Besluit van 26 november 2012 tot wijziging van het Besluit hernieuwbare energie vervoer en het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging (uitzondering voor kleine en tussenhandelaren, vrijwillige registratie biokerosine en voorkomen dubbel voordeel biogas)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 25 juni 2012, nr. IenM/BSK-2012/41572, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 9.2.2.1, 9.2.2.6a, 9.5.1 en 12.31 van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 2012, nr. W14.12.0224/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 20 november 2012, nr. IenM/BSK-2012/215487, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit hernieuwbare energie vervoer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische opsomming wordt ingevoegd:

biokerosine:

biobrandstof bestemd als vliegtuigbrandstof;.

2. Aan het slot van de begripsomschrijving van «geregistreerde» wordt toegevoegd: , 6b of 6c.

B

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

  • 1. Op een registratieplichtige die in enig kalenderjaar minder dan een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid van bij die regeling aangewezen brandstoffen uitslaat tot verbruik is in dat kalenderjaar het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 tot en met 5 niet van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op de registratieplichtige die brandstoffen uitslaat onder schorsing van accijns.

  • 2. Op verzoek van de houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns, die in enig kalenderjaar uitsluitend bij ministeriële regeling aangewezen brandstoffen onder een accijnsschorsingsregeling als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de accijns ontvangt van een registratieplichtige, voorhanden heeft of verzendt aan een registratieplichtige kan Onze Minister besluiten dat op die houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 tot en met 5 niet van toepassing is.

C

Na artikel 6 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

  • 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt biogas dat wordt geleverd ten behoeve van wegvoertuigen en waarvoor subsidie is betaald op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie buiten beschouwing gelaten.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het eerste lid bepaalde.

Artikel 6b

  • 1. Een ieder die in het kader van beroep of bedrijf een hoeveelheid hernieuwbare brandstof levert aan binnenschepen in Nederland kan een rekening als bedoeld in artikel 5, eerste lid, openen in het register, waarop die hoeveelheid hernieuwbare brandstof wordt ingeboekt. De rekening wordt geopend voor de duur van ten minste één kalenderjaar en kan worden opgezegd tegen 1 januari van enig jaar.

  • 2. Door het openen van een rekening als bedoeld in het eerste lid verplicht de betreffende geregistreerde zich tot het aantoonbaar leveren van hernieuwbare brandstof aan binnenschepen in Nederland, die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3, derde lid, in ten minste de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde percentages van de totale hoeveelheid door hem geleverde hernieuwbare brandstof voor binnenschepen in Nederland.

  • 3. De hoeveelheid hernieuwbare brandstof, bedoeld in het tweede lid, kan na aftrek van het in dat lid bedoelde percentage in de vorm van biotickets in eigendom worden overgedragen aan registratieplichtigen.

Artikel 6c

  • 1. Een ieder die in het kader van beroep of bedrijf een hoeveelheid biokerosine levert aan luchtvaartuigen in Nederland kan een rekening als bedoeld in artikel 5, eerste lid, openen in het register, waarop die hoeveelheid biokerosine wordt ingeboekt. De rekening wordt geopend voor de duur van ten minste één kalenderjaar en kan worden opgezegd tegen 1 januari van enig jaar.

  • 2. Door het openen van een rekening als bedoeld in het eerste lid verplicht de betreffende geregistreerde zich tot het aantoonbaar leveren van biokerosine in Nederland, die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3, derde lid, in ten minste de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde percentages van de totale hoeveelheid door hem geleverde biokerosine in Nederland.

  • 3. De hoeveelheid biokerosine, bedoeld in het tweede lid, kan na aftrek van het in dat lid bedoelde percentage in de vorm van biotickets in eigendom worden overgedragen aan registratieplichtigen.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt biokerosine die wordt meegeteld voor de jaarvracht van een luchtvaartmaatschappij, bedoeld in artikel 16.39f van de Wet milieubeheer, buiten beschouwing gelaten. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in de eerste volzin bepaalde.

  • 5. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2020.

D

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «, en 6, eerste lid» vervangen door: , 6, eerste lid, 6b, eerste lid, en 6c, eerste lid.

2. In het tweede lid wordt «, of artikel 6, tweede en vijfde lid» vervangen door: , artikel 6, tweede en vijfde lid, artikel 6b, tweede lid, of artikel 6c, tweede lid.

E

In artikel 10 wordt «dat dit besluit niet van toepassing is» vervangen door: dat de artikelen 2 tot en met 5 van dit besluit niet van toepassing zijn.

ARTIKEL II

Het Besluit hernieuwbare energie vervoer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische opsomming wordt ingevoegd:

hernieuwbare brandstoffen:

biobrandstoffen en met behulp van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen geproduceerde brandstoffen uit C02 uit natuurlijke bronnen, die anders wordt geëmitteerd naar de atmosfeer;.

2. In de begripsomschrijving van «registratieplichtige» wordt «biobrandstof» vervangen door «hernieuwbare brandstof» en wordt «biobrandstoffen» vervangen door: hernieuwbare brandstoffen.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede en vierde lid wordt «biobrandstof» telkens vervangen door: hernieuwbare brandstof.

2. In het vijfde lid wordt «biobrandstof» vervangen door «hernieuwbare brandstof» en wordt «biobrandstoffen» vervangen door: hernieuwbare brandstoffen.

3. In het zesde lid wordt «biobrandstoffen» vervangen door: hernieuwbare brandstoffen.

C

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. onderdeel a komt te luiden:

  • a. voor uitslag tot verbruik in Nederland bestemde:

    • 1°. biobrandstoffen die voldoen aan artikel 3, derde en vierde lid, en

    • 2°. andere hernieuwbare brandstoffen,

    inboekt, en.

b. In onderdeel b wordt na «die biobrandstoffen» ingevoegd: en die andere hernieuwbare brandstoffen,.

2. In het tweede lid wordt «biobrandstoffen» vervangen door: hernieuwbare brandstoffen.

D

In artikel 8, tweede lid, wordt «biobrandstoffen» vervangen door: hernieuwbare brandstoffen.

ARTIKEL III

Het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.2, eerste en tweede lid, wordt «mg per liter methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT)» vervangen door: mg mangaan van het metaalhoudende additief methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT) per liter.

B

Na artikel 2.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.9a

Op de rapportageplichtige die in enig kalenderjaar minder dan een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid van bij die regeling aangewezen brandstoffen uitslaat tot verbruik als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de accijns is in dat kalenderjaar het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 niet van toepassing.

C

In artikel 3.2, tweede lid, onderdeel c, wordt «artikel 5, eerste lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 5, eerste lid, onderdeel c.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013 met uitzondering van:

  • a. artikel II dat in werking treedt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, en

  • b. artikel III, onderdelen A en C, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 26 november 2012

Beatrix

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W. J. Mansveld

Uitgegeven de vierde december 2012

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met dit besluit zijn het Besluit hernieuwbare energie vervoer en het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging gewijzigd. Deze wijzigingen dienen verschillende doelen.

Een aantal wijzigingen is ingegeven door de wens de met deze besluiten gemoeide lasten zoveel mogelijk te beperken. Gebleken is dat die lasten verder beperkt konden worden zonder de beleidsdoelen en de uitvoering van Europese regelgeving geweld aan te doen.

Een van de wijzigingen geeft uitvoering aan de motie Leegte/Haverkamp (Kamerstukken II 2010/11, 32 500-XII, nr. 20), waarin wordt gevraagd om bredere toepassing van de regelgeving met betrekking tot biobrandstoffen.

Een van de wijzigingen voorkomt dat producenten van biogas dubbel voordeel genieten doordat ze biogas kunnen opvoeren voor de opt-in op grond van artikel 6 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer en voor dat biogas subsidie (op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie) krijgen.

2. Vrijstelling kleine leveranciers en tussenhandelaren

2.1 Kleine leveranciers

Als gevolg van dit besluit zijn brandstofleveranciers die slechts kleine hoeveelheden brandstof op de Nederlandse markt brengen niet langer verplicht om ook een aandeel biobrandstoffen op de Nederlandse markt te brengen.

Het gaat hier naar verwachting om een beperkt aantal ondernemingen, waarvan de bijdrage aan het realiseren van een aandeel hernieuwbare energie in de vervoerssector in Nederland dermate klein is dat dit niet in verhouding staat tot de administratieve lasten die dit met zich meebrengt.

Deze uitzondering zal alleen gelden voor ondernemingen die kleine hoeveelheden brandstoffen op de markt brengen waaraan geen zogenoemde biobrandstofkenmerken (meer) zijn verbonden. Het gaat dan om fossiele brandstoffen en biobrandstoffen die al dan niet bijgemengd bij fossiele brandstoffen in de vorm van biotickets op de markt zijn gebracht. Indien die biobrandstoffen in de vorm van biotickets op de markt zijn gebracht, zijn de biobrandstofkenmerken niet meer verbonden aan de fysieke hoeveelheden biobrandstoffen. In dat geval heeft de registratie van die hoeveelheden geen meerwaarde.

Deze uitzondering geldt voor brandstofleveranciers die in een kalenderjaar minder dan een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid brandstoffen op de markt hebben gebracht. Indien een brandstofleverancier in enig kalenderjaar boven de bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid brandstoffen uitkomt, zijn de verplichtingen van het Besluit hernieuwbare energie vervoer onverkort, dat wil zeggen op de totale hoeveelheid brandstoffen die op de markt wordt gebracht, van toepassing. Ook voor brandstofleveranciers die in een kalenderjaar pure biobrandstoffen, dus niet vermengd met fossiele brandstoffen, op de markt brengen, blijven de verplichtingen van het Besluit hernieuwbare energie vervoer onverkort van toepassing.

2.2 Tussenhandelaren

Gebleken is voorts dat de gegevens van een bepaalde categorie ondernemingen niet relevant zijn voor het verkrijgen van een goed beeld van de logistiek van duurzame biobrandstoffen in Nederland. Het gaat om ondernemingen die uitsluitend in een tussenschakel van de brandstofhandel functioneren. Zoals in de brief van 24 juni 2011 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 31 209, nr. 150) is aangekondigd, is deze bedrijven de mogelijkheid geboden om uitgezonderd te worden van de werking van het Besluit hernieuwbare energie vervoer (de zogenoemde opt-out voor de tussenhandel).

Deze uitzonderingsmogelijkheid bestaat voor ondernemingen die fossiele brandstoffen, al dan niet vermengd met biobrandstoffen, opslaan. Biobrandstoffen die zijn gemengd met fossiele brandstoffen en dan nog voldoen aan de specificaties van benzine of diesel (de zogenoemde lage blends) zijn veelal na het mengen in de vorm van biotickets op de markt gebracht. De biobrandstofkenmerken zijn als gevolg daarvan niet meer verbonden met de fysieke hoeveelheden biobrandstof. Het is daarom niet noodzakelijk dat die hoeveelheden biobrandstof nog worden geregistreerd. Dat geldt evenzo voor fossiele brandstoffen waaraan geen biobrandstoffen toegevoegd zijn.

Indien evenwel de biobrandstofkenmerken nog wel verbonden zijn aan de fysieke hoeveelheden biobrandstof zijn de gegevens van de betrokken ondernemingen nog wel relevant voor het zicht op de logistiek van de duurzame biobrandstoffen. Daarbij kan het gaan om pure biobrandstoffen (zogenoemde hoge blend biobrandstoffen).

Deze uitzonderingsmogelijkheid is niet van toepassing op ondernemingen die de benzine of diesel die ze opslaan eerst zelf invoeren in Nederland. Brandstoffen die in Nederland worden ingeslagen en waarvan redelijkerwijs vaststaat dat deze zijn bedoeld voor uitslag tot gebruik in Nederland, moeten op grond van artikel 5 van de Regeling hernieuwbare energie vervoer worden geregistreerd. Dat is nodig om voldoende inzicht te krijgen in de logistiek van (duurzame) brandstoffen in Nederland.

Deze uitzonderingmogelijkheid geldt daarom slechts voor die ondernemingen die benzine of diesel opslaan, die door een andere onderneming voor de eerste keer in Nederland is ingeslagen.

Deze uitzonderingsmogelijkheid is evenmin van toepassing op ondernemingen die enige hoeveelheid brandstoffen uitslaan tot verbruik; dat zijn immers geen tussenhandelaren.

3. Biokerosine

Met dit besluit is voorts uitvoering gegeven aan de motie Leegte/Haverkamp (Kamerstukken II 2010/11, 32 500 XII, nr. 20) die kort gezegd de regering vraagt om de werking van de regelgeving met betrekking tot biobrandstoffen te verbreden.

Met dit besluit is de verbreding naar de luchtvaart gerealiseerd. Daartoe is door middel van vrijwillige registratie (de zogenoemde opt-in), naast de al bestaande mogelijkheid voor biogas en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, de mogelijkheid geboden om biobrandstoffen die ten behoeve van luchtvaartuigen worden geleverd, te laten meetellen in het halen van de verplichting voor brandstofleveranciers op grond van artikel 3 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

Deze aanpak is in lijn met de Europese regels voor het bijdragen aan het behalen van de nationale doelstelling voor hernieuwbare energie. Dit blijkt onder meer uit voetnoot 3 van de Mededeling van de Commissie over de praktische tenuitvoerlegging van de duurzaamheidsregeling van de EU voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en over boekingsregels voor biobrandstoffen (PbEU 2010, C 160).

De mogelijkheid van vrijwillige registratie voor leveranciers van biokerosine loopt tot en met 2019. De reden daarvoor is dat de inzet van hernieuwbare energie in de luchtvaart van invloed is op het behalen van de doelstellingen voor de beperking van de broeikasgasemissies in Nederland. De internationaal vastgestelde regels die gelden voor de bepaling van de nationale broeikasgasemissies en het grensoverschrijdend karakter van de luchtvaart hebben tot gevolg dat de reductie van de broeikasgasemissies in de luchtvaart niet bijdragen aan het behalen van de betreffende nationale doelstellingen. Indien de biobrandstof in bijvoorbeeld het wegverkeer wordt ingezet draagt deze wel bij aan het behalen van de doelstellingen voor beperking van de broeikasgasemissies in Nederland, terwijl diezelfde biobrandstof niet meetelt indien die in de luchtvaart wordt ingezet.

De betreffende nationale doelstellingen moeten in 2020 zijn gehaald, daarom is de mogelijkheid voor vrijwillige registratie met betrekking tot biokerosine voorzien tot dat jaar.

Aantasting van de doelstelling voor de reductie van broeikasgasemissies zal evenwel pas gebeuren als de inzet van biobrandstoffen in de luchtvaart meer dan een nichemarkt wordt. Als dat het geval is, mag gesproken worden van een geaccepteerde toepassing, die overigens ook kan bijdragen aan het halen van doelen voor de luchtvaart met betrekking tot de beperking van broeikasgasemissies.

Als de inzet van biobrandstoffen in de luchtvaart, op weg naar 2020, een meer geaccepteerde toepassing gaat worden, mag verwacht worden dat er met de broeikasgasemissiereductiedoelen voor de luchtvaart voldoende prikkel is om deze brandstoffen in te zetten in de luchtvaart. Een stimulering door het laten meetellen voor de verplichting om een aandeel hernieuwbare energie op de markt te brengen is dan minder opportuun.

Rond 2015 zal nader worden bezien op welke wijze de afbouw van de mogelijkheid voor vrijwillige registratie met betrekking tot biokerosine richting 2020 zal plaatsvinden. Dat zal niet alleen afhangen van de hierboven geschetste ontwikkelingen, maar ook van het zich ontwikkelende afzetvolume van de biokerosine. Als dat relatief groot is, zou een plotseling stopzetten van de mogelijkheid om de levering van biokerosine te laten meetellen voor het halen van de verplichting om een aandeel hernieuwbare energie op de markt te brengen tussen 2019 en 2020 tot ongewenste schokeffecten kunnen leiden. Immers, de betreffende afzet zou dan bij het wegverkeer of de mobiele machines gerealiseerd moeten worden. Om die reden zou het wenselijk kunnen zijn om tussen 2015 en 2019 de afbouw meer geleidelijk te laten plaatsvinden. Zulks, zoals aangegeven, afhankelijk van de volumeontwikkeling van de biokerosinelevering.

4. Biobrandstoffen voor de binnenvaart

Voor biobrandstoffen die worden gebruikt in de binnenvaart is eveneens voorzien in de mogelijkheid van vrijwillige registratie (de zogenoemde opt-in). Met toepassing van artikel 6b van het Besluit hernieuwbare energie vervoer kunnen biobrandstoffen die worden geleverd aan binnenschepen meetellen voor de jaarverplichtingen op grond van artikel 3 van dat besluit.

Op grond van artikel 10 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer en artikel 20 van de Regeling hernieuwbare energie vervoer geldt voor aan de binnenvaart geleverde onbelaste, zogenoemde «rode», diesel geen jaarverplichting. Rode biodiesel mag op grond van artikel 6b van het Besluit hernieuwbare energie vervoer wel meetellen voor de jaarverplichting, omdat de inzet van biobrandstoffen in de binnenvaart wel een gewenste ontwikkeling is.

De verwachting dat op termijn ook de jaarverplichting betrekking zal hebben op de inzet van rode diesel in de binnenvaart maakt het wenselijk dat leveranciers die nu al, bij wijze van proef of anderszins, biodiesel aan de binnenvaart leveren daarin gestimuleerd worden via deze zogenoemde opt-in voor de binnenvaart. Deze aanpak gold al voor biogas dat wordt ingezet in de binnenvaart (zie paragraaf 8 van de toelichting bij de Regeling hernieuwbare energie vervoer (Stcrt. 2011, 8235)) en geldt nu dus ook voor biodiesel voor de binnenvaart.

Daar komt bij dat het gewenst is dat de hoeveelheid biobrandstoffen in een zo groot mogelijke hoeveelheid fossiele energie kan worden bijgemengd.

5. Voorkomen dubbel voordeel producenten van biogas

In de zogenoemde autobrief van de Staatssecretaris van Financiën van 1 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 32 800, nr. 1) is uiteengezet dat sinds 1 januari 2007 de partijen die benzine en diesel op de Nederlandse markt brengen, verplicht zijn om een aandeel hernieuwbare energie (waaronder begrepen groen gas) op de markt te brengen. Voor 2012 is het verplichte aandeel hernieuwbare energie 5,25 procent. Voorts is in die brief opgemerkt dat na de invoering van die verplichtingen biobrandstoffen die in het wegverkeer worden ingezet niet langer fiscaal of anderszins worden gestimuleerd.

Indien nu op dat beleid zou worden teruggekomen door voor één specifieke brandstof (i.c. groen gas) wel een financiële prikkel, in de vorm van de opt-in voor biogas op grond van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, in te bouwen, is het te verwachten dat brandstofleveranciers zullen overgaan tot het inzetten van groen gas in het wegverkeer waardoor andere biobrandstoffen zullen worden verdrongen. Op die manier zou de totale inzet van biobrandstoffen in het wegverkeer gelijk blijven en zou de overheid de tot nu toe voor rekening van de marktpartijen komende levering van het aandeel hernieuwbare energie betalen. Dat is niet wenselijk.

Financiële stimulering van groen gas dat in het wegverkeer wordt ingezet is dan ook alleen zinvol indien dat groen gas niet meetelt voor de hiervoor beschreven verplichting. Alleen dan wordt met de inzet van groen gas een additionele reductie van CO2 bewerkstelligd.

Als het gaat om de keuze van het financiële instrument om groen gas te stimuleren, gaat de voorkeur uit naar stimulering via het Besluit stimulering duurzame energieproductie (de zogenoemde SDE (+)). Op die wijze wordt de keuze van de inzet van groen gas in het wegverkeer of in het aardgasnet voor huishoudens en industrie volledig overgelaten aan de markt en niet beïnvloed door de wijze van financiële stimulering.

Daarom is in het Besluit hernieuwbare energie vervoer bepaald dat biogas waarvoor op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie subsidie is betaald niet meetelt voor de toepassing van het Besluit hernieuwbare energie vervoer. Daarmee is het hiervoor bedoelde dubbele voordeel voorkomen.

In een reactie op de voorpublicatie van het ontwerpbesluit is verzocht om biogas waarvoor subsidie is betaald op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie niet uit te sluiten van het mogen meetellen voor de jaarverplichting. Dit omdat er prijsafspraken zijn gemaakt die mede zijn gebaseerd op de verwachte inkomsten van de inzet van biogas ten behoeve van die jaarverplichting – door de verkoop van biotickets. Zonder de inkomsten uit die biotickets stijgen de kosten van biogas en zou het niet meer lonen om het wagenpark te «vergroenen».

Zoals hiervoor al opgemerkt is deze wijziging neergelegd in de zogenoemde autobrief van 1 juni 2011. Daarbij zijn deze consequenties van de wijziging reeds meegewogen.

6. Andere hernieuwbare brandstoffen

Uit de reacties op de voorpublicatie van het ontwerp van dit besluit is gebleken dat er ook veelbelovende andere vormen van hernieuwbare energie zijn dan biobrandstoffen of hernieuwbare elektriciteit die in de vervoerssector ingezet kunnen worden. Daarbij gaat het om brandstoffen die geproduceerd worden uit CO2 die vrijkomt bij vulkanische activiteit, die met hernieuwbare elektriciteit wordt omgezet in methanol. Deze methanol kan weer ingezet worden als brandstof. In feite wordt hier CO2 die via natuurlijke weg in de atmosfeer zou komen, omgezet in brandstof. Dit betekent dat de CO2 die vrijkomt bij de uiteindelijke verbranding van die brandstof, geen extra CO2-emissie veroorzaakt ten opzichte van de situatie waarbij de betreffende activiteit niet zou plaatsvinden. Wel verdringt de betreffende brandstof een fossiele brandstof, zodat per saldo een emissiebeperking wordt bewerkstelligd. Daarbij is essentieel dat de elektriciteit die nodig is om de methanol te vormen volledig wordt verkregen uit hernieuwbare bronnen. Dit is de reden dat ook deze vorm van hernieuwbare energie mag meetellen in het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer. Als extra aantrekkelijk punt geldt dat er bij de productie van deze brandstof geen beslag op landbouwareaal wordt gelegd. Dit betekent dat de brandstof in dat opzicht vergelijkbaar is met een tweedegeneratiebiobrandstof. Het ligt in de rede dat het betrokken bedrijf kan aantonen dat het inderdaad gaat om een vorm van hernieuwbare energie die in vervoer wordt ingezet. Daarbij ligt het eveneens in de rede dat een vergelijkbare vorm van bewijsvoering wordt gehanteerd als geldt bij het aantonen van de duurzaamheid van biobrandstoffen.

7. Administratieve lasten

Dit besluit heeft geleid tot een beperkte vermindering van de administratieve lasten. De groep registratieplichtigen is verkleind. Aangezien het hier gaat om een groep registratieplichtigen waarmee bij het opstellen van het Besluit hernieuwbare energie vervoer en het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging geen rekening was gehouden, zijn de met die besluiten gemoeide administratieve lasten teruggebracht naar het in de nota’s van toelichting bij die besluiten (zie Stb. 2011, 197 en Stb. 2011, 192) genoemde niveau.

8. Voorpublicatie en voorhang

Op 8 november 2011 is het ontwerp van dit besluit voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2011, 19936) en toegezonden aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 31 209, nr. 152).

De voorpublicatie heeft een tweetal reacties opgeleverd. Op die reacties is hiervoor reeds ingegaan.

Daarnaast is het ontwerp van dit besluit op 24 november 2011 onderwerp geweest van bespreking met de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2011/12, 30 495, nr. 15).

II. Artikelsgewijs

Artikel I

onderdeel A

Deze wijzigingen zijn het gevolg van de toevoeging van de artikelen 6b en 6c aan het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

onderdeel B
Artikel 1a van het Besluit hernieuwbare energie vervoer
eerste lid

Op de registratieplichtige die in een kalenderjaar uitsluitend van zowel benzine als diesel als biobrandstoffen minder dan een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid uitslaat tot verbruik zijn de artikelen 2 tot en met 5 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer en de Regeling hernieuwbare energie vervoer niet van toepassing. Dat betekent dat die registratieplichtige geen jaarverplichting heeft (artikel 3 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer), geen rekening hoeft te openen bij de Nederlandse emissieautoriteit (artikel 5 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer) en geen biobrandstoffenbalans hoeft in te dienen (artikel 4 van de Regeling hernieuwbare energie vervoer). Indien de registratieplichtige van een of meerdere brandstofsoorten meer dan de bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid uitslaat of van een of meerdere brandstofsoorten enige hoeveelheid uitslaat onder schorsing van accijns, moet hij voor alle door hem uitgeslagen brandstofsoorten voldoen aan het bepaalde bij of krachtens het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

Het is de bedoeling de hoeveelheid brandstoffen vast te stellen op 5000 liter per kalenderjaar.

In de ministeriële regeling, bedoeld in dit lid, zal voorts worden bepaald dat dit lid alleen betrekking heeft op brandstoffen waaraan geen biobrandstofkenmerken meer zijn verbonden (zie ook paragraaf 2.1 van deze nota van toelichting)

tweede lid

Dit betreft de zogenoemde opt-out voor de tussenhandel. Zie ook paragraaf 2.2 van deze nota van toelichting.

onderdeel C
artikel 6a van het Besluit hernieuwbare energie vervoer
eerste lid

Op grond van artikel 6a van het Besluit hernieuwbare energie vervoer telt biogas dat wordt geleverd ten behoeve van wegvoertuigen en waarvoor op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (de zogenoemde SDE+) subsidie is betaald niet mee voor de toepassing van het Besluit hernieuwbare energie vervoer. Het gaat voor de toepassing van artikel 6a om betaalde subsidie. De enkele subsidieverlening is geen reden om biogas niet mee te laten tellen; de producent kan er na de subsidieverlening nog voor kiezen om van de subsidie af te zien en in plaats daarvan de betrokken hoeveelheid biogas mee te laten tellen voor de toepassing van artikel 6 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer. In dat geval levert de producent zijn subsidiebeschikking in en wordt de verleende subsidie dus niet uitbetaald.

Op grond van artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie kan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie subsidie verlenen aan producenten van «hernieuwbaar gas». In het Besluit hernieuwbare energie vervoer wordt «hernieuwbaar gas» aangeduid als: biogas.

tweede lid

De nadere regels, bedoeld in dit lid, hebben betrekking op de wijze waarop degene die een hoeveelheid biogas heeft geleverd ten behoeve van wegvoertuigen kan aantonen dat voor de productie van die hoeveelheid biogas geen subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie is betaald.

artikel 6b van het Besluit hernieuwbare energie vervoer

Dit artikel regelt de zogenoemde opt-in voor biodiesel die wordt geleverd aan de binnenvaart. Zie ook paragraaf 4 van deze nota van toelichting.

artikel 6c van het Besluit hernieuwbare energie vervoer

Dit artikel regelt de zogenoemde opt-in voor biokerosine. Zie ook paragraaf 3 van deze nota van toelichting.

Op basis van artikel 6, derde lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer geldt dat de hoeveelheid biokerosine, na aftrek van de jaarverplichting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dat besluit, in de vorm van biotickets kan worden overgedragen. Dit betekent dat de basis voor de hoeveelheid vrijkomende biotickets de hoeveelheid biokerosine zal zijn. Voorts betekent dit dat op de geleverde hoeveelheid biokerosine de jaarverplichting (bijv. 5,25% in 2012) van toepassing is. In dit voorbeeld kan dan 94,75% van de geleverde duurzame biokerosine worden verkocht als bioticket. Deze aanpak is analoog aan de regeling met betrekking tot biogas.

Omdat biokerosine door luchtvaartmaatschappijen in het kader van het ETS kan worden meegeteld met emissiefactor nul voor het bepalen van de jaarvracht bestaat het risico dat er dubbel voordeel wordt behaald met dezelfde hoeveelheid biokerosine. Om dat te voorkomen voorziet het besluit er in dat een hoeveelheid biokerosine die door een luchtvaartmaatschappij wordt meegeteld voor de jaarvracht, buiten beschouwing wordt gelaten voor de toepassing van de opt-in voor biokerosine.

onderdeel D

Deze wijzigingen zijn het gevolg van de toevoeging van de artikelen 6b en 6c aan het Besluit hernieuwbare energie vervoer (artikel I, onderdeel E).

onderdeel E

Deze wijziging hangt samen met artikel 6b van het Besluit hernieuwbare energie vervoer. Op grond van artikel 10 van dat besluit zoals dat hiervoor gold, was het alleen mogelijk om brandstoffen volledig uit te zonderen van de reikwijdte van het Besluit hernieuwbare energie. Om te voorkomen dat het uitzonderen van op grond van artikel 10 van het Besluit hernieuwbare energie aangewezen brandstoffen van de jaarverplichting (artikel 3 van dat besluit) zou betekenen dat ook het nieuwe artikel 6b van dat besluit niet van toepassing zou zijn, is artikel 10 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer aangepast. De uitzondering voor de op grond van artikel 10 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer aangewezen brandstoffen strekt zich slechts uit tot de jaarverplichting en de daarmee samenhangende bepalingen.

Artikel II

onderdeel A

Naar aanleiding van een reactie op de voorpublicatie van het ontwerpbesluit is brandstof geproduceerd met elektriciteit en C02 uit natuurlijke bronnen, die anders in de atmosfeer verdwijnt toegevoegd als energie uit hernieuwbare bron, die meetelt voor de jaarverplichting. Concreet wordt hierbij gedacht aan brandstof geproduceerd uit geothermische energie en CO2 afkomstig uit vulkanen. Omdat dergelijke brandstof geen biobrandstof is, is de jaarverplichting verbreed naar «hernieuwbare brandstoffen» en niet langer beperkt tot biobrandstoffen.

Richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140) biedt de mogelijkheid om de jaarverplichting te koppelen aan alle vormen van energie uit hernieuwbare bronnen, die wordt ingezet ten behoeve van vervoer.

onderdelen B, C en D

Deze wijzigingen zijn het gevolg van de toevoeging van brandstof geproduceerd uit geothermische energie en CO2 afkomstig uit vulkanen als brandstof die meetelt voor de jaarverplichting.

Artikel III

onderdeel A

Artikel 2.2, eerste en tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging strekt tot implementatie van artikel 8bis van richtlijn nr. 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PbEG 1998, L 350). Anders dan het oorspronkelijke artikel 2.2, eerste en tweede lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging stelt artikel 8bis van die richtlijn een eis met betrekking tot het gehalte mangaan van het additief methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT). Met deze wijziging is het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in overeenstemming gebracht met die richtlijn.

onderdeel B

Op de rapportageplichtige die van alle door hem uitgeslagen soorten brandstof in een kalenderjaar minder dan een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid uitslaat tot verbruik zijn artikel 2.9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en artikel 4 van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging niet van toepassing. Die artikelen hebben betrekking op de verplichting de broeikasgasemissie per eenheid energie van tot verbruik uitgeslagen hoeveelheden brandstof te verminderen en daarover jaarlijks te rapporteren.

Brandstof omvat alle soorten voor wegvoertuigen bestemde brandstof: benzine, diesel, gasolie voor mobiele machines, LNG, CNG, LPG en biobrandstoffen bestemd voor wegvoertuigen. Dat betekent dat de rapportageplichtige van iedere brandstofsoort minder dan de bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid mag uitslaan. Indien de rapportageplichtige van een of meerdere brandstofsoorten meer dan de bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid uitslaat, moet hij voor alle door hem uitgeslagen brandstoffen voldoen aan artikel 2.9 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en artikel 4 van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging.

Het is de bedoeling de hoeveelheid brandstoffen vast te stellen op 5000 liter per kalenderjaar. Voor de brandstofsoorten waarvan de hoeveelheid in een andere grootheid wordt uitgedrukt, bijvoorbeeld CNG dat in m3 wordt uitgedrukt, wordt een equivalente hoeveelheid vastgesteld.

onderdeel C

Als gevolg van de wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet op de economische delicten in verband met de aanpassing van de definitie van schadelijke stof, de uitvoering van de in Bijlage II van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen opgenomen voorschriften met betrekking tot het voorwassen van ladingtanks, de uitbreiding van de basis voor het aanwijzen van toezichthouders en enige andere onderwerpen (Stb. 2011, 392) is artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen geletterd artikel 5, eerste lid, onderdeel c. In artikel 3.2 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging was de verwijzing naar dat artikelonderdeel nog niet aangepast.

Artikel IV

De vaste verandermomenten zijn in acht genomen. Artikel III, onderdelen A en C, voorzag in verbetering van kleine fouten in het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging en viel onder de uitzonderingsgrond reparatieregelgeving.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W. J. Mansveld


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven