33 552 Slachtofferbeleid

Nr. 2 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 februari 2013

In Eindhoven is een passant door meerdere personen zwaar mishandeld. In Amsterdam zijn jonge kinderen ernstig seksueel misbruikt. Een toenemend aantal burgers krijgt te maken met woninginbraak. Een juwelier wordt bij een overval doodgeschoten. Van veel burgers zijn wel eens goederen gestolen. Allen zijn zij slachtoffer van criminaliteit.

Criminaliteit schaadt burgers. Iedereen kan slachtoffer worden van criminaliteit, ongeacht achtergrond of status. Van alle inwoners van Nederland van 15 jaar en ouder werd 25 procent volgens de IVM 20111 eenmaal of meermalen slachtoffer van één of meer gewelds-, vermogens-, of vandalismedelicten. Dat betekent dat criminaliteit jaarlijks dus gemiddeld 1 op de 4 burgers treft. In 2011 werden bijna 1,2 miljoen delicten door de politie geregistreerd2.

De afgelopen jaren is vanuit de overheid veel gedaan om de slachtoffers van criminaliteit en nabestaanden bij te staan, hen een stem te geven, hun positie in het strafrecht te versterken en er voor te zorgen dat zij in staat zijn hun leven zo snel en zo goed mogelijk weer op te pakken. Een belangrijke mijlpaal daarin is geweest de inwerkingtreding van de Wet versterking positie slachtoffers op 1 januari 2011, waarmee de positie van het slachtoffer stevig in het Wetboek van Strafvordering is verankerd. Ook de organisaties in de justitiële keten, de politie, het Openbaar Ministerie, de rechtspraak, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de reclassering besteden steeds meer aandacht aan de rechten en behoeften van slachtoffers. De stichting Slachtofferhulp Nederland, van oudsher een van de belangrijkste dienstverlenende organisaties voor slachtoffers, ontwikkelt zich daarbij steeds meer tot een professionele ketenpartner voor deze organisaties. Er wordt kortom door velen hard gewerkt aan de ondersteuning van slachtoffers. De vraag is of het slachtofferbeleid daarmee nu «af» is. Doet de overheid hiermee voldoende recht aan slachtoffers van criminaliteit?

In het regeerakkoord Bruggen Slaan (Kamerstuk 33 410, nr. 15) heeft het kabinet het slachtofferbeleid voor deze kabinetsperiode kernachtig verwoord: we verbeteren de positie van slachtoffers voor, tijdens en na afloop van het strafproces. Daar hoort ook aandacht voor de uitvoering van bestaande rechten bij, want ondanks alle inspanningen krijgen de slachtofferrechten in de praktijk nog niet in alle gevallen adequaat invulling.

De toegenomen aandacht voor slachtoffers roept echter ook fundamentele vragen op over de rol en positie van slachtoffers. Moeten slachtoffers procespartij zijn in het strafproces, tot waar reikt de verantwoordelijkheid van de overheid, hoe ver moet de ondersteuning van slachtoffers om de draad van hun leven weer op te pakken gaan? In deze brief schets ik u in dat licht mijn visie op het slachtofferbeleid op hoofdlijnen, die ik in het als bijlage bijgevoegde visiedocument «Recht doen aan slachtoffers» meer en detail uitwerk. Bezien vanuit de behoeften van slachtoffers van criminaliteit kom ik, na een beschrijving van de verantwoordelijkheid van de overheid voor slachtoffers, tot vijf beleidsdoelen voor slachtofferbeleid. Ook beschrijf ik die beleidsdoelen en de voornaamste maatregelen waarmee ik die beleidsdoelen wil bereiken.

Behoeften van slachtoffers staan centraal

In mijn visie staan de behoeften van slachtoffers centraal. Deze behoeften cluster ik als volgt: 1. erkenning en zorgvuldige bejegening (waaronder informatie), 2. toegang tot het recht, 3. bescherming, 4. ondersteuning, en 5. schadeloosstelling en herstel.

Waar behoeften van slachtoffers en de verantwoordelijkheid van de overheid elkaar raken begint het slachtofferbeleid. De verantwoordelijkheid van de overheid voor slachtoffers en hun naasten is groter naarmate de ernst van het delict en de ernst van de gevolgen groter zijn. Dit uit zich onder meer in specifieke aandacht, bijvoorbeeld in de vorm van meer maatwerk, voor slachtoffers van specifieke delicten, zoals nabestaanden van levensdelicten, (jonge) slachtoffers van seksueel misbruik, slachtoffers van geweld in huiselijke kring en slachtoffers van mensenhandel.

Verantwoordelijkheid van de overheid

Zonder zorgvuldige implementatie geen maatschappelijk resultaat:

Voor het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat is het belangrijk aan de behoeften van slachtoffers van criminaliteit tegemoet te komen. Slachtoffers moeten krijgen waar ze recht op hebben en zich daarbij ondersteund weten door de overheid. Zoals ook in het regeerakkoord staat verwoord: kwetsbare groepen moeten op de overheid kunnen rekenen. Slachtoffers van criminaliteit mogen er niet alleen voor staan.

Tegelijkertijd dient de overheid in een rechtsstaat de belangen van verdachten en veroordeelden te waarborgen. Een zorgvuldige strafrechtspleging houdt in dat aan beide belangen recht wordt gedaan. Bovendien is de tegenstelling tussen slachtoffers en daders niet altijd absoluut. Soms waren slachtoffers eerder dader, sommige daders waren ooit slachtoffer en soms is niet duidelijk wie slachtoffer is en wie dader. Dat bevestigt het belang van zorgvuldig handelen van de organisaties in de strafrechtsketen, rekening houdend met belangen van slachtoffers én daders.

Voor slachtoffers gaan echter in de dagelijkse uitvoeringspraktijk nog te vaak dingen mis, bijvoorbeeld op het terrein van de informatievoorziening. In mijn visie is een eerste verantwoordelijkheid van de overheid te zorgen voor correcte en zorgvuldige toepassing van de huidige slachtofferrechten. Een betrouwbare overheid zorgt voor realisatie in de praktijk van de aan het slachtoffer toegekende rechten en beschaamt gewekte verwachtingen niet. Daarvoor is nodig dat ketenorganisaties hun interne werkprocessen verder aanpassen, dat zij nieuwe ketenwerkprocessen ontwerpen en dat zij gezamenlijk werken aan een, al dan niet virtueel, loket voor alle informatie-uitwisseling tussen slachtoffers en de strafrechtsketen. Een visie blijft abstract als zij niet leidt tot concrete aanpassingen in de praktijk, waar slachtoffers de effecten van ondervinden. Pas dan is sprake van maatschappelijk resultaat. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de benodigde cultuuromslag. Pas als het slachtoffer een vaste plaats heeft in het hoofd, hart en handelen van alle medewerkers bij alle organisaties in de strafrechtsketen, zullen slachtoffers zich erkend weten in het leed dat hen is aangedaan.

Overigens ondervinden niet alleen slachtoffers schade als gevolg van criminaliteit. Een strafbaar feit kan ook familie en anderen in de omgeving van het slachtoffer raken.

Recht doen en hulp bieden

Naast de nadruk op goede uitvoering in de praktijk, besteed ik in mijn visiedocument aandacht aan de verdere versterking van de positie van het slachtoffer in het recht en de zorgplicht van de overheid voor slachtoffers van criminaliteit die niet op eigen kracht of met behulp van familie en vrienden verder kunnen met hun leven. Overigens kijk ik daarbij niet alleen naar de verantwoordelijkheid van mijn eigen departement. Ook andere departementen, gemeenten, maatschappelijke organisaties en werkgevers dragen een verantwoordelijkheid om slachtoffers en nabestaanden – waar zij met hen in aanraking komen – zorgvuldig en met coulance te bejegenen.

De samenleving spreekt de overheid steeds sterker aan op haar verantwoordelijkheid. Slachtoffers van criminaliteit en nabestaanden vragen, daarbij gesteund door de publieke opinie, om een betere balans tussen de aandacht van de overheid voor daders en de aandacht voor slachtoffers. Ik ben het daarmee eens. We kunnen nog meer doen om die balans in evenwicht te brengen, zoals gezegd zonder daarbij afbreuk te doen aan de rechten en belangen van verdachten en veroordeelden. Bijvoorbeeld door het spreekrecht verder uit te breiden, zodat slachtoffers en nabestaanden zich ook mogen uitspreken over de strafmaat en de verdachte. Ook bezie ik hoe we het schadeverhaal voor slachtoffers kunnen vereenvoudigen, waarbij het uitgangspunt is: de dader betaalt. Daarnaast vind ik het belangrijk dat in de fase van tenuitvoerlegging van de straf of maatregel de belangen van slachtoffers of nabestaanden zwaarder worden meegewogen. Ook in die fase moet het belang van het slachtoffer gewicht in de schaal leggen met het oog op een betere balans.

De rol van het slachtoffer in het strafproces

In de discussie over de positie van het slachtoffer in het strafrecht wordt door sommigen ook wel gepleit voor een rol voor het slachtoffer als volwaardige procespartij. Voor een dergelijke fundamentele wijziging van de positie van het slachtoffer kies ik niet. Ik ben namelijk van oordeel dat de overheid in het strafproces zorg dient te dragen voor slachtoffers van criminaliteit en die verantwoordelijkheid (inclusief de kosten daarvan) niet kan afwentelen op slachtoffers zelf door hen te vragen om ook in het strafproces de eigen geschade belangen te verwoorden en te vertegenwoordigen. Hoewel een dergelijke positie het slachtoffer meer mogelijkheden geeft om actief bij te dragen aan het halen van zijn recht, brengt dit het slachtoffer ook in een kwetsbaarder positie. Daarnaast vormt het strafbare feit niet alleen een inbreuk op de rechten van het slachtoffer maar is ook een maatschappelijk belang verbonden aan het handhaven van de strafwet. Het OM heeft de taak bij zijn beslissingen terdege rekening te houden met de belangen van het slachtoffer; het OM moet ook de maatschappelijke belangen en de belangen van het slachtoffer en andere betrokkenen tegen elkaar afwegen. De inzet van schaarse middelen van opsporingsinstanties en rechtspraak en het strafproces als ultimum remedium vragen echter om een onafhankelijke weging van alle aspecten. Om die reden wijs ik een positie als procespartij dan ook af. Het slachtoffer is een procesdeelnemer met rechten.

Ook buiten de kaders van het feitelijke strafproces ligt voor de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid om slachtoffers te helpen om te gaan met de gevolgen van een delict. Op basis van mijn visie op de rol van de overheid zoals ik die hiervoor heb geformuleerd, ga ik hieronder verder in op de concrete invulling daarvan.

Vijf beleidsdoelen voor het slachtofferbeleid

Door de verantwoordelijkheid van de overheid te bezien vanuit de behoeften van slachtoffers schets ik u hieronder hoe het slachtofferbeleid er naar mijn overtuiging uit zou moeten zien. Ik kom daarbij tot vijf beleidsdoelstellingen. De komende vier jaar zullen deze beleidsdoelen richting geven aan de ontwikkelingen op het terrein van slachtofferbeleid.

Per beleidsdoel schets ik in deze brief enkele belangrijke acties; een uitgebreid overzicht is opgenomen in de bijlage bij deze brief3.

  • 1. Slachtoffers worden erkend, zorgvuldig bejegend en geïnformeerd

    • Erkenning van het leed dat is aangericht, zorgvuldige bejegening en tijdige en adequate informatievoorziening door de organisaties in de justitiële keten zijn cruciaal voor het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat. Daarvoor is een cultuuromslag nodig in het werkveld van Veiligheid en Justitie. Het slachtoffer moet in hoofd, hart en handelen van elke medewerker komen. Dat is een grote opgave. Ketenpartners zijn daartoe onder meer een gezamenlijk project gestart gericht op het versterken van de aandacht voor (de rechten van) slachtoffers in de beroepsopleidingen van de verschillende ketenpartners. Doel is om langs deze weg de cultuur te beïnvloeden en de correcte bejegening te trainen.

    • Erkenning vindt onder meer plaats door, als betrouwbare overheid, te zorgen dat toegekende rechten in de praktijk worden gerealiseerd en gewekte verwachtingen niet worden beschaamd. Om de reeds in gang gezette verbetertrajecten, gericht op vereenvoudiging, verbetering en waar nodig herinrichting van bestaande werkprocessen, te faciliteren richt ik samen met de ketenpartners een implementatieprogramma in, zodat deze verbeteringen in samenhang in uitvoering worden genomen.

    • Ten behoeve van de informatie-uitwisseling tussen slachtoffers en de justitiële organisaties en het zoveel mogelijk digitaliseren van de informatievoorziening breng ik samen met de ketenpartners één informatiekanaal, «één ingang voor slachtoffers» tot stand. De eerste concrete resultaten verwacht ik dit voorjaar.

    • Sinds 1 november 2012 is het mogelijk voor slachtoffers van criminaliteit om onder bepaalde voorwaarden aangifte op nummer te doen, waarbij hun identiteit niet wordt bekend gemaakt. Het komende jaar zie ik er nauwlettend op toe of dit in de praktijk voldoende tegemoet komt aan de behoeften van slachtoffers.

  • 2. Slachtoffers hebben een sterke positie in het recht

    • De rechten van slachtoffers in het strafproces hebben tot doel dat de belangen van het slachtoffer worden meegewogen bij beslissingen in dat proces. Aan die belangen moet recht worden gedaan. Een van de belangrijkste rechten is het spreekrecht, waarmee het slachtoffer zijn stem kan laten horen in de rechtszaal. Nog dit jaar bied ik Uw Kamer een wetsvoorstel aan waarmee ik het spreekrecht zodanig uitbreid, dat slachtoffers en nabestaanden zonder inhoudelijke beperkingen het woord kunnen doen in de rechtszaal, dus bijvoorbeeld ook over de door hen gewenste straf. Daarnaast bekijk ik, mede op verzoek van Uw Kamer, welke voor- en nadelen voor het slachtoffer verbonden zouden zijn aan de invoering van een twee-fasenproces in het strafprocesrecht. De Universiteit Groningen doet daar momenteel in opdracht van het WODC onderzoek naar dat medio 2013 zal zijn afgerond.

    • Ook bied ik Uw Kamer nog dit jaar het bij de begrotingsbehandeling toegezegde wetsvoorstel aan waarmee ouders van minderjarige slachtoffers de mogelijkheid krijgen zich te voegen in het strafproces.

    • Belangrijke doelstelling voor dit jaar is het sneller ten uitvoer leggen van oplegde straffen. Dit is ook in het belang van slachtoffers en draagt bij aan hun rechtvaardigheidsgevoel.

    • De EU-richtlijn minimumnormen moet in 2015 zijn geïmplementeerd en in wetgeving verankerd. De voorbereidingen daarvoor zijn gestart. In 2014 bied ik Uw Kamer het wetsvoorstel daartoe aan.

    • Een beleidsdoorlichting van het gehele slachtofferbeleid is eind van 2013 gereed. Op basis daarvan bezie ik of nadere maatregelen of beleidsinitiatieven nodig zijn.

  • 3. Slachtoffers worden beschermd waar nodig

    • Slachtoffers van criminaliteit bevinden zich in meerdere opzichten in een kwetsbare positie: niet alleen hun fysieke veiligheid is in gevaar (geweest), ook hun privacy kan, ook in het kader van het strafproces, in het geding zijn. Om te kunnen beoordelen of beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn zal, conform de EU-richtlijn «minimumnormen slachtoffers4», een «assessment» worden ontwikkeld, dat de specifieke behoefte aan ondersteuning en bescherming van individuele slachtoffers in beeld brengt, zodat meer maatwerk mogelijk is.

    • Met de implementatie van het Europese beschermingsbevel, waarvan het wetsvoorstel dit voorjaar ter consultatie wordt voorgelegd zal een opgelegde maatregel ter bescherming van slachtoffers vanaf 11 januari 2015 in heel Europa gelden. Daarnaast wil ik de veiligheid van het slachtoffer nadrukkelijker meewegen bij beslissingen in de fase van tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Daarvoor is nodig dat meer gestandaardiseerd wordt beoordeeld of bijvoorbeeld een gebieds- en contactverbod kan worden opgelegd bij verlof en voorwaardelijke invrijheidsstelling, die passen bij het noodzakelijke beschermingsniveau van het slachtoffer.

    • Ook ben ik van mening dat de privacy van slachtoffers beter dient te worden beschermd, bijvoorbeeld in de media en tijdens de behandeling van de zaak in de rechtszaal. Ik zal daarover in overleg treden met het OM en de Raad voor de rechtspraak, om te bezien wat de mogelijkheden zijn om bijvoorbeeld het veelvuldig noemen van de volledige naam van het slachtoffer tijdens de zitting te beperken. Daarbij neem ik bestaande ervaringen met artikel 190 lid 2 Wetboek van Strafvordering mee.

  • 4. Slachtoffers die dat nodig hebben worden ondersteund bij het te boven komen van de gevolgen van het delict

    • Slachtoffers van criminaliteit kunnen in Nederland voor ondersteuning terecht bij verschillende organisaties. Slachtofferhulp Nederland stond in 2011 zo’n 135 000 slachtoffers bij.

    • Bij een tegemoetkoming voor schade hielp het Schadefonds Geweldsmisdrijven in 2011 ruim 4 000 slachtoffers. Het CJIB is verantwoordelijk voor het verhalen op de dader en ook voor het uitkeren van voorschotten aan slachtoffers die een schadevergoedingsmaatregel toegewezen hebben gekregen.

    • Een wetsvoorstel om goederen van verdachten in beslag te nemen met het oog op het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer (conservatoir beslag) is met algemene stemmen door Uw Kamer aanvaard en wacht nu op behandeling in de Eerste Kamer.

    • In het regeerakkoord is afgesproken dat er één loket komt voor slachtofferhulp. De dienstverlening aan slachtoffers is nu nog versnipperd georganiseerd. Slachtofferhulp Nederland, het Schadefonds Geweldsmisdrijven en het CJIB bieden elk een deel van een groter dienstenpakket aan. Door integratie van (delen van) deze organisaties kunnen we deze diensten efficiënter en voor slachtoffers overzichtelijker aanbieden. Ik laat mij daartoe adviseren over de mogelijkheden van de inrichting van één slachtofferdienst.

    • Ook kijk ik daarbij naar de rol van het lokaal bestuur. Nu reeds zetten burgemeesters zich in voor bijvoorbeeld de zorg van slachtoffers van overvallen in hun gemeente. Daarnaast zal ik, mede op basis van genoemde EU-richtlijn, het recht op slachtofferhulp wettelijk verankeren en de mogelijkheden onderzoeken om te komen tot voldoende specialistische slachtofferhulp.

  • 5. Slachtoffers hebben mogelijkheden tot herstel van de gevolgen, zowel financieel, praktisch als emotioneel.

    • Slachtoffers van criminaliteit ondervinden na het misdrijf problemen op allerlei terreinen, van financieel tot praktisch en emotioneel. Vaak hebben slachtoffers ook letterlijk schade geleden. Slachtoffers moeten voldoende mogelijkheden hebben om de gevolgen van criminaliteit zoveel mogelijk te (laten) herstellen. Ik ben daarom, samen met de ketenpartners, een verbetertraject gestart dat moet leiden tot vereenvoudigde procedures en één aanspreekpunt voor slachtoffers.

    • Naast vereenvoudiging in de uitvoering staat in mijn visie het uitgangspunt centraal: «de dader betaalt». In dat licht werk ik, samen met het OM, aan het opheffen van belemmeringen die verzekeraars op dit moment nog ervaren bij het verhalen van schade op daders. Mogelijk moeten beperkende bepalingen in huidige Aanwijzingen van het OM of in andere regelgeving over gegevensuitwisseling, daartoe worden aangepast. Zoals ik in het wetgevingsoverleg op 30 januari jl. over het conservatoir beslag ten behoeve van slachtoffers heb gemeld, ga ik samen met het CJIB onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om scherper onderscheid te maken tussen daders die niet willen en die niet kunnen betalen.

    • In lijn met het regeerakkoord breid ik de reikwijdte van het Schadefonds Geweldsmisdrijven uit met dood-door-schuld-delicten. Zoals ook het geval bij geweldsmisdrijven, vind ik dat het uitgangspunt dient te zijn dat de dader betaalt. Alleen wanneer de nabestaanden op geen enkele andere wijze hun schade kunnen verhalen, kan het Schadefonds een tegemoetkoming geven. Op dezelfde wijze wil ik omgaan met dood-door-schuld-delicten. De dader is primair verantwoordelijk voor het vergoeden van de schade. Ik onderzoek de omvang van de groep nabestaanden die met een dader te maken hebben die geen verhaal biedt.

      Naast de uitbreiding van de wet voor deze groep zal ik nadrukkelijk bezien welke knelpunten ik kan oplossen om verhaal op de dader – zo die bekend is – in zijn algemeenheid te vergemakkelijken.

    • In maart aanstaande zal ik u informeren over de mogelijkheden een verplichte bijdrage op te leggen aan veroordeelden ten behoeve van hulp voor slachtoffers («slachtoffertax»). Een dergelijke maatregel bestaat reeds in bijvoorbeeld België en Zweden.

    • Een andere vorm van herstel betreft de interactie tussen slachtoffer en dader, de zogenaamde herstelbemiddeling. Bij het toepassen van herstelbemiddeling moet wat mij betreft de behoefte van het slachtoffer centraal staan. Om daaraan tegemoet te komen heb ik een beleidskader opgesteld met criteria waaraan herstelbemiddeling moet voldoen. Voorbeelden van deze criteria zijn een vrijwillige deelname van slachtoffer en dader, een actief aanbod van herstelbemiddeling en een tijdige, kwalitatief hoogstaande en onpartijdige bemiddeling. Herstelbemiddeling mag daarbij nooit een middel worden voor de dader om met een half excuus onder straf of het herstellen van schade uit te komen. Het beleidskader zal dit jaar in de praktijk worden getest in diverse pilots, waarin het slachtoffer centraal staat. Aan de hand van de evaluatie van deze pilots zal ik het beleidskader definitief vaststellen, op basis waarvan herstelbemiddeling een structurele, landelijk eenduidige voorziening voor slachtoffers wordt.

Meten van effecten

Om de uitvoering van de maatregelen goed te kunnen sturen en op effectiviteit te kunnen beoordelen, werk ik aan de ontwikkeling van prestatie-indicatoren in de keten. Daarnaast volg ik de ervaringen van slachtoffers via de «kwalitatieve monitor slachtofferzorg». Deze monitor geeft een beeld van de tevredenheid van slachtoffers binnen de hele keten en geeft ook aan in welke mate de verschillende vormen van dienstverlening voor slachtoffers van belang zijn. De resultaten van de eerste meting verwacht ik in de zomer aan Uw Kamer te kunnen sturen. In de tweede helft van dit jaar zal de ingeplande beleidsdoorlichting van het slachtofferbeleid worden uitgevoerd. De resultaten daarvan kunt u aan het eind van dit jaar verwachten.

Financieel kader

In deze kabinetsperiode vinden forse bezuinigingen plaats, ook op de begroting van Veiligheid en Justitie. Ik heb evenwel de ondersteuning aan slachtoffers uitgesloten van ingrijpende taakstellingen. Indien aanvullende bezuinigingen achterwege blijven zal het nominale budget voor slachtofferbeleid gedurende deze kabinetsperiode in elk geval gelijk blijven. Wel besteed ik veel aandacht aan mogelijkheden om effectiever en efficiënter te werken, ook in de slachtofferketen. Daarbij horen bijvoorbeeld het optimaliseren en digitaliseren van werkprocessen en het reduceren van overdrachtsmomenten, waarmee ook de kans op fouten wordt gereduceerd.

Toezeggingen

Door deze brief doe ik ook twee toezeggingen gestand. In bijlage 2 bij deze brief ga ik, in reactie op een verzoek daartoe van het lid Van der Steur (VVD) van Uw Kamer, in op de voorstellen van de heer mr. R. Korver in zijn boek «Recht van spreken»5.

Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Conservatoir beslag op 30 januari 2013 (Handelingen II, 2012/2013, nr. 46) heb ik toegezegd u te informeren over voegingsondersteuning en de inzet van advocaten bij lichte zaken. Bij Slachtofferhulp Nederland werken zowel professionals als vrijwilligers aan de ondersteuning van slachtoffers bij het voegen in het strafproces. Ik beschouw dit als een effectieve en efficiënte wijze, die in de praktijk goed functioneert. Het inzetten van advocaten bij lichte zaken op kosten van de overheid past mijns inziens niet in de huidige financiële situatie. Wel ben ik voor slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven medio februari gestart met een pilot met snelle doorverwijzing van Slachtofferhulp Nederland naar de advocatuur. Bij deze categorie ernstige slachtoffers verwacht ik dat de pilot zal uitwijzen dat betrokkenheid van een advocaat in een vroeg stadium van toegevoegde waarde is voor het slachtoffer. Deze pilot is opgezet in nauwe samenspraak met Slachtofferhulp, de Raad voor de rechtsbijstand en de advocaten georganiseerd in LANZS en ASP.

Tot slot

Is het slachtofferbeleid af? Zoals ik heb aangegeven ben ik van mening dat dit niet het geval is. Zorg en aandacht voor slachtoffers is een kernwaarde van onze rechtsstaat. Ik zal mij deze kabinetsperiode dan ook tot het uiterste inzetten ten behoeve van slachtoffers en nabestaanden.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Integrale Veiligheidsmonitor 2011 (Kamerstuk 28 684, nr. 339)

X Noot
2

Criminaliteit en rechtshandhaving 2011

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Kamerstuk 22 112, nr. 1235.

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven