Blad gemeenschappelijke regeling van Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing | Blad gemeenschappelijke regeling 2022, 1207 | omgevingsvergunning |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing | Blad gemeenschappelijke regeling 2022, 1207 | omgevingsvergunning |
Toestemming voor het uitbreiden van de inrichting naar de overzijde van de Horsa en daarmee het verplaatsen van onder andere de melkontvangst aan de Spoardyk 21 te Workum
Op 7 april 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van FrieslandCampina Nederland B.V. Het betreft het uitbreiden van de inrichting naar de overzijde van de Horsa en daarmee het verplaatsen van onder andere de melkontvangst. De aanvraag heeft betrekking op de locatie aan de Spoardyk 21 in Workum. De aanvraag is geregistreerd onder het OLO-nummer 5639199.
De volgende activiteiten zijn aangevraagd:
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen aan FrieslandCampina Nederland B.V. een omgevingsvergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a (de activiteit bouwen) te verlenen voor het uitbreiden van de inrichting en het verplaatsen van de melkontvangst naar de overzijde van de Horsa en alle daar bij horende en aangevraagde activiteiten. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in de bijlage van dit besluit;
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, (2° het veranderen van een inrichting) te verlenen voor het uitbreiden van de inrichting en het verplaatsen van de melkontvangst naar de overzijde van de Horsa en alle daar bij horende en aangevraagde activiteiten. Voor de veranderende geluidssituatie trekken wij de voorschriften 8.1.1, 8.1.2, 8.2.1, 8.2.2 en 8.3.1 van de revisievergunning van 16 augustus 2011, kenmerk 00967340, in en vervangen deze door de voorschriften 4.1.1, 4.1.2, 4.1.3, 4.2.1 en 4.2.2 behorend bij dit besluit. Deze staan in de bijlage voorschriften milieu behorend bij dit besluit.
En tevens dat de volgende documenten deel uit maken van de omgevingsvergunning (*):
(*) Omdat de bovengenoemde bijlagen bij u bekend zijn, worden deze niet gewaarmerkt en niet met de beschikking
meegezonden. U kunt deze stukken eventueel ook raadplegen via Omgevingsloket online. De bovengenoemde bijlagen
kunnen ten opzichte van de ingediende stukken hernoemd zijn. Aanvragen en meldingen worden verwijderd uit Omgevingsloket online wanneer ze langer dan een jaar niet zijn gewijzigd. Wij adviseren u dan ook, voor uw eigen administratie, de stukken te downloaden van Omgevingsloket online.
De aanvraag omvat tevens een melding voor het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Op grond van het Activiteitenbesluit accepteren we de melding.
De inrichting waarvoor de melding is ingediend, is een type C inrichting op basis van het Activiteitenbesluit. De bedrijfsvoering moet voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van het Activiteitenbesluit.
De beschikking met bijbehorende stukken liggen vanaf 1 november 2021 ter inzage. Dit moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de beroepstermijn van zes weken. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de Rechtbank Noord-Nederland. De dag nadat de beroepstermijn is verstreken, treedt de beschikking in werking. Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Rechtbank Noord-Nederland. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
1.1.1 Definitieve constructieve berekeningen en (werk)tekeningen dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. In de praktijk blijkt dat de periode van drie weken kort is. Als de FUMO fouten ontdekt leidt dit al snel tot vertraging in de bouw. Wij raden u daarom aan om een periode van zes weken aan te houden. U mag pas bouwen als het bevoegd gezag (FUMO) de berekeningen en tekeningen heeft goedgekeurd;
1.1.2 Het (bouw)veiligheidsplan dient uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart;
1.1.3 De uitvoeringstekeningen van de trappen en vloerafscheidingen dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart;
1.1.4 De definitieve gegevens met betrekking tot de ventilatievoorzieningen, rookgas en verbrandingslucht dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart;
1.1.5 De definitieve gegevens (leidingplan en aansluitpunten) met betrekking tot de gas-, elektra- en waterleidingen (drinkwater en de warmwatervoorzieningen) dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart;
1.1.6 De checklist veilig onderhoud dient uiterlijk 3 weken voor aanvang tot ingebruikneming van het pand ingediend te worden;
1.1.7 De afstand van de betreffende bluswaterwinplaatsen/ opstelplaatsen voor de brandweer tot het open water mag maximaal 5 meter bedragen;
1.1.8 Bij de poortingang dient een sleutelbuis geplaatst te worden. Dit om het terrein op te komen en eventueel poorten voor de waterwinning te kunnen openen. Over de uitvoering van de sleutelbuis dient afgestemd te worden met de Brandweer Fryslân;
Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen voor de aanvang van elk van de hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:
Het bouwtoezicht dient ten minste drie dagen van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.
De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DHLEEUWARDEN of info@fumo.nl.
1.1.10 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen,
opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van de bouwverordening en het Bouwbesluit 2012 nodig acht.
1.1.11 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
De hierboven bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DHLEEUWARDEN of info@fumo.nl.
1.1.12 Verbod tot ingebruikneming
Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:
Voorschriften HANDELEN IN STRIJD MET EEN BESTEMMINGPLAN
2 Handelen IN strijd met een bestemmingplan
2.1 Handelen in strijd met een bestemmingsplan
2.1.1 Op de activiteit “handelen in strijd met een bestemmingsplan”, welke onderdeel uitmaakt van deze omgevingsvergunning, zijn geen voorschriften van toepassing.
Voorschriften uitweg maken of veranderen
3.1 Uitweg maken of veranderen
3.1.1 Wat moet u melden aan de gemeente?
U moet tenminste één week van te voren de start van de aanleg melden bij Domein Ruimte, thema wegen via het algemene telefoonnummer 14 0515. Als het werk klaar is meldt u dit op dezelfde dag aan de gemeente.
3.1.2 Intrekking omgevingsvergunning
Indien de vergunninghouder geen gebruikt maakt van de verleende omgevingsvergunning kan deze worden ingetrokken.
De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken wanneer:
Uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning wordt gecontroleerd of het bouwplan gerealiseerd dan wel in uitvoering is. Indien na deze periode van twee jaar het bouwplan niet gerealiseerd dan wel niet in uitvoering is, wordt overlegd met de vergunninghouder. Aan de vergunninghouder kan in dat geval het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning kenbaar worden gemaakt, wanneer het bouwplan niet binnen 3 jaar gerealiseerd wordt.
3.1.3 Hoe moet u de inrit laten uitvoeren?
Omdat de inrit op gemeentegrond ligt stelt de gemeente voorwaarden aan de uitvoering.
U moet de inrit laten aanleggen door een door de gemeente aangewezen aannemer. Met deze aannemers heeft de gemeente afspraken gemaakt over de uitvoering van inritten. De aannemers waarmee u een prijsafspraak over de aanleg van de inrit kunt maken zijn:
De aanleg- en onderhoudskosten moeten door u als aanvrager worden betaald.
4.1.1 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.
4.1.2 Binnen zes maanden na het in werking treden van deze beschikking moeten de in het rapport van het akoestisch onderzoek ‘FrieslandCampina in Workum, Project nieuwe melkontvangst + utilities, Geluidonderzoek – november 2020’, opgesteld door LBP Sight, kenmerk R085400ao.2077UXT.rvw, versie 02_003, van 13 november 2020, genoemde geluidbeperkende maatregelen uitgevoerd zijn. Dit betreffen de maatregelen 6, 7 en 8 uit paragraaf 5.1 van het rapport voor de bestaande installaties.
4.1.3 De nieuwe melkontvangst inclusief de utilities moet voldoen aan het gestelde in paragraaf 5.2 van het akoestisch onderzoek ‘FrieslandCampina in Workum, Project nieuwe melkontvangst + utilities, Geluidonderzoek – november 2020’, opgesteld door LBP Sight, kenmerk R085400ao.2077UXT.rvw, versie 02_003, van 13 november 2020.
4.1.4 Binnen 3 maanden nadat de melkontvangst op de huidge locatie niet meer in gebruik is en de nieuwe melkontvangst in gebruik is genomen, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.
4.2 Representatieve bedrijfssituatie
4.2.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op de tekening in bijlage 1 van het in voorschrift 2.1.2 genoemde rapport akoestisch onderzoek (bijlage 11 van de aanvraag). De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is 5 meter.
4.2.2 Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op de tekening in bijlage 1 van het in voorschrift 2.1.2 genoemde rapport akoestisch onderzoek (bijlage 11 van de aanvraag). De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is 5 meter.
Op 7 april 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van FrieslandCampina Nederland B.V. (hierna FrieslandCampina).
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: de inrichting wordt uitgebreid naar de overzijde van de Horsa. Hier wordt onder andere de nieuwe melkontvangst gerealiseerd, welke de huidige melkontvangst vervangt. De huidige melkontvangst wordt vervangen vanwege onder meer een onveilige situatie door de vervoersbewegingen. Een aantal activiteiten wordt wel voor het bouwdeel aangevraagd (fundering) maar niet voor het milieudeel. Dit betekent dat alleen de aangevraagde (bouw)activiteiten gerealiseerd mogen worden maar niet in gebruik mag worden genomen. Dit gaat onder andere over het aanleggen van de fundering van een aantal opslagtanks voor chemicaliën. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
1.3. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend:
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
|
a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft; c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130 kW. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten: a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer. |
|
|
Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag van polyesterhars en stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 10 m3. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor. |
|
|
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer. |
Op grond van categorie 4.4, onder c is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Daarnaast valt het bedrijf onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op basis van het Bor, bijlage I, onderdeel B, onder 1, onder a, is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I categorie 6.4.c van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Deze categorie betreft de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C categorie 9.3, onder a, van het Bor.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
Het aanhaken van de Wnb bij de Wabo is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. De aanvraag voor de Wnb is op 6 maart 2020 ingediend. Dit betekent dat de Wnb niet bij de Wabo-procedure aanhaakt.
1.7. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 2 juni 2021 in de gelegenheid gesteld om tot acht weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 17 juni 2021. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is met twee weken en twee dagen opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.
1.9. Advies en verklaring van geen bedenkingen
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de gemeente Súdwest-Fryslân, Brandweer Fryslân en het Wetterskip Fryslân verzonden.
Van de gemeente Súdwest-Fryslân hebben wij telefonisch een akkoord gekregen om middels een buitenplanse afwijking – kruimelgeval medewerking te verlenen aan het ingediende plan.
Tevens hebben wij via de mail een positief advies ontvangen m.b.t. de aan te leggen inritten.
Op 7 oktober 2021 hebben wij de zonetoetsing van de gemeente Súdwest-Fryslân ontvangen met kenmerk FUMO-Friesland Campina-Worku-21a. Dit is meegenomen in de behandeling van het onderdeel geluid.
Het advies van Brandweer Fryslân hebben wij per e-mail van 15 juli 2021 ontvangen en behandelen wij in de overwegingen.
Het Wetterskip Fryslân heeft ten tijde van het vooroverleg, per e-mail van 16 februari 2021 laten weten dat de lozing van afvalwater niet wijzigt ten opzichte van de huidige vergunde situatie. Alleen de locaties veranderen, niet de hoeveelheid of samenstelling van het afvalwater.
1.10. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 4 september 2021.
Van 6 september tot en met 18 oktober 2021 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.11. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
De pré-toets voor de toetsing aan de geluidszone uit de ontwerpvergunning is in dit besluit vervangen door de definitieve toetsing aan de geluidszone. Dit heeft voor het aspect geluid in de considerans en voor de voorschriften inhoudelijke wijzigingen opgeleverd. De voorschriften zijn aangepast aan de uitkomsten van de berekening van de aangevraagde situatie in het zonemodel.
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 23 augustus 2021 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand, mits er een (maskerende) overgang van complex naar omgeving (inbedding van het gehele complex) wordt bewerkstelligd (W21SWF134-2). Wij citeren uit het advies.
“De kritiek betreft het plan op zichzelf en in relatie tot de omgeving en is op het volgende gericht.
De landschappelijke inbedding.
Het complex zal rondom door een hekwerk omsloten worden. Het maskerende scherm ter plaatse van het toegangshek is nu voorgesteld als een scherm van klimop. Dit scherm biedt op zich een aanvaardbaar beeld.
Met dit scherm wordt echter ten dele een (maskerende) overgang van complex naar omgeving bewerkstelligd, waar de commissie in het vorige advies gevraagd heeft naar een inbedding van het gehele complex. Het ‘kale’ hekwerk schiet in die zin tekort.
Wij stellen voor de kritiek te ondervangen. Mogelijk kan de gevraagde inbedding in samenspraak met de gemeente en in samenhang met de voorgenomen herinrichting door de gemeente van het openbaar gebied (Parallelwei, Spoardyk) ontwikkeld worden.”
De gronden waarop de commissie beplanting verlangt om een (maskerende) overgang van complex naar omgeving bewerkstelligd, is in eigendom van de gemeente.
Reactie gemeente Súdwest-Fryslân:
Kortgezegd is tussen de gemeente en FrieslandCampina een overeenkomst gesloten waarmee in het werkgebied (Bijlage 2) op kosten van FrieslandCampina is gegarandeerd dat de openbare infrastructuur wordt aangepast en de beoogde landschappelijke inpassing in de openbare ruimte wordt gerealiseerd. De gemeente zelf zorgt voor de aanpassing van de openbare infrastructuur en de landschappelijke inpassing in het openbare gebied.
Daarnaast is in de toelichting van het wijzigingsplan “Workum – uitbreiding FrieslandCampina” hier aandacht aan besteed in paragraaf 6.8 (blz. 47 en 48), in Bijlage 11 Landschappelijke inpassing (blz. 535 t/m 546) én in Bijlage 15 (op blz. 590) inrichtingstekening met daar op de te rooien/gerooide en terug te planten bomen. Volgens de gemeente Súdwest-Fryslân wordt hiermee de eerdergenoemde kritiek van de commissie ondervangen en voldoet de aanvraag aan de redelijke eisen van welstand.
De gevraagde inbedding van de commissie is gewaarborgd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en FrieslandCampina. Deze inbedding zal, in samenhang met de voorgenomen herinrichting, door de gemeente van het openbaar gebied (Parallelwei, Spoardyk) ontwikkeld worden.
Op grond van voorgaande overwegingen zijn wij van mening dat het plan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning, zijn getoetst aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, mits aan de voorschriften zoals opgenomen in deze beschikking wordt voldaan.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de Bouwverordening van de gemeente Súdwest-Fryslân. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Wijzigingsplan Workum – uitbreiding FrieslandCampina”. De gronden zijn voorzien van de bestemming “Bedrijventerrein” met de functieaanduiding specifieke vorm van bedrijf – zuivelfabriek, algemene aanduidingsregels geluidzone – industrie + Groen (artikel 3, 4 en 6 van het bestemmingsplan).
In artikel 4 (Groen) van het bestemmingsplan “Wijzigingsplan Workum – uitbreiding FrieslandCampina”, is bepaald dat de regels in artikel 8 (groenvoorzieningen) van het bestemmingsplan “Workum - Bedrijventerrein Horsa en Burevaart”, zoals genoemd in lid 1.3, van toepassing zijn.
In artikel 8, lid B, onder 2 is bepaald dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5,00 meter zal bedragen.
De leidingbrug met een bouwhoogte van 10 meter past niet binnen het vigerend bestemmingsplan
door het overschrijden van de maximale bouwhoogte in de bestemming “Groen” (Groenvoorzieningen).
Gelet op het bovenstaande, is het bouwplan in strijd met regels van het geldende bestemmingsplan.
Tevens zijn de gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Workum - Bedrijventerrein Horsa en Burevaart”.
Vo orschriften uitweg maken of veranderen
3.1 Uitweg maken of veranderen
3.1.1 Wat moet u melden aan de gemeente?
U moet tenminste één week van te voren de start van de aanleg melden bij Domein Ruimte, thema wegen via het algemene telefoonnummer 14 0515. Als het werk klaar is meldt u dit op dezelfde dag aan de gemeente.
3.1.2 Intrekking omgevingsvergunning
Indien de vergunninghouder geen gebruikt maakt van de verleende omgevingsvergunning kan deze worden ingetrokken.
De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken wanneer:
Uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning wordt gecontroleerd of het bouwplan gerealiseerd dan wel in uitvoering is. Indien na deze periode van twee jaar het bouwplan niet gerealiseerd dan wel niet in uitvoering is, wordt overlegd met de vergunninghouder. Aan de vergunninghouder kan in dat geval het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning kenbaar worden gemaakt, wanneer het bouwplan niet binnen 3 jaar gerealiseerd wordt.
3.1.3 Hoe moet u de inrit laten uitvoeren?
Omdat de inrit op gemeentegrond ligt stelt de gemeente voorwaarden aan de uitvoering.
U moet de inrit laten aanleggen door een door de gemeente aangewezen aannemer. Met deze aannemers heeft de gemeente afspraken gemaakt over de uitvoering van inritten. De aannemers waarmee u een prijsafspraak over de aanleg van de inrit kunt maken zijn:
De aanleg- en onderhoudskosten moeten door u als aanvrager worden betaald.
4.1.1 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.
4.1.2 Binnen zes maanden na het in werking treden van deze beschikking moeten de in het rapport van het akoestisch onderzoek ‘FrieslandCampina in Workum, Project nieuwe melkontvangst + utilities, Geluidonderzoek – november 2020’, opgesteld door LBP Sight, kenmerk R085400ao.2077UXT.rvw, versie 02_003, van 13 november 2020, genoemde geluidbeperkende maatregelen uitgevoerd zijn. Dit betreffen de maatregelen 6, 7 en 8 uit paragraaf 5.1 van het rapport voor de bestaande installaties.
4.1.3 De nieuwe melkontvangst inclusief de utilities moet voldoen aan het gestelde in paragraaf 5.2 van het akoestisch onderzoek ‘FrieslandCampina in Workum, Project nieuwe melkontvangst + utilities, Geluidonderzoek – november 2020’, opgesteld door LBP Sight, kenmerk R085400ao.2077UXT.rvw, versie 02_003, van 13 november 2020.
4.1.4 Binnen 3 maanden nadat de melkontvangst op de huidge locatie niet meer in gebruik is en de nieuwe melkontvangst in gebruik is genomen, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.
4.2 Representatieve bedrijfssituatie
4.2.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op de tekening in bijlage 1 van het in voorschrift 2.1.2 genoemde rapport akoestisch onderzoek (bijlage 11 van de aanvraag). De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is 5 meter.
4.2.2 Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op de tekening in bijlage 1 van het in voorschrift 2.1.2 genoemde rapport akoestisch onderzoek (bijlage 11 van de aanvraag). De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is 5 meter.
Op 7 april 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van FrieslandCampina Nederland B.V. (hierna FrieslandCampina).
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: de inrichting wordt uitgebreid naar de overzijde van de Horsa. Hier wordt onder andere de nieuwe melkontvangst gerealiseerd, welke de huidige melkontvangst vervangt. De huidige melkontvangst wordt vervangen vanwege onder meer een onveilige situatie door de vervoersbewegingen. Een aantal activiteiten wordt wel voor het bouwdeel aangevraagd (fundering) maar niet voor het milieudeel. Dit betekent dat alleen de aangevraagde (bouw)activiteiten gerealiseerd mogen worden maar niet in gebruik mag worden genomen. Dit gaat onder andere over het aanleggen van de fundering van een aantal opslagtanks voor chemicaliën. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
1.3. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend:
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
|
a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft; c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130 kW. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten: a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer. |
|
|
Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag van polyesterhars en stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 10 m3. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor. |
|
|
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer. |
Op grond van categorie 4.4, onder c is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Daarnaast valt het bedrijf onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op basis van het Bor, bijlage I, onderdeel B, onder 1, onder a, is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I categorie 6.4.c van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Deze categorie betreft de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C categorie 9.3, onder a, van het Bor.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
Het aanhaken van de Wnb bij de Wabo is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. De aanvraag voor de Wnb is op 6 maart 2020 ingediend. Dit betekent dat de Wnb niet bij de Wabo-procedure aanhaakt.
1.7. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 2 juni 2021 in de gelegenheid gesteld om tot acht weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 17 juni 2021. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is met twee weken en twee dagen opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.
1.9. Advies en verklaring van geen bedenkingen
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de gemeente Súdwest-Fryslân, Brandweer Fryslân en het Wetterskip Fryslân verzonden.
Van de gemeente Súdwest-Fryslân hebben wij telefonisch een akkoord gekregen om middels een buitenplanse afwijking – kruimelgeval medewerking te verlenen aan het ingediende plan.
Tevens hebben wij via de mail een positief advies ontvangen m.b.t. de aan te leggen inritten.
Op 7 oktober 2021 hebben wij de zonetoetsing van de gemeente Súdwest-Fryslân ontvangen met kenmerk FUMO-Friesland Campina-Worku-21a. Dit is meegenomen in de behandeling van het onderdeel geluid.
Het advies van Brandweer Fryslân hebben wij per e-mail van 15 juli 2021 ontvangen en behandelen wij in de overwegingen.
Het Wetterskip Fryslân heeft ten tijde van het vooroverleg, per e-mail van 16 februari 2021 laten weten dat de lozing van afvalwater niet wijzigt ten opzichte van de huidige vergunde situatie. Alleen de locaties veranderen, niet de hoeveelheid of samenstelling van het afvalwater.
1.10. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 4 september 2021.
Van 6 september tot en met 18 oktober 2021 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.11. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
De pré-toets voor de toetsing aan de geluidszone uit de ontwerpvergunning is in dit besluit vervangen door de definitieve toetsing aan de geluidszone. Dit heeft voor het aspect geluid in de considerans en voor de voorschriften inhoudelijke wijzigingen opgeleverd. De voorschriften zijn aangepast aan de uitkomsten van de berekening van de aangevraagde situatie in het zonemodel.
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 23 augustus 2021 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand, mits er een (maskerende) overgang van complex naar omgeving (inbedding van het gehele complex) wordt bewerkstelligd (W21SWF134-2). Wij citeren uit het advies.
“De kritiek betreft het plan op zichzelf en in relatie tot de omgeving en is op het volgende gericht.
De landschappelijke inbedding.
Het complex zal rondom door een hekwerk omsloten worden. Het maskerende scherm ter plaatse van het toegangshek is nu voorgesteld als een scherm van klimop. Dit scherm biedt op zich een aanvaardbaar beeld.
Met dit scherm wordt echter ten dele een (maskerende) overgang van complex naar omgeving bewerkstelligd, waar de commissie in het vorige advies gevraagd heeft naar een inbedding van het gehele complex. Het ‘kale’ hekwerk schiet in die zin tekort.
Wij stellen voor de kritiek te ondervangen. Mogelijk kan de gevraagde inbedding in samenspraak met de gemeente en in samenhang met de voorgenomen herinrichting door de gemeente van het openbaar gebied (Parallelwei, Spoardyk) ontwikkeld worden.”
De gronden waarop de commissie beplanting verlangt om een (maskerende) overgang van complex naar omgeving bewerkstelligd, is in eigendom van de gemeente.
Reactie gemeente Súdwest-Fryslân:
Kortgezegd is tussen de gemeente en FrieslandCampina een overeenkomst gesloten waarmee in het werkgebied (Bijlage 2) op kosten van FrieslandCampina is gegarandeerd dat de openbare infrastructuur wordt aangepast en de beoogde landschappelijke inpassing in de openbare ruimte wordt gerealiseerd. De gemeente zelf zorgt voor de aanpassing van de openbare infrastructuur en de landschappelijke inpassing in het openbare gebied.
Daarnaast is in de toelichting van het wijzigingsplan “Workum – uitbreiding FrieslandCampina” hier aandacht aan besteed in paragraaf 6.8 (blz. 47 en 48), in Bijlage 11 Landschappelijke inpassing (blz. 535 t/m 546) én in Bijlage 15 (op blz. 590) inrichtingstekening met daar op de te rooien/gerooide en terug te planten bomen. Volgens de gemeente Súdwest-Fryslân wordt hiermee de eerdergenoemde kritiek van de commissie ondervangen en voldoet de aanvraag aan de redelijke eisen van welstand.
De gevraagde inbedding van de commissie is gewaarborgd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en FrieslandCampina. Deze inbedding zal, in samenhang met de voorgenomen herinrichting, door de gemeente van het openbaar gebied (Parallelwei, Spoardyk) ontwikkeld worden.
Op grond van voorgaande overwegingen zijn wij van mening dat het plan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning, zijn getoetst aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, mits aan de voorschriften zoals opgenomen in deze beschikking wordt voldaan.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de Bouwverordening van de gemeente Súdwest-Fryslân. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Wijzigingsplan Workum – uitbreiding FrieslandCampina”. De gronden zijn voorzien van de bestemming “Bedrijventerrein” met de functieaanduiding specifieke vorm van bedrijf – zuivelfabriek, algemene aanduidingsregels geluidzone – industrie + Groen (artikel 3, 4 en 6 van het bestemmingsplan).
In artikel 4 (Groen) van het bestemmingsplan “Wijzigingsplan Workum – uitbreiding FrieslandCampina”, is bepaald dat de regels in artikel 8 (groenvoorzieningen) van het bestemmingsplan “Workum - Bedrijventerrein Horsa en Burevaart”, zoals genoemd in lid 1.3, van toepassing zijn.
In artikel 8, lid B, onder 2 is bepaald dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5,00 meter zal bedragen.
De leidingbrug met een bouwhoogte van 10 meter past niet binnen het vigerend bestemmingsplan
door het overschrijden van de maximale bouwhoogte in de bestemming “Groen” (Groenvoorzieningen).
Gelet op het bovenstaande, is het bouwplan in strijd met regels van het geldende bestemmingsplan.
Tevens zijn de gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Workum - Bedrijventerrein Horsa en Burevaart”.
De gronden zijn voorzien van de bestemming “Bedrijventerrein” met aanduiding ‘klasse II’ en ‘zuivelfabriek toegestaan’ en “Water”. (artikel 3 en 12 van het bestemmingsplan).
In artikel 12, lid B, onder 2 is bepaald dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3,00 meter zal bedragen.
De leidingbrug met een bouwhoogte van 10 meter past niet binnen het vigerend bestemmingsplan
door het overschrijden van de maximale bouwhoogte in de bestemming “Water”.
Gelet op het bovenstaande, is het bouwplan in strijd met regels van het geldende bestemmingsplan.
In gevallen waarvoor afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, wordt de aanvraag omgevingsvergunning tevens aangemerkt als verzoek tot afwijking van het geldende bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo. De aanvraag omgevingsvergunning wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 (afwijking bestemmingsplan) niet mogelijk is.
Zie ook onderdeel: “handelen in strijd met het bestemmingsplan”.
2.2. Overige toetsing(en) en adviezen
Het bodemonderzoek bij uw aanvraag omgevingsvergunning is beoordeeld aan de hand van de wet- en regelgeving omtrent bodem.
De grond ter plaatse van perceel G40 blijkt plaatselijk sterk verontreinigd met lood. Het gehalte aan lood overschrijdt hier de interventiewaarde. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voor het overige deel van het perceel zijn licht tot matig verhoogde gehalten aan lood aangetoond. De grond wordt hier indicatief beoordeeld als bodemkwaliteitsklasse wonen en industrie.
3. TOETSINGSKADER Handelen in strijd met een bestemmingsplan
De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo), is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Op grond van het artikel 2.10, tweede lid van de Wabo, is een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die in strijd is met het geldende bestemmingsplan, ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo). De aanvraag omgevingsvergunning kan slechts worden geweigerd indien vergunningverlening voor afwijking van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Gelet op het voorgaande genoemd onder 2 (Toetsingskader Bouwen) onder het onderdeel “bestemmingsplan" is het bouwplan in strijd met de regels van de geldende bestemmingsplannen.
Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:
Ad. a. Toetsing binnenplanse afwijking
Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de geconstateerde strijdigheid.
Ad. b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval
Op grond van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo, samen met artikel 4, lid 3 van bijlage II van het Bor, kan medewerking worden verleend aan een buitenplanse afwijking – kruimelgeval voor de leidingbrug.
Ad. c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit
Aan een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) wordt niet toegekomen, omdat een buitenplanse afwijking - kruimelgeval tot de procedurele mogelijkheden behoort.
Afwijking van het bestemmingsplan is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om de navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening. Wij zijn van mening dat het afwijken van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het afwegingskader vanuit het bestemmingsplan. Onze motivering daarvoor is hierna beschreven.
Planologisch afwijkingenbeleid
Het college van burgemeester en wethouders heeft op 14 mei 2019 het “Planologisch afwijkingenbeleid” vastgesteld. In deze beleidsnotitie zijn regels opgenomen voor de wijze waarop binnen de gemeente Súdwest-Fryslân planologisch mag worden afgeweken. Het zijn de afwijkingsmogelijkheden die de wetgever het college heeft gegeven op grond van de zogenaamde ‘kruimellijst’. Deze regeling is neergelegd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Wij hebben aan de hand van ons beleid beoordeeld of we voor uw plan kunnen afwijken van deze regels. In artikel 3.7 van het “Planologisch afwijkingenbeleid staat het volgende vermeld:
“artikel 4 lid 3 Bor biedt de mogelijkheid om aan het plaatsen/realiseren van bouwwerken, geen
gebouw zijnde, met een oppervlakte van maximaal 50 m2 en een hoogte van maximaal 10 meter
medewerking te verlenen. Per concreet geval zal worden beoordeeld of de plaatsing van het
betreffende bouwwerk vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.”
3.7.1. Bouwwerken geen gebouw zijnde (algemeen)
In deze categorie vallen onder andere overkappingen, lichtmasten, paardenbakken,
erfafscheidingen en soortgelijke constructies. Voor overkapping dient aangesloten te worden bij de regels voor bijbehorende bouwwerken. Voor erfafscheidingen zijn in paragraaf 3.7.2 specifieke regels opgenomen.
Wij zijn van mening dat aan bovenstaande criteria wordt voldaan. Onze motivering daarvoor is hierna beschreven.
Ad. 1. Het betreft hier een leidingbrug. Een leidingbrug wordt aangemerkt als een bouwwerken geen gebouw zijnde. De leidingbrug boven de bestemming water en groen heeft een oppervlakte
van minder dan 50 m2 en is 10 meter hoog. Er wordt voldaan aan de voorwaarde.
Ad. 2. Het bouwplan voldoet aan de mogelijkheden voor afwijking van het bestemmingsplan. In de
bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing is dit voldoende aangetoond.
Het plan voldoet aan de regels van het afwijkingenbeleid en er kan dus medewerking worden verleend middels een buitenplanse afwijking - kruimelgeval.
Het plan voldoet aan de regels van het afwijkingenbeleid en er kan dus medewerking worden verleend middels een buitenplanse afwijking - kruimelgeval.
4. TOETSINGSKADER Uitweg maken of veranderen
De aanvraag omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg (als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.18 van de Wabo en de voorwaarden genoemd in artikel 2:12, lid 3 van de van de Algemene Plaatselijke Verordening Súdwest-Fryslân.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
Op grond van artikel 2:12 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening kan een omgevingsvergunning geweigerd worden als door de aanleg:
Ad. 1. Door het aanleggen van de inritten / uitwegen komt het verkeer op de weg niet in gevaar. Het betreft een weg binnen de bebouwde kom (50 km/u). De inritten / uitwegen worden ruim opgezet, zodat het verkeer dat vanaf het terrein komt en de openbare weg op wil rijden een goed overzicht heeft. Zodoende kan men het eventuele verkeer op de rijbaan (weg) duidelijk zien aankomen. Vanuit het aspect verkeer is er dan ook geen bezwaar tegen het plan;
Ad. 2. Ter plaatse van de nieuwe inritten / uitwegen zijn geen openbare parkeerplaats aanwezig.
Vanuit het aspect verkeer is er dan ook geen bezwaar tegen het plan;
Ad. 3. Door het aanbrengen van de inritten / uitwegen wordt het openbaar groen niet op een
onaanvaardbare wijze aangetast. Vanuit het aspect (openbaar) groen is er dan ook geen
bezwaar tegen het plan. Zie ook ad. 4 (m.b.t. de te maken afspraken);
Ad. 4. De huidige inrit is amper als inrit te beschouwen en alleen bedoeld voor landbouwvoertuigen en
betreft een onverharde dam. Er is voor het perceel dan ook nog geen verharde inrit / uitweg aanwezig. Voor een goede bedrijfsvoering zijn er twee inritten noodzakelijk. Deze twee inritten / uitwegen gaan niet ten koste van een openbare parkeerplaats. Het openbaar groen wordt niet op een onaanvaardbare wijze aangetast. Met de gemeente Súdwest-Fryslân worden nog nadere afspraken gemaakt over de financiering van de nieuw te planten bomen in de integrale aanpak van de omgeving. Vanuit de aspecten verkeer en groen is er dan ook geen bezwaar tegen het plan.
Het plan voldoet aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening en er kan dus medewerking worden verleend.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, 2°, van de Wabo.
5.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
De in de vergunning aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten waterbesparing, afvalpreventie, verkeer en vervoer, geur en bedrijfsafvalwater. De gevraagde wijzigingen betreffen verplaatsingen/vervanging van bestaande activiteiten op de huidige locatie. Deze aspecten veranderen niet ten opzichte van de huidige situatie door het verplaatsen naar de locatie aan de overzijde van de Horsa. Deze aspecten zijn voldoende geregeld in de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften bij de revisievergunning, kenmerk 967340, van 16 augustus 2011.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.
Binnen de gevraagde wijzigingen vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
5.3.1. Melding Activiteitenbesluit
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. Wij beschouwen de aanvraag als melding in het kader van het Activiteitenbesluit.
De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
6. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de
inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:
De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
6.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 6.4, onder c. Dit betreft de bewerking en verwerking van uitsluitend melk ,met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 2000 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT
Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
BREF Voedingsmiddelen, dranken en zuivel
Deze verticale BREF behandelt processen en activiteiten die bedoeld zijn voor de productie van voedingsmiddelen afkomstig van dierlijke materialen, plantaardige materialen en melk.
Deze BREF geeft aan dat deze sectoren te maken hebben met voedselveiligheid en dat dit invloed heeft op milieuaspecten. In de BREF zijn BBT opgesteld die niet in tegenspraak zijn met voedselveiligheid en hygiëne.
De belangrijkste milieuaspecten voor deze sectoren zijn waterverbruik en –verontreiniging, energieverbruik en afval. In de BREF zijn BBT opgenomen voor de gehele voedingsmiddelen- en zuivelindustrie en daarnaast zijn nog aanvullende BBT opgenomen voor enkele individuele sectoren.
Bij de aanvraag is in bijlage B4 een tabel gevoegd met daarin opgenomen de verschillende van toepassing zijnde BBT.
In de tabel geeft FrieslandCampina aan een milieumanagementsysteem te hebben, maar dit is niet gecertificeerd zoals voorgeschreven is in de onderliggende revisievergunning. In de BREF worden geen eisen aan certificering. Het systeem zal alsnog op basis van de onderliggende vergunning gecertificeerd moeten worden.
Voor het onderdeel geluid zijn voorschriften opgenomen.
De inrichting voldoet met deze voorschriften aan de BREF.
BREF Op- en overslag bulkgoederen
Deze horizontale BREF gaat in op alle soorten opslag. Voor een aantal activiteiten binnen de inrichting is deze BREF van toepassing: de opslag van melk en hulpstoffen.
In de tabel in bijlage B4 heeft FrieslandCampina aangegeven dat op de locatie aan de overzijde van der Horsa geen gevaarlijke of brandbare stoffen worden opgeslagen.
Daarnaast beschikt de inrichting over een bedrijfsnoodplan (ook voor milieu-incidenten) en een onderhouds- en inspectieplan. Gelet op het bovenstaande, wordt voldaan aan de BBT uit de BREF Op- en overslag van bulkgoederen.
Deze horizontale BREF heeft betrekking op energie-efficiëntie. De installaties binnen de inrichting moeten op zodanige wijze gebuikt worden dat de energie op efficiënte wijze wordt benut. Door de EED-verplichting en de toegepaste technieken, zijn de BBT toegepast in overeenstemming met de BREF Energie-efficiëntie.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
De voorgenomen activiteit valt onder categorie 36 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Categorie 36 betreft de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek waarbij de activiteit betrekking heeft op en productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer.
Op grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 31 augustus 2020 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldingsnotitie (Wet milieubeheer, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 6 oktober 2020 het besluit, met kenmerk 2020-FUMO-0044526, genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit hebben wij op 10 oktober 2020 bekend gemaakt. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
Uit bijlage B9 ‘Bodemrisicoanalyse FrieslandCampina Workum’, opgesteld door TAUW bv, projectnummer 1271699, van 6 april 2021, blijkt dat FrieslandCampina voldoende maatregelen en voorzieningen treft om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen zoals bedoeld in de NRB 2012.
Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke (geplande) activiteiten en de daar gebruikte stoffen.
Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.
Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Het onderzoek moet worden uitgevoerd conform protocol NEN 5740. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
Voor de uitbreiding van de inrichting zijn zoals in de aanvraag staat vermeld bodemonderzoeken uitgevoerd:
Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de grond ter plaatse van perceel G40 plaatselijk sterk verontreinigd is met lood. Het gehalte aan lood overschrijdt hier de interventiewaarde. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voor het overige deel van het perceel zijn licht tot matig verhoogde gehalten aan lood aangetoond. De grond wordt hier indicatief beoordeeld als bodemkwaliteitsklasse wonen en industrie.
Bij toekomstig grondverzet op perceel G40 moet hier rekening mee gehouden worden. De onderzoeken voldoen als nulsituatieonderzoek voor de gevraagde wijziging. In het kader van grondverzet ter plaatse van het geval van ernstige bodemverontreiniging moet vooraf een BUS-melding of een (deel)saneringsplan ter goedkeuring ingediend worden bij het bevoegd gezag.
De Europese Unie heeft een systeem van CO2-emissiehandel (ETS) ingevoerd dat bepaalde energie-intensieve inrichtingen met een aanzienlijke CO2-uitstoot verplicht CO2 rechten te kopen en de mogelijkheid geeft het teveel aan rechten eventueel te verkopen. De vergunninghouder is verplicht om aan CO2-emissiehandel deel te nemen.
Artikel 5.12 van het Besluit omgevingsrecht verbiedt het bevoegd gezag om voor deze installaties voorschriften te verbinden aan de vergunning ter bevordering van een zuinig gebruik van energie. Daarom wordt voor de inrichting geen voorschriften voor energie opgenomen.
De gevraagde activiteiten zijn geen nieuwe activiteiten, maar verplaatsingen van de huidige locatie naar de nieuwe locatie. De vloeistoffen (melk, maar ook afvalwater, etc.) worden via de leidingbrug over de Horsa van en naar de bestaande locatie verpompt. Hierdoor neemt de te overbruggen afstand ten opzichte van de huidige situatie toe. Het energieverbruik neemt daardoor ook toe. Deze toename wordt nagenoeg gecompenseerd door het lagere energieverbruik van de nieuwe CIP-pompen (cleaning in place) en de toe te passen verbeterde isolatie.
FrieslandCampina is van plan in de toekomst op de nieuwe locatie de nieuwe ijswaterinstallatie te voorzien van wartmtepompen om de condensatiewarmte te benutten voor het productieproces. Hiermee zal energie bespaard worden. In de aanvraag is alleen de locatie en het gebouw opgenomen (alleen bouwkundig). De ijswaterinstallatie wordt in een later stadium aangevraagd en maakt daarom geen onderdeel uit van deze vergunning.
Binnen de inrichting zijn gevaarlijke stoffen aanwezig. In de toekomst is het de bedoeling om de opslag van een aantal van deze gevaarlijke stoffen te verplaatsen naar de nieuwe locatie. Op dit moment wordt voor deze opslagtanks alleen voor de fundering (bouwdeel) meegenomen in deze vergunning. De opslagtanks maken daarom geen deel uit van het milieudeel van deze vergunning.
In de toekomst wordt de ijswaterinstallatie naar de nieuwe locatie verplaatst. Ook daarvoor geldt dat het gebouw wel bouwkundig is meegenomen in deze vergunning, maar dat de ijswaterinstallatie zelf niet aangevraagd is en dus geen deel uitmaakt van deze vergunning.
Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voornoemde situaties zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen.
10.3. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)
Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor.
Op de nieuwe locatie komt geen PGS 15-opslagkast. Wel komt er een werkkast voor schoonmaakmiddelen voor huishoudelijk gebruik. Dit betreft de werkvoorraad. In de onderliggende revisievergunning is de PGS 15 voorgeschreven.
Op de nieuwe locatie komt ook de installatie voor het reinigen van de melkontvangst (cleaning in place). Deze installatie betreft geen opslag. Hiervoor worden geen voorschriften opgenomen.
Op de nieuwe locatie wordt in de aanvraag verder geen opslag van (gevaarlijke) stoffen aangevraagd.
Brandweer Fryslân heeft in het advies van 15 juli 2021 aan ons het volgende opgenomen:
In voorliggende aanvraag worden een aantal zaken alleen bouwkundig aangevraagd, zodat de fundering al aangebracht kan worden van het totale bouwproject. Dit heeft met name betrekking op de chemicaliëntanks en het energiegebouw. Ook zullen de melkopslagtanks in fases geplaatst worden. De opslag en toepassing van de chemicaliën en installaties in het energiegebouw (o.a. ijswater-/ ammoniakkoelinstallatie) zullen in de toekomst middels een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning worden meegenomen. De chemie voor de CIP-installatie zal in eerste instantie nog vanuit de huidige fabriek worden aangevoerd met leidingwerk via de nieuwe leidingbrug. Vanwege de huidige ammoniakkoelinstallaties valt de inrichting onder het Bevi.
Brandweer Fryslân adviseert om de Brzo-drempel te borgen in de vergunning waarbij specifiek aandacht te hebben voor de totale hoeveelheid salpeterzuur (ook in de tankwagen) en ammoniak. Waarbij ook rekening gehouden moet worden met de toekomstige ammoniakkoelinstallatie. Bij voorliggende aanvraag is m.b.t. de Brzo-beoordeling alleen de beschreven notitie gevoegd. Een voorgaande versie van voornoemde toelichting van FrieslandCampina, met daarin o.a. de inhoud van de opslagtank voor salpeterzuur van 25 m3, is niet bijgevoegd. Wel is in de ontvangen projecttoelichting een insluitsysteem van 25.000 liter voor de opslag van salpeterzuur (60%) beschreven. Verder valt op dat de hoeveelheid watervrije ammoniak in de nieuwe notitie is verhoogd naar 7,59 ton (was 4,79 ton) en dat de hoeveelheid salpeterzuur gelijk blijft. Voor ons is onduidelijk of de verhoogde hoeveelheid ammoniak te maken heeft met de toekomstige ammoniakkoelinstallatie, dit omdat in de aanvraag juist is beschreven dat het energieproject een toekomstige ontwikkeling betreft.
Wij zijn het met Brandweer Fryslân eens dat de Brzo-drempel geborgd moet worden. Dit vindt plaats in een aparte procedure. De huidige aanvraag betreft geen wijziging van de opslag van chemicaliën en daarmee ook geen wijziging in de beoordeling voor het Brzo. Op de locatie van de uitbreiding worden wel voorbereidingen getroffen voor nieuwe opslagtanks voor onder andere salpeterzuur en een nieuwe ammoniakkoelinstallatie. Omdat de installatie zelf en daarmee de gevaarlijke stoffen ook geen onderdeel uitmaken van de aanvraag, valt dit deel buiten de scope van deze vergunning.
Op de bouwkundige tekeningen van het energie-gebouw is in een aantal ruimten van zowel de begane grond, 1e en 2e verdieping reeds ‘PGS 13’ aangegeven. Het advies is om er rekening mee te houden dat installatietechnische maatregelen mogelijk van toepassing zijn, afhankelijk van onder andere de hoeveelheid ammoniak. Vanuit PGS 13:2020, versie 0.2 (april 2020), is op basis van maatregel 75 de hoeveelheid toe- en afgevoerde lucht (volumestroom) van het (nood)ventilatiesysteem bijvoorbeeld afhankelijk van de hoeveelheid ammoniak (in kg) in de installatie(s).
Dit advies van Brandweer Fryslân valt buiten de scope van de vergunning en beschouwen wij op dit moment als advies aan de aanvrager.
In de aanvraag is beschreven dat in de toekomst opslag van salpeterzuur, natronloog en reinigingsvloeistof plaats zal vinden in de daarvoor bedoelde tanks (o.b.v. PGS 31). De basis van deze tanks is aangevraagd. Het opslaan, gebruik en vullen met chemicaliën is niet opgenomen in deze aanvraag. In relatie tot de voorliggende aanvraag heeft Brandweer Fryslân op dit moment dan ook geen opmerkingen met betrekking tot gevaarlijke stoffen, anders dan bovengenoemde opmerkingen met betrekking tot de PGS 13.
Langs de Spoardyk, zuidwestelijk van het nieuwe terrein, nabij de Lutswei is een brandkraan aanwezig. Deze brandkraan ligt op een te grote afstand van de bebouwing op het nieuwe terrein. Aan de Parallelwei zijn ter hoogte van het plangebied geen brandkranen aanwezig. In afstemming met Brandweer Fryslân is op twee plekken op het nieuwe terrein voorzien in een opstelplaats voor de brandweer waarmee de brandweer vanaf open water bluswater kan onttrekken. Voor grootschalige calamiteiten, zoals een defensieve buiteninzet, zal gebruik gemaakt worden van het open water uit De Horsa middels het grootschalig watertransport.
Voor het opbouwen van het grootschalig watertransport is van belang dat de brandweeropstelplaats met de minimale afmetingen van 10 x 4 meter langs het water nabij gebouw G (kantoorfunctie) van FC behouden wordt. Wij adviseren om dit te borgen in de uiteindelijke vergunning.
Het advies om de opstelplaats voor het grootschalig watertransport te borgen in de vergunning kunnen wij niet overnemen. De ligging van de opstelplaats valt buiten de reikwijdte van deze vergunning. FrieslandCampina heeft in de notitie van de aanvullende gegevens aangeven dat de bestaande opstelplaats voor grootschalig watergebruik op de huidige locatie behouden blijft.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport ‘FrieslandCampina in Workum, Project nieuwe melkontvangst + utilities, Geluidonderzoek – november 2020’, opgesteld door LBP Sight, kenmerk R085400ao.2077UXT.rvw, versie 02_003, van 13 november 2020.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt, inclusief de uitbreiding. Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
11.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein Horsa in de gemeente Súdwest-Fryslân.
De geluidzone is op 13 juli 2021, in het Wijzigingsplan Workum – Uitbreiding FrieslandCampina vastgesteld door het college van Burgemeester en wethouders.
Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).
Van de zonebeheerder (gemeente Súdwest-Fryslân) ontvingen wij de zonetoets op basis van het bestemmingsplan. De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.
Wij hebben de geluidssituatie vastgelegd in de voorschriften. Het akoestisch onderzoek is opgesteld voor de gehele inrichting. Daarom hebben wij besloten om de geluidsvoorschriften uit de onderliggende revisievergunning in te trekken en te vervangen voor nieuwe voor de gehele inrichting geldende voorschriften. De algemene geluidsvoorschriften 4.1.1, 4.1.2, 4.1.3, 4.1.4 en het voorschrift 4.2.1 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vervangen de voorschriften uit 8.1.1, 8.1.2, 8.2.1 en 8.3.1 uit de onderliggende revisievergunning van 16 augustus 2011.
In het ontwerpbesluit zijn de uitkomsten van het akoestisch onderzoek als normstelling opgenomen. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek wijken op sommige punten iets af van de uitkomsten van de berekening van de aangevraagde situatie in het zonemodel. Op enkele vergunningpunten zijn de waarden ten opzichte van het ontwerpbesluit verhoogd en op enkele punten verlaagd. Deze wijzigingen komen door het invoeren van de aangevraagde situatie in het rekenmodel, maar komen overeen met de aangevraagde situatie. In de voorschriften gaan wij uit van de resultaten van het zonemodel.
11.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Voor woningen die zijn gelegen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt, indien relevant, de standaard systematiek zoals gehanteerd bij de vergunningverlening toegepast. Voor de maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de beleidslijn, dat de geluidsgrenswaarde voor de maximale geluidsniveaus in de regel niet meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komt te liggen. In de Handreiking wordt aangegeven dat als ondergrens een waarde van 50, 45 en 40 dB(A) kan worden aangehouden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In sommige gevallen kan van deze beleidslijn gemotiveerd worden afgeweken. Wanneer niet aan de grenswaarden voldaan kan worden, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus worden vergund. Hierbij wordt aanbevolen om de maximale geluidsniveaus niet hoger te laten zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het geval er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidsniveau te beperken, zou los van de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode, deze met ten hoogste 5 dB(A) mogen worden overschreden voor bepaalde nader omschreven bedrijfssituaties.
Bij een bedrijf dat is gelegen op grote afstand van woningen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt een voorschrift voor de maximale geluidsniveaus niet nodig of gewenst geacht.
De vergunningpunten VPR-001 en VPR-031 liggen nabij de woningen. Er wordt ter plaatse van deze vergunningpunten ruimschoots voldaan aan de richtwaarde van 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In de dagperiode zijn op beide vergunningpunten piekgeluidniveaus bepaald die lager liggen dan de ondergrens van de Handreiking. In de avondperiode is het piekgeluidniveau op vergunningpunt VPR-031 ook lager dan de ondergrens van de Handreiking. Wij achten de waarden voor het maximale geluidsniveau vergunbaar. In de voorschriften zijn de berekende waarden voor het piekgeluidsniveau vergund, waarbij geen lagere normen zijn opgenomen dan de ondergrens voor het piekgeluidsniveau (LAmax) van 50/45/40 dB(A), zoals in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening is opgenomen.
De maximale geluidsniveaus hebben wij in een voorschrift vastgelegd. Ook het maximale geluidsniveau is berekend voor de gehele inrichting, daarom hebben wij besloten om ook dit voorschrift uit de onderliggende revisievergunning te vervangen door een voor de gehele inrichting geldend, nieuw voorschrift. Dit voorschrift 4.2.2 vervangt het voorschrift 8.2.2 uit de revisievergunning van 16 augustus 2011 en geldt voor de gehele inrichting.
Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieu hygiënisch aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.
Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met het uitvoeren van die maatregelen en voorzieningen. Voor zover het de nog te treffen maatregelen betreft, zijn ten aanzien van de uitvoering van die maatregelen in de vergunning voorschriften opgenomen.
Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen of op de zonegrens worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn, behalve de genoemde grenswaarden, controlewaarden vastgelegd op controlepunten gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de gevraagde wijziging. Dit betreft alleen emissies vanuit vervoersbewegingen.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). Voor het totale gehalte in de PM10 fractie zijn richtwaarden opgenomen.
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag ‘Luchtkwaliteitsonderzoek FrieslandCampina Workum – verplaatsing melkontvangst’, opgesteld door TAUW b.v., projectnummer 1271699, van 16 november 2020.
Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Op basis van het luchtkwaliteitsonderzoek concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor NOx, PM 2,5 en PM10.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning verleend kan worden.
In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2022-1207.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.