ARTIKEL I
De Regeling Wfsv wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2.2 komt te luiden:
Artikel 2.2. Partnerbegrip voor vaststelling premie-inkomen
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv wordt verstaan onder partner:
degene, die partner is in de zin van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
en artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en degene, die gelet op artikel
1.2, vierde lid, onderdeel b, van de laatstgenoemde wet geen keuze voor behandeling
als binnenlandse belastingplichtige heeft gedaan of heeft kunnen doen.
B
Onderdeel b van artikel 2.3 komt te luiden:
C
Artikel 2.4 komt te luiden:
Artikel 2.4. Premie-inkomen bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig
is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen geen hoger
bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan
waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen
Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere
mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling,
is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen
bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.
D
Na artikel 2.6 wordt een nieuw artikel ingevoegd:
Artikel 2.6a. Heffingskorting bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar anders dan
door overlijden niet premieplichtig is, wordt de heffingskorting, bedoeld in artikel
12, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wfsv, tijdsevenredig verminderd naar
rato van de periode van premieplicht in het kalenderjaar.
E
In artikel 2.7 wordt ‘het heffingspercentage of het premie-inkomen’ vervangen door:
het premie-inkomen, het heffingspercentage of de heffingskorting.
F
In artikel 3.3, tweede lid, vervalt de zinsnede ‘en blijft bij de berekening van het
loon waarnaar de premie op grond van afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wfsv wordt
geheven de aanvulling buiten aanmerking voorzover de uitkering minder bedraagt dan
het bedrag, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wfsv’.
G
In artikel 3.4 wordt ‘17, eerste en tweede lid’ vervangen door: 17, eerste lid.
H
In Hoofdstuk 3, Afdeling 1, vervalt paragraaf 3.
I
In Hoofdstuk 3, Afdeling 2, worden de artikelen 3.4b en 3.4c genummerd 3.4a en 3.4b.
J
In artikel 3.13, derde lid, wordt in onderdeel a ‘correspondentienummer’ vervangen
door ‘burgerservicenummer of het onderwijsnummer’ en in onderdeel c, ‘registratienummer’
vervangen door: burgerservicenummer en bij het ontbreken daarvan het sociaal-fiscaal
nummer.
K
Het opschrift van Afdeling 5 van Hoofdstuk 3 komt te luiden:
AFDELING 5. BONUSSEN IN DE VORM VAN PREMIEKORTINGEN
L
In de artikelen 3.20, eerste lid, 3.21, eerste lid, en 3.22, eerste lid, wordt ‘artikel
47, eerste lid,’ vervangen door: artikel 47, eerste of tweede lid,.
N
Artikel 3.24 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘47, eerste lid en derde lid, en 122b, eerste lid,’ vervangen
door: 48 en 50.
2. In het tweede lid wordt ‘artikel 48’vervangen door: artikel 48 en 50 .
O
In artikel 3.24a wordt ‘47, eerste en derde lid, en 49, eerste lid, ‘ vervangen door:
47, eerste of tweede lid, en 49, eerste of tweede lid,.
P
Artikel 3.25, tweede lid, komt te luiden:
ARTIKEL II
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
TOELICHTING
Algemeen
In deze regeling zijn wijzigingen opgenomen van de Regeling Wfsv, die voortvloeien
uit het Begrotingsakkoord 2013. Enerzijds bleek nadere regeling noodzakelijk in verband
met vaststelling van het premie-inkomen en de heffingskortingen voor de bepaling van
de premie voor de volksverzekeringen ingeval premieplichtigen niet gedurende het hele
jaar in Nederland voor de volksverzekeringen verzekerd zijn. De wijzigingen in Hoofdstuk
2 van de Regeling Wfsv hebben hierop mede betrekking. Anderzijds heeft dit akkoord
geleid tot wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) waarbij
bonussen voor werkgevers voor het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden
en arbeidsgehandicapten zijn geïntroduceerd, waarbij is aangesloten bij de bestaande
premiekortingen (Wet van 12 juli 2013, Stb. 323). Hierbij zijn de regelingen voor de premiekortingen oudere en arbeidsgehandicapte
werknemers aangepast en ook beter op elkaar afgestemd. Dit vertaalt zich ook naar
de bepalingen in afdeling 5 van Hoofdstuk 3 van de Regeling Wfsv.
Verder zijn in verband met de inwerkingtreding van de Wet uniformering loonbegrip
en de daarvoor noodzakelijk afstemming van de bepalingen in en op grond van de Wfsv
die bij of krachtens de Zorgverzekeringswet nog enkele wijzigingen aangebracht in
Afdeling 1 van Hoofdstuk 3 en is een technische wijziging opgenomen in verband met
gebruik van het burgerservicenummer als algemeen persoonsgebonden nummer ook in de
onderwijssector. Ook is de Regeling Wfsv nog aangepast aan een wijziging in de Wet
inkomstenbelasting 2001 in de regeling van het partnerbegrip.
Premie-inkomen en heffingskorting bij gedeelte van het jaar premieplichtig
Op dit moment zijn er drie methoden van berekening van de premie voor de volksverzekeringen
voor personen die niet gedurende een geheel kalenderjaar verzekerd zijn geweest. Deze
zijn neergelegd in de artikelen 2.4, eerste en tweede lid, en in artikel 2.5 van de
Regeling Wfsv. Op grond van artikel 2.4, eerste lid wordt het premieplichtig inkomen,
dat wil zeggen het inkomen dat in Nederland onder de premieheffing voor de volksverzekeringen
valt, indien iemand gedurende een periode wel belastingplichtig maar niet premieplichtig
is geweest, bij aanslag zodanig vastgesteld, dat de premie wordt geheven over een
deel van het premieplichtig loon (inkomen) naar verhouding van de periode dat het
inkomen in Nederland onder de premieheffing valt. Dit kan tot ongelijke behandeling
leiden tussen inwoners en niet-inwoners van Nederland. Dit is ook in jurisprudentie
vastgesteld (Hof 's Hertogenbosch, LJB: BN5566). Om die reden is er voor gekozen voor
de premieheffing uit te gaan van het wereldinkomen (van box 1), dat gedurende de Nederlandse
verzekeringsplicht wordt verdiend. Dit is de aftrekregel, die al was opgenomen in
artikel 2.4, tweede lid, van de Regeling Wfsv. Het wereldinkomen over het gehele jaar
wordt op grond van deze regel verminderd met het wereldinkomen over de periode waarin
betrokkene in Nederland niet premieplichtig is. Deze regel gaat voor alle verzekerden
gelden die een deel van het jaar in Nederland onder de premieheffing vallen, dus ook
indien men in de periode waarin men niet premieplichtig was ook niet belastingplichtig
was.
Daarnaast wordt een regeling voor de heffingskortingen opgenomen. Die houdt in dat
het recht op het deel van de heffingskortingen dat betrekking heeft op de volksverzekeringen
wordt beperkt naar rato van de periode dat deze personen in Nederland voor de volksverzekeringen
verzekerd zijn. Het betreft met name premieplichtigen die in het buitenland wonen
en slechts gedurende een deel van het jaar in Nederland aan de premieheffing zijn
onderworpen en inwoners van Nederland die een deel van het jaar in het buitenland
verzekerd zijn omdat zij in het buitenland arbeid verrichten.
Onderdeelsgewijze toelichting
Onderdeel A
Artikel 2.2 over het partnerbegrip is aangepast aan de wijziging van de omschrijving
van het partnerbegrip voor de heffing van de inkomstenbelasting. In artikel 5a van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen is in algemene zin aangegeven wie als partner
wordt aangemerkt. In aanvulling daarop bevat de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB)
in artikel 1.2 nog nadere bepalingen. Die artikelen worden in artikel 2.2 van de Regeling
Wfsv van toepassing voor de bepaling van het premie-inkomen voor de heffing van de
premies volksverzekeringen. Verder is in het nieuwe artikel 2.2 de onjuiste verwijzing
naar artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, van de Wet IB aangepast. Het gaat om artikel
1.2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB. Het tweede lid van artikel 2.2 kan vervallen,
omdat de mogelijkheid om te kiezen voor partnerschap voor de belastingheffing niet
meer bestaat.
Onderdeel B
Artikel 2.3, onderdeel b, dat gaat over uitzonderingen op het premie-inkomen voor
de heffing van de volksverzekeringen is technisch aangepast, zodat tot uitdrukking
wordt gebracht, dat het bij het niet meenemen van inkomen van een persoon, die verzekerd
is voor de volksverzekeringen maar die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht
buiten het Europese deel van Nederland om drie omstandigheden gaat, waarbij het inkomen
niet in de heffing wordt meegenomen:
-
1. Het gedeelte van het inkomen dat onderhevig is aan heffing van premie op grond van
een regeling voor uitkeringen bij ouderdom en overlijden die geldt voor de BES-eilanden
(de Wet algemene ouderdomsverzekering BES en de Wet weduwen- en wezenverzekering BES);
-
2. Het gedeelte van het inkomen waarop de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing
is op grond van een internationale regeling voor sociale zekerheid, zoals bilaterale
sociale zekerheidsverdragen;
-
3. Het gedeelte van het inkomen dat bij het ontbreken van een internationale regeling
onderworpen is aan de premieheffing krachtens een wettelijke regeling voor uitkeringen
bij ouderdom en overlijden van het andere land, waar is gewerkt of de werkgever van
afkomstig was.
Onderdeel C
In artikel 2.4 is de tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen voor de premieheffing
volksverzekeringen, die geregeld was in het eerste lid, komen te vervallen. In het
artikel 2.4 is de aftrekregel die in het tweede lid als uitzondering was opgenomen
de hoofdregel geworden. Deze komt er op neer dat als premie-inkomen wordt genomen
het inkomen over het gehele kalenderjaar dat onder de premieheffing voor de volksverzekeringen
valt (het belastbare inkomen uit werk en woning). Daarvan wordt afgetrokken inkomen,
dat wordt genoten over de periode dat betrokkene niet in Nederland premieplichtig
is, maar in een ander land. Per saldo is dan premie volksverzekeringen verschuldigd
over het wereldinkomen dat de premieplichtige geniet in de periode van premieplicht
voor de volksverzekeringen. De hoogte van het premie-inkomen over de periode van premieplicht
is wel begrensd door het tijdsevenredige deel van het maximum premie-inkomen berekend
op grond van artikel 2.5, dat niet wordt aangepast.
Onderdeel D
In artikel 2.6a is het tijdsevenredig maken van het premiedeel van de heffingskortingen
geregeld. Het recht op dit deel van de heffingskortingen wordt per 1 januari 2013
gekoppeld aan de periode van premieplicht. De korting op de verschuldigde premie volksverzekeringen
wordt dus gekoppeld aan de premieplichtige periode in Nederland. In samenhang met
deze maatregel komt ingevolge het Belastingplan 2013 de tijdsevenredige herleiding
van het AOW-premiedeel van de heffingskortingen als gevolg van het bereiken van de
65-jarige leeftijd eveneens per 1 januari 2013 te vervallen omdat artikel 2.6a van
de Regeling Wfsv ook in een dergelijk geval reeds tot een tijdsevenredige herleiding
leidt.
Onderdeel E
De wijze van tijdsevenredige vaststelling zoals die in artikel 2.7 van de Regeling
Wfsv is geregeld, wordt ook van toepassing verklaard op de tijdsevenredige herleiding
van de heffingskorting. Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om de in het artikel
genoemde volgorde van de zaken waarop de wijze van tijdsevenredige vaststelling van
toepassing is, in overeenstemming te brengen met de volgorde van behandeling van die
zaken in de Regeling Wfsv. Daarbij heeft de tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen
met de wijziging van artikel 2.4 alleen betrekking op de tijdsevenredige herleiding
van het maximum-premie-inkomen van artikel 2.5.
Onderdelen F en G
Met de inwerkingtreding van de Wet uniformering loonbegrip is artikel 17 van de Wfsv
gewijzigd. De bepalingen van het maximum premieloon zijn gehandhaafd, maar de franchise
voor de premieheffing voor het Algemeen Werkloosheidsfonds, die was geregeld in artikel
17, tweede lid, is komen te vervallen. De wijzigingen in artikel 3.3 en 3.4 hebben
betrekking op het vervallen van die franchise bepaling.
Onderdelen H en I
In de Wet Overige fiscale maatregelen 2013 is in verband met de afstemming van de
bepalingen in de Wfsv en de Zorgverzekeringswet over het maximumpremieloon en het
maximum-inkomen voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet de wijze
van berekenen van de door de werkgever verschuldigde premie voor de werknemersverzekeringen
via de methode van het voortschrijdend cumulatief rekenen in artikel 17 van de Wfsv
opgenomen. Hierdoor kan artikel 3.4a, eerste lid, van de Regeling Wfsv vervallen.
Het tweede lid van artikel 3.4a had betrekking op premies die voor de werknemer gelden.
De werknemerspremies zijn met de Wet uniformering loonbegrip ook vervallen, waardoor
dit tweede lid tevens kan vervallen en daarmee het gehele artikel 3.4a.
Als gevolg daarvan kunnen de artikelen 3.4b en 3.4c, die zijn opgenomen in de Regeling
Wfsv met de wijziging d.d. 25 oktober 2012 (Stcrt. 22245) worden vernummerd.
Onderdeel J
In het onderwijs wordt als persoonsidentificerende nummer geen gebruik meer gemaakt
van het correspondentienummer. In artikel 3.13, derde lid, onderdeel a, is dit voor
de studiefinanciering vervangen door het burgerservicenummer of het onderwijsnummer.
Het onderwijsnummer is een nummer dat wordt toegekend aan een persoon aan wie niet
van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt. Dit kan aan de orde zijn,
indien de student niet in Nederland woont. In artikel 3.13, derde lid, onderdeel c,
gaat het om een scholier, waarvoor de ouder recht op kinderbijslag heeft. In de administratie
van de SVB is die opgenomen met het burgerservicenummer of bij het ontbreken van dat
nummer met het sociaal-fiscaalnummer. Dat laatste kan het geval zijn indien de ouder
in Nederland onder de loonbelasting valt en het kind niet ingezetene in Nederland
is. Er is geen sprake meer van een niet nader aangeduid registratienummer.
Onderdelen K tot en met Q
Met de hiervoor genoemde wet, waarbij de mobiliteitsbonussen voor het in dienst nemen
van uitkeringsgerechtigden zijn geregeld, zijn de premiekortingen in de Wfsv in de
vorm van mobiliteitsbonussen beperkt tot het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden
en arbeidsgehandicapten. De nadere regels in Afdeling 5 van hoofdstuk 3 van de Regeling
Wfsv hebben dan ook alleen betrekking op deze bonussen. Het opschrift van de Afdeling
is in die zin aangepast. (onderdeel K)
De verwijzingen naar artikel 47, derde lid, en artikel 122b van de Wfsv kunnen daardoor
in de nadere regelingen in de Regeling Wfsv vervallen die betrekking hebben op nieuwe
dienstbetrekkingen en de toerekening aan dezelfde werkgever en bij overgang van onderneming.
Deze bepalingen zijn inhoudelijk niet aangepast (onderdeel L).
Nu er geen premiekorting meer kan worden toegepast voor het in dienst houden van een
werknemer van 62 jaar en ouder kan artikel 3.23 dat betrekking heeft op de samenloop
van deze premiekorting en de premiekorting die kan worden toegepast omdat de werknemer
een oudere uitkeringsgerechtigde was ook vervallen (onderdeel M).
De bepalingen over de evenredige vermindering van het bedrag van de premiekorting,
indien de dienstbetrekking niet aanvangt of eindigt op de eerste dag respectievelijk
laatste dag van een aangiftetijdvak of ingeval de arbeidsduur niet gebaseerd is op
een overeengekomen arbeidsduur worden met de wetswijziging ook van toepassing voor
de vaststelling van de hoogte van de mobiliteitsbonus arbeidsgehandicapten. En daarmee
gelden ook deze aanvullende bepalingen in artikel 3.24 van de Regeling Wfsv voor deze
mobiliteitsbonus (onderdeel N). In de Wfsv zijn de bepalingen over de vaststelling
van de bonussen ingeval van een kortere arbeidsduur dan een volledige arbeidsduur
ook voor beide bonussen van toepassing in het nieuwe artikel 50b van de Wfsv.
De wijzigingen in artikel 3.24a (verrekening premiekorting in een kalenderjaar en
niet over verschillende kalenderjaren) en in artikel 3.25 (overgangsrecht) hebben
ook betrekking op het niet meer kunnen toepassen van de premiekorting voor het in
dienst houden van oudere werknemers van 62 jaar en ouder (onderdelen O en P). In het
tweede lid van artikel 3.25 wordt nu bepaald, dat de bepaling van overgangsrecht,
dat wil zeggen de toepassing van de vrijstelling van de basispremie arbeidsongeschiktheidsfonds
(artikel 36 Wfsv), geldt tot de eerste dag van het aangiftetijdvak, waarin de werknemer
62 jaar wordt. Dit is de nadere regeling van de bepaling in artikel 122c, eerste lid,
van de Wfsv, dat de premievrijstelling blijft gelden tot de werknemer de leeftijd
van 62 jaar heeft bereikt.
Artikel 3.26 betreft samenloop van het kunnen toepassen van de premiekorting oudere
werknemers (uitkeringsgerechtigden) en de eerder toegepaste voor 1-1-2009 bestaande
premievrijstelling voor indienstneming van dezelfde werknemer, terwijl hij op dat
moment 50 jaar of ouder was. De toepassing van deze premievrijstelling (op grond van
artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wfsv) gold alleen voor 1-1-2009.
De premiekorting voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden kwam daarvoor
in de plaats. In artikel 3.26 is bepaald, dat de werkgever de premiekorting (oudere)
uitkeringsgerechtigden niet kan toepassen voor een werknemer, die in dienst wordt
genomen, binnen zes maanden na ontslag van diezelfde werknemer, terwijl voor die werknemer
de premievrijstelling was toegepast. Omdat toepassing van de premievrijstelling niet
na 1-1-2009 kan plaats vinden, is er geen sprake meer van het in dienst nemen van
een werknemer binnen die periode van zes maanden. Deze bepaling is daarmee uitgewerkt
en kan daarom vervallen (onderdeel Q).
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher.