Besluit van 21 januari 2026, houdende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de additionele aanwijzing van door de provincies te bestrijden invasieve uitheemse soorten

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 27 augustus 2025, nr. WJZ / 99808062;

Gelet op artikel 2.24, eerste lid, van de Omgevingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 november 2025, nr. W11.25.00227/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 15 januari 2026, nr. WJZ /102288608;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I (WIJZIGING BESLUIT KWALITEIT LEEFOMGEVING)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.67 wordt na het eerste lid, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Als er in bijlage VC een datum wordt genoemd, geldt de in het eerste lid bedoelde taak met ingang van die datum.

B

Bijlage VC bij artikel 3.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische volgorde worden onder het kopje «Zoogdieren» de volgende regels ingevoegd:

Axishert

Axis axis

Thaise eekhoorn

Callosciurus finlaysonii

2. In de alfabetische volgorde wordt onder het kopje «Vogels» de volgende regel ingevoegd:

Roodbuikbuulbuul

Pycnonotus cafer

3. Na de regel

Zonnebaars

Lepomis gibbosus

worden de volgende regels ingevoegd:

Zwarte dwergmeerval

Ameiurus melas

Nog geen Nederlandse naam bekend

Channa argus

Nog geen Nederlandse naam bekend

Gambusia affinis

Nog geen Nederlandse naam bekend

Gambusia holbrooki

4. In de alfabetische volgorde worden onder het kopje «Reptielen / amfibieën» de volgende regels ingevoegd:

Afrikaanse klauwkikker

Xenopus laevis

Gewone koningsslang

Lampropeltis getula

5. In de alfabetische volgorde worden onder het kopje «Insecten» de volgende regels ingevoegd:

Dwergvuurmier

Wasmannia auropunctata

Rode vuurmier

Solenopsis invicta

Tropische vuurmier

Solenopsis geminata

Zwarte vuurmier

Solenopsis richteri

6. Na de regel

Nieuw-Zeelandse landplatworm

Arthurdendyus triangulatus

worden de volgende regels ingevoegd:

Schelpdieren

 

Gouden mossel

Limnoperna fortunei

7. In de alfabetische volgorde worden onder het kopje «Terrestrische planten» de volgende regels ingevoegd:

Afghaanse duizendknoop

Koenigia polystachya (Persicaria wallichii)

Boomwurger1

Celastrus orbiculatus

Hakea

Hakea sericea

X Noot
1

Met ingang van 2 augustus 2027

8. In de alfabetische volgorde wordt onder het kopje «Water- en oeverplanten» de volgende regel ingevoegd:

Watersla

Pistia stratiotes

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 21 januari 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie

Uitgegeven de dertigste januari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

Dit besluit bevat een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) in verband met de aanwijzing van gevallen waarin het provinciebestuur de verantwoordelijkheid heeft voor uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen ten aanzien van de invasieve uitheemse soorten die zijn opgenomen op de door de Europese Commissie vastgestelde lijst van voor de Europese Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (hierna: de Unielijst).1 Deze lijst is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/12032 geactualiseerd. Deze uitvoeringsverordening vormt de aanleiding voor het onderhavige wijzigingsbesluit.

2. Achtergrond

2.1 Exotenverordening

In artikel I van dit besluit wordt bijlage VC bij artikel 3.67 van het Bkl (zoals ingevoegd door het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet3) gewijzigd. Verordening (EU) nr. 1143/2014 (hierna: de exotenverordening) is in werking getreden op 1 januari 2015.4 De exotenverordening strekt ertoe om de nadelige gevolgen voor de biodiversiteit van zowel de opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding in de Unie van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Behalve in enkele concrete verboden die de verspreiding van exoten moeten tegengaan5, voorziet de verordening in de verplichting voor lidstaten om uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen ten aanzien van invasieve uitheemse soorten te treffen. De bepalingen van de verordening gelden ten aanzien van de soorten, opgenomen op de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 vastgestelde Unielijst.

Artikel 17 van de exotenverordening bepaalt dat de lidstaten uitroeiingsmaatregelen nemen bij vroegtijdige detectie van een populatie van een invasieve uitheemse soort. De uitroeiingsmaatregelen zijn gericht op de volledige en permanente verwijdering van een populatie van een invasieve uitheemse soort. Artikel 19 van de exotenverordening verplicht de lidstaten om, voor wijdverspreide invasieve uitheemse soorten die op de Unielijst zijn opgenomen, beheersmaatregelen vast te stellen. De beheersmaatregelen zijn gericht op het uitroeien, beheersen of indammen van een populatie van een invasieve uitheemse soort.

De tevens door de lidstaten te treffen herstelmaatregelen, genoemd in artikel 20 van de exotenverordening, zijn gericht op het versterken van de veerkracht van ecosystemen tegen invasieve exoten, herstel van de veroorzaakte schade en bevordering van een betere staat van instandhouding van inheemse soorten en hun habitats in overeenstemming met Richtlijn 92/43/EEG (de Habitatrichtlijn)6 en Richtlijn 2009/147/EG (de Vogelrichtlijn).7

2.2 Taakverdeling Rijk en provincies

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur of in de Omgevingswet vastgestelde omgevingswaarden of voor het bereiken van andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.8 Deze regels kunnen alleen worden gesteld over de uitoefening van een taak als bedoeld in paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet.9 In deze paragraaf worden onder meer de provinciale taken voor de fysieke leefomgeving genoemd, waaronder de bij het provinciebestuur berustende taak tot preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.10

De bepalingen van de exotenverordening gelden ten aanzien van de soorten, opgenomen op de Unielijst. De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is op grond van artikel 3.69 van het Bkl de bevoegde instantie als bedoeld in de verordening. Gedeputeerde staten van de provincies zijn op grond van artikel 3.67 van het Bkl belast met uitroeiings-, beheers- en herstelmaatregelen ten aanzien van de in bijlage VC bij het Bkl genoemde invasieve exotensoorten. Deze taak is in overeenstemming met de in het Natuurpact11 gemaakte afspraken over exotenbestrijding en betreft de soorten invasieve exoten waarover eerder overeenstemming is bereikt met gedeputeerde staten. Uitbreiding van deze taak zal uitsluitend gebeuren als de provincies daarmee instemmen. Voor de overige soorten berust deze taak bij de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op grond van artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 4°, van de Omgevingswet.

Artikel I van onderhavig besluit voorziet in een wijziging van bijlage VC bij artikel 3.67 van het Bkl door de toevoeging van achttien invasieve uitheemse soorten.

3. Aanvulling soorten bijlage VC bij artikel 3.67 van het Bkl

Met de provincies zijn thans afspraken gemaakt over de opname van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203 aan de Unielijst toegevoegde invasieve uitheemse soorten in bijlage VC bij artikel 3.67 van het Bkl. Hieraan wordt met het onderhavige besluit invulling gegeven.

De soorten waarmee bijlage VC bij artikel 3.67 van het Bkl wordt aangevuld, komen overeen met de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203 aan de Unielijst toegevoegde invasieve uitheemse soorten, met uitzondering van vier invasieve uitheemse soorten. Deze uitzonderingen zijn de Faxonius rusticus (roestbruine Amerikaanse rivierkreeft), de Fundulus heteroclitus (een brakwater vis), de Morone americana (Amerikaanse zeebaars) en de Rugulopteryx okamurae (een bruinwier). Deze vier soorten worden niet opgenomen in bijlage VC, omdat de drie mariene soorten Fundulus heteroclitus, Amerikaanse zeebaars en Rugulopteryx okamurae zouden kunnen voorkomen in rijkswateren, waar het Rijk belast is met de zorg voor de natuur. Daarnaast komt de roestbruine Amerikaanse rivierkreeft ook nog niet voor in Nederland, waardoor het nemen van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen ten aanzien van deze soort (nog) niet aan de orde is.

Indien de roestbruine Amerikaanse rivierkreeft wordt waargenomen in de Nederlandse wateren, zullen daartegen maatregelen worden getroffen door de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op dezelfde wijze als thans het geval is voor andere uitheemse rivierkreeften onder de Visserijwet 1963 en de Omgevingswet.12

Voor de Celastrus orbiculatus (Boomwurger) is overwogen dat er, gelet op de langetermijninvesteringen die telers van sommige lidstaten hebben gedaan, een overgangsperiode moet gelden. Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203 is een overgangsperiode voor de Celastrus orbiculatus opgenomen tot 2 augustus 2027. In artikel I, onderdeel A, wordt daarom geregeld dat het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 20 van de exotenverordening met betrekking tot de in bijlage VC genoemde soorten per latere datum toepassing vinden wanneer er een datum wordt genoemd bij de betreffende soort in de bijlage. Deze overgangsperiode wordt in bijlage VC aangegeven met een voetnoot onder de tabel volgens dezelfde werkwijze als bij bijlage IIIA van het Bkl.

De op te stellen rapportage aan de Europese Commissie en de door provincies daarvoor te verstrekken gegevens zijn geregeld in het Omgevingsbesluit.13 Deze rapportageverplichting betreft een beknopte terugmelding van de uitgevoerde maatregelen en is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de verplichting van artikel 24 van de exotenverordening voor de lidstaten om elke zes jaar de Europese Commissie te rapporteren over de bestrijding van invasieve uitheemse dier- en plantensoorten. Het Rijk zal ook eigen instrumenten blijven inzetten om de vestiging van Unielijst-soorten te voorkomen, zoals de inzet van de douane bij grenscontroles en het verrichten van landelijk onderzoek naar effectieve uitroeiings- en beheersmaatregelen. Voorts houdt de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de verantwoordelijkheid voor het opzetten van een surveillancesysteem als bedoeld in artikel 14 van de exotenverordening.

4. Lasten en andere effecten van de wijziging van het Bkl

4.1 Regeldruk

Dit besluit veroorzaakt als zodanig geen regeldruk voor burgers en ondernemers. De wijzigingen betreffen immers enkel een verdeling van taken tussen Rijk en provincies. De uitvoering van de taken zelf betreft het treffen van maatregelen die rechtstreeks voortvloeien uit de exotenverordening.

4.2 Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en lasten provincies

NVWA

Het besluit verandert op zichzelf niets aan de aspecten van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid bij de verbodsbepalingen, voor de handhaving waarvan de NVWA verantwoordelijk is. Het besluit betreft uitsluitend een verdeling van taken tussen overheden ten aanzien van uitroeiing, beheersing en herstel. Wel signaleert NVWA ten aanzien van de verbodsbepalingen, dat de uitbreiding van de Unielijst daarin rechtstreeks doorwerkt en extra uitvoeringslasten geeft. Deze lasten komen neer op 1 fte, ofwel €201.880 extra, die door het ministerie van LVVN beschikbaar moeten worden gesteld. Een half fte is nodig voor de uitvoerbaarheid van kritische toetsing van maatregelen om schade door import en verdere verspreiding te voorkomen, wat belegd is bij het Nederlands Instituut voor Vectoren, Invasieve planten en Plantgezondheid (NIVIP). Het NIVIP heeft ook een actieve rol in de risicobeoordeling van de voorgedragen plantensoorten en moet ondersteuning aan inspecties leveren op verschillende manieren. Daarnaast stijgt het aantal inspecties en controles als gevolg van de uitbreiding van de Unielijst en is er een half fte nodig om de uitvoerbaarheid te borgen bij de NVWA. Om de benodigde middelen ter beschikking te kunnen stellen, is een financiële claim neergelegd in het kader van het Landelijk Aanvalsplan Invasieve Exoten.

In deze claim is ook voorzien in extra middelen voor de NVWA. Indien deze claim wordt afgewezen, gaat het ministerie van LVVN op zoek naar andere mogelijkheden voor budget. Zijn er geen andere mogelijkheden, dan zal de NVWA gevraagd worden te blijven prioriteren, zoals nu al wordt gedaan.

Provincies

De kosten voor het uitroeien en beheersen van de bij besluit aangewezen soorten zijn afhankelijk van de maatregelen die provincies zullen nemen. Deze kosten verschillen per soort. Van de achttien soorten die aan bijlage VC worden toegevoegd en daarmee onder de verantwoordelijkheid van de provincie vallen, zijn vier soorten in Nederland (lokaal) aanwezig dan wel gevestigd (Ameiurus melas (Zwarte dwergmeerval), Celastrus orbiculatus (Boomwurger), Koenigia polystachya (Afghaanse duizendknoop) en Pistia stratiotes (Watersla)). Bij de aanpak van deze soorten zijn verschillende varianten denkbaar waarvan de kosten sterk uiteen kunnen lopen. Provincies hebben verschillende mogelijkheden om hun verantwoordelijkheid uit hoofde van de exotenverordening in te vullen. Zij kunnen bijvoorbeeld inzetten op het stimuleren van samenwerking binnen hun grondgebied of op communicatie binnen hun provincie. Bij invulling van de bestrijding van reeds gevestigde soorten hebben provincies derhalve een grote mate van beleidsvrijheid.

Voor de hiervoor genoemde vier in Nederland aanwezige of gevestigde soorten zijn de met de bestrijding gemoeide kosten redelijk goed in te schatten. Voor deze soorten is tussen het Rijk en de provincies de volgende ambitie afgesproken:

  • De Ameirus melas (zwarte dwergmeerval) is lokaal aanwezig, in enkele Zuid-Nederlandse geïsoleerde vennen, en soms in grote dichtheden. In deze kleine, geïsoleerde wateren is de soort mogelijk nog te verwijderen. De ambitie die is afgesproken ten aanzien van deze soort is dat uitroeiing zal plaatsvinden waar dat mogelijk is.

  • De Celastrus orbiculatus (boomwurger) is op enkele plekken in Nederland aanwezig. De ambitie die is afgesproken ten aanzien van deze soort is dat uitroeiing zal plaatsvinden.

  • De Koenigia polystachya (beter bekend onder de wetenschappelijke naam Persicaria wallichii; Afghaanse duizendknoop) is gevestigd in Nederland en is moeilijk te onderscheiden van andere Koenigia soorten die niet op de Unielijst staan. De plant groeit voornamelijk op niet-beheerde standplaatsen, zoals langs beken, in taluds langs bermen en spoorbanen, in bosranden en op ruderale terreinen. Ruderale terreinen kenmerken zich doordat ze regelmatig (al dan niet door de mens) verstoord worden. Voorbeelden hiervan zijn o.a. bouwterreinen en terreinen langs bermen en spoorbanen. De ambitie die is afgesproken ten aanzien van deze soort is dat beheersing conform artikel 19 van de exotenverordening zal plaatsvinden.

  • De Pistia stratiotes (watersla) komt in de zomermaanden verspreid en kortstondig voor, vooral in niet-natuurlijke, en meestal stedelijke, wateren en kan lokaal voor overlast zorgen. De soort sterft in Nederland af in de winter. Als klimaatverandering doorzet dan wordt het Nederlandse klimaat mogelijk wel matig geschikt voor vestiging van de soort. De ambitie die is afgesproken ten aanzien van deze soort is dat beheersing conform artikel 19 van de exotenverordening zal plaatsvinden.

Bij soorten die zich nieuw vestigen geldt op grond van artikel 17 van de exotenverordening in beginsel een uitroeiingsplicht. Ook daarvoor lopen de geschatte kosten per soort sterk uiteen. De kosten worden door provincies gedekt vanuit de middelen van het Natuurpact en programma Natuur (zie kopje 5. Financiële Verhoudingswet). Dit zijn relatief kleine bedragen, want het gaat om een vroeg stadium van invasie. Van een aantal soorten is vastgesteld dat deze zich niet in Nederland kunnen vestigen. Voor deze soorten zijn derhalve geen uitroeiingskosten berekend. In enkele gevallen is het aannemelijk dat bij klimaatverandering vestiging mogelijk wordt.

De provincies hebben in hun brief van 24 oktober 2023 van de directeur van het IPO aan de toenmalige Minister voor Natuur en Stikstof aangegeven dat deze uitbreiding van verantwoordelijkheden met nieuwe soorten relatief weinig meerkosten met zich gaat brengen en dat zij akkoord zijn met de concept AMvB.

4.3 Effecten voor het milieu

De effecten van deze wijzigingen voor het milieu zijn positief. Uitroeiing en beheersing van invasieve exoten dragen positief bij aan het biodiversiteitsbehoud. De aanpak is effectiever als deze wordt belegd bij de provincies aangezien zij, beter dan het Rijk, in staat zijn gebiedsgerichte maatregelen te treffen ter uitroeiing en beheersing van deze soorten, in samenhang met het overige natuurbeheer.

Daarnaast betreft dit wijzigingsbesluit een rechtstreekse implementatie van Europese regelgeving. Het wijzigingsbesluit is niet kaderstellend voor besluitvorming over andere projecten. Er is daarmee geen aanleiding voor een plan-mer-plicht.

5. Financiële-verhoudingswet

De financiering van de uitvoering van de natuurwetgeving, waaronder de bestrijding van invasieve uitheemse soorten, maakt onderdeel uit van de afspraken in het Natuurpact van Rijk en provincies, in welk pact afspraken zijn gemaakt in aanvulling op het Bestuursakkoord natuur.14 Daar waar invasieve uitheemse soorten in de weg staan aan het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige en overbelaste gebieden in de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, kunnen maatregelen worden meegenomen in de beheerplannen die de provincies opstellen in het kader van natuurherstel (programma Natuur). Onderdeel van de afspraken tussen Rijk en provincies is dat wanneer de kosten voor bestrijding van invasieve uitheemse soorten sterk stijgen en redelijkerwijs niet zijn op te vangen, Rijk en provincies de consequenties daarvan met elkaar zullen bespreken. In het licht van het voorgaande en artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet is het van belang in beeld te hebben hoe de kosten voor de nieuwe taken zich ontwikkelen. Hiertoe zal de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in ieder geval elke drie jaar een beknopte financiële evaluatie van het gevoerde beleid opstellen, op basis van gegevens van de provincies. De provincies hebben in hun brief van 24 oktober 2023 van de directeur van het IPO aan de toenmalige Minister voor Natuur en Stikstof aangegeven dat deze uitbreiding van verantwoordelijkheden met nieuwe soorten relatief weinig meerkosten met zich gaat brengen. De provincies hebben gerapporteerd over hun uitgaven aan invasieve uitheemse soorten in de periode 2018–2023 in hun brief dd. 20 december 2024 van Rien Fraanje aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Dit traject loopt verder in het kader van het Landelijk Aanvalsplan Invasieve Exoten.

6. Consultatie en parlementaire voorhang

In het voortraject is intensief contact geweest met de provincies. Zij zijn voorbereid op de uitbreiding van hun beheertaak in het kader van de exotenverordening. Het ontwerpbesluit is op 13 april 2023 voor instemming aan de Bestuurlijke Adviescommissie Vitaal Platteland van de vereniging Interprovinciaal Overleg voorgelegd. Provincies hebben aangegeven met de concept AMvB akkoord te zijn, per brief van 24 oktober 2023 van de directeur van het IPO aan de toenmalige Minister voor Natuur en Stikstof.

Dit besluit strekt slechts tot uitvoering van internationale verplichtingen, te weten Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203. Dit wijzigingsbesluit regelt niet meer dan het opnemen van de soorten die aan de bijlage bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 zijn toegevoegd in de bijlage bij het Bkl.

De keuze om deze taak bij de provincies te beleggen is eerder gemaakt en reeds op wettelijk niveau geregeld.15 Deze uitbreiding is daarmee niet als beleidsrijke keuze te beschouwen.

Het zijn wijzigingen van ondergeschikte betekenis die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Daarom is ervan afgezien om het ontwerp van dit besluit open te stellen voor internetconsultatie16 en over te leggen aan het parlement.17 Van dat laatste heeft de Staatssecretaris van LVVN het parlement 11 september 2025 kennisgegeven.18 Ook heeft de Staatssecretaris het parlement kennis gegeven van de inwerkingtreding van dit besluit en de publicatie van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het uitgebrachte nader rapport.19

7. Inwerkingtreding

Artikel II regelt de inwerkingtreding van dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Van de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn wordt afgeweken omdat dit besluit slechts formeel vastlegt wat de huidige feitelijke situatie is. De provincies nemen in de praktijk op basis van de gemaakte afspraken en hun taken op het vlak van de bescherming van de biodiversiteit al maatregelen ten aanzien van de aangewezen invasieve exoten. Het besluit heeft geen directe gevolgen voor burgers en ondernemers. Een spoedige inwerkingtreding dient de duidelijkheid over de formele verantwoordelijkheden ten aanzien van de betrokken exoten.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie


X Noot
1

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 van de Commissie van 13 juli 2016 tot vaststelling van een lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2016, L 189), Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1263 van de Commissie van 12 juli 2017 tot actualisering van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (PbEU 2017, L 182), Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1262 van de Commissie van 25 juli 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 om de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te actualiseren (PbEU 2019, L 199), en Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203 van de Commissie van 12 juli 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 om de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te actualiseren (PbEU 2022, L 186).

X Noot
2

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203 van de Commissie van 12 juli 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 om de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te actualiseren (PbEU 2022, L 186).

X Noot
3

Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en enkele andere besluiten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet), Stb. 2021, 22.

X Noot
4

Verordening (EU) Nr.1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014, L 317).

X Noot
5

Artikel 7, van de exotenverordening.

X Noot
6

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEU 1992, L 206).

X Noot
7

Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20).

X Noot
8

Artikel 2.24, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
9

Artikel 2.25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet

X Noot
10

Artikel 2.18, eerste lid, onder g, aanhef en onder 3°, van de Omgevingswet.

X Noot
11

Kamerstukken II 2013/14, 33 348, nr. 5, blz. 44–45.

X Noot
12

Artikel 11.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.37 van de Omgevingsregeling.

X Noot
13

Artikel 10.36c Omgevingsbesluit.

X Noot
14

Het geheel aan afspraken uit het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur d.d. 20 september 2011, de aanvullende afspraken d.d. 7 december 2011 en de uitvoeringsafspraken d.d. 8 februari 2012 wordt nader geduid als het «bestuursakkoord natuur». Zie ook Kamerstukken II, 2011/12, 30 825 nr. 107 (incl. bijlage), Kamerstukken II, 2011/12 30 825 nr. 143 (incl. bijlage), en Kamerstukken II, 2011/12, 30 825 nr. 153 (incl. bijlagen).

X Noot
15

Artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 3°, van de Ow.

X Noot
16

Met toepassing van artikel 23.4, derde lid, onder a en b, van de Ow.

X Noot
17

Met toepassing van artikel 23.5, derde lid, van de Ow.

X Noot
18

Kamerstukken II, 2024/25, 38623 en Kamerstukken I, 2024/25, 33118.

X Noot
19

Zoals vereist door artikel 23.5, vierde lid, van de Ow.


X Noot
1

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 van de Commissie van 13 juli 2016 tot vaststelling van een lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2016, L 189), Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1263 van de Commissie van 12 juli 2017 tot actualisering van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (PbEU 2017, L 182), Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1262 van de Commissie van 25 juli 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 om de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te actualiseren (PbEU 2019, L 199), en Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203 van de Commissie van 12 juli 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 om de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te actualiseren (PbEU 2022, L 186).

X Noot
2

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1203 van de Commissie van 12 juli 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 om de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te actualiseren (PbEU 2022, L 186).

X Noot
3

Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en enkele andere besluiten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet), Stb. 2021, 22.

X Noot
4

Verordening (EU) Nr.1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014, L 317).

X Noot
5

Artikel 7, van de exotenverordening.

X Noot
6

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEU 1992, L 206).

X Noot
7

Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20).

X Noot
8

Artikel 2.24, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
9

Artikel 2.25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet

X Noot
10

Artikel 2.18, eerste lid, onder g, aanhef en onder 3°, van de Omgevingswet.

X Noot
11

Kamerstukken II 2013/14, 33 348, nr. 5, blz. 44–45.

X Noot
12

Artikel 11.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.37 van de Omgevingsregeling.

X Noot
13

Artikel 10.36c Omgevingsbesluit.

X Noot
14

Het geheel aan afspraken uit het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur d.d. 20 september 2011, de aanvullende afspraken d.d. 7 december 2011 en de uitvoeringsafspraken d.d. 8 februari 2012 wordt nader geduid als het «bestuursakkoord natuur». Zie ook Kamerstukken II, 2011/12, 30 825 nr. 107 (incl. bijlage), Kamerstukken II, 2011/12 30 825 nr. 143 (incl. bijlage), en Kamerstukken II, 2011/12, 30 825 nr. 153 (incl. bijlagen).

X Noot
15

Artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 3°, van de Ow.

X Noot
16

Met toepassing van artikel 23.4, derde lid, onder a en b, van de Ow.

X Noot
17

Met toepassing van artikel 23.5, derde lid, van de Ow.

X Noot
18

Kamerstukken II, 2024/25, 38623 en Kamerstukken I, 2024/25, 33118.

X Noot
19

Zoals vereist door artikel 23.5, vierde lid, van de Ow.

Naar boven