag van de mkb’er.

  • -.

    Er is per saldo minder tijdelijk en projectmatig aanbod voor de mkb’er. Het nieuwe, meer structurele aanbod sluit beter aan bij de daadwerkelijke vraag van de mkb’er.

  • -.

    Er zijn sterke regionale ecosystemen ontstaan, waarin regio’s, met publieke en private organisaties, samenwerken vanuit de vraag van de mkb’er.

  • -.

    Er is een duidelijke samenwerking en invulling ontstaan hoe landelijke uitvoeringsorganisaties regionaal ingezet worden.

  • -.

    Er is regionaal voldoende structurele uitvoeringskracht om de vraag van het mkb effectiever te bedienen.

Daarmee is er een stevige ambitie neergelegd om de mkb-dienstverlening te verbeteren. Het doel is om toe te groeien naar een vraaggericht stelsel (samenhangend geheel van mkb-dienstverlening) met een duidelijke structuur en rolverdeling, en de bereidheid van betrokken partijen om met elkaar samen te werken gericht op de dienstverlening aan de mkb'er. Dit moet er toe leiden dat:

  • -.

    Ondernemers onderdeel uitmaken van de mkb-gemeenschap waarbij zij elkaar inspireren en ondersteunen bij het doorgronden en oppakken van belangrijke transities in hun bedrijfsvoering en verdienmodel.

  • -.

    Ondernemers gemakkelijke toegang hebben tot overheidsinformatie, advies, praktische ondersteuning en relevante netwerken.

  • -.

    De dienstverlening meer data-gedreven werkt en inspeelt op ondernemers-gedragingen.

Het geheel vergroot de match tussen vraag en aanbod van informatie en advies. En biedt daarmee extra houvast voor de mkb’er bij het nemen van beslissingen en het doen van investeringen met het oog op de toekomstbestendigheid van het bedrijf.

De actieagenda is uitgewerkt in zes zogenaamde kansenkaarten:

1. Laat ondernemerscommunities bloeien;

2. Bied vraaggerichte ondersteuning aan het mkb;

3. EZK pakt de stelselverantwoordelijkheid;

4. Zet de uitvoerders in hun kracht;

5. Benut data als fundament van samenwerking en vernieuwing van dienstverlening;

6. Verhoog de kwaliteit en bereik van regionale mkb-ondersteuning

Voor deze openstelling dient primair aangesloten te worden bij kansenkaarten 2, 4, 5 en 6 van de nationale Actieagenda.

Doelstellingen

Zoals hierboven omschreven, staan we als regio voor een behoorlijke opgave op het gebied van innovatief ondernemerschap. De regio moet als geheel innovatiever worden. Deze openstelling maakt het mogelijk om in de komende jaren te werken aan een overkoepelend programma die het mkb beter in staat stelt om ‘aan te haken’ in een passende vorm en tempo (doelgroepdifferentiatie). In dit programma dient aandacht te zijn voor verschillende aspecten van innovatief ondernemerschap en de kansen en oplossingen die er zijn voor de opgaven die hierbij komen kijken en hierboven zijn beschreven. Het is de bedoeling dat dit een meerjarig programma wordt met verschillende onderdelen, waarbij ieder onderdeel een logisch onderdeel uitmaakt van het grotere geheel en integraal bijdraagt aan de doelstelling.

Concreet wordt er met deze openstelling aan de doelstellingen gewerkt om de mkb-dienstverlening te versterken gericht op het stimuleren van innovatief ondernemerschap, als randvoorwaarde voor een sterker Noord-Nederlands innovatie-ecosysteem.

Hiernaast ligt er een belang bij het beter in kaart brengen van de groep (innovatieve) mkb-ondernemingen. Door het beter in kaart brengen van deze mkb’ers, zou beter kunnen worden ingeschat waar zij staan op de competentieladder en zou daarmee de juiste ondersteuning geboden kunnen gaan worden. Uiteindelijk dient dit programma (onder andere) ten doel te hebben dat alle betrokken stakeholders (en hun diensten) vanuit een gezamenlijke visie en in goede samenhang met elkaar functioneren, zodat er een logisch integraal geheel (systematische aanpak) ontstaat ter ondersteuning van het innovatief mkb.

Aanpak: wat, wie en hoe?

Alles overwegend, is de conclusie dat er in Noord-Nederland nog belangrijke stappen te zetten zijn in zowel de dienstverlening als de systeemaanpak op het gebied van innovatief ondernemerschap. Betere dienstverlening is essentieel om als regio innovatiever te worden.

Wat hiervoor nodig is, zijn relevante partijen die een gezamenlijke visie en een integraal geheel aan samenhangende activiteiten ontwikkelen op de belangrijkste uitdagingen die Noord-Nederland momenteel ervaart op het gebied van het innovatief ondernemerschap en dat daarbij wordt aangesloten op nationale ontwikkelingen. Hierbij is het belangrijk dat er gewerkt wordt met een ketenaanpak, waarbij de gehele keten wordt aangesproken en betrokken. Deze gezamenlijke aanpak dient er voor te zorgen dat bestaande barrières worden weggenomen. Doelgroep-differentiatie is hierbij ook van belang. Dit houdt in dat de voorgestelde activiteiten dienen te worden aangeboden in een vorm die aansluit bij het vraagstuk en de mkb’er.

Voor mkb’ers die hun eerste stappen zetten op het vlak van innovatief ondernemerschap is het logisch om te kiezen voor eenvoudige, laagdrempelige en verkennende activiteiten. Mkb’ers die al verder op weg zijn met innovatief ondernemerschap hebben behoefte aan uitdagende(re) en complexe(re) activiteiten. Dit vraagt om een specifieke aanpak, meer ‘light touch’ en ‘tailor made’ en gericht op het bevorderen van onderling verbinden van ondernemers (‘peer exchange en peer learning’). Ook kan hierbij sprake zijn van activiteiten tussen kennisinstellingen en mkb’ers, bijvoorbeeld met studenten of stagiaires, maar ook op het vlak van kennisvalorisatie. Voor dit laatste punt is het van belang dat er een goede verbinding en afstemming met het programma ‘KONNECT 2.0’ wordt gelegd.

Samenwerking in de ondersteuningsketen en positionering van de ondersteuning aan het mkb is van groot belang. Relevante (intermediaire) organisaties die veel met het mkb samenwerken en/of diensten en (ondersteunings-)instrumenten aanbieden, spelen hierin een grote rol. Het is daarom belangrijk dat deze partijen een duidelijke rol krijgen binnen het te vormen consortium. Enerzijds moet er geïnvesteerd worden in het ontwikkelen en vergroten van (innovatief) ondernemerschaps-competenties bij mkb-ondernemers en -ondernemingen die nog weinig of niet innovatief acteren, anderzijds moet de innovatiecapaciteit van innovatieve mkb’ers verder versterkt worden. Bij die laatste groep gaat het vooral om ondernemers die al wel innovatief actief zijn, maar dit nog niet of te weinig op structureel niveau doen. Het is belangrijk dat innovatief ondernemerschap uiteindelijk een wezenlijk en duurzaam onderdeel vormt van de mkb-onderneming. Door te identificeren waar verschillende soorten mkb’ers behoefte aan hebben, kan door (de keten van) intermediaire organisaties en vertegenwoordigers van het mkb gerichter gewerkt worden en kunnen de verschillende doelgroepen gerichter worden bereikt met de juiste activiteiten, diensten en (subsidie)ondersteuning (positionering). Daarnaast is het belangrijk dat de voorgestelde acties niet alleen terecht komen bij de al bekende partijen in de keten en fragmentatie wordt voorkomen. Het is tevens van belang dat de meer ‘onzichtbare’ partijen ook op tijd geïdentificeerd en vervolgens betrokken worden. Intermediaire organisaties, zoals primair de eerstelijnsorganisaties (Ynbusiness, Grobusiness en IBDO), maar ook de NOM, kunnen hier een belangrijke rol in vervullen. Dit vraagt ook om (meer) openheid en samenwerking tussen deze partijen. Op het gebied van (meer) data creëren en onderling delen (ook met KONNECT 2.0 en andere ecosystemen, zoals Founded, Noord-Nederland verdient Circulair 2.0, etc.), maar dit is ook van belang op het vlak van best practices, resultaten en leeruitkomsten.

Zoals eerder vermeld, ligt er ook een uitdaging op het gebied van peer-exchange en peer-learning, dit betekent investeren in het verbeteren van de onderlinge verbindingen tussen ondernemers. Zo zouden bijvoorbeeld koplopers op (thematische) gebieden van innovatief ondernemerschap aan andere mkb-ondernemers kunnen laten zien hoe hun bedrijf toekomstbestendiger is (geworden) en hoe innovatie een structureel onderdeel uitmaakt van hun bedrijfsvoering.

Daarmee is deze openstelling een oproep om meer grip te krijgen op de vragen en behoeften van ondernemers en hier een overkoepelend en compleet beeld van te krijgen, zodanig dat er beter ingespeeld kan worden op wat er nodig is (vraaggestuurd en businessgericht).

 

Wat maakt een project een goed project?

Een goed project voor deze subsidie is gericht op het verbeteren en versterken van vraaggerichte mkb-dienstverlening op het gebied van innovatief ondernemerschap, belangrijke elementen daarin zijn:

 

  • 1.

    Meer toegevoegde waarde voor mkb’ers (voldoende robuuste en kwalitatief goede en professionele ondersteuning). Het (nieuwe en meer structurele) aanbod sluit beter aan bij de daadwerkelijke vraag van de mkb’er en neemt drempels weg.

  • 2.

    Activiteiten dienen goed op elkaar te worden afgestemd (ketenaanpak). Dit kan door meer samenwerking in en regie op mkb-dienstverlening. Dienstverleners en ondernemersorganisaties hebben een duidelijke rol en de rollen zijn complementair aan elkaar vanuit de vraag van de mkb’er met duidelijke en overzichtelijke loket(ten). Regionale en nationale dienstverlening is hierbij tevens goed onderling afgestemd en met elkaar verbonden.

  • 3.

    Het creëren van meer opwaartse beweging in de innovatiecompetentieladder: van volgers naar toepassers, van toepassers naar ontwikkelaars, van ontwikkelaars naar koplopers en het versterken van de positie van bestaande koplopers. Dit vergroot de groep innovatieve mkb-ondernemingen in Noord-Nederland. Hiervoor is voldoende structurele uitvoeringskracht beschikbaar om de vraag van het mkb effectiever te bedienen.

  • 4.

    Het in beeld brengen én houden van innovatieve mkb-bedrijven (volgers tot en met koplopers) door goede samenwerking tussen ketenpartners in de mkb-dienstverlening én door het creëren van meer data en het onderling meer delen van die data.

  • 5.

    Geen ‘cherry-picking’, er dient sprake te zijn van een integrale en programmatische aanpak. Iedere fase kent concrete invullingen van de verschillende aspecten van het programma.

Wij zoeken partijen die in staat zijn aan deze eisen te voldoen en daarnaast bereid zijn opgedane kennis en leereffecten (op basis van gedegen, evidence-based monitoring waarbij onder andere de impact van interventies worden gemeten) openlijk te delen (waarbij sprake is van een ‘lerend systeem’). Ook is het belangrijk dat zowel de invulling als de uitvoering ervan aan de hand van integrale visie en programmatisch aanpak gebeurt. Hierbij wordt voortgebouwd op het fundament dat er al is. Het is een grote opgave voor de regio, er zijn meerdere (opdrachtgevende en opdrachtnemende) partijen bij betrokken en iedereen moet bereid zijn om zijn of haar (complementaire en duidelijke) rol in te nemen in het grotere geheel met commitment voor de lange termijn die koersvast is.

Wat bieden wij?

Wij bieden voor dit project een maximale subsidie van €8.000.000,- voor de periode tot maximaal 31 juli 2029. Het maximale subsidiepercentage bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.

De maximale subsidie kan in fasen beschikbaar worden gesteld. Voor de 1e fase is een subsidiebedrag beschikbaar van maximaal €4.000.000,-. Voor iedere volgende fase wordt een aangepast/aangevuld projectplan opgesteld (en inhoudelijke beoordeling door de Deskundigencommissie).

 

Openstellingsperiode :

De subsidie wordt opengesteld van 10 oktober 2025 12:00 tot en met 19 december 2025 12:00. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.

Let op:

Alleen complete aanvragen waarbij alle verplichte documenten zijn aangeleverd worden beoordeeld. Lever daarom alle gevraagde en verplichte documenten op de juiste manier aan. De subsidieaanvraag dient u in via het EFRO-webportaal (klik hier).

De verplichte documenten voor deze openstelling zijn:

  • 1.

    Projectplan;

  • 2.

    Begroting;

  • 3.

    Bewijs rechtsgeldig getekend penvoerder (getekend door een tekenbevoegd persoon (of personen bij gezamenlijke bevoegdheid));

o Bewijsvoering waaruit te herleiden is wie tekenbevoegd is.

  • 1.

    Bewijs rechtsgeldig getekend projectpartner (indien van toepassing, voor alle projectpartners, getekend door een tekenbevoegd persoon (of personen bij gezamenlijke bevoegdheid));

o Bewijsvoering waaruit te herleiden is wie tekenbevoegd is.

 

Beoordeling

Alle aanvragen waarbij alle verplichte documenten zijn aangeleverd worden parellel beoordeeld op ontvankelijkheid (onderdeel van de subsidie-technische toets) door het SNN en inhoudelijk beoordeeld door de Deskundigencommissie. De Deskundigencommissie bestaat uit onafhankelijke deskundigen. Zij adviseren het SNN over de toekenning van de subsidie. Dit doen zij op basis van de landelijk afgesproken selectiecriteria uit het beoordelingskader.

Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Dit betekent dat de projecten die als eerste compleet zijn ingediend als eerste in aanmerking komen voor subsidie. Er geldt een ondergrens van 70 punten. Projecten die minder dan 70 punten scoren, komen niet in aanmerking voor subsidie. Deze projecten dragen onvoldoende bij aan de doelstellingen van het subsidieprogramma. Daarnaast geldt dat voor elk criterium minimaal de helft van het maximaal aantal te behalen punten dient te worden gescoord.

In de subsidie-technische toets wordt een aanvraag getoetst op beleidscriteria, harde afwijzingsgronden en maximale staatssteun. Wij kunnen u tijdens de subsidie-technische toets vragen om aanvullende informatie aan te leveren. Dit doen wij wanneer de verstrekte informatie nog onvoldoende is om te komen tot een beschikking.

 

Wijze van projectselectie:

Aanvragen worden beoordeeld conform de beoordelingsmethodiek en beoordelingscriteria die gelden voor het EFRO-programma 2021-2027 Noord-Nederland.

Aan projecten worden per criterium punten toebedeeld, waarbij per criterium vijf verschillende gradaties mogelijk zijn. Het maximumaantal punten verschilt per criterium. De te behalen punten per criterium en gradatie worden hieronder nader toegelicht.

De projecten worden door de Deskundigencommissie op de volgende criteria beoordeeld:

 

Beoordelingskader:

De projecten worden door de Deskundigencommissie op de volgende criteria beoordeeld:

Bij het beoordelen van dit criterium wordt gevraagd om een kwalitatief oordeel te geven over het projectvoorstel in relatie tot wat met het programma, de betreffende specifieke doelstelling en de openstelling wordt beoogd.

Hierbij gaat het om:

1. De bijdrage van een project aan de doelstellingen van het programma en de openstelling

Bij het beoordelen van dit criterium wordt gevraagd om een kwalitatief oordeel te geven over het projectvoorstel in relatie tot wat met het programma, de betreffende specifieke doelstelling en de openstelling wordt beoogd.

Hierbij gaat het om:

  • 1.

    De bijdrage aan de doelstellingen zoals uitgewerkt in het programma en de uitvoeringsregeling voor de openstelling;

  • 2.

    De score op van toepassing zijnde resultaatindicatoren en outputindicatoren;

  • 3.

    De noodzaak van de subsidie (‘additionaliteit’);

  • 4.

    De bijdrage aan de doelstellingen ten opzichte van de gevraagde bijdrage (‘value for money’);

  • 5.

    De mate waarin, aan de hand van een gezamenlijk initiatief en vanuit een integrale visie en programmatisch aanpak, wordt gewerkt aan de verbetering en versterking van innovatief ondernemerschap in Noord-Nederland. En daarmee de aanwas, het ‘opklimmen’ en pool innovatieve ondernemers in Noord-Nederland te vergroten;

  • 6.

    De mate waarin verbinding tussen relevante ondersteuningsactiviteiten en -partijen (mkb-dienstverlening) in Noord-Nederland op het vlak van innovatief ondernemerschap wordt verbeterd (tegengaan van fragmentatie en verbetering van regie en samenhang – zowel op inhoud als op verbinding). En de mate waarin verbinding wordt gelegd met aanpalende noordelijke programma’s en ecosystemen, zoals benoemd in de openstelling.

2. De bijdrage van een project aan maatschappelijke impact en duurzame ontwikkeling.

Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre het project erin slaagt economische en maatschappelijke doelstellingen met elkaar te verbinden en synergie weet te bewerkstelligen; dus in hoeverre een project inspeelt op maatschappelijke uitdagingen – de RIS3-transities –, daar economisch voordeel uit weet te creëren en tevens maatschappelijke impact genereert.

In de beoordeling wordt meegenomen:

 

  • 1.

    De impact van een project hier en elders;

  • 2.

    De impact van een project nu en in de toekomst;

  • 3.

    De mate van kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de impact en de haalbaarheid hiervan.

In bredere zin wordt bij dit criterium beoordeeld in hoeverre een project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en niet leidt tot onnodig negatieve effecten in termen van duurzame ontwikkeling (het ‘do no significant harm’-principe).

Hierbij gaat het om:

  • 1.

    Ecologische duurzaamheid (‘planet’), hierbij valt te denken aan efficiënt gebruik van hulpbronnen, verhogen van de biodiversiteit, klimaatadaptie en mitigatie; duurzaam watergebruik en beheer; tegengaan van vervuiling van het milieu; verbetering van de luchtkwaliteit; en herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en beheer;

  • 2.

    Sociale duurzaamheid (‘people’), hierbij valt te denken aan bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie, (sociale) participatie, verrijking cultuur, veiligheid, gezondheid en onderwijs;

  • 3.

    Economische duurzaamheid (‘profit’), hierbij valt te denken aan bevordering van kennis, kapitaalgoederen, vestigingsvoorwaarden, circulariteit van de economie en verbetering van de economische structuur.

Dit dient in overeenstemming te zijn met de definitie in het Brundtland Rapport2: Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen. Alsmede dat het project positief bijdraagt aan de beginselen gendergelijkheid en non-discriminatie in brede zin.

3. Het financieel en economisch toekomstperspectief van een project.

Bij dit criterium wordt een project beoordeeld op het perspectief en de potentiële economische impact op de langere termijn, dat wil zeggen, na afloop van de subsidieperiode. Het kan gaan om directe impact van een project of om het potentieel van een project om vervolginitiatieven te genereren, veranderingen teweeg te brengen en/ of andere partijen te enthousiasmeren en inspireren.

Hierbij gaat het om:

 

  • 1.

    De mate waarin het consortium, op basis van de behoefte op dat moment, ondersteuning biedt aan ondernemers én, op basis van de behoefte die daaruit volgt, verbinding legt met de volgende stap (ketenaanpak). Een samenhangend en robuust ondersteuningsaanbod én continuïteit zijn hierbij van groot belang, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende (doel)groepen en hun (soms individuele) behoeftes (positionering);

  • 2.

    De mate waarin, door inzet van het consortium en de ondersteunende activiteiten, er sprake is van (blijvende) economische impact en business gerichtheid. Meer mkb-ondernemingen zijn onderdeel van ondernemers-gemeenschappen en zijn (mede daardoor) duurzaam aangehaakt. Onderbouwing op basis van resultaten en evaluaties uit het verleden alsmede keuzes voor de toekomst (in de vorm van aanpassingen en/of op- of afschaling van lopende ondersteuningsactiviteiten) kunnen hierbij een rol spelen. Een gedegen data-gedreven aanpak speelt hierbij een belangrijke rol;

  • 3.

    De mate waarin er verbindingen worden gelegd met de nationale ‘Actieagenda mkb-dienstverlening 2024-2026’. Alsmede eventuele andere (inter)nationale netwerken en stakeholders op het terrein van innovatief ondernemerschap;

De mate van (financieel) commitment (binnen de projectperiode én daarna) van het consortium en de regio (opdrachtgevende partijen) voor dit project én de verwezenlijking van lange termijnvisie ten behoeve van structurele, robuuste en duurzame verandering. 

4. De innovativiteit van een project.

Bij dit criterium wordt een project beoordeeld op het vernieuwende karakter. Het gaat om vernieuwing in brede zin, binnen een project zelf en/of vernieuwing die een project teweegbrengt.

Hierbij gaat het om:

  • 1.

    De mate waarin de kwaliteit en innovativiteit van mkb-dienstverlening op het vlak van innovatief ondernemerschap wordt verhoogd en geborgd. Ook hier kan de onderbouwing op basis van resultaten en evaluaties uit het verleden alsmede keuzes voor de toekomst (in de vorm van aanpassingen en/of op- of afschaling van activiteiten van lopende ondersteuningsactiviteiten) een rol spelen;

  • 2.

    De mate waarin sprake is van een specifieke aanpak, meer ‘light touch’ en ‘tailor made’ en gericht op het bevorderen van onderling verbinden van ondernemers (‘peer exchange en peer learning’). Aanvullend kan het ook gaan om een aanpak waardoor het consortium effectief kan samenwerken (bijvoorbeeld door het spreken van één taal), en/of er sprake is van een lerend systeem ten aanzien van de mkb-dienstverlening en/of er andere partijen bij het project zijn betrokken (‘unusual suspects’ of verrassende combinaties van partijen).

5. De kwaliteit van een aanvraag.

Bij dit criterium wordt beoordeeld op de kwaliteit van de aanvrager en de kwaliteit van het projectplan.

a. De kwaliteit van de aanvrager;

Het gaat bij dit element primair om de vraag of het consortium wordt toevertrouwd projectdoelstellingen daadwerkelijk te realiseren en de risico’s die met projectuitvoering gepaard gaan, weet te beheersen. Hierbij gaat het om:

  • 1.

    De aanwezigheid van een relevant, complementair en representatief consortium;

  • 2.

    Zijn alle partijen die logischerwijs bij een project betrokken behoren te zijn, daadwerkelijk betrokken, inclusief een duidelijke en complementair rolverdeling?;

  • 3.

    Het trackrecord en de ervaring van het consortium;

  • 4.

    De uitvoerings- en slagkracht van het consortium;

  • 5.

    Het lerend vermogen van het consortium;

  • 6.

    De mate van samenwerking binnen een projectconsortium;

  • 7.

    De manier waarop en de mate waarin partners kennis inbrengen en delen tijdens de uitvoering van een project;

  • 8.

    De breedte van betrokken ketenpartijen (Zijn meerdere schakels uit een keten betrokken?);

  • 9.

    De overtuigingskracht waarmee een projectvoorstel wordt gepresenteerd/ gepitcht.

b. De kwaliteit van het projectplan. Hierbij gaat het om:

  • 1.

    Is er sprake van en logisch geheel van activiteiten? Bestaat er een logisch onderling verband tussen de activiteiten die zijn voorzien en het doel dat wordt beoogd?;

  • 2.

    Is dat wat nodig is om het doel te bereiken in het projectplan opgenomen en niet meer dan dat?;

  • 3.

    Is de projectopzet duidelijk en zijn activiteiten helder omschreven?;

  • 4.

    Zijn doelstellingen objectief en meetbaar geformuleerd?;

  • 5.

    Is de planning realistisch en haalbaar?;

  • 6.

    Is er een sluitende begroting en is deze helder en effectief opgezet?;

  • 7.

    Is er een overtuigend (plan voor) een monitoring- en evaluatiesysteem, dat gekoppeld en ondersteunend is aan de te behalen projectresultaten? En wordt hiermee (tevens) bereikt dat ondernemers beter in beeld komen en blijven? Bijsturing van een effectief en efficiënt noordelijk innovatie-systeem voor mkb-dienstverlening is hierbij van belang. Er dient tevens inzichtelijk gemaakt te worden welke structurele verandering op ecosysteemniveau teweeg zijn gebracht;

  • 8.

    Is de projectopzet flexibel? Wordt er rekening gehouden met mogelijke bijsturing? Is het monitoringsysteem hieraan voedend?;

  • 9.

    Zijn risico’s en de manier waarop deze worden beheerst, helder en uitputtend beschreven?;

  • 10.

    Blijkt uit de projectopzet dat er wordt gestuurd op het realiseren van leereffecten en het delen van ervaringen en resultaten met anderen?

 

Puntenscore per beoordelingscriterium

Onderdeel 1

Onderdeel 2

Onderdeel 3

Onderdeel 4

Onderdeel 5

20 punten

20 punten

20 punten

20 punten

20 punten

15 punten

15 punten

15 punten

15 punten

15 punten

10 punten

10 punten

10 punten

10 punten

10 punten

5 punten

5 punten

5 punten

5 punten

5 punten

0 punten

0 punten

0 punten

0 punten

0 punten

Besluitvorming en beschikking

Vervolgens wordt de subsidieaanvraag met een zwaarwegend advies van de Deskundigencommissie ter besluitvorming voorgelegd aan het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN). Na het besluit van het DB SNN volgt de subsidiebeschikking. De beslisperiode voor het geven van een beschikking is 26 weken. Deze tijd loopt vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. De beslisperiode wordt opgeschort als aanvullende informatie wordt gevraagd.

 

Nadere bepalingen

Subsidie

Subsidies die vanuit deze openstelling worden verstrekt worden gefinancierd vanuit het EFROprogramma, aangevuld met Rijkscofinanciering. Dit fonds wordt in Noord-Nederland ingezet via het EFRO-programma 2021-2027 Noord-Nederland. Als juridische grondslag op deze uitvoeringsregeling geldt de Regeling Europese EZ-subsidies (REES), de Uitvoeringswet EFRO, de Kaderwet EZK- en LNVsubsidies, de GB-kaderverordening en de Algemene wet bestuursrecht. Subsidie wordt alleen verstrekt wanneer:

• Er geen sprake is van staatssteun (waaronder de de-minimis-verordening);

• Of wanneer de steun op grond van artikel 107, lid 3 VWEU als verenigbaar met de interne markt wordt beschouwd;

• Of wanneer het project valt binnen de categorieën steun zoals bedoeld en gedefinieerd in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

Kosten komen voor subsidie in aanmerking (subsidiabele kosten) als:

• Er een direct en logisch verband is tussen de activiteiten waarop de kosten betrekking hebben en de resultaten die met het project en het EFRO-programma worden beoogd;

• De kosten voldoen aan de beginselen van proportionaliteit. De kosten mogen niet onevenredig hoog zijn in verhouding tot de activiteiten en het doel waarop deze kosten betrekking hebben;

• Projectkosten zijn subsidiabel wanneer de verplichtingen die leiden tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum waarop het SNN de subsidieaanvraag heeft ontvangen. Ook moeten de werkzaamheden die tot de kosten leiden, zijn verricht op uiterlijk de einddatum van het project. Daarbij moeten de projectkosten betaald zijn binnen 13 weken na de einddatum van de projectperiode. Dit met uitzondering van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden voor het verzoek tot definitieve vaststelling;

• Uit de GB-verordening, Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies volgt welke soorten kosten op welke wijze subsidiabel zijn; In het EFRO-Handboek worden deze regels nader toegelicht;

• In aanvulling hierop geldt dat de subsidiabele kostensoorten kunnen worden beperkt wanneer staatssteunregels daartoe verplichten.

 

Penvoerderschap

De penvoerder is voor het SNN het aanspreekpunt voor het project én de partij aan wie het SNN de subsidie uitkeert. De penvoerder is verantwoordelijk voor indienen van de aanvraag en het doorbetalen van de subsidie aan andere deelnemers. Afspraken hierover moeten in de samenwerkingsovereenkomst worden vastgelegd.

Begunstigden

Deze subsidie is in de basis bedoeld voor samenwerkende partijen ter bevordering van de mkb-dienstverlening in Noord-Nederland.

Samenwerkingsovereenkomst

Bij een samenwerkingsverband wordt de subsidie aangevraagd door een deelnemer aan het samenwerkingsverband, waarbij het project de instemming draagt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. De samenwerking moet worden samenwerkingsovereenkomst die door alle deelnemers wordt ondertekend.

Afwijzen van een aanvraag

Een subsidieaanvraag wordt zonder meer afgewezen als het DB SNN door toewijzing niet zou voldoen aan verplichtingen gesteld in de GB-verordening, of andere geldende wet- en regelgeving. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in ieder geval wordt afgewezen als:

• Er onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische haalbaarheid van het project;

• Door de aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel, qua benodigde vergunningen of op andere wijze obstakelvrij is;

• Niet aannemelijk is dat het project kan worden afgerond binnen de periode die ligt tussen de indieningsdatum van de aanvraag en 4 jaar na afgifte van de verleningsbeschikking;

• De werkzaamheden in het subsidieproject zijn gestart vóór de ontvangst van de aanvraag;

• De aanvraag niet voldoet aan de waarborging van gelijke kansen en voorkoming van discriminatie en/of het project geen negatieve effecten op het milieu kent;

• De aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert als bedoeld in artikel 2 lid 18 van de AGVV;

• Er niet voor elk criterium minimaal de helft van het maximaal aantal te behalen punten wordt gescoord;

• Het project minder dan 70 punten heeft gescoord.

Projectperiode en kosten

Subsidie wordt verstrekt voor de periode die nodig is voor de uitvoering van het project. De maximale projectperiode is tot uiterlijk 31 juli 2029. De kosten komen voor subsidie in aanmerking vanaf het moment dat de subsidieaanvraag is ingediend. Gaat het project later van start? Dan geldt dat de kosten voor subsidie in aanmerking komen vanaf de startdatum.

D oorgeven van wijzigingen

Wijzigt er iets in het project? Dan moet u deze wijziging zo snel mogelijk melden bij het SNN.

Rapportage en bevoorschotting

De subsidieaanvrager moet minimaal een keer per jaar een voortgangsrapportage indienen. In deze voortgangsrapportage staat de financiële en inhoudelijke voortgang van het project over de voorafgaande periode. Voor deze rapportage moet het door het SNN verstrekte format gebruikt worden. Als er niet degelijk wordt gerapporteerd kan de subsidie worden ingetrokken of verlaagd.

Wanneer gestart is met de uitvoering van het project kan een voorschot van 20% van de maximaal verleende subsidie worden verstrekt. Dit voorschot wordt niet verstrekt als het SNN een obstakel in de uitvoering van het project constateert.

Na het afronden van een voortgangsrapportage zal een extra voorschot worden uitbetaald. De hoogte van dat voorschot wordt bepaald op basis van de gemaakte en betaalde kosten. In totaal kan er voor maximaal 95% aan voorschotten worden uitbetaald.

Het resterende subsidiebedrag wordt bij de projectvaststelling uitbetaald.

Vaststelling van de subsidie

Uiterlijk 13 weken na de einddatum van het project moet een vaststellingsverzoek worden ingediend. Hiervoor moet het format van het SNN gebruikt worden. Een lijst van aan te leveren documenten bij de vaststelling wordt in de verleningsbeschikking opgenomen. Een rapport van bevindingen door een accountant kan hier onderdeel van zijn.

De subsidie wordt lager vastgesteld als de gerealiseerde kosten lager zijn dan begroot. Ook kan de subsidie lager worden vastgesteld wanneer niet aan de verplichtingen in de verleningsbeschikking is voldaan. Voor de berekening van de uiteindelijke subsidie wordt uitgegaan van het subsidiepercentage bij verlening.

Het SNN kan de uitbetaling van de subsidie opschorten als de financiering vanuit de Europese Commissie niet beschikbaar is.

 

Besluit tot vaststelling van de uitvoeringsregeling

Deze uitvoeringsregeling is door het DB SNN vastgesteld. Dit heeft zij gedaan in haar hoedanigheid van beheerautoriteit Noord-Nederland. De uitvoeringsregeling wordt gepubliceerd en treedt in werking op 10 oktober 2025 en werkt terug tot deze datum voor zover bekendmaking plaatsvindt na 10 oktober 2025.

De uitvoeringsregeling wordt aangehaald als: Innovatief ondernemerschap in Noord-Nederland 2021-2027 – versterking van de mkb-dienstverlening.

Linkjes naar wet-, regelgeving en algemene informatie

  • 1.

    GB-verordening nr. 2021/1060 ( Klik hier ).

  • 2.

    Regeling Europese EZK- en LNV subsidies ( Klik hier ).

  • 3.

    Uitvoeringswet EFRO ( Klik hier ).

  • 4.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening nr. 651/2014 ( Klik hier ).

  • 5.

    Reguliere de-minimis steun Nr. 2023/2831

  • 6.

    RIS3 ( Klik hier ).

  • 7.

    Publiekssamenvatting EFRO-programma 2021-2027 Noord-Nederland ( Klik hier ).

  • 8.

    Algemene wet bestuursrecht ( Klik hier ).

Dit bedoelen wij met de begrippen die wij gebruiken

 

  • 1.

    GB-verordening: Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021. Deze bevat de gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006;

  • 2.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling beschikking, besluit of verordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie, gelet op de artikelen 42, 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld;

  • 3.

    Minister van EZK: Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  • 4.

    REES: Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966. Hierin staat de wijziging van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 in verband met specifieke regels voor de subsidiabiliteit van uitgaven. Ook bevat de regeling andere wijzigingen in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Europese territoriale samenwerking en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur.

  • 5.

    Programma EFRO 2021-2027: het programma als bedoeld in artikel 22 van de Verordening (EU) nr. 2021/1060. Dit programma is goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel Noord-Nederland.

  • 6.

    RIS3 2021-2027: Research & Innovation Strategy for Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de innovatiestrategie en vier transities voor Noord-Nederland voor de periode 2021- 2027 worden toegelicht;

  • 7.

    SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • 8.

    Noord-Nederland: de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen.

Naar boven