33 000 V Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2012

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

   

Blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

Beleidsagenda 2012

10

     

3.

Tabel beleidsdoorlichtingen

30

     

4.

Artikelen

32

 

Artikel 1. Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten

32

 

Artikel 2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

36

 

Artikel 3. Europese samenwerking

46

 

Artikel 4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

52

 

Artikel 5. Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling

60

 

Artikel 6. Duurzaam water- en milieubeheer

68

 

Artikel 7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer

76

 

Artikel 8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

81

 

Artikel 9. Geheim

87

 

Artikel 10. Nominaal en Onvoorzien

88

 

Artikel 11. Algemeen

89

     
 

AGENTSCHAPSPARAGRAAF CBI

94

     
 

BIJLAGEN

99

 

Bijlage 1 Lijst van afkortingen

99

 

Bijlage 2 Trefwoordenlijst

104

     
 

INTERNETBIJLAGEN 2012

 
 

1. Verdiepingshoofdstuk

 
 

2. Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2010/2011

 
 

3. Subsidieoverzicht

 
 

4. Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

 
     

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2012 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2012. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2012.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2012 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendienst Centrum voor de Bevordering van de Import uit Ontwikkelingslanden (CBI) voor het jaar 2012 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Deze leeswijzer volgt de nieuwe begrotingspresentatie «Verantwoord Begroten». Hij licht toe welke veranderingen al in deze begroting zijn verwerkt en welke vanaf de begroting van 2013 zullen worden doorgevoerd. Daarnaast gaat hij in op de opbouw van de beleidsagenda en de beleidsartikelen. In de beleidsartikelen zijn veranderingen in de operationele doelstellingen doorgevoerd om de prioriteiten van de regering duidelijker vorm te geven. De wijzigingen in de operationele doelstellingen staan in een was-wordt-tabel bij deze leeswijzer. Ten slotte worden de overige onderdelen van de begroting en de relatie met enkele andere stukken toegelicht.

Algemeen

Buitenlandse betrekkingen zijn een zaak van het hele Koninkrijk der Nederlanden: Nederland in Europa en Aruba, Curaçao en Sint Maarten in het Caribisch gebied. Waar deze begroting spreekt over «Nederland» of «Nederlands» wordt daarmee bedoeld: «(van) het Koninkrijk der Nederlanden», tenzij het gaat om zaken die specifiek het land Nederland betreffen, zoals het EU-lidmaatschap en ontwikkelingssamenwerking.

Verantwoord Begroten

Op 20 april 2011 ging de Tweede Kamer akkoord met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten 1». De nieuwe presentatie moet leiden tot meer inzicht in financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en moet een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma laten zien. De meeste veranderingen zijn in deze begroting doorgevoerd.

  • De begroting bevat een artikel waarop alle apparaatsuitgaven van het kerndepartement bij elkaar staan. Dit is artikel nr. 11 van deze begroting. Bij Buitenlandse Zaken is dit al eerder ingevoerd.

  • De beleidsagenda bevat een totaaloverzicht van de beleidsdoorlichtingen. Dit komt in de plaats van de afzonderlijke tabellen bij elk beleidsartikel. Het overzicht van evaluatieonderzoeken per beleidsartikel komt nog wel op www.rijksbegroting.nl.

  • Er is een nieuwe bijlage met een subsidieoverzicht, die de Tweede Kamer digitaal krijgt. De andere bijlagen die vanaf nu digitaal worden aangeboden zijn: het verdiepingshoofdstuk, het overzicht moties en toezeggingen en de tabel evaluatieonderzoeken. De bedrijfsvoeringparagraaf is uit de begroting geschrapt.

  • Alle artikelen zijn ingevuld volgens de nieuwe voorschriften met uitzondering van de aanpassing van de budgettaire tabel. Dit laatste bleek op deze korte termijn niet mogelijk.

De overige veranderingen worden in de begroting van 2013 doorgevoerd. Het gaat dan om:

  • de introductie van een kwalitatieve toelichting bij de budgetflexibiliteit;

  • veranderingen binnen het apparaatsartikel om personele en materiële uitgaven apart in beeld te brengen;

  • het onderscheid tussen financiële instrumenten binnen de budgettaire tabellen.

De komende tijd wordt ook getracht om de prioriteiten van de regering beter weer te geven in de begroting. Dit kan leiden tot wijzigingen in de (indeling van de) huidige acht beleidsartikelen.

Opbouw van de beleidsagenda en beleidsartikelen

De beleidsagenda bevat de politieke hoofdlijnen van het buitenlandbeleid van de regering. In de beleidsartikelen vindt u, zoals in andere jaren, de financiële en beleidsinformatie over de voorgenomen uitgaven. De indeling per beleidsartikel is als volgt.

A: Algemene doelstelling

Elk beleidsartikel begint met de algemene doelstelling (titel van het beleidsartikel) met een korte toelichting.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De rol en de verantwoordelijkheid van de minister wordt beschreven aan de hand van de volgende categorieën: resultaatverantwoordelijk; procesverantwoordelijk; systeemverantwoordelijk; regiefunctie; faciliterende rol; stimulerende rol.

Volgens het uitgangspunt van Verantwoord Begroten zijn er alleen kwantitatieve indicatoren bij resultaatverantwoordelijkheid. Bij Buitenlandse Zaken betreft dit de consulaire dienstverlening (beleidsartikel 7). Hier onderbouwen een indicator en kengetallen de resultaatverantwoordelijkheid van de minister. Op de overige beleidsterreinen van Buitenlandse Zaken heeft de minister een stimulerende of faciliterende en in sommige gevallen een regisserende rol. De mogelijkheden voor kwantitatieve effectmeting voor de meeste beleidsterreinen van Buitenlandse Zaken zijn dan ook beperkt. De werkelijkheid is vaak complex en het krachtenspel om de beleidsdoelstellingen te realiseren is ingewikkeld. Kenmerkend is de internationale context waarin veel spelers en factoren de doelbereiking beïnvloeden. Vaak is er een gezamenlijke inspanning waarbij het weinig zinvol is (een deel van) de resultaten toe te rekenen aan Nederland, dat een klein deel van de inputs heeft verzorgd. Bij Buitenlands Zaken is de relatie tussen de Nederlandse activiteiten en de effecten vaak niet causaal; de relatie is meestal wel plausibel. Daarnaast bevat deze paragraaf een korte weergave van de beleidstheorie (van doel tot doelbereiking) met de samenhang tussen de algemene doelstelling en de operationele doelen.

C: Beleidswijzigingen

Dit is een overzicht van belangrijke wijzigingen als gevolg van evaluatie of voortschrijdend inzicht.

D: Operationele doelstellingen

Dit onderdeel vermeldt per operationele doelstelling welke instrumenten en activiteiten Buitenlandse Zaken inzet. Daarbij worden de financiële instrumenten (informatie over waar het geld heen gaat, wat ermee gebeurt en waar het toe dient) en de beleidsinstrumenten (diplomatieke inspanningen, voorzitterschappen, conferenties) onderscheiden. Niet in alle gevallen komt het totaal van de hier genoemde financiële instrumenten overeen met de saldi in de tabel. Zo zijn kleine bijdragen niet altijd specifiek genoemd en kan er ruimte zijn voor nieuwe activiteiten.

E: Budgettaire gevolgen van beleid

De tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» presenteert de begroting op subartikel niveau voor 2010 tot en met 2016. De subartikelen komen overeen met de operationele doelstellingen. Een één-op-één-koppeling is echter niet altijd mogelijk. Zo komen de afdrachten aan de Europese Unie ook ten goede aan operationele doelstelling 3.2 «een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen of regio’s, inclusief ontwikkelingslanden», terwijl zij staan vermeld bij operationele doelstelling 3.1 «een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid recht en veiligheid biedt en in staat is tot duurzame groei». Het is niet zinvol de EU-afdrachten op te knippen over alle operationele doelstellingen waar de EU invloed op uitoefent.

In de tabel is de budgetflexibiliteit verwerkt op subartikel niveau. Zoals voorgeschreven worden daarbij de juridisch verplichte uitgaven weergegeven. Daarnaast bevat de tabel ook de overig verplichte uitgaven. Dit zijn uitgaven die nog niet juridisch verplicht, maar die wel al zijn toegezegd of die al zijn gereserveerd op grond van een wettelijke regeling of een beleidsprogramma waarmee de Tweede Kamer heeft ingestemd.

Overige onderdelen van de begroting

Na de acht beleidsartikelen volgen de drie niet-beleidsartikelen. De niet-beleidsartikelen zijn het verplichte artikel 9 «geheim», artikel 10 waarin de non-ODA macro-mutaties binnen de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) staan en artikel 11 dat de apparaatskosten verantwoordt. Daarna volgt de agentschapsparagraaf over de baten-lastendienst Centrum voor de Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI). Ten slotte volgen zes bijlagen waarvan de eerste vier alleen via internet beschikbaar: het verdiepingshoofdstuk (met informatie over de budgettaire begrotingsaansluiting tussen de begroting 2011 vanaf de 1e Suppletoire Wet en die van 2012), de lijst met moties en toezeggingen aan de Kamer, het subsidieoverzicht, de evaluatie- en onderzoekstabel, de lijst met afkortingen en de trefwoordenlijst.

De relatie met de HGIS-nota en andere beleidsnota’s

De HGIS omvat naast de uitgaven van Buitenlandse Zaken ook buitenlanduitgaven van de andere ministeries. Deze bundeling bevordert de samenhang en samenwerking die voor een geïntegreerd en coherent buitenlandbeleid van belang zijn. De nota over de HGIS bevat een overzicht van de belangrijkste programma’s en uitgaven voor het buitenlandbeleid, waaronder een overzicht van de begrotingsontwikkelingen binnen de HGIS en bijlagen die alle buitenlanduitgaven overzichtelijk presenteren, zoals een totaaloverzicht van de buitenlanduitgaven die als officiële ontwikkelingshulp (ODA) kwalificeren.

De beleidsvoornemens die deze begroting in kort bestek weergeeft, worden vaak verder uitgewerkt aan de Tweede Kamer voorgelegd. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de jaarlijkse «Staat van de Unie» die de Nederlandse doelen in de Europese Unie verder uitwerkt. Ook op beleidsterreinen als mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking en prioritaire thema’s daarbinnen zijn deelnota’s aangeboden aan de Kamer.

Het onderstaande overzicht bevat de wijzigingen per artikel en operationele doelstelling.

WAS

 

WORDT

 

UITGAVEN/VERPLICHTING

       

Artikel

Operationele doelstelling/subartikel

Artikel

Operationele doelstelling/subartikel

1.Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging mensenrechten

1.1 Internationale rechtsorde

1.Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten

1.1 Een goed functionerende internationale rechtsorde

1.2 Mensenrechten

1.2 Bescherming van de rechten van de mens

1.3 Internationale Juridische Instellingen

8.2 Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organisaties in Nederland

       

2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

2.1 Nationale en bondgenootschappelijke veiligheid

2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

2.1 Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid

2.2 Bestrijding internationaal terrorisme

2.2 Bestrijding en terugdringing van het internationale terrorisme en andere vormen van internationale criminaliteit

2.3 Non- proliferatie en ontwapening

2.3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een restrictief en transparant wapenexportbeleid.

2.4 Conventionele wapenbeheersing

2.3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een restrictief en transparant wapenexportbeleid.

2.5 Regionale stabiliteit en crisisbeheersing

2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden

2.6 Humanitaire hulpverlening

2.6 Effectieve humanitaire hulp

2.7 Goed bestuur

2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden

2.8 Het bevorderen van energievoorzieningszekerheid

2.4 Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenzekerheid

       

3 Versterkte Europese samenwerking

3.1 Nederlandse afdrachten aan de EU

3 Europese samenwerking

3.1 Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt

3.2 Ondersteuning bij pre- en post-accessie

2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden

3.3 EOF Europees ontwikkelingsfonds

3.2 Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen en regio’s, inclusief ontwikkelingslanden

3.4 Nederlandse positie in de EU

3.4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27

3.5 Raad van Europa

3.3 Een hechtere Europese waardengemeenschap

       

4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

4.1 Handels- en financieel systeem

4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

1.1 Een goed functionerende internationale rechtsorde

4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

4.3 Private sector ontwikkeling

4.2 Armoede vermindering

4.1 Voedselzekerheid

4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

4.3 Verhoogde economische groei en verminderde armoede als gevolg van gezonde private sector ontwikkeling in ontwikkelingslanden

4.1 Voedselzekerheid

4.3 Private sector ontwikkeling

4.4 Kwaliteit en effectiviteit ontwikkelingssamenwerking

4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

4.5 Nederlandse handels- en investeringsbevordering

4.4 Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevordering

       

5. Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling

5.1 Alle kinderen, jongeren en volwassenen hebben gelijke kansen om kwalitatief goed onderwijs te doorlopen, dat hen de benodigde vaardigheden en kennis biedt om op een volwaardige wijze deel te kunnen nemen aan de samenleving.

5. Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling

4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

5.1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten.

 

5.2 Versterking van het gebruik van kennis en onderzoek in beleid en praktijk van ontwikkelingssamenwerking en versterking van post-secundaire onderwijs- en onderzoekscapaciteit in partnerlanden. Vermindering van kwalitatieve en kwantitatieve tekorten aan geschoold middenkader.

5.1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten.

5.3 Gender

5.3 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen.

5.4 HIV/AIDS

5.4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS

5.5 Reproductieve gezondheid

5.4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS

5.6 Participatie civil society

5.2 Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden.

8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur

       

6. Beter beschermd en verbeterd milieu

6.1 Milieu en water

6. Duurzaam water- en milieubeheer

6.1 Duurzaam milieugebruik wereldwijd.

 

6.2 Duurzaam waterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzame toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen

 

6.2 Efficiënt en duurzaam watergebruik, veiliger delta’s en stroomgebieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden/partnerlanden

       

7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van personenverkeer

7.1 Consulaire dienstverlening

7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer

7.1 Op basis van eigen verantwoordelijkheid consulaire dienstverlening bieden aan Nederlanders in het buitenland.

7.2 Vreemdelingenbeleid

7.2 Samen met (keten)partners het personenverkeer reguleren

       

8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur en versterking van de culturele identiteit in ontwikkelingslanden

8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur

8.2 Cultureel Erfgoed

8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur

8.3 Draagvlak Nederlands buitenlandbeleid.

8.3 Vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandse zienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenlandbeleid.

8.4 Vestigingsklimaat internationale organisaties in Nederland

8.2 Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organisaties in Nederland

       

9. Geheim

9.1 Geheim

9. Geheim

9.1 Geheim

       

10. Nominaal en onvoorzien

10.1 Nominaal en onvoorzien

10. Nominaal en onvoorzien

10.1 Nominaal en onvoorzien

       

11. Algemeen

11.1 Apparaatsuitgaven

11. Algemeen

11.1 Apparaatsuitgaven

       

ONTVANGSTEN

     

2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

2.10 Nationale en bondgenootschappelijke veiligheid

2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

2.10 Doorberekening Defensie diversen

2.70 Humanitaire dienstverlening

2.50 Restituties contributies

       

3 Versterkte Europese samenwerking

3.10 Perceptiekostenvergoedingen

3 Europese samenwerking

3.10 Perceptiekostenvergoedingen

3.40 Restitutie Raad van Europa

3.30 Restitutie Raad van Europa

       

4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

4.10 Ontvangsten tijdelijke financiering NIO en restituties

4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

4.20 Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen

       

7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van personenverkeer

7.10 Consulaire dienstverlening

7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van personenverkeer

7.10 Consulaire dienstverlening

       

8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

8,10 Doorberekening Defensie diversen

8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

8.30 Doorberekening Defensie diversen

       

11. Algemeen

11.10 Diverse ontvangsten

11. Algemeen

11.10 Diverse ontvangsten

11.20 Koersverschillen

11.20 Koersverschillen

2. BELEIDSAGENDA 2012

Belangrijkste beleidswijzigingen in 2012

De regering zet in het buitenlandbeleid in op de versteviging van drie pijlers: veiligheid, welvaart in de wereld en vrijheid. De regering stelt daarbij, meer dan in het verleden, het Nederlands belang centraal. De komende jaren vormen veiligheid en welzijn van Nederland en de Nederlanders, internationale stabiliteit en veiligheid, heroriëntatie van de ontwikkelingssamenwerking, energie- en grondstofzekerheid, internationale rechtsorde inclusief mensenrechten en handels- en economische belangen van Nederland en Nederlandse bedrijven de kern van het buitenlandbeleid.

Diplomatie is een instrument om in of met het buitenland Nederlandse doelen tot stand brengen, en staat ten dienste van alle landen van het Koninkrijk der Nederlanden. De regering maakt scherpere keuzes als het gaat om internationale inspanningen, leidend tot een selectieve inzet van de Nederlandse capaciteit. Dit geldt bij ontwikkelingssamenwerking, de geïntegreerde politietrainingsmissie in Kunduz en de bijdrage aan de bestrijding van piraterij. De trans-Atlantische samenwerking in de NAVO blijft de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Samenwerking, in het bijzonder via de Europese Unie, is meer dan ooit nodig als antwoord op grensoverschrijdende uitdagingen. Nederland heeft groot belang bij een Europa dat werkt: een Europa waar onze bedrijven kunnen exporteren en onze burgers in vrijheid en veiligheid kunnen leven. Onder de huidige omstandigheden vergt dit voor alles herstel van de financiële stabiliteit, en een duurzame verankering hiervan in het genoom van Europa door een slagvaardige Unie te creëren die effectief toeziet op het naleven van de begrotingsdiscipline. De regering investeert verder in de relatie met Israël. Begin 2012 vindt de eerste Nederlands-Israëlische samenwerkingsraad plaats, met een focus op innovatie en handel. Dat is mede in het belang van een duurzame oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict.

De Nederlandse regering gaat investeren in economische diplomatie. Het postennetwerk zal specifieker worden toegerust om de economische belangen te behartigen. Daarbij hoort ook het op duurzame wijze zeker stellen van de aanvoer van energie, grondstoffen en halffabricaten. Met de Grondstoffennotitie markeert Nederland de «kick-off van een integraal Nederlands grondstoffenbeleid 2. In 2012 krijgen de bilaterale relaties met onder meer Brazilië, de VS, Rusland en China extra aandacht. Buitenlandse bezoeken van bewindspersonen worden strategischer ingezet.

De inzet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking verschuift van sociale sectoren naar productieve sectoren 3. Economische groei vanuit een sterke private sector is immers een belangrijke motor van armoedebestrijding. De regering heeft gekozen voor vier speerpunten – veiligheid en rechtsorde, voedselzekerheid, water, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten – die aansluiten bij de Millenniumdoelen en de agenda voor de global public goods. Bij de uitwerking van deze speerpunten bevordert de regering een goed ondernemingsklimaat en investeert in samenwerking met het bedrijfsleven.

De regering heeft focus aangebracht in het mensenrechtenbeleid 4, onder meer via een selectieve thematische en geografische inzet van het Mensenrechtenfonds. Nadruk zal liggen op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting, inclusief de bevordering van internetvrijheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen, bescherming van mensenrechtenverdedigers en tegengaan van discriminatie op basis van seksuele oriëntatie. De regering ondersteunt de volwaardige deelname van vrouwen in de politieke en bestuurlijke besluitvorming binnen hun maatschappijen. Vrouwen zijn multipliers van economische ontwikkeling en stabiliteit

De regering zet sterk in op hervormingen van de multilaterale organisaties zodat ze beter zijn toegesneden op de uitdagingen van de 21e eeuw. Hiervoor is een sterke positie binnen deze organisaties belangrijk. Ook daarbij zoekt Nederland steeds de samenwerking met andere landen. Zo werkt Nederland in 2012 met België verder aan de vorming van een gezamenlijke kiesgroep in het IMF.

Consulaire dienstverlening richt zich vooral op dienstverlening aan Nederlanders in extreme nood, met een robuustere crisisrespons en een gedifferentieerde gedetineerdenbegeleiding. Hier tegenover staat een versobering en stroomlijning van de dienstverlening wanneer er geen extreme nood is. De eigen verantwoordelijkheid van de burger (zoals het afsluiten van een reisverzekering) staat voorop. De regering ondersteunt desgevraagd met informatieverschaffing over de veiligheidssituatie in het land van bestemming.

Rijksbrede bezuinigingen krijgen ook hun neerslag op het ministerie van Buitenlandse Zaken en het netwerk van Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland 5. Deze worden de komende jaren efficiënter, goedkoper en flexibeler, en beter toegerust op de eisen van deze tijd. Het aantal vertegenwoordigingen zal afnemen. Posten zijn en blijven rijksbrede dienstverleners; ten aanzien van het buitenlands beleid en de uitwerking van de herziening van de Nederlandse diplomatie op het postennetwerk is rekening gehouden met de belangen van andere departementen en die van de overzeese delen van het Koninkrijk. De veranderingen in het postennetwerk zorgen voor een deel van de taakstelling op personeel en materieel. Maatregelen om de organisatie dynamischer te maken, centralisering van bedrijfsvoering en versobering op het kerndepartement realiseren de rest van de taakstelling.

Ook op het ODA-budget wordt bezuinigd: dat daalt structureel van 0,8 procent van het BNP in 2010 naar een gemiddeld budget van 0,7 procent van het bnp vanaf 2012. De vier speerpunten en private sector ontwikkeling krijgen meer geld. De bezuinigingen op de overige gebieden zijn soms fors. De taakstelling op de niet OS-programma’s vertaalt zich onder meer in een bezuiniging van 10 procent op programma’s op de prioritaire sectoren van deze regering (veiligheid, mensenrechten en economische programma’s) en maximaal 20 procent op de overige programma’s.

Bezuiniging in EUR miljoen

2012

2013

2014

2015

Postennetwerk

2,5

16

38,75

55

Den Haag

4,5

9

16,25

19

Ontwikkelingssamenwerking

900

720

750

750

Vrijwillige bijdragen

8

24

32

40

Inleiding

De regering stelt het Nederlandse belang centraal in haar buitenlandbeleid. Zij ziet het als taak de veiligheid en het welzijn van Nederland en de Nederlanders te bevorderen. De regering richt zich op bevordering van internationale stabiliteit en veiligheid, energie- en grondstofzekerheid, bevordering van de internationale rechtsorde inclusief mensenrechten en de bevordering van handels- en economische belangen van Nederland en Nederlandse bedrijven. Dit is vastgelegd in het Regeerakkoord en geldt onverkort in 2012. Economische diplomatie krijgt meer nadruk dan voorheen. Ontwikkelingssamenwerking, internationale rechtsorde en actieve betrokkenheid bij Europese en trans-Atlantische samenwerking blijven daarnaast belangrijke kenmerken van het Nederlandse buitenlandbeleid. Deze uitgangspunten zijn vertaald in een geïntegreerd beleid met drie pijlers: veiligheid, welvaart en vrijheid. De prioriteiten in 2012 worden hieronder beschreven. Schematisch ziet de verwevenheid er als volgt uit.

Internationaal samenwerken, selectiviteit van de Nederlandse inzet, bezuinigingen

Internationaal samenwerken is het uitgangspunt voor het beleid, maar ook selectiviteit en bezuinigingen bepalen in 2012 de invulling ervan. Deze samenwerking is meer dan ooit nodig als antwoord op grensoverschrijdende uitdagingen. De veranderingen in de Arabische wereld onderstrepen de noodzaak van een geïntegreerd buitenlandbeleid. Nederland is deel van de wereld en de grens tussen binnenland en buitenland vervaagt. Met diplomatie kunnen we in of met het buitenland Nederlandse doelen tot stand brengen. Daarbij hoort de bijdrage aan internationale inspanningen, zoals ontwikkelingssamenwerking, de geïntegreerde politietrainingsmissie in Kunduz en de bijdrage aan de bestrijding van piraterij. De regering wil scherpe keuzes maken en de Nederlandse capaciteit selectief gebruiken, waarbij de trans-Atlantische samenwerking in de NAVO de hoeksteen blijft van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Reizen van bewindspersonen worden strategischer ingezet. Concreet betekent dit dat de regering een lange termijn planning van de reizen nastreeft, afgestemd tussen de betrokken bewindspersonen en gericht op de voor Nederland belangrijke landen.

De internationale samenwerking van Nederland krijgt voor een belangrijk deel vorm via de Europese Unie. Het Nederlandse belang is gediend met een Europa dat onze veiligheid, welvaart en vrijheid bevordert. Een sterke interne markt is daarbij de motor van economische groei en werkgelegenheid, juist in handelsland Nederland. Een stabiele muntunie is cruciaal voor exporterende bedrijven en burgers met spaargeld en pensioentegoeden. Daarvoor moeten de afspraken over degelijk begrotingsbeleid worden nagekomenen zo nodig worden afgedwongen. De regering streeft naar een stelsel van sterke en effectieve multilaterale organisaties. Het huidige stelsel moet worden toegesneden op de uitdagingen van de 21e eeuw: representatiever, coherenter, efficiënter en effectiever. Nederland neemt van oudsher een sterke positie in binnen multilaterale organisaties zoals de Verenigde Naties en de Bretton Woods-instellingen. De regering wil die positie behouden en gebruiken om aan hervormingen bij te dragen. Zij volgt de doeltreffendheid en de doelmatigheid in de beleidsuitvoering van deze organisaties op de voet. De regering werkt in 2012 met België verder aan de vorming van een gezamenlijke kiesgroep in het IMF.

De bezuinigingen maken het nog belangrijker middelen selectief te benutten. Effectiviteit en duurzaamheid zijn leidend bij alle activiteiten en bij de keuze voor partnerschappen binnen de Europese Unie, de NAVO, de Verenigde Naties of andere internationale organisaties, in gelegenheidscoalities of met het bedrijfsleven, de wetenschap of maatschappelijke organisaties.

In deze begroting zijn de forse HGIS-bezuinigingen uit het Regeerakkoord meerjarig verwerkt. De keuzes en hervormingen voor het Nederlandse postennetwerk, ontwikkelingssamenwerking en de andere beleidsterreinen van Buitenlandse Zaken volgen hieronder. De financiële uitwerking zit in de beleidsartikelen.

De taakstelling uit het Regeerakkoord op personeel en materieel op de begroting van Buitenlandse Zaken loopt op vanaf 2013 tot EUR 78 miljoen structureel. Hier bovenop komt de laatste taakstelling van EUR 7 miljoen van de regering Balkenende IV vanaf 2012. Dit betekent voor deze begroting een taakstelling die oploopt van EUR 7 miljoen in 2012, EUR 25 miljoen in 2013, EUR 55 miljoen in 2014, EUR 74 miljoen in 2015 en structureel EUR 85 miljoen. Hiervan komt EUR 55 miljoen uit inkrimping van en efficiencymaatregelen binnen het postennetwerk, zoals de Kamerbrief Modernisering Diplomatie6 uiteenzet. Deze brief beschrijft hoe de herziening van de Nederlandse diplomatie de komende jaren uitwerkt op het postennetwerk: slanker en sterker. Dat levert niet alleen een efficiënter en goedkoper postennetwerk op, maar ook een flexibelere inzet die beter past bij de eisen van deze tijd. Precies die opdracht heeft de regering zich in het Regeerakkoord gesteld; de vernieuwende focus is tot stand gekomen in nauwe afstemming tussen alle landen van het Koninkrijk der Nederlanden. Het resterende bedrag van EUR 19 miljoen in 2015 komt uit maatregelen die de organisatie op het kerndepartement dynamischer maken, centraliseren en versoberen.

Het ODA-budget voor ontwikkelingssamenwerking daalt structureel van 0,8 procent bnp in 2010, via een tussenstap van 0,75 procent bnp, naar een gemiddeld budget van 0,7 procent bnp vanaf 2012. De bezuiniging voor 2012 bedraagt EUR 900 miljoen, in 2013 en 2014 daalt het budget met EUR 720 miljoen en EUR 750 miljoen. Hierdoor is een aangepaste themavoering nodig. De Basisbrief en de Focusbrief werken deze verlaging en verschuiving van het ODA-budget uit. De vier speerpunten – veiligheid en rechtsorde, water, voedselzekerheid en seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten – en private sector ontwikkeling krijgen meer geld. Overige thema’s als onderwijs, begrotingssteun en gezondheidszorg krijgen te maken met soms forse bezuinigingen. Deze begroting werkt dit verder uit.

De HGIS-taakstelling op vrijwillige bijdragen voor non-ODA-programma’s bedraagt in totaal EUR 50 miljoen, waarvan EUR 40 miljoen op de begroting van Buitenlandse Zaken en EUR 10 miljoen op de begroting van andere departementen. Bij Buitenlandse Zaken loopt dit op van EUR 8 miljoen in 2012, EUR 24 miljoen in 2013, EUR 32 miljoen in 2014 tot EUR 40 miljoen in 2015. Deze taakstelling vertaalt zich in een bezuiniging van 10 procent op programma’s op de prioritaire sectoren van deze regering, veiligheid, mensenrechten en economische programma’s, en maximaal 20 procent op de overige programma’s. Verdragsrechtelijke en overige structurele verplichtingen zijn niet gekort.

De regering zet zich in voor beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat tot doel heeft dat Nederlands, Europees en internationaal beleid op niet-hulpterreinen zo coherent mogelijk is met de ontwikkelingsdoelstellingen. In dat kader voert de regering de motie van de kamerleden Ferrier/Dikkers uit die vraagt om «vanuit een mondialiseringsvisie coherentie voor duurzame ontwikkeling vorm te geven». De regering kiest daarbij voor een praktische beleidsagenda. Daarin staan mondiale uitdagingen (global public goods) centraal die van belang zijn voor de ontwikkelingsdoelstellingen. De vijf prioritaire global public goods betreffen: handel en financiering, klimaatverandering, voedselzekerheid, migratie, en vrede en veiligheid. Hiermee sluit de beleidsagenda aan bij de vijf EU-prioriteiten voor beleidscoherentie.

1e pijler: werken aan veiligheid

Veiligheid in de wereld vergroot de veiligheid van en in ons land. Er zijn mondiale veiligheids- en stabiliteitsrisico’s. Vaak zijn statelijke actoren de bron en betreffen de conflicten een strijd tussen staten onderling of tussen staten en groeperingen die een staat willen worden. De ontwikkelingen in Arabische regio bewijzen dat veiligheidsrisico’s ook bestaan in de directe nabijheid van de lidstaten van de Europese Unie. Zij vereisen internationale samenwerking en trans-Atlantische samenwerking in het bijzonder. In het Midden-Oosten wil de regering de relatie met Israël verder intensiveren. Hiertoe vindt begin 2012 de eerste Nederlands-Israëlische samenwerkingsraad plaats. De focus hierbij ligt op innovatie en handel. Dat is mede in het belang van een duurzame oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict. Ook energie- en grondstoffenzekerheid hebben een belangrijke veiligheidsdimensie, waaraan deze regering aandacht besteedt.

Effectieve internationale samenwerking is nodig opdat Nederland in- en extern veilig kan zijn. De NAVO is een sleutelspeler op het wereldtoneel en heeft bewezen zich aan veranderende omstandigheden te kunnen aanpassen. De NAVO is een solide waardengemeenschap, die ervoor zorgt dat de bondgenoten er keer op keer met elkaar uit kunnen komen. Een voorbeeld hiervan is het eensgezinde optreden in Libië ter bescherming van de burgerbevolking waarbij Nederland een sterke en evenredige bijdrage levert. Een toekomstige Nederlandse bijdrage wordt bezien in het licht van de politieke en militaire omstandigheden. De trans-Atlantische samenwerking in de NAVO blijft onverminderd de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Het NAVO Strategisch Concept van november 2010 herbevestigt het principe van collectieve, bondgenootschappelijke verdediging van bondgenoten, inclusief tegen nieuwe bedreigingen.

Multilaterale organisaties schragen een internationale rechtsorde die bijdraagt aan onze veiligheid en welzijn. De Verenigde Naties bieden het mondiale platform voor internationaal overleg over de belangrijkste internationale uitdagingen. Nederland wil daarom sterk vertegenwoordigd blijven in de VN en andere mondiale fora.

Het aantal staten met kernwapens is sinds de inwerkingtreding van het Non-Proliferatieverdrag gegroeid. De verspreiding van massavernietigingswapens, waaronder kernwapens en de technologie ervoor is een grote bedreiging. Het nucleaire en vooral ook het raketprogramma van Iran vormt een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid. In 2012 blijft de regering zich inspannen om nucleaire proliferatie tegen te gaan.

Maar we hebben ook te maken met bedreigingen van de interne veiligheid door niet-statelijke actoren, zoals onderkend in het nieuwe Strategische Concept van de NAVO. Terrorisme en andere vormen van grensoverschrijdende misdaad bedreigen Nederlandse belangen en de stabiliteit in onze samenleving. Het gaat onder meer om drugs- en mensenhandel, illegale wapenhandel, piraterij, cyberaanvallen en pogingen van terroristen om massavernietigingswapens te verwerven. Bestrijding van deze bedreigingen vergt nationale en internationale samenwerking om tot een innovatieve aanpak te komen. De verhoudingen zijn asymmetrisch: hier staat niet de ene staat tegenover de andere, maar een staat tegenover steeds andere bedreigende groepen. We zoeken naar de effectiefste methodes om hiermee om te gaan.

Een hiermee samenhangend vraagstuk dat ook raakt aan onze veiligheid is het internationale personenverkeer en de toegang tot Nederland. Deze problematiek kent vele facetten en wordt voor een belangrijk deel in Europees kader besproken. Allereerst betreft dit het tegengaan van illegale migratie, maar ook het asielbeleid en stringente bewaking van de buitengrenzen van de Unie vallen hieronder. Tegelijkertijd is de visumverlening bedoeld om juist diegenen die Nederland willen aandoen, zoals buitenlandse zakenlieden en kenniswerkers, daartoe de mogelijkheden te bieden. In samenspraak met de ministeries van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt gestreefd naar het bereiken van de doelstellingen uit het regeerakkoord.

De Europese Unie draagt ook substantieel bij aan onze veiligheid. In eerste instantie doet zij dat in Europa zelf. Via het nabuurschapsbeleid voor de ooster- en de zuiderburen draagt de EU bij aan stabiliteit en (energie)veiligheid aan haar grenzen. Eind september 2011 vindt de top van het Oostelijk Partnerschap plaats. Bovendien voert de EU twaalf civiele en militaire missies uit onder de vlag van het Gemeenschappelijke Veiligheids- en Defensiebeleid, die veelal een combinatie van hard en soft power behelzen. De combinatie van civiel en militair is een uniek product en een meerwaarde van de EU; veel bedreigingen kunnen immers niet alleen met militaire middelen worden opgelost. Daar komt een breder scala aan instrumenten aan te pas, waaronder steun bij de opbouw van de rechtsstaat, wederopbouw en verzoening. In 2012 wil de regering de instrumenten van de Unie nog effectiever en coherenter gebruiken, bijvoorbeeld in Afghanistan (via EUPOL). Zij streeft ernaar dat de EU in het komende jaar intern en met derden nog beter samenwerkt.

De ervaring met de 3D-aanpak, de samenhang in het gebruik van diplomatieke, militaire en ontwikkelingssamenwerkingsmiddelen, geeft Nederland toegevoegde waarde. De Nederlandse benadering is een land-specifieke combinatie van defensie, diplomatie en ontwikkeling. De regering gaat verder met de bevordering van veiligheid in zwakke staten door de onderliggende oorzaken van instabiliteit, conflict en uitsluiting aan te pakken. Dat kan grootschalig, zoals dat is gebeurd in Uruzgan, maar ook op kleinere schaal, in bijvoorbeeld Soedan en Burundi. Begin 2011 besloot de regering met bijdragen aan de EU en de NAVO een geïntegreerde politietrainingsmissie op te zetten in Afghanistan. Deze missie in Kunduz en Kabul bouwt verder op eerdere inspanningen in Afghanistan. Nederland gaat de Afghanen de komende jaren helpen de rechtsstaat op te bouwen, zodat zij zelf de openbare orde kunnen handhaven. Nederlandse politieagenten, experts van het Openbaar Ministerie en het gevangeniswezen, marechaussees, ontwikkelingsexperts, mensenrechtendeskundigen, militaire trainers en ondersteuners, diplomaten en juristen werken nauw samen om de Afghaanse civiele politie en justitiële instellingen te versterken. Dat is essentieel voor het vertrouwen van de bevolking in de overheid en vitaal voor de verzelfstandiging van Afghanistan.

De actieve bijdrage van mannen en vrouwen bij vredesopbouw is een basis voor duurzame politieke en economische stabiliteit. Vrouwen moeten de rechten en kansen hebben om gelijkwaardig deel te nemen aan vredes- en wederopbouwprocessen. De regering vindt het belangrijk dat vrouwenrechten aandacht krijgen tijdens civiele en militaire missies. Zij voert daarom Veiligheidsraadresolutie 1325 actief uit.

Ook de aanpak van piraterij en terrorismebestrijding is geïntegreerd. Nederland neemt deel aan antipiraterijmissies voor de kust van Somalië en in de Indische Oceaan en gaat daarmee door. De regering wil daar nog effectiever optreden. Dat is de militaire kant. Tegelijkertijd wil de regering bijdragen aan capaciteitsopbouw. Landen in de regio moeten op termijn zelf in staat zijn piraterij te bestrijden. Het is zaak naast directe bestrijding van het fenomeen als zodanig ook de oorzaken van piraterij aan te pakken.

Bij terrorismebestrijding is preventie een belangrijke poot. De regering wil radicalisering en grensoverschrijdende criminaliteit in derde landen tegengaan en benut daarvoor politieke, financiële en andere middelen. De bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme houdt ook na de dood van Osama bin Laden de hoogste prioriteit. Cyberbedreiging verdient een plaats in het buitenlandbeleid als een belangrijke nieuwe bedreiging. De regering pakt dit samen met burgers, bedrijfsleven en ngo’s in Nederland en in het buitenland aan.

De regering wil de rol vasthouden die Nederland speelt als non-proliferatie- en ontwapeningsmakelaar. Juist als middelgroot en betrouwbaar land kan Nederland bruggen slaan in moeizame multilaterale onderhandelingen. Nederland is één van de initiatiefnemers van het Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI), een groep van tien landen waaronder Japan, Australië, Mexico en Duitsland. Deze ad-hoc coalitie maakt zich hard voor de uitwerking van het actieplan van de laatste toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag. Ook speelt Nederland een actieve rol bij exportcontroleregimes en bij het tegengaan van de verspreiding van goederen en technologieën voor nucleaire, chemische en biologische wapens en van rakettechnologie. In 2012 vindt mogelijk een conferentie plaats over een massavernietigingswapens vrije zone in het Midden Oosten, waarbij Nederland een belangrijke rol wenst te spelen.

2e pijler: werken aan welvaart – economische diplomatie

De verdere ontsluiting van de wereld en de grotere verwevenheid van landen bieden grote kansen voor onze ondernemers en ons bedrijfsleven. De mogelijkheden groeien om handel te drijven, te reizen en te communiceren. Nederlanders kunnen die kansen grijpen. De regering is van oudsher een vurig pleitbezorger van vrijhandel en een gelijk speelveld voor alle landen. Daarom streeft zij ernaar dat zoveel mogelijk landen aansluiten bij het wereldhandelssysteem. Daar profiteert Nederland van en anderen ook. Aansluiting op het wereldhandelssysteem schept kansen voor groei en werkgelegenheid voor iedereen. Binnen de EU zet de regering zich ervoor in de Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie vlot te trekken. Alle landen profiteren hiervan, zeker ook ontwikkelingslanden. De bestrijding van protectionisme en corruptie, het wegnemen van handelsbarrières, een gelijk speelveld en een betrouwbare juridische en bancaire infrastructuur zijn van wezenlijk belang voor de Nederlandse veiligheid, groei en welvaart.

De laatste jaren is het mondiale krachtenveld sterk veranderd. De sterke groei van Azië en andere opkomende economieën, zoals Brazilië en Turkije, doet zich voelen. De wereldbevolking groeit en het welvaartsniveau stijgt in deze opkomende economieën. Dat heeft gevolgen voor Nederland. Nieuwe koopkrachtige afzetmarkten bieden kansen voor het Nederlands bedrijfsleven en nieuwe investeerders spelen een waardevolle rol in de Nederlandse economie. Tegelijkertijd is het niet vanzelfsprekend dat de wereldmarkt de komende decennia volgens de huidige spelregels blijft functioneren. Dit betekent dat de regering zich inzet afspraken te maken met andere landen die goed zijn voor het economisch klimaat in de wereld en dus ook voor Nederlandse bedrijven inclusief het midden- en kleinbedrijf, beter toezicht op de financiële sector en vrijhandel.

De financieel-economische crisis en schulden van een aantal westerse economieën hebben ook gevolgen voor de verhoudingen in de wereld. Er is aanhoudende onrust over het internationale financiële en monetaire systeem. Onzekerheid over de dollar en de euro heeft op de korte termijn bijgedragen aan volatiele aandelenmarkten. Ook op de langere termijn zijn er onevenwichtigheden die de wereldwijde economische stabiliteit beïnvloeden. Juist voor de kleine en open Nederlandse economie is een robuuste ontwikkeling van de wereldeconomie van essentieel belang. De regering blijft daarom actief bijdragen aan inspanningen om de economische stabiliteit te waarborgen.

Economische diplomatie, waarbij de Nederlandse overheid voor een economisch doel onderhandelt met een buitenlandse publiek/private partij ten behoeve van het bevorderen van handel- en R&D-samenwerking en het binnenhalen van investeringen, krijgt hoge prioriteit. Onze vertegenwoordigingen in het buitenland ondersteunen het bedrijfsleven bij het verkrijgen van markttoegang, het vinden van geschikte partners en trouble shooting: waar bedrijven op obstakels stuiten, kan de ambassade interveniëren bij buitenlandse overheden. Onze diplomaten kunnen de lokale context en regelgeving duiden, waar nodig bemiddelen en hun netwerk inzetten.

De regering streeft naar de bescherming van de Nederlandse economische belangen op lange termijn. Zo moet de aanvoer van energie, grondstoffen en aardmetalen verzekerd zijn. De groeiende concurrentie om deze hulpbronnen kan een bron zijn van conflicten. Hier ligt een verband met onze veiligheidsbelangen. Het Energierapport 2011 maakt een grondige analyse van de energievoorzieningszekerheid en identificeert de landen die hierbij belangrijk zijn voor Nederland: de buurlanden en de grote strategische spelers, zoals Brazilië, VS, Rusland en China. In 2012 wordt de bilaterale relatie met deze landen nader gestructureerd. Het beleid op het gebied van grondstoffenzekerheid wordt uitgevoerd op basis van de grondstoffennotitie2. Daarbij zijn duurzaamheid en ketenbenadering van groot belang.

Handelsmissies, beurzen, publieksdiplomatie, culturele evenementen en uitwisselingen en onderwijs- en onderzoekssamenwerking dragen allemaal bij aan het goed op de kaart zetten van Nederland in het buitenland. Dat is bekend instrumentarium. De regering wil daar slimmer en strategischer mee omspringen, optimaal gebruik makend van de beperkte middelen. Dat gebeurt bijvoorbeeld via een strategische inzet van de reizen van de bewindspersonen. Dat vergt dat we per markt, per sector, per regio zelfs, bekijken wat nodig is. Het ministerie van Buitenlandse Zaken werkt op dit terrein nauw samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, dat internationaal ondernemen coördineert. Om de kansen van Nederlandse bedrijven in snel groeiende massamarkten zoals China, India en Brazilië te optimaliseren, wordt daaraan speciale aandacht besteed. Maar ook groeimarkten en strategische knooppunten als Vietnam en Panama rechtvaardigen extra inzet. Juist in deze landen zijn goede contacten met de overheid van groot belang. De regering zal zich bij de uitvoering van de economische diplomatie richten op negen zogenoemde «topsectoren», waarin Nederland een sterke internationale positie heeft: voedsel, agro and food, tuinbouw, hightech, energie, logistiek, creatieve industrie, life sciences, chemie en water. Het gaat er nu om de kansen van het Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen op deze gebieden maximaal te benutten. Ook zullen de Caribische partners in het Koninkrijk worden ondersteund met een betere benutting van de economische strategische ligging en de culturele verbondenheid met de Latijns-Amerikaanse regio van de eilanden.

Economische diplomatie wordt ook ingezet ter bevordering van onze bredere internationale economische belangen. Ook het verbeteren van de interne markt van de Europese Unie valt er onder. Die interne markt heeft Nederland al veel opgeleverd in termen van welvaart en werkgelegenheid. Maar zij kan nog steeds verder worden vervolmaakt. De regering heeft de verdere vervolmaking van de interne markt voor diensten, energie en intellectueel eigendom voor ogen. Dit zou voor de Nederlandse economie, die voor 80 procent op diensten is gebaseerd, forse groei opleveren. Aandacht voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen maakt ook deel uit van economische diplomatie. Nederlandse bedrijven zullen onder andere via de posten worden ondersteund en geïnformeerd over het aanpakken van mogelijke schendingen van OESO-normen in hun productieketen.

3e pijler: werken aan vrijheid

De regering geeft prioriteit aan thema’s als de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting inclusief de bevordering van internetvrijheid. Zij wil hierbij een voortrekkersrol vervullen. De regering beoogt mediadiversiteit in landen waar die tekort schiet te bevorderen, bloggers en cyberdissidenten te ondersteunen, gedragscodes voor bedrijven te bepleiten en sluitende Europese regelgeving. Samen met Canada, Zweden, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk speelt Nederland een rol in de voorhoede van de internetvrijheid. De regering spant zich meer nog dan voorheen in vervolging van religieuze minderheden tegen te gaan. Ook voor de rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders spant de regering zich bijzonder in. De regering ondersteunt gelijke rechten en kansen voor vrouwen. De regering ondersteunt daarom de volwaardige deelname van vrouwen in de politieke en bestuurlijke besluitvorming binnen hun maatschappijen. Dit verhoogt de efficiëntie en effectiviteit van beleid en is een voorwaarde voor economische ontwikkeling, democratisering, goed bestuur, vrede, veiligheid en stabiliteit. Vrouwen zijn multipliers van economische ontwikkeling en stabiliteit.

Verdedigers van mensenrechten en hun organisaties staan centraal in het beleid. Zij moeten zich gesteund weten. Het Mensenrechtenfonds steunt projecten op deze ijkpunten, voor een groot deel via de ambassades. Het gaat om projecten die verdedigers van mensenrechten helpen voet aan de grond te krijgen in hun land. De Arabische wereld krijgt hierbij prioriteit vanwege de zorgelijke mensenrechtensituatie in deze regio. Duurzame transitie zal alleen gebeuren als er democratie, rechtstaat en respect mensenrechten zijn.

Een sterke internationale rechtsorde vereist goed functionerende internationale instellingen met een breed draagvlak. De Nederlandse traditie van volkenrechtelijke expertise komt tot uitdrukking in de positie van Den Haag als juridische hoofdstad van de wereld. Nederland zal zich blijven inspannen voor de erkenning van de rechtsmacht van de internationale hoven en tribunalen, waaronder het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof.

Mensenrechten hebben intrinsieke waarde. Bij ernstige schendingen van fundamentele rechten, zoals marteling, de doodstraf, buitengerechtelijke verdwijningen en verkrachtingen, vinden de slachtoffers de regering aan hun zijde. Daarnaast spant de regering zich in om genocide en oorlogsmisdaden te voorkomen en daders te bestraffen.

De regering probeert notoire schenders van mensenrechten de voet dwars te zetten, bijvoorbeeld met Europese sancties tegen hen. Zij bepleit dat landen die niet voldoen aan basisnormen voor democratie en mensenrechten minder of zelfs geen EU-hulp krijgen. Naast deze morele overwegingen, is de bevordering van respect voor mensenrechten ook in het eigen belang. Nederland vaart wel bij een stabiele internationale omgeving, waar de regels van de rechtsstaat worden nageleefd en de mensenrechten worden gerespecteerd. Dat is goed voor handel en investeringen. Waarden en belangen gaan hier gelijk op. Nederlandse ambassades bevorderen maatschappelijk verantwoord ondernemen en mensenrechten in hun contacten met (Nederlandse) bedrijven.

De notitie «Verantwoordelijk voor vrijheid – mensenrechten in het buitenlandbeleid» van april 2011 beschrijft de Nederlandse positie voor het mensenrechtenbeleid als een coherent en compact mensenrechtenbeleid dat concrete resultaten oplevert. De beperkte middelen dwingen ons keuzes te maken om effectief te zijn. Dat betekent principieel zijn waar dat nodig is, maar zeker ook gericht zijn op dialoog. Waar gelijkgezinde landen expertise en gedrevenheid aan de dag leggen, sluit de regering zich aan bij bestaande initiatieven. Dat gebeurt multilateraal waar mogelijk, bilateraal waar nodig. Het effect is groter als alle 27 lidstaten samen optrekken. Het Verdrag van Lissabon, waarin onder meer de toetreding van de EU tot de EVRM is afgesproken, heeft een impuls gegeven aan het gemeenschappelijke buitenlandbeleid van de EU. Van die gemeenschappelijkheid wil de regering optimaal gebruik maken. Dat geldt ook voor de totstandkoming van een Europees mensenrechtenbeleid en de afstemming tussen EU-instellingen en lidstaten over de uitvoering ervan.

Buitenlandse Zaken treft samen met Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorbereidingen om Radio Nederland Wereldomroep per 1 januari 2013 te richten op de bevordering van het vrije woord, in de wereld. Dit vult de afspraken uit het Regeerakkoord in.

In focus: geïntegreerd beleid voor de Arabische regio

De veranderingen in de Arabische wereld benadrukken de noodzaak van een geïntegreerd buitenlandbeleid dat veiligheid, welvaart en vrijheid in samenhang ziet. Waar mensenrechten met voeten worden getreden, waar de rechtsstaat in verdrukking is en waar jongeren nauwelijks toekomstperspectief hebben, is stabiliteit niet blijvend en kan de welvaart niet duurzaam toenemen. Het verschil tussen stabiliteit en pseudostabiliteit heeft zich in de Arabische regio duidelijk gemanifesteerd. De mensen daar verdienen een transitie die leidt tot maatschappelijke en economische hervormingen, een inclusieve democratie en respect voor burgerlijke vrijheden en mensenrechten.

De regering wil bijdragen aan die transitie. Zij moet duurzaam zijn en leiden tot economische groei, mede door opbouw van de economische infrastructuur, en groei van de werkgelegenheid. Bij deze bijdrage past bescheidenheid: de eerste verantwoordelijkheid ligt in de regio zelf. Zonder drive van binnenuit lukt het niet. Nederland en de EU kunnen de transitieprocessen wel goed ondersteunen en begeleiden. De leidende principes hierbij zijn: multilateraal waar mogelijk bilateraal waar nodig, vraag gestuurd en op basis van conditionaliteit.

Hoe de landen aan de zuidflank van Europa zich ontwikkelen, is ook belangrijk voor Nederland en de Europese Unie. Het zijn potentieel grote afzetmarkten en het zijn energieleveranciers. Een ontwikkeling in de verkeerde richting kan leiden tot internationale criminaliteit, terrorisme en illegale immigratie. De openstelling van de Europese markt is van wezenlijk belang voor economische ontwikkeling en werkgelegenheid. Daarom pleit de regering voor verbeterde markttoegang voor producten uit de Arabische regio, in het bijzonder voor agrarische producten.

De EU heeft binnen de bestaande begroting extra middelen vrijgemaakt om de regio te ondersteunen. Dit betreft schenkingsmiddelen voor het Europese Nabuurschapsbeleid en EIB leningen, waarvan 5% kan worden toegerekend aan Nederland. De regering houdt aandacht voor rechtmatige, effectieve en efficiënte besteding van deze gelden. Daarnaast kan Nederland onder andere via de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), de Europese Investeringsbank (EIB), het IMF en de Wereldbank de steun voor de transitieprocessen beïnvloeden. Bovenop het Nederlandse deel van de multilaterale bijdragen aan de Arabische regio 8 maakt de regering zelf in 2012 EUR 7,5 miljoen vrij voor ondersteuning van de regio. Dat loopt op tot EUR 15 miljoen in 2015. Het gaat dan om ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, politieke partijen, training van diplomaten, ondersteuning van betrouwbare justitie-instellingen en om ondersteuning van het bedrijfsleven, in het bijzonder het MKB. Bij de aanwending van de extra middelen focust de regering eerst vooral op Egypte en Tunesië en in een tweede fase op Marokko en Jordanië.

Ontwikkelingssamenwerking

Ontwikkelingssamenwerking is integraal onderdeel van het Nederlandse buitenlandbeleid zoals beschreven in de Basisbrief en de Focusbrief aan de Tweede Kamer. Veiligheid, welvaart en vrijheid zijn nauw verbonden aan dit beleidsterrein. Als mensen niet van hun fundamentele vrijheden en rechten kunnen genieten en in onveiligheid moeten leven, leidt dat tot instabiliteit en menselijk lijden. Onveiligheid en instabiliteit belemmeren bovendien economische groei en welvaart. In de lijst partnerlanden zitten daarom enkele fragiele staten, waar de regering probeert veiligheid en stabiliteit te bevorderen. De regering wil en kan bijdragen aan de verbetering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Water en voedselzekerheid zijn belangrijke elementen in de ontwikkeling en welvaart in ontwikkelingslanden. Nederland heeft iets te bieden en te winnen bij deze twee speerpunten die aansluiten bij de Nederlandse economische topgebieden. De landenkeuze houdt verder rekening met kansen en mogelijkheden van Nederlandse bedrijven in die landen. Het verlenen van humanitaire hulp aan slachtoffers van natuurrampen en conflicten, zoals in de Hoorn van Afrika, blijft van groot belang evenals zorg voor vluchtelingen in de regio. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar maximalisering van de effectiviteit, mogelijkheden van zelfredzaamheid en betere verantwoording over de besteding van de middelen.

Een integrale aanpak van ontwikkelingsproblematiek is ook internationaal nodig. De regering maakt zich daarvoor sterk, zeker ook binnen de EU. EU- of nationaal regeringsbeleid moet belangen van ontwikkelingslanden zo min mogelijk schaden. Bij interdepartementale afstemming houdt de regering de beleidscoherentie voor ontwikkeling voortdurend in de gaten. Er komt sterkere expertise bij Buitenlandse Zaken voor beleidscoherentie voor ontwikkeling.

Bij de Nederlandse inzet in het multilaterale kanaal wordt aangesloten bij de gekozen bilaterale beleidsthema's binnen een bredere ondersteuning van het multilaterale systeem. Hierbij wordt zo veel mogelijk vastgehouden aan het uitgangspunt dat de combinatie van relevantie en effectiviteit de hoogte van de Nederlandse bijdragen bepaalt. Een dergelijke afweging verdient maatwerk. Bijkomende factoren zoals de inschatting van het perspectief op verbetering van de organisatie zullen per geval worden meegewogen.

Goede bedoelingen zijn onvoldoende basis voor effectieve ontwikkelingssamenwerking. De regering kiest voor gebieden waar Nederland internationaal verschil kan maken door haar kennis en expertise en die het nationale belang dienen. Dit is ook goed voor het draagvlak. De regering wil een herkenbaar profiel voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en moet tegelijkertijd bezuinigen. Dat heeft geleid tot een fundamentele koerswijziging met minder thema’s en minder landen.

Uiteindelijk is het doel zelfredzaamheid voor armen. De inzet verschuift van sociale sectoren naar productieve sectoren. Economische groei vanuit een sterke private sector is immers een belangrijke motor van armoedebestrijding. De regering heeft gekozen voor vier speerpunten, die aansluiten bij de Millenniumdoelen en de agenda voor de global public goods. Die speerpunten verbinden wereldwijde problemen en Nederlandse kennis. Het zijn: (1) veiligheid en rechtsorde, (2) voedselzekerheid, (3) water en (4) seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Bij de uitwerking van de vier speerpunten bevordert de regering een goed ondernemingsklimaat en investeert in samenwerking met het bedrijfsleven 9.

Veiligheid en rechtsorde

Voorkomen van conflicten bespaart menselijk leed en is efficiënt. De regering wil veiligheid bevorderen in zwakke staten door de onderliggende oorzaken van instabiliteit, conflict en uitsluiting aan te pakken. De Nederlandse benadering is een land-specifieke combinatie van defensie, diplomatie en ontwikkeling. De prioriteiten zijn verbetering van veiligheid voor mensen en ontwikkeling van de rechtsstaat (op basis van een scheiding der machten en de Rule of Law), ondersteuning van legitieme overheden met voldoende capaciteit, verbetering van sociale voorzieningen, creatie van werkgelegenheid, versterking van de rol van vrouwen in vredesprocessen en effectievere multilaterale inzet in post-conflictsituaties.

Water

Steeds meer landen kampen met waterproblemen. Dit heeft ook gevolgen voor de stabiliteit van ontwikkelingslanden. De regering wil bijdragen aan effectief en integraal waterbeheer, op terreinen waar Nederland een kennisvoorsprong heeft en waar samenwerking tussen overheid, Nederlandse bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen meerwaarde heeft. De prioriteiten zijn efficiënt watergebruik voor duurzame voedselproductie, veilige delta’s en beheer van stroomgebieden (inclusief aanpassing aan klimaatverandering) en verbeterde toegang tot veilig drinkwater en sanitatie. De regering werkt hierbij samen met de brede Nederlandse watersector. Zij breidt de publiek-private partnerschappen en samenwerkingsprogramma’s daarvoor uit met, bijvoorbeeld, drinkwaterbedrijven, kennisinstituten en ngo’s. Zij versterkt de samenwerking in het Water Mondiaal-programma.

Voedselzekerheid

Ontwikkeling van de private sector is een essentiële voorwaarde voor meer economische groei en draagt bij aan voedselzekerheid, een belangrijk element bij het behalen van millenniumdoel 1 (Halvering van honger en het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft). Wereldwijd zijn 1 miljard mensen chronisch ondervoed en hebben 2 miljard mensen een tekort aan essentiële voedingsstoffen. Nederland wil de voedselzekerheid vergroten door duurzame productie, efficiënte markten, grotere inkomenszekerheid en betere toegang tot gezond voedsel te stimuleren. De prioriteiten zijn stimulering van innovatie, duurzame ketenontwikkeling, betere toegang tot goede voeding voor armere bevolkingsgroepen door onder meer hogere werkgelegenheid en het wegnemen van knelpunten voor producenten.

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten 10

Zwanger worden, zwanger zijn en bevallen leiden in ontwikkelingslanden vaak tot ziekte en complicaties. De regering is een vooruitstrevende en standvastige pleitbezorger van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Prioriteiten zijn pleitbezorging en beïnvloeding van beleid, effectieve dienstverlening door een betere aansluiting tussen overheid en private sector, capaciteitsversterking in de reproductieve gezondheidszorg, onderwijs, en gericht onderzoek om toegang tot voorzieningen te verbeteren. Reproductieve gezondheid, algemene gezondheid en de hiv/aidsproblematiek beïnvloeden elkaar. De regering wil zich concentreren op het vlak waar deze drie bij elkaar komen. Dit betekent dat Nederland zich richt op het voorkomen van uitsluiting en bestrijding van discriminatie in de gezondheidszorg, betere toegang voor jongeren tot informatie over seksualiteit en gezondheid, verbetering van rechten van gemarginaliseerde groepen, verbeterde toegang tot anticonceptie, hiv preventie, vaccins en andere medische middelen en verbetering van seksuele en reproductieve zorg, incl. veilige abortus. Juist daar kan Nederland een verschil maken ten opzichte van andere donoren.

Dwarsdoorsnijdende thema’s

Milieu, goed bestuur, en gelijke rechten en kansen voor vrouwen (gender) zijn dwarsdoorsnijdende thema’s. Zij wegen mee bij de programmering en in de uitvoering van het beleid op de bovengenoemde speerpunten.

Partnerlanden

Het aantal partnerlanden is verminderd van 33 naar 15. De keuze voor de partnerlanden houdt rekening met de mogelijkheid resultaten te boeken, het inkomens- en armoedeniveau, de mogelijkheid de speerpunten vorm te geven, de belangen van andere departementen, de financiële omvang van het lopende hulpprogramma, de mate van goed bestuur, en de mate waarin de eventuele sluiting of omvorming van het hulpprogramma bijdraagt aan de voorgenomen bezuinigingen op het postennetwerk. De landenlijst bevat drie categorieën:

  • lage-inkomenslanden: Benin, Ethiopië, Mali, Mozambique, Oeganda en Rwanda;

  • fragiele staten: Afghanistan, Burundi, Jemen, Palestijnse Autoriteiten en Soedan;

  • en landen met een gezonde economische groei: Bangladesh, Ghana, Kenia en Indonesië.

Ook in enkele andere landen investeert de regering ontwikkelingsgeld. Colombia, Vietnam en Zuid-Afrika komen in aanmerking voor een transitiefaciliteit. Besteding via multilaterale fondsen, het maatschappelijke kanaal en centrale programma’s blijft bestaan. De uitfasering en transformatie in de afgevallen landen gebeurt zorgvuldig. De regering streeft naar een gezamenlijke aanpak met andere donorlanden. De ambassades werken de komende periode een op maat gesneden exit- of transformatiestrategie uit.

Nederland in Europa

Europa is van groot belang om de drie pijlers van het buitenlandbeleid, veiligheid, welvaart en vrijheid, te schragen. De waarden waarop de Europese Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en de doelstellingen van de EU onder meer de creatie van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, de totstandbrenging van een interne markt, evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit, bijdrage en vrede en veiligheid, sluiten nauw aan bij de buitenlandspolitieke doelstellingen van de regering. Tegelijkertijd meent de regering dat de EU zeker niet de enige supra- en internationale organisatie is die van belang is om de buitenlandse politieke doelstellingen te realiseren. Ook de NAVO en VN, en in Europa de OVSE en de Raad van Europa spelen een belangrijke rol.

De grootste uitdaging voor Europa op dit moment is het herstellen van de financiële stabiliteit. Een stabiele Europese muntunie is in het belang van Nederland, zowel voor exporterende bedrijven als voor sparende burgers. Dit vergt een slagvaardige EU waarin afspraken worden nagekomen en toekomstige crises worden voorkomen. De regering werkt actief mee aan een aanpak om de financieel-economische crisis te beteugelen. Deze aanpak kent een waaier aan maatregelen.

De hoofdverantwoordelijkheid ligt bij de lidstaten zelf: zij moeten hun overheidsfinanciën op orde krijgen en economische hervormingen doorvoeren. Daarbij moet de financiële stabiliteit duurzaam worden verankerd door te garanderen dat afspraken over begrotingsdiscipline worden nageleefd. Dat vergt een slagvaardig Europees toezicht dat effectief ingrijpt wanneer lidstaten de spelregels van de muntunie overtreden. Afgelopen jaar is hieraan gewerkt door aanscherping van het Stabiliteits- en Groeipact, betere controle op nationale statistieken en begrotingsraamwerken en monitoring van macro-economische onevenwichtigheden. Ook wordt de economische beleidscoördinatie versterkt via het Europese Semester en het Euro-Plus-Pact. Om scherper en beter toezicht te houden op de geïntegreerde Europese financiële sector zijn drie nieuwe Europese toezichthouders opgericht. Ook komend jaar wordt de nieuwe regulering van de financiële sector verder uitgewerkt. Een crisisbeheersingsmechanisme is het sluitstuk van deze aanpak, om in het uiterste geval onder strenge voorwaarden bijstand te verlenen. Vanaf 2013 treedt het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) in werking, ter opvolging van de European Financial Stability Facility. De ratificatie van het ESM zal in 2012 moeten gebeuren. Echter, verdere aanscherping moet niet uitgesloten worden.

Nederland kiest voor een moderne en sobere Europese begroting. Modern vereist dat die aandacht geeft aan innovatie, asiel en migratie en veiligheid. De Europese middelen moeten bijdragen aan de prioriteiten van dit moment: een concurrerend Europa in een multipolaire wereld. De EU begroting moet sober zijn: de regering moet in vier jaar tijd EUR 18 miljard bezuinigen. Ook andere lidstaten bezuinigen. De regering wil de afdrachten aan Brussel substantieel verlagen. Op 29 juni 2011 presenteerde de Commissie haar voorstellen voor het meerjarige financiële kader 2014-2020. Dit is het begin van intensieve onderhandelingen die vermoedelijk pas eind 2012 zijn afgerond. De voorstellen zijn een goede basis voor de onderhandelingen, maar moeten op onderdelen nog wel sterk verbeteren om de Nederlandse doelstelling van modern en sober te realiseren. De regering is er duidelijk over dat landen met een lidmaatschapsperspectief kunnen toetreden wanneer zij aan de voorwaarden voldoen. Toetreding van nieuwe lidstaten leidt tot stabiliteit en welvaart in Europa. Zij dienen echter wel te voldoen aan de criteria, met name de Kopenhagen-criteria, waaronder het absorptievermogen van de EU.

Ook in 2012 vult de regering het uitbreidingsbeleid in volgens het adagium strict and fair. In 2012 zal Nederland bijzondere aandacht geven aan de ontwikkeling van de rechtsstaat in de (potentiële) kandidaat-lidstaten. Hieronder valt ook het toezicht op de justitiële hervormingen in Kroatië waarmee de Raad eind december 2011 het toetredingsverdrag tekent. Het strikt vasthouden aan de regels is noodzakelijk voor het draagvlak voor uitbreiding. Europa heeft het afgelopen decennium landen toegelaten die hier nog niet klaar voor waren. Dat is onwenselijk: toetreding van nieuwe lidstaten moet de EU versterken, niet verzwakken.

Vervolmaking van de interne markt is voor de regering een speerpunt. De interne markt is de motor van groei en banen. Om ook in de toekomst een goed functionerende interne markt te houden, en om als Europese Unie een van de leidende en hoogst ontwikkelde economieën in de wereld te blijven, moet worden ingezet op innovatie, de digitale agenda, verbetering van de concurrentiepositie en een goed functionerende dienstenmarkt. Dit is goed voor Europa én voor Nederland. Dankzij de interne markt ligt het jaarinkomen van elke Nederlander volgens het CPB nu al ongeveer 1 500 tot 2 200 euro hoger. Deze interne marktbonus kan de komende jaren nog meer dan verdubbelen. De opheffing van de belemmeringen voor een digitale interne markt in Europa zou in 2020 4 procent extra economische groei kunnen opleveren.

De regering wil naar een systeem dat kansen biedt voor diegenen die kunnen bijdragen en restrictief is voor diegenen die dat niet willen. Daarom moet de EU een scherper asiel- en immigratiebeleid voeren. Dat vereist aanpassing van sommige richtlijnen zoals gezinsmigratie en arbeidsmigratie. De regering is voor versterking van Frontex. Grensbewaking is een terrein waar Europese samenwerking meerwaarde biedt. Eén van de grootste successen van Europese samenwerking is het vrije personenverkeer binnen de Schengenruimte. Tegelijkertijd meent de regering dat de politieke sturing en samenwerking in het Schengengebied beter kan. Het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten moet verbeteren. Dit kan door elkaar in de reguliere rapportages te beoordelen op elementen als onafhankelijke rechtspraak, strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad.

De omwentelingen in de Arabische wereld maken eens te meer duidelijk dat Europa gebaat is bij een slagvaardige en coherente EU. Geen enkele lidstaat is alleen in staat gebeurtenissen in de wereld doorslaggevend te beïnvloeden. Europa moet als geheel antwoorden op mondiale uitdagingen. De EU is bij uitstek geschikt om bepaalde Nederlandse belangen in de wereld te behartigen, en om onze waarden uit te dragen. Zoals ook in het Regeerakkoord staat, streeft de regering zich naar een effectiever en samenhangender extern beleid van de Unie. Om de rol van de EU te versterken, steunt de regering de ontwikkeling van de Europese diplomatieke dienst. Deze moet, in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon, de Hoge Vertegenwoordiger steunen bij de formulering en uitvoering van het Europese externe beleid.

De Europese Dienst Extern Optreden (EDEO) is pas een half jaar operationeel. De organisatie staat en de topposities zijn vervuld. Maar er zijn ook opstartproblemen. Er is nog geen bedrijfscultuur omdat het personeelbestand is opgemaakt uit drie bloedgroepen: Commissie-diensten, experts van het Raadssecretariaat en diplomaten uit lidstaten. De regering denkt actief mee over verdere verbeteringen van de EDEO, ook binnen de Benelux. De Benelux heeft gepleit voor meer gezamenlijke rapportages, logistieke ondersteuning bij crisissituaties, ondersteuning bij opstellen reisadviezen en ambtsberichten, gezamenlijke communicatie en gezamenlijke opleidingen. Daarnaast let de regering op de kosten en streeft zij naar plaatsing van Nederlanders in de EDEO. Er werken nu 64 Nederlanders bij de EDEO (4 procent van het totaal). Van de 136 EU-delegaties, worden er acht geleid door Nederlanders, ruim 6 procent.

Nederland besteedt de komende jaren 0,7 procent van zijn bnp aan ontwikkelingshulp. Daarmee is Nederland een van de weinige lidstaten die deze internationale verplichtingen waar maakt. Om het draagvlak hiervoor in Nederland te behouden, moeten ook de andere EU lidstaten in 2012 hun hulp verhogen naar de internationale norm. De regering dringt bij hen daarop aan. Zij wil betere afstemming van ontwikkelingssamenwerking tussen lidstaten en de Europese Commissie.

De bijdrage van de regering aan de Europese inzet voor de internationale klimaatonderhandelingen richt zich op vormgeving van het nieuwe Green Climate Fund, de effectieve internationale besteding van de korte termijn klimaatfinanciering voor 2010 tot 2012 en het genereren van private financiering, de ontwikkeling van nieuwe en gebruik van bestaande marktmechanismen en de integratie van klimaat in de speerpunten water en voedselzekerheid.

Nederland is voorstander van een extern EU energiebeleid dat streeft naar energievoorzieningszekerheid en een duurzame energiehuishouding. Europese maatregelen voor energiebesparing zijn alleen op hun plaats als er meerwaarde is. Er moet een goede balans zijn tussen nationale en mondiale belangen. Gecoördineerde EU-actie is belangrijk. De regering wil de Europese marktregels in het energiebeleid handhaven. Regionale samenwerking is nodig om de kosten van grensoverschrijdende energie-infrastructuur beter te verdelen. Nadat Nederland het doel van 14 procent hernieuwbare energie in 2020 heeft bereikt, wil de regering een geharmoniseerd beleid voor opwekking van duurzame energie daar waar dat het efficiëntst is.

Consulaire diplomatie

Recente gebeurtenissen zoals in Noord-Afrika en het Midden-Oosten maar ook de tsunami in Japan laten zien hoe belangrijk hulp is aan Nederlanders in nood in het buitenland. Instabiliteit, onzekerheid en onveiligheid zijn vaak onverwacht en moeilijk te voorspellen. Zij tonen het belang van zichtbare inspanningen van ambassades en consulaten aan. Consulaire dienstverlening, inclusief migratievraagstukken, is een belangrijke deeltaak van het departement en de vertegenwoordigingen.

Consulaire diplomatie heeft praktische kanten zoals dienstverlening aan Nederlandse burgers in het buitenland, maar heeft ook raakvlakken met de rest van het buitenlandbeleid. Een consulaire dialoog kan soms de weg inzetten naar politieke samenwerking. Samenwerking met niet-EU-staten faciliteert de terugkeer en herintegratie van niet tot Nederland toegelaten migranten en de opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio.

De consulaire dienstverlening moet staan als een huis. Het zwaartepunt verschuift naar dienstverlening aan Nederlanders in extreme nood. In de praktijk betekent dit een robuustere crisisrespons en een gedifferentieerde gedetineerdenbegeleiding.

Buitenlandse Zaken geeft bijzondere bijstand aan gedetineerden die een reële kans op de doodstraf lopen. De bijstand aan gedetineerden richt zich erop dat iedere Nederlandse gedetineerde in het buitenland zich kan beroepen op het recht op een eerlijk proces en de daarvan afgeleide beginselen zoals het recht op een advocaat.

Effectieve bijstand aan Nederlanders bij extreme noodsituaties en calamiteiten in het buitenland vereisen capaciteitsversterking om meerdere crises tegelijkertijd te kunnen afhandelen. De eerder genoemde crises in de eerste helft van 2011 hebben aangetoond dat deze in vele vormen kunnen gebeuren en een specifieke aanpak vergen. Het kan gaan om de inzet van militaire transportmiddelen, inzet van chartervluchten en uitzending van Snel inzetbaar Consulair Ondersteunende Teams (SCOT) ter tijdelijke versterking van ambassades. Het juiste reisadvies op het juiste moment en een adequate crisisorganisatie zijn van groot belang. Nederland onderzoekt hoe de internationale samenwerking met andere lidstaten en de EDEO verder vorm kan krijgen. Tijdens de afgelopen crises is er ook intensief interdepartementaal samengewerkt, vooral met Defensie.

Tegenover de concentratie op dienstverlening in noodsituaties staat een versobering en stroomlijning van de overige dienstverlening. Een kleiner postennetwerk leidt er onvermijdelijk toe dat sommige Nederlanders verder moeten reizen. Omdat de huidige leges voor een paspoort dat in het buitenland wordt afgegeven bij lange na niet kostendekkend zijn, moeten zij stijgen tot een kostendekkend niveau. Ook op andere gebieden dan crisisbeheersing onderzoekt Nederland de mogelijkheden voor overdracht van consulaire taken aan de EDEO.

Bij de afgifte van visa, belangrijk om het verkeer van personen wereldwijd in goede banen te leiden, beoogt de regering meer samenwerking met Schengenpartners. Er zijn nu al tientallen bilaterale afspraken tussen Nederland en partners om elkaar in het visumproces te vertegenwoordigen. De regering zet deze lijn voort. De regering zet stappen om meer delen van de consulaire en visumprocessen te digitaliseren om zodoende Nederlanders in het buitenland nog beter en sneller van dienst te zijn en hiermee de regeldruk te verminderen.

Internationaal cultuurbeleid

Het Nederlands internationaal cultuurbeleid versterkt de Nederlandse positie in het buitenland. De regering zet culturele diplomatie daarom strategisch in, in landen die zowel cultureel, politiek als economisch interessant zijn. Focus ligt op de internationale zichtbaarheid van het Nederlands topsegment. Er is opnieuw gekeken naar de geografische focus van het internationaal cultuurbeleid.

Nederlandse kunst staat in het buitenland hoog aangeschreven, wat goed is voor het imago van Nederland. Daar waar kansen liggen voor de Nederlandse economie benadrukt de regering de verbanden tussen cultuur, handel en economie. Een van de prioriteiten van het internationaal cultuurbeleid is de promotie van Nederlandse creatieve industrie. Met programma Dutch Design Fashion and Architecture wil de regering in de periode 2009–2012 de internationale positie van de sectoren design, mode en architectuur duurzaam versterken. Voor de komende subsidieperiode zal de geografische focus komen te liggen op België (Vlaanderen), Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Italië, Turkije, de Verenigde Staten, Brazilië, Rusland, China, India, Zuid-Afrika, Indonesië en Japan. Voorts zal de culturele samenwerking met de Arabische regio en Centraal- en Oost-Europa worden gestimuleerd.

Nederlandse expertise van restauratie of herbestemming van gemeenschappelijk cultureel erfgoed kan bilaterale betrekkingen een extra impuls geven en historische relaties een nieuwe dynamiek bezorgen. Ondersteuning van cultuur in ontwikkelingslanden draagt bij aan debat, identiteit, een open samenleving en een gelijkwaardige dialoog tussen partners. Internationalisering is belangrijk voor de Nederlandse kunst. Onze topinstellingen kunnen niet bestaan zonder de internationale markt. Er is vraag in het buitenland naar Nederlandse kunst. Nederlands toptalent is internationaal toonaangevend en vernieuwend. Kunst draagt daarmee bij aan een positief beeld van Nederland in het buitenland. Bovendien is het voor kunstenaars, net als voor sporters, van belang zich te kunnen meten met de internationale competitie. Deelname aan internationale festivals, biënnales en concoursen is dan ook essentieel.

Tenslotte is culturele diplomatie een belangrijk instrument van moderne diplomatie. Diplomaten krijgen hun informatie niet alleen via de traditionele diplomatieke kanalen. Om te weten wat er speelt in een samenleving is het belangrijk te luisteren naar schrijvers, filmers, kunstenaars en bloggers.

Modernisering van diplomatie en postennetwerk

De Nederlandse diplomatie is een middel om doelstellingen in het buitenland tot stand te brengen. De regering richt zich op veiligheid, welvaart en vrijheid in de wereld en op een consulaire inzet die staat als een huis. Vanzelfsprekend wil de regering dat optimaal doen. Daarom past zij de diplomatie aan aan de verhoudingen in de wereld, aan de Nederlandse belangen, aan de omgang tussen mensen. Die aanpassingen krijgen de komende jaren gestalte, op basis van de volgende uitgangspunten.

  • Nederlandse belangen, ook de economische, staan centraal in het handelen. Dat betekent een forse intensivering van de economische diplomatie en meer samenwerking met het bedrijfsleven en kennisinstellingen.

  • Structuur volgt functie. Pas nadat de functie helder voor ogen staat, kan de vorm daarop worden aangepast. Diplomatieke aanwezigheid hoeft niet per definitie een ambassade te zijn maar kan ook een heel anders vorm krijgen, zoals door reizende ambassadeurs of flexibel inzetbare beleidsteams, vanuit regionale steunpunten of door een keuze voor een specifieke inzet voor het bedrijfsleven.

  • De flexibiliteit moet groot zijn om snel te kunnen inspringen op veranderende omstandigheden.

  • De regering focust de diplomatie. Zij wil niet alles doen maar bekijken waar meerwaarde ligt. Aan de hand van die meerwaarde bepaalt zij de inzet. Zij doet waar Nederland goed in is en kiest daarvoor de meest vruchtbare bodem.

  • De diplomatie is een geïntegreerde vorm van werken. Er zijn nog steeds schotten te slechten. Veiligheid, welvaart en vrijheid moeten in samenhang worden bezien.

  • Het opereren wordt dynamischer, waarbij Buitenlandse Zaken volop gebruik maakt van kansen van technologie en communicatiemiddelen en met aandacht voor wat er in de samenleving speelt. Dat betekent een uitbreiding van het palet aan gesprekspartners, verbindingen leggen en buiten de gebaande paden treden om Nederland goed op de kaart te zetten.

  • De consulaire inzet kan moderner en makkelijker, met behulp van elektronische dienstverlening. Uitgangspunten voor de consulaire dienstverlening zijn: zelfredzaamheid, voorspelbare dienstverlening, kostendekkendheid en Europese samenwerking waar het kan.

Met deze uitgangspunten scherp op het netvlies maakt de regering het Nederlandse postennetwerk slanker maar ook sterker. Dat levert niet alleen een efficiëntere diplomatie en een goedkoper postennetwerk op, maar ook een flexibelere inzet die beter past bij de eisen van deze tijd. Flexibiliteit betekent dat jonge medewerkers instromen met contracten voor een bepaalde tijd. Daarna wordt bepaald welke talentvolle medewerkers een vaste aanstelling krijgen, afhankelijk van de behoeften van de organisatie. Dit leidt tot efficiëntie en flexibiliteit, de opdracht heeft de regering zich in het regeerakkoord gesteld. Een groep van wijzen zal de komende twee jaar als klankbord dienen bij de modernisering van het postennetwerk. De groep wordt voorgezeten door mr. Arthur Doctors van Leeuwen. Leden zijn vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, de wetenschappelijke wereld en de diplomatie.

3. TABEL BELEIDSDOORLICHTINGEN

Agendering beleidsdoorlichtingen

Artikel / Operationele doelstelling

2010

(realisatie)

2011

(planning)

2012

2013

2014

2015

2016

1 Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten

       

   
 

1 Een goed functionerende internationale rechtsorde

       

   
 

2 Bescherming van de rechten van de mens

     

     

2 Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

             
 

1 Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid

     

     
 

2 Bestrijding en terugdringing van het internationale terrorisme en andere vormen van internationale criminaliteit

             
 

3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een transparant en verantwoord wapenexportbeleid

             
 

4 Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenzekerheid

             
 

5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden

 

 

     
 

6 Effectieve humanitaire hulp

       

   

3 Europese samenwerking

     

     
 

1 Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt

     

     
 

2 Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie t.o.v. derde landen en regio’s, incl. ontwikkelingslanden

   

     
 

3 Een hechtere Europese waardengemeenschap

 

         
 

4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27

     

     

4 Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

             
 

1 Voedselzekerheid

             
 

2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

   

     
 

3 Private sector ontwikkeling

     

     
 

4 Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevordering

             

5 Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling

       

   
 

1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie t.b.v. beleidsprioriteiten

 

         
 

2 Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden

       

   
 

3 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

     

     
 

4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS

     

     

6 Duurzaam water- en milieubeheer

       

   
 

1 Duurzaam milieugebruik wereldwijd

       

   
 

2 Efficiënt en duurzaam watergebruik, veiliger delta’s en stroomgebieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden

 

         

7 Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer

 

         
 

1 Op basis van eigen verantwoordelijkheid consulaire dienstverlening bieden aan Nederlanders in het buitenland

 

         
 

2 Samen met (keten)partners het personenverkeer reguleren

 

         

8 Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

             
 

1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur

 

         
 

2 Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organisaties in Nederland

             
 

3 Vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandsezienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenlandbeleid

             

4. ARTIKELEN

Beleidsartikel 1: Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

Algemene doelstelling

Het bevorderen van een goed functionerende internationale rechtsorde, met een blijvende inzet op mensenrechten, als integraal onderdeel van het buitenlandbeleid.

Rol en verantwoordelijkheid

Regiefunctie

  • Interdepartementale regie ten behoeve van een coherente en consistente Nederlandse inzet in beheers- en bestuursraden van internationale organisaties ter bevordering van de internationale rechtsorde en mensenrechten.

Faciliterende rol

  • Effectieve inzet van fondsen en middelen ter bevordering van de internationale rechtsorde en mensenrechten, waaronder het Mensenrechtenfonds.

Beleidstheorie

Een sterke rechtsorde maakt de wereld op termijn stabieler, veiliger, vrijer en welvarender. Nog afgezien van een definieerbaar eigenbelang, is dit waar Nederland sinds jaar en dag voor staat en wil blijven staan. Een sterke internationale rechtsorde vereist goed functionerende internationale instellingen met een breed draagvlak, de strijd tegen straffeloosheid en een effectieve bescherming van de rechten van de mens.

In dit verband zal Nederland zich blijven inspannen voor de uitbreiding van lidmaatschap en erkenning van de rechtsmacht van internationale hoven en tribunalen, waaronder het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof, als ook het bevorderen van de nakoming van verplichtingen door statenpartijen. De Europese rechtsorde die ook een onderdeel is van de internationale rechtsorde komt aan bod in beleidsartikel 3 over Europese samenwerking.

Naleving van mensenrechten is nog steeds niet vanzelfsprekend. De roep om respect voor mensenrechten en democratie is wereldwijd zelfs groeiende, gesteund door internet en andere nieuwe media. De recente ontwikkelingen in de Arabische wereld illustreren dit. De inzet op onder andere burgerlijke en politieke vrijheden, en ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, is juist nu van belang.

Daartoe zal Nederland in 2012 realistisch en selectief middelen en menskracht inzetten, waarbij de effectiviteit voorop staat. De mogelijkheden van internationale taakverdeling zullen daarbij worden onderzocht. Het Nederlandse mensenrechtenbeleid zal zich in het bijzonder richten op die terreinen waar vrijheid, veiligheid en welvaart elkaar versterken.

Nederland zet in op de volgende thema’s: vrijheid van meningsuiting, internetvrijheid, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, vrouwen- en LGBT («Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender»)-rechten, Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), kinderarbeid, bevordering van SRGR en bescherming van mensenrechtenverdedigers. Ook zal Nederland consequent strijden tegen ernstige mensenrechtenschendingen als marteling, executies en verdwijningen. Hiertoe zal Nederland uitvoering geven aan de geactualiseerde mensenrechtenstrategie, «Verantwoordelijk voor Vrijheid» 11 en de notitie «Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en levens- overtuiging: kernwaarden in het Nederlands buitenlands beleid» 12

Beleidswijzigingen

  • Regeringsreactie op het AIV-advies over Responsibility to Protect (R2P) zal in de praktijk worden gebracht. Dit zal leiden tot een breder draagvlak en verdere operationalisering van het R2P. 13

  • Regeringsreactie op het WRR-rapport «Aan het buitenland gehecht» 14. Hierin staat beschreven op welke wijze de buitenlandagenda van het regeerakkoord zal worden uitgevoerd. Daarbij wordt ingegaan op de gebieden waarop de Nederlandse belangen zich het sterkst doen gelden, de samenwerking met andere landen en internationale en niet-statelijke organisaties, en de regie en coördinatie.

  • Kamerbrief Modernisering Diplomatie. 15 Hierin staat beschreven hoe de Nederlandse diplomatie de komende jaren wordt herzien en het postennetwerk wordt ingericht Dit om niet alleen te komen tot een efficiënter en goedkoper postennetwerk, maar ook tot een flexibelere inzet die beter is toegerust op de eisen van deze tijd.

Operationele Doelstellingen

Operationele Doelstelling 1.1

Een goed functionerende internationale rechtsorde

Financiële instrumenten

  • Algemene verplichte bijdrage van ongeveer EUR 44,5 miljoen (waaronder verdragscontributies aan de reguliere VN-begroting van EUR 35 miljoen als ook contributies aan het Rwanda-tribunaal van EUR 2 miljoen en het Joegoslavië-tribunaal van EUR 2,5 miljoen) en EUR 3 miljoen verdragscontributie aan het Internationaal Strafhof.

  • Bijdrage aan OESO (EUR 5 miljoen)

  • Diverse bijdragen aan internationaalrechtelijke instellingen en NGO’s van in totaal EUR 2 miljoen op jaarbasis. Onder meer een bijdrage van EUR 0,5 miljoen aan de berechting van oud-president Habré van Tsjaad.

Beleidsinstrumenten

  • Deelname aan bestuur van internationaalrechtelijke instellingen, zoals aan de beheerscomités van de in Nederland gevestigde instellingen Speciaal Hof voor Sierra Leone (SCSL) en het Libanon-Tribunaal (STL). Nederland neemt daarnaast actief deel in de bijeenkomsten van de Vergadering van Statenpartijen bij het Internationaal Strafhof.

  • Samenbrengen van partijen en het formuleren van tekstvoorstellen om het hervormingsproces van de VN-veiligheidsraad vooruit te stuwen.

  • Onderzoek naar draagvlak voor een initiatief om te komen tot een multilateraal verdrag over interstatelijke rechtshulp bij nationale berechting van internationale misdrijven (samen met ministerie van Veiligheid en Justitie).

  • Co-voorzitterschap van de Group of Friends of Responsibility to Protect (R2P) in New York, gericht op het creëren van draagvlak voor en operationalisering van het principe van R2P.

  • Aanbieden van technische assistentie om nationale uitvoeringswetgeving te faciliteren en rechters te trainen in landen die partij zijn bij het Statuut van Rome.

  • Procesvertegenwoordiging van de Staat bij internationale hoven en tribunalen.

  • Vertegenwoordigen van Nederland bij de onderhandelingen over VN-begrotingen en management in New York, waarbij het streven nominale nulgroei van de reguliere VN-begroting is.

Operationele Doelstelling 1.2

Bescherming van de rechten van de mens

Financiële instrumenten

  • Mensenrechtenfonds (EUR 34,2 miljoen) ter ondersteuning van de prioriteiten uit de mensenrechtenstrategie en in landen op basis van de volgende criteria: ernst van de mensenrechtensituatie, kansen in transitielanden van de MENA regio, in landen die deel uitmaken van de pilot vrijheid van godsdienst of de pilot maatschappelijk verantwoord ondernemen en OS-partnerlanden en effectiviteit van de inzet van middelen.

  • Middelen voor mensenrechten waaronder de bijdrage aan Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) (EUR 9 miljoen.)

  • Bijdragen aan regionale organisaties als Organisation of American States en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking (OVSE) in Europa (circa EUR 1 miljoen.).

  • Jaarlijkse bijdrage (circa EUR 5 miljoen.) aan de International Labour Organisation (ILO).

Beleidsinstrumenten

  • Inzet van postennetwerk voor onder meer dialogen, demarches, projecten onder het Mensenrechtenfonds, contacten met mensenrechtenverdedigers en rapportages over zorgelijke mensenrechtensituaties.

  • In het kader van het VN-raamwerk van Ruggie over mensenrechten en handel wordt MVO en mensenrechten ook via de posten bevorderd in hun contacten met (Nederlandse) bedrijven gezien hun actieve rol als handelsbevorderaars. Samen met het Nederlandse bedrijfsleven zal een reeks bijeenkomsten over de toepassing van het Ruggie-raamwerk worden georganiseerd met als doel te verduidelijken wat de verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren voor bedrijven inhoudt. Daarnaast zet Nederland zich actief in voor de expert werkgroep die zal worden ingesteld tijdens de 18de mensenrechtenraad als vervolg op het mandaat van Ruggie 16.

  • Inzet van Mensenrechtenambassadeur.

  • Mensenrechten waar relevant onderdeel van bilaterale bezoeken, handelsmissies en andere contacten met autoriteiten in landen.

  • Gebruik maken van internationale kanalen, waaronder EU, VN, Raad van Europa en OVSE, om naleving van mensenrechten te bevorderen. Daarbij bijzondere aandacht voor complementariteit binnen de EU en het doorbreken van blokvorming binnen de VN.

  • Bijdragen aan verdergaande hervorming van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en aan zorgvuldig voorbereide toetreding van de EU tot het EVRM.

Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 1 Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

99 812

91 110

95 262

93 245

90 740

90 140

90 140

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

100 659

108 636

100 562

98 045

95 140

94 140

94 140

                 

1.1

Een goed functionerende internationale rechtsorde

48 741

58 525

51 729

51 229

50 729

50 229

50 229

                 
 

Juridisch verplicht

   

90%

90%

90%

90%

90%

 

Overig verplicht

   

10%

10%

10%

10%

10%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

1.2

Bescherming van de rechten van de mens

51 918

50 111

48 833

46 816

44 411

43 911

43 911

                 
 

Juridisch verplicht

   

16%

14%

12%

12%

12%

 

Overig verplicht

   

84%

86%

88%

88%

88%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

Beleidsartikel 2: Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

Algemene doelstelling

Het bevorderen van de Nederlandse en internationale veiligheid en stabiliteit door doelgerichte bilaterale en multilaterale samenwerking. Humanitaire hulpverlening aan mensen in nood.

Rol en verantwoordelijkheid

Procesverantwoordelijk

  • Samen met de Minister van Economische Zaken, Landbouw, en Innovatie voeren van een transparant en verantwoord internationaal en Nederlands wapenexportbeleid. De minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de buitenlandpolitieke toetsing van wapenexportaanvragen. De minister van EL&I is eindverantwoordelijk voor het wapenexportbeleid.

Regiefunctie

  • Eerstverantwoordelijke, in nauwe afstemming met de Minister van Defensie, in de artikel 100-procedure voor de voorbereiding van besluitvorming omtrent wereldwijde inzet van de krijgsmacht in crisisbeheersingsoperaties conform het Toetsingskader 2009.

  • Toepassing van terrorismesancties/Sanctieregeling 2007, uitgevoerd in overeenstemming met de Ministers van Financiën en Veiligheid en Justitie. Onderdeel van het sanctiebeleid.

Faciliterende rol

  • Bevorderen en bewaken van coherentie en consistentie van de Nederlandse inzet in de relevante internationale fora, als de EU, VN, NAVO en OVSE ter bevordering van internationale veiligheid en stabiliteit.

  • Effectieve inzet van fondsen en middelen ter bevordering van grotere veiligheid en stabiliteit, humanitaire hulpverlening en goed bestuur.

Stimulerende rol

  • Bevorderen van energie- en grondstofvoorzieningszekerheid. Op dit dossier trekken de Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en van Buitenlandse Zaken samen op. De verantwoordelijkheid voor het energiebeleid inclusief de internationale component berust primair bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Minister van Buitenlandse Zaken is betrokken op grond van zijn verantwoordelijkheid voor geopolitieke, veiligheidspolitieke en ontwikkelingspolitieke vraagstukken, en de coherentie van het Nederlands buitenlandbeleid.

Beleidstheorie

De omvang en complexiteit van de grensoverschrijdende dreigingen vergen een aanpak in internationaal verband. Voorbeelden van dreigingen zijn de proliferatie van massavernietigingswapens, terrorisme en gewelddadig extremisme, internationale criminaliteit zoals piraterij, drugs- en mensenhandel, illegale wapenhandel, en – in toenemende mate – cyberdreigingen. Daarnaast hebben we te maken met ontwikkelingen op het wereldtoneel die een indirecte veiligheidsdreiging vormen. Zoals zwakke staatsstructuren elders, die een thuisbasis kunnen bieden voor terrorisme en georganiseerde misdaad. En conflicten, die kunnen leiden tot grootscheepse migratie- en vluchtelingenstromen. Ook energie- en grondstoffenzekerheid hebben een belangrijke veiligheidsdimensie, naast de directe relevantie voor de Nederlandse economie. Illegale handel in en exploitatie van grondstoffen gedijt in landen waar de rechtsorde is aangetast en de overheid niet in staat is om de veiligheid te garanderen.

Nationale veiligheid bestaat niet zonder effectieve, doelgerichte internationale samenwerking. We blijven daarom investeren. In de Trans-Atlantische samenwerking. In een effectief EU en Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). Maar ook in coalitievorming met gelijkgezinde landen en in meer samenwerking met nieuwe veiligheidspartners. Om effectief te zijn voert Nederland een geïntegreerd beleid, waaronder door een onderling versterkende inzet van diplomatieke, militaire, en OS-middelen.

Nederland zet de inspanningen op het tegengaan van transnationale dreigingen voort, zoals ligt besloten in het nieuwe Strategisch Concept van de NAVO, de Nationale Contraterrorisme Strategie 2011–2015 en de Nationale Cyber Security Strategie, en het actieplan van de laatste toetsingsconferentie van het Non-proliferatieverdrag.

De regering voert een restrictief en transparant beleid om zorg te dragen voor een strikte invulling van de acht Europese criteria voor wapenexport. Het is daarbij van belang een Europees level playing field voor de Nederlandse industrie te creëren. De Nederlandse industrie levert hoogstaande technologische producten. Het exportbeleid blijft ruimte bieden aan de hieraan gekoppelde hoogwaardige R&D activiteiten en werkgelegenheid om dit potentieel te benutten en te behouden. Hoogwaardig R&D en innovatie zorgt ook voor steeds effectievere en meer gericht in te zetten wapentechnologie. De kans op ongewenste schade (collateral damage) neemt hierdoor af.

Problemen bij de bron aanpakken. Juist ook in fragiele staten zullen we dus actief zijn. Bijdragen aan een veilige leefomgeving voor burgers; waarin zij een bestaan kunnen opbouwen. Daarbij is bijzondere aandacht nodig voor de positie van vrouwen. Conform resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad zal Nederland daarom blijven bijdragen aan actieve (politieke) participatie van vrouwen in vredes- en wederopbouwprocessen. Ook zal Nederland bescherming van meisjes en vrouwen in (post-)conflict situaties blijven bevorderen. Daarnaast is van belang dat na een ramp burgers zo spoedig mogelijk hulp ontvangen, weer in hun primaire levensbehoeften kunnen voorzien, en zo snel mogelijk kunnen beginnen met wederopbouw. Snelle levering van sociale voorzieningen en van basis- en beroepsonderwijs levert zichtbare resultaten («vredesdividend»). Dit kan de aanpak van de onderliggende oorzaken van instabiliteit, zoals uitsluiting en gebrek aan perspectief op werk, bevorderen. Doorlopende aandacht voor – en investeren in – de kwaliteit en legitimiteit van openbaar bestuur daarvoor eveneens essentieel. Alleen veranderingen die kunnen rekenen op de steun van de bevolking in partnerlanden kunnen beklijven. Goed bestuur is daarom niet alleen van belang voor dit beleidsartikel, maar is als dwarsdoorsnijdende aandachtsgebied ook van betekenis voor de speerpunten uit andere beleidsartikelen zoals water en voedselzekerheid. In landen met een EU-toetredingsperspectief en in landen in de Arabische regio draagt Nederland door middel van het Matra-programma bij aan opbouw dan wel versterking van de rechtsstaat, het respecteren van mensenrechten en democratisering.

Beleidswijzigingen

  • Samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is het wapenexportbeleid herzien 17. Bij de toetsing zal meer dan in het verleden ook een risicoanalyse richting de toekomst worden gemaakt en zal nog steviger ingezet worden op verdere harmonisatie in de toepassing van het EU Gemeenschappelijk standpunt op het gebied van wapenexport.

  • Regeringsreactie op evaluatie wederopbouw Zuid-Soedan 18. De regering zal intensiever gebruik maken van conflictanalyses en nog meer nadruk leggen op veiligheid en goed bestuur.

  • Evaluatie van het bilaterale energievoorzieningszekerheidsbeleid op basis waarvan – samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie – plannen van aanpak worden gemaakt met betrekking tot de voor Nederland relevante energielanden.

D. Operationele Doelstellingen

Operationele Doelstelling 2.1

Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid

Financiële instrumenten

  • Jaarlijkse bijdrage aan de NAVO (EUR 6,2 miljoen) en de bijdrage aan de nieuwbouw van het NAVO hoofdkwartier (EUR 5,1 miljoen).

  • Jaarlijkse bijdrage aan het EU Satellietcentrum ten behoeve van de financiële verplichtingen (uitkering pensioengelden ex-WEU personeel) die het centrum heeft overgenomen van de in juli 2011 opgeheven WEU. (circa EUR 1 miljoen )

  • Jaarlijkse subsidie aan de Atlantische Commissie, ter ondersteuning van het maatschappelijk debat over de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid (EUR 0,5 miljoen). Programma Ondersteuning Buitenlands Beleid (POBB) (EUR 2,5 miljoen) en Veiligheidsfonds (EUR 0,5 miljoen), voor kleinschalige activiteiten die het Nederlands veiligheidsbeleid (inclusief publieksdiplomatie) ondersteunen.

Beleidsinstrumenten

  • Diplomatieke inspanningen richten zich onder meer op een succesvolle NAVO-top in het voorjaar van 2012, over herziening van de NAVO's Posture (welke mix van raketverdediging, conventionele en nucleaire wapens is nodig voor onze veiligheid en stabiliteit?). Daarnaast zullen Afghanistan, NAVO-EU en NAVO-Rusland samenwerking, en mogelijk ook Smart Defence en Libië onderwerpen van overleg zijn.

  • Bevorderen van maatschappelijke dialoog in Nederland over de NAVO-agenda, waaronder de Posture Review, ten behoeve van transparante besluitvorming en een breed draagvlak.

  • Bevorderen praktische samenwerking met Rusland en het positief agenderen van NAVO-EU samenwerking door middel van concrete activiteiten.

  • Initiatieven (gerichte consultaties, indiening van discussiestukken) die bijdragen aan een meer strategische oriëntatie van het GVDB en aan verbeterde civiele en militaire capaciteiten van de EU.

  • Diplomatieke inspanningen ter bevordering van de menselijke dimensie binnen de OVSE (ondersteuning van het Office for Democratic Institutions and Human Rights van de OVSE),

  • Gebruik van multilaterale fora (NAVO, OVSE, VN), coalities van gelijkgezinden en het postennetwerk ter bevordering van cyber security in het algemeen en de uitvoering van de Nationale Cyber Security Strategie in het bijzonder.

Operationele doelstelling 2.2

Bestrijding en terugdringing van het internationale terrorisme en andere vormen van internationale criminaliteit

Financiële instrumenten

  • Jaarlijkse bijdrage (EUR 0,5 miljoen.) aan het in Den Haag gevestigde onafhankelijke International Centre for Counter-Terrorism (ICCT).

  • Uit het Programma Ondersteuning Buitenlands Beleid (POBB, verantwoording onder 2.1) en uit het Stabiliteitsfonds (verantwoording onder 2.5) worden activiteiten gefinancierd ter ondersteuning van operationele doelstelling 2.2. Projecten en programma’s uit het POBB en het Stabiliteitsfonds voor deze operationele doelstelling zijn gericht op de versterking van capaciteit in voor Nederland prioritaire regio’s in Afrika en Azië om terrorisme te voorkomen en te bestrijden, alsmede op de versterking van capaciteit in derde landen voor de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, in het bijzonder internationale drugs- en mensenhandel.

Beleidsinstrumenten

  • Uitvoering van de Sanctiewet, de Sanctieregeling 2007 en het nationaal protocol totstandkoming en beëindiging van bevriezingsmaatregelen terrorisme om terrorisme tegen te gaan door het bevriezen van tegoeden van personen en organisaties.

  • Bilaterale diplomatie en inzet van postennetwerk in de landen waar het tegengaan van terrorisme en drugs- en mensenhandel van specifiek belang is.

  • Bepleiten van ratificatie en uitvoering van de VN-terrorismeverdragen en -strategie (o.a. door middel van contraterrorisme-clausules zodat landen zich committeren aan de bestrijding van terrorisme).

  • Multilaterale diplomatie gericht op (1) de versterking van de samenhang tussen EU-intern en EU-extern beleid op het terrein van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit; (2) de ondersteuning van de VN Counter Terrorism Implementation Task Force (CTITF); (3) bredere ratificatie van het VN-verdrag betreffende grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de bijbehorende protocollen, in het bijzonder het VN-Mensenhandelprotocol; (4) behoud van draagvlak voor de uitgangspunten van het Nederlandse drugsbeleid werken, waaronder het concept harm reduction.

  • Coalitievorming en versterking van de onderlinge coördinatie onder gelijkgezinde landen gericht op (1) capaciteitsopbouw van terrorismebestrijding in derde landen, (2) vergroten impact OS-inspanningen tegen radicalisering en (3) verbetering van procedures voor plaatsing op en verwijdering van organisaties en personen op terrorismelijsten van EU en VN.

  • Het benutten van de beschikbare vertrouwelijke en geduide (in context geplaatste) informatie, verkregen via de inlichtingen- en veiligheidsdiensten AIVD en MIVD, om buitenlandse politieke doelstellingen te bereiken 19.

Operationele Doelstelling 2.3

Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een transparant en verantwoord wapenexportbeleid

Financiële instrumenten

  • Jaarlijkse bijdragen aan IAEA (EUR 6,5 miljoen) de OPCW (EUR 1,5 miljoen) en de CTBTO (EUR 1,6 miljoen).

  • Ondersteuning van kleinschalige initiatieven (ca. EUR 30 000) gericht op uitvoering van het Biologische en Toxische Wapens Verdrag (BTWC), Non-proliferatieverdrag (NPV) en de Ottawa Conventie.

  • Bijdrage aan het Nuclear Security Fund (NSF) van het IAEA en aan het promovendi-programma op het gebied van non-proliferatie in samenwerking met de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit van Utrecht.

Beleidsinstrumenten

  • Deelname aan het Non-proliferation and Disarmament Initiative (NPDI), dat zich richt op het omzetten van de actiepunten van de Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) in concrete resultaten.

  • Onderhouden en uitbreiden van netwerken met nationale en internationale academici, thinktanks en maatschappelijk middenveld ten behoeve van standpuntbepaling en beïnvloeding.

  • Deelname aan de Nuclear Security Summit in Seoul in 2012, met het oog op afspraken die de effectiviteit van het internationale systeem van nucleaire veiligheid bevorderen.

  • Inspanningen om de verschillende formele initiatieven en bijeenkomsten op het gebied van nucleaire veiligheid met elkaar te verbinden en duplicatie te voorkomen.

  • Bepleiten van sanctiemaatregelen en sanctie-instrumenten om landen die zich niet aan de afspraken houden te bewegen zich te conformeren aan verdragsverplichtingen, zoals het geval is bij het nucleaire programma van Iran.

  • In wapenexportregimes bepleiten van aanscherping van de richtlijnen voor export van goederen en technologieën die gebruikt worden in de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapens en de bijbehorende overbrengingsmiddelen (m.n. ballistische raketten).

  • Voorzitterschap van de Nuclear Suppliers Group (NSG) tot en met juni 2012. Dit voorzitterschap richt zich in het bijzonder op de toekomst van de NSG en de nieuwe rol die dit exportcontrole regime moet spelen in het kader van de nucleaire renaissance.

  • Inzet op verdere harmonisatie, transparantie en een uniforme en strikte uitvoering van het Europese wapenexportbeleid. Deze inzet vertaalt zich in de eigen verantwoordelijkheid voor het Nederlandse wapenexport beleid en het creëren van een level playing field voor het Nederlandse bedrijfsleven.

  • Deelname aan onderhandelingen over een wapenhandelsverdrag dat als doel heeft om de legale wapenhandel wereldwijd beter te kunnen controleren en illegale wapenhandel tegengaat. De onderhandelingen worden mogelijk in 2012 tijdens een diplomatieke conferentie afgerond.

  • In 2012 vindt mogelijk een conferentie plaats over een massavernietigingswapenvrije zone in het Midden Oosten, waarbij Nederland een actieve rol wenst te spelen.

Operationele Doelstelling 2.4

Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenzekerheid

Beleidsinstrumenten

  • Dialoog met het bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld voor bevordering van de lange termijn en duurzame energie- grondstoffenvoorzieningszekerheid.

  • Wederzijdse bezoeken op ministerieel en ambtelijk niveau, economische diplomatie en handelsmissies, ter bevordering van de bilaterale energierelaties en grondstoffenzekerheid.

  • Samenwerking met gelijkgezinde lidstaten en de Europese Commissie, ter bevordering van een coherente strategie voor grondstofvoorzieningszekerheid en ter vervolmaking van de Europese energiemarkt als belangrijk element voor het bevorderen van de energievoorzieningszekerheid.

  • Inzet van multilaterale instrumenten zoals het Internationale Energie Agentschap en het Energie Handvest Verdrag voor de bevordering van »energy governance» en het creëren van een level playing field op het gebied van investeringen en regelgeving. Tevens inzet op het behoud van een open handelssysteem om toegang tot grondstoffen te bevorderen.

Operationele Doelstelling 2.5

Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden

Financiële instrumenten

  • Stabiliteitsfonds van (EUR 84,5 miljoen, waarvan EUR 58 miljoen ODA).

  • Middelen voor wederopbouw (EUR 180 miljoen).

  • Afdracht voor VN-contributies ten behoeve van crisisbeheersingsoperaties ter grootte van (EUR 102 miljoen).

  • Bijdrage aan OVSE (7 miljoen)

  • MATRA-programma voor goed bestuur in Oost-Europese landen met toetredingsperspectief (EUR 21 miljoen).

  • Bijdrage aan trainingsmissie Kunduz (EUR 14 miljoen).

  • Maatschappelijke en overige hervormingen in de Arabische regio (EUR 7,5 miljoen, daarna oplopend)

  • Middelen voor onderwijs ter bevordering van veiligheid en rechtsorde, onder meer via het vernieuwde Education in Emergencies and Post Crisis Transition Program van UNICEF (EUR 22 miljoen).

  • Bijdragen aan crisisbeheersingsoperaties. Deze operaties, waar alle Nederlandse bijdragen aan vredesmissies onder vallen («art-100» en anderszins), worden gefinancierd onder beleidsartikel 20 van de begroting van het ministerie van Defensie. Dit valt binnen de HGIS (EUR 192 miljoen, hoofdzakelijk non-ODA). De inzet van civiele politiefunctionarissen ten behoeve van civiele missies (EUR 8,6 miljoen) wordt gefinancierd uit de HGIS-middelen die op de begroting staan van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

  • Bijdragen aan activiteiten op het dwarsdoorsnijdend aandachtsgebied goed bestuur, de programmatische inzet voor het OS beleid van de bij de Nederlandse lokale overheden aanwezige deskundigheid en activiteiten gericht op democratiseringsprocessen en pluriformiteit (totaal ca. EUR 90 miljoen).

Beleidsinstrumenten

  • Inzet van krijgsmacht, politie, justitiële expertise en van andere civiele overheidsdeskundigen, onder meer bij internationale crisisbestrijding (zoals in Arabische regio, Soedan en Balkan), de Nederlandse politietrainingsmissie in Kunduz, prioriteitslanden uit de Focusbrief en piraterijbestrijding (Operation Ocean Shield en EU Atalanta). Daarbij aandacht voor het verbeterd functioneren van de korte missiepool met experts van buiten de overheid voor inzet in internationaal verband.

  • Investeren in en gebruikmaken van het netwerk van Nederlandse kennis- en uitvoeringsinstellingen.

  • Context- en conflictanalyses in prioritaire landen als basis voor een goede informatievoorziening en een samenhangende inzet (3D).

  • Inspanningen gericht op het operationaliseren van de geïntegreerde benadering in internationaal verband (NAVO, EU, VN).

  • Uitvoering van de nationale strategie voor civiele crisisbeheersing en de strategie voor veiligheid en ontwikkeling in fragiele staten, om de strategische inzet van personeel en middelen te stroomlijnen.

  • Bevorderen van verdere integratie van missies in het bredere EU-buitenland beleid.

  • In NAVO-verband bepleiten van een verbetering van het crisisinstrumentarium, met duidelijke richtlijnen voor NAVO’s bijdrage aan een geïntegreerde aanpak van crisisbeheersing (comprehensive approach), en van een goede samenwerking met andere (civiele) actoren

  • Dialoog met betrokken VN-organisaties over de aanbevelingen van het SG rapport over Peacebuilding in the aftermath of Conflict: beter leiderschap van missies, coördinatie tussen belanghebbenden, flexibeler inzet van capaciteiten en van financiering. Daarbij gerichte ondersteuning, waaronder via de uitwisseling van expertise, van de voor Nederland prioritaire onderwerpen zoals Rule of Law

  • Opvolgen VNVR resolutie 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid in vredeshandhaving en vredesopbouw op basis van het Nationaal Actieplan 1325, waaronder door beleidsdialogen met internationale en maatschappelijk organisaties.

  • Ondersteuning en bijdrage aan uitvoering aanbevelingen Charting a New Horizon for UN Peacekeeping: de noodzaak tot robuuste mandaten, een versterkte civiel-militaire capaciteiten en hogere kwaliteit van bijdragen van troepen leverende landen.

  • Stelselmatig bepleiten van een effectievere inzet van de Wereldbank (WB) in conflictgebieden en fragiele staten op basis van het World Development Report 2011 en via de Governance Partnership Facility, waaronder versterking van de samenwerking tussen de VN en de WB in het veld.

  • Versterken van strategische partnerschappen met maatschappelijke organisaties op het gebied van conflictpreventie en vredesopbouw, goed bestuur en democratisering, rechtsstaatontwikkeling en corruptiebestrijding (m.n. uitvoering en monitoren van het VN-Verdrag tegen corruptie).

Operationele Doelstelling 2.6

2.6 Effectieve humanitaire hulp

Financiële instrumenten

  • Bijdrage aan het wereldwijde VN-noodhulpfonds CERF (EUR 40 miljoen.) en het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) (EUR 25 miljoen) ten behoeve van de snelle beschikbaarheid en flexibiliteit van de humanitaire hulp.

  • Bilaterale bijdragen voorzien bij acute noodsituaties (bijvoorbeeld ten gevolge van natuurrampen of gewelddadige conflicten). (EUR 20 miljoen).

  • Jaarlijkse bijdragen aan UNHCR (EUR 33 miljoen), UNRWA (EUR 13 miljoen) en het Wereldvoedselprogramma (EUR 36 miljoen).

  • De overige middelen zullen worden ingezet ten behoeve van verlichting van noden bij complexe humanitaire crises in verschillende landen. Besluitvorming m.b.t. deze langdurige humanitaire crises wordt gebaseerd op de inventarisatie van noden door de VN, het zgn. Consolidated Appeals Process (CAP). Deze bijdragen kunnen worden ingezet via VN-organisaties, gemeenschappelijke landenfondsen voor humanitaire hulp of NGOs.

Beleidsinstrumenten

  • Inzet van Nederlandse deskundigen of materieel op basis van een internationaal hulpverzoek en bij specifieke meerwaarde. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de betrokken vakdepartementen en overige organisaties, en in overeenstemming met de internationale richtlijnen.

  • Bevorderen van een effectieve en efficiënte EU-rampenrespons buiten de EU, waarbij de EU-coördinatie in dienst staat van de algehele coördinatie van de VN.

  • Vergroten van aandacht voor rampenrisicovermindering in OS- en klimaatbeleid en in Nederlandse OS-programma’s, teneinde de capaciteit om op rampen te kunnen reageren te versterken.

  • Stelselmatig bepleiten van het belang van accountability van humanitaire hulp, bij overleg met andere donoren en tijdens jaarvergaderingen met uitvoerende organisaties.

E. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 2 Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

761 844

671 059

870 604

693 114

873 961

672 577

672 577

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

847 606

775 476

786 801

809 185

866 626

857 496

857 311

                 

2.1

Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid

12 187

17 543

17 779

20 106

20 510

19 441

19 256

                 
 

Juridisch verplicht

   

78%

76%

80%

84%

84%

 

Overig verplicht

   

14%

2%

1%

0%

0%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

8%

22%

19%

16%

16%

                 

2.2

Bestrijding en terugdringing van het internationaal terrorisme en andere vormen van internationale criminaliteit

500

500

500

500

500

0

0

                 
 

Juridisch verplicht

   

100%

100%

100%

0%

0%

 

Overig verplicht

   

0%

0%

0%

0%

0%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

2.3

Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een restrictief en transparant wapenexportbeleid

9 575

10 764

9 613

9 613

9 613

9 613

9 613

                 
 

Juridisch verplicht

   

78%

72%

67%

61%

56%

 

Overig verplicht

   

10%

10%

8%

7%

7%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

12%

18%

25%

32%

37%

                 

2.4

Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenzekerheid

0

0

0

0

0

0

0

                 

2.5

Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden

559 032

476 152

539 642

566 899

630 236

623 425

623 425

                 
 

Juridisch verplicht

   

57%

40%

31%

28%

28%

 

Overig verplicht

   

35%

49%

54%

54%

54%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

8%

11%

15%

18%

18%

                 

2.6

Effectieve humanitaire hulp

266 312

250 517

219 267

212 067

205 767

205 017

205 017

                 
 

Juridisch verplicht

   

22%

0%

0%

0%

0%

 

Overig verplicht

   

62%

83%

83%

83%

83%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

16%

17%

17%

17%

17%

                 

Ontvangsten

1 084

1 163

1 165

1 167

1 168

1 168

1 168

                 

2.10

Doorberekening Defensie diversen

162

163

165

167

168

168

168

                 

2.50

Restituties contributies

922

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

Beleidsartikel 3: Europese samenwerking

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

A. Algemene doelstelling

Als constructief-kritische partner investeren in een Europa dat werkt.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Faciliterende en stimulerende rol

De minister is (mede) verantwoordelijk voor:

  • het bevorderen en bewaken van de coherentie en consistentie van het Nederlandse Europabeleid, inclusief de voorbereiding van Europese Raden en horizontale/institutionele dossiers;

  • de interdepartementale afstemming van de Nederlandse inzet in de verschillende vakraden;

  • de Europese meerjarige begroting, ook wel het «Meerjarig Financieel Kader» genoemd;

  • het vormgeven aan het Europese externe beleid ten opzichte van derde landen, regio’s en ontwikkelingslanden;

  • het onderhouden en intensiveren van de bilaterale relaties met andere Europese landen;

  • het bevorderen van een hechtere Europese waardengemeenschap.

Beleidstheorie

Nederland maakt deel uit van Europa: geografisch, historisch, cultureel en economisch. Nederland is één van de oprichters van de Unie. Europa is essentieel voor onze welvaart, vrijheid en veiligheid. Blijvende betrokkenheid bij het Europese proces is daarom in het directe belang van Nederlandse burgers en bedrijven.

Voor de (nabije) toekomst is het van belang dat er Europese antwoorden worden gevonden op mondiale uitdagingen waarvoor geen nationale oplossingen meer te vinden zijn. Voorbeelden van dergelijke uitdagingen zijn de mondiale financieel-economische crisis en de monetaire turbulentie waarmee de Eurolanden worden geconfronteerd maar het gaat nadrukkelijk ook om een agenda voor de langere termijn gericht op groei en werkgelegenheid. Georganiseerde criminaliteit, terrorisme en migratie hebben geen boodschap aan landsgrenzen. De uitputting van de draagkracht van de aarde (klimaatverandering, biodiversiteit, grondstoffen) vereist een aanpak waarbij over de dijken heen wordt gekeken. Nauwe Europese samenwerking op verschillende niveaus, binnen de Europese Unie maar ook in andere verbanden als bijvoorbeeld de Raad van Europa, is noodzakelijk om aan dergelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.

Met de jaarlijkse Staat van de Unie beoogt de regering een geïntegreerde visie op hoofdlijnen voor het Nederlandse Europabeleid neer te zetten 20. De Kamerbrief «Actualisering Staat van de Unie» d.d. 3 mei 2011 21 reflecteert de nieuwe beleidsaccenten die de huidige regering wenst te zetten met betrekking tot het Nederlandse EU-beleid. Samen met de begroting 2012 zal de Staat van de Unie 2012–2013 worden gepresenteerd.

De kerntaken van de Raad van Europa zijn het bevorderen van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. De inzet in de Raad van Europa is mede gebaseerd op de Nederlandse Mensenrechtenstrategie.

Gemiddelde Nederlandse ontvangsten van de EU 2007–2009

Gemiddelde Nederlandse ontvangsten van de EU 					 2007–2009

Toelichting tabel: Samenstelling (in percentages) van de gemiddelde Nederlandse ontvangsten van de EU in de periode 2007–2009, naar EU-begrotingscategorie. Nederland ontving in deze periode gemiddeld 2,01 miljard euro per jaar. Uiteindelijk draagt Nederland meer af aan de EU dan het ontvangt.

C. Beleidswijzigingen

  • De speerpunten van de inzet zijn in het licht van het nieuwe regeerakkoord geherformuleerd in de Kamerbrief « Actualisering Staat van de Unie» 22.

  • Voor de Nederlandse strategie ten aanzien van de komende onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader van de EU vanaf 2014 wordt verwezen naar de Kamerbrieven d.d. 28 maart 2011 23 en de brief van september 2011.

D. Operationele doelstellingen

Operationele Doelstelling 3.1

Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt

Financiële instrumenten:

Nederlandse afdrachten aan de EU:

  • Nieuwe cijfers over het surplus 2010 en het BNI geven aanleiding om de raming aan te passen. De meevaller in 2011 wordt voornamelijk veroorzaakt door het overschot van de begroting 2010 dat is ontstaan door onderuitputting. Deze heeft geen meerjarige doorwerking aangezien het een incidentele teruggave betreft.

  • Over 2014 en verder zal op basis van de recent verschenen Commissie voorstellen onderhandeld worden. Over de uitkomst valt nog niets te zeggen.

  • Overigens wordt deze bijstelling deels ongedaan gemaakt door een opwaartse bijstelling die al vanaf 2012 jaarlijks oploopt. Reden hiervoor is dat de BNI-afdrachten na 2011 hoger uitvallen naar aanleiding van meer inzicht in de realisatiecijfers van de EU-begroting.

Onderstaande tabel geeft de verwachte ontwikkeling weer van de Nederlandse afdrachten aan de EU tot en met 2013.

Tabel 1: Nederlandse afdrachten aan de EU in miljoen €
 

2011

2012

2013

BNI-afdracht

3 690

4 498

4 604

BTW-afdracht

351

360

377

Landbouwheffingen

303

303

303

Invoerrechten

2 136

2 178

2 222

Totaal EU-afdrachten (bruto)

6 480

7 340

7 506

Perceptiekostenvergoeding voor inning landbouwheffingen

76

76

76

Perceptiekostenvergoeding voor inning invoerrechten

534

545

555

Totaal perceptiekostenvergoedingen

610

620

631

Totaal EU-afdrachten (netto)

5 870

6 720

6 875

Beleidsinstrumenten:

  • Bilaterale en intra-Europese diplomatie, zowel op ministerieel als ambtelijk niveau, om andere lidstaten, Europees Parlement en Europese Commissie te overtuigen van onze posities over bijvoorbeeld het Meerjarig Financieel Kader, de eurozone, Schengen etc. Coördinatie gaat via de strategische reisagenda van de regering waarin de voorgenomen reizen van bewindslieden worden opgenomen en afgestemd.

  • Inzet van het Europese postennetwerk om bilaterale betrekkingen te onderhouden om mogelijk coalities te identificeren, standpunten uit te wisselen en rapportages te ontvangen over relevante ontwikkelingen die standpuntbepaling in de EU kunnen beïnvloeden.

  • Tijdig formuleren van interdepartementaal gecoördineerde standpunten via wekelijkse BNC om vroegtijdig het debat en de besluitvorming in Brussel te sturen.

  • Coalitievorming in het kader van «gelijkgezinden» maar ook actief zoeken naar en inzetten op nieuwe partners op verschillende dossiers.

  • Voorbereiden van strategische inzet voor strategische Europese dossiers via de Hoog Ambtelijke Commissie EU-zaken en de Ministeriële Commissie EU-zaken.

  • Via demarches in Benelux kader inzetten op het optimaal functioneren van de nieuwe structuren van het Verdrag van Lissabon zoals de Vaste Voorzitter van de Europese Raad.

  • Actief detacheringbeleid bij de Europese instellingen (zoals Europese Commissie en Raadssecretariaat) en bij ministeries van Buitenlandse Zaken in verschillende lidstaten.

  • Behoud en de ontwikkeling van de Europese rechtsorde door actief bij te dragen aan de ontwikkeling van Europese regelgeving en door een actieve houding van de Nederlandse regering bij het Hof van Justitie van de EU.

Operationele Doelstelling 3.2

Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen en regio’s, inclusief ontwikkelingslanden

Financiële instrumenten:

  • Bijdrage aan het Europees Ontwikkelingsfonds (EUR 173 miljoen). De «EU toerekening»: het aan de BZ-begroting toegeschreven «Nederlandse aandeel» uit hoofdstuk vier van de begroting van de Europese Commissie («De Europese Unie als mondiale partner»). Uit dit hoofdstuk worden diverse programma's van de EU voor internationale samenwerking gefinancierd, waaronder het Nabuurschapsbeleid, het Instrument voor Ontwikkelingssamenwerking, het GBVB-budget en Humanitaire hulp.

  • Zie voor het instrument van pre-accessiesteun (landen met EU-lidmaatschapsperspectief assisteren bij overname EU-acquis) het MATRA programma dat wordt verantwoord op beleidsartikel 2 (OD 2.5).

Beleidsinstrumenten (in aanvulling op beleidsinstrumenten onder 3.1):

  • Coherente inzet in de Raad («met één mond spreken»)

Operationele Doelstelling 3.3

Een hechtere Europese waardengemeenschap

Financiële instrumenten:

  • Contributie aan de Raad van Europa van EUR 9,7 miljoen waarmee wordt ingezet op een doelmatige, efficiënte Raad van Europa, die zich richt op het bevorderen van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat in Europa.

Beleidsinstrumenten:

  • Via (coalitievorming in) rapporteursgroepen, het Comité van Ministers en stuurgroepen Nederlandse beleidsprioriteiten realiseren.

  • Nederlandse inzet is altijd gebaseerd op goede afstemming tussen de betrokken vakdepartementen.

De Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in Straatsburg speelt een centrale rol bij het realiseren van de beleidsdoelstellingen, door goede betrekkingen en, indien opportuun, regelmatig overleg met het secretariaat van de Raad van Europa, permanente vertegenwoordigingen van andere lidstaten en met de Nederlandse delegatie in de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa.

Operationele Doelstelling 3.4

Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27

Financiële instrumenten:

  • Jaarlijkse bijdrage van circa EUR 3,8 miljoen aan de Benelux. Het Benelux-verdrag dient twee doelen: het vervullen van een voortrekkersrol binnen de Europese Unie en grensoverschrijdende samenwerking, vooral op het gebied van economie, duurzame ontwikkeling en justitie/binnenlandse zaken.

Beleidsinstrumenten:

  • Conferenties (zoals de Utrecht Conferentie met Polen) en seminars ter intensivering van de bilaterale betrekkingen.

  • Benelux overleg voorafgaand aan EU-raden en waar nuttig ook met andere regionale samenwerkingsverbanden zoals Visegrad 24 en Baltische 25 staten.

  • Bilaterale en intra-Europese diplomatie, zowel op ministerieel als ambtelijk niveau, om andere lidstaten te overtuigen van onze posities.

  • Actieve inzet van het Europese postennetwerk.

  • Gerichte detacheringen bij verschillende EU-lidstaten (o.a. tijdens EU-voorzitterschappen) en EU-instellingen.

  • Voorlichting van departementen, onder andere door verdere activiteiten van het Expertisecentrum Europees Recht (ECER).

  • Voeren van het secretariaat en het co-voorzitterschap van de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER) met het oog op een goede coördinatie tussen departementen van standpunten over het recht van de Europese Unie.

E. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Europese samenwerking

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

6 090 076

6 493 256

7 353 602

7 528 242

7 918 919

8 133 453

8 133 453

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

6 230 748

6 657 389

7 526 717

7 696 623

8 071 175

8 285 709

8 285 709

                 

3.1

Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt

6 022 099

6 479 880

7 340 042

7 505 786

7 905 259

8 119 793

8 119 793

                 
 

Juridisch verplicht

   

100%

100%

100%

100%

100%

 

Overig verplicht

   

0%

0%

0%

0%

0%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

3.2

Een effectief, efficient en cohorent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen en regio's, inclusief ontwikkelingslanden

195 228

164 133

173 115

177 177

152 256

152 256

152 256

                 
 

Juridisch verplicht

   

100%

100%

100%

100%

100%

 

Overig verplicht

   

0%

0%

0%

0%

0%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

3.3

Een hechtere Europese waardengemeenschap

9 669

9 516

9 700

9 800

9 800

9 800

9 800

                 
 

Juridisch verplicht

   

0%

0%

0%

0%

0%

 

Overig verplicht

   

100%

100%

100%

100%

100%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

3.4

Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27

3 752

3 860

3 860

3 860

3 860

3 860

3 860

                 
 

Juridisch verplicht

   

0%

0%

0%

0%

0%

 

Overig verplicht

   

100%

100%

100%

100%

100%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

Ontvangsten

576 496

609 720

620 347

631 239

642 349

653 681

653 681

                 

3.10

Perceptiekostenvergoedingen

576 496

609 669

620 347

631 239

642 349

653 681

653 681

                 

3.30

Restitutie Raad van Europa

0

51

0

0

0

0

0

Beleidsartikel 4: Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

A. Algemene Doelstelling

Zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden, gericht op het bevorderen van het op termijn voeren van eigenstandig armoedebeleid. Inzet van posten voor internationalisering van onze economie.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regiefunctie

  • de minister voert de regie over beleidscoherentie voor ontwikkeling in het Nederlandse buitenlandbeleid door het ontwikkelingsbelang mee te nemen in het nationale, Europese en – waar opportuun – internationale beleid, ook ten aanzien van Global Public Goods, in het bijzonder door Nederlands overheidsbeleid (en dat van de EU) te toetsen op de effecten voor ontwikkelingslanden. Nauwe samenwerking vindt plaats met andere departementen, in het bijzonder met Financiën, Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) en Infrastructuur & Milieu (I&M).

  • de minister voert (onder meer in het strategisch beleidsoverleg postennetwerk) regie over de inzet van de posten in economische diplomatie, in nauw overleg met de minister van EL&I die internationaal ondernemen coördineert, en in samenwerking met het Agentschap NL.

Faciliterende rol

  • de minister draagt bij aan het scheppen van de omstandigheden waaronder effectief armoedebeleid van landen zelf uitgevoerd kan worden.

Beleidstheorie

Duurzame economische groei en een overheid die deze groei mogelijk maakt én doeltreffend armoedebeleid voert, leiden ertoe dat ontwikkelingslanden op termijn minder afhankelijk worden van hulp. Bij het bereiken van dit doel hebben verschillende partijen (private sector, overheid, maatschappelijke en multilaterale organisaties) op diverse niveaus (nationaal, regionaal, mondiaal) hun eigen rol. Nederland werkt samen met die verschillende partijen in een samenhangende benadering26. Uitgangspunt bij het leveren van de bijdrage aan zelfredzaamheid is de behoefte vanuit ontwikkelingslanden.

De overheid speelt een cruciale rol. Een doeltreffende overheid is nodig voor stabiliteit en vormgeving van het economische en sociale beleid. Daartoe dient de overheid zelf haar zaken op orde te hebben. Het gaat daarbij om zaken als adequate wet- en regelgeving, effectief armoedebeleid, macro-economische stabiliteit, gezonde overheidsfinanciën, een gunstig ondernemingsklimaat, een adequaat belastingstelsel, verantwoord financieel beheer en de capaciteit van het ambtenarenapparaat.

Als directe steun aan overheden in ontwikkelingslanden wordt gegeven, kan dit in de vorm van begrotingssteun, programma- of projectsteun. De praktische toepasbaarheid van algemene begrotingssteun is wel zeer beperkt omdat er voldoende vertrouwen moet bestaan in de wijze waarop het partnerland in de praktijk omgaat met zaken zoals mensenrechten en corruptie 27.

Ontwikkeling van de private sector is een essentiële voorwaarde voor meer economische groei en draagt bij aan voedselzekerheid, een belangrijk element bij het behalen van millenniumdoel 1 (Halvering van honger en het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft). De toenemende bevolkingsgroei, schaarser wordende en ongelijk verdeelde natuurlijke hulpbronnen (land, water en energie) en ongelijke toegang tot voedsel vormen een grote uitdaging. Vergroting van de voedselzekerheid is daarom één van de vier speerpunten van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Nederland zal bijdragen aan toegenomen voedselzekerheid door gelijktijdig te investeren in zowel de vergroting van het voedselaanbod door duurzame productie, efficiëntere markten, grotere inkomenszekerheid alsmede verbeterde toegang tot gezond en nutriëntenrijk voedsel. Om adequate private sector ontwikkeling te ondersteunen zet Nederland in op markttoegang en -ontwikkeling, verbeterde infrastructuur, financiële dienstverlening, en kennis en vaardigheden. Daarbij zal de samenwerking met het bedrijfsleven worden geïntensiveerd.

De wijze waarop hulp wordt geleverd is van belang. De mate waarin interventies doeltreffend kunnen zijn wordt in belangrijke mate bepaald door de lokale context en de wijze van uitvoering. Ook de afstemming met en samenwerking tussen actoren, waaronder andere donoren, kunnen bijdragen of afdoen aan de effectiviteit van de ingezette middelen. Hulp dient transparant te zijn en hier en daar verantwoordingsrelaties te ondersteunen en verdiepen. Capaciteitsopbouw is cruciaal voor lange termijn ontwikkeling en zelfredzaamheid.

Een belangrijk deel van de wereldwijde economische groei vindt plaats in opkomende markten en van deze groei wil Nederland via handel en investeringen deel uitmaken. Het Ministerie van EL&I is hiervoor eerstverantwoordelijke. Om de internationalisering van de economie een verdere impuls te geven zullen de posten inzetten op ondersteuning van het bedrijfsleven op buitenlandse markten en het versterken van de economische positie van ons land in de wereld. Hoe en in welke mate economische diplomatie en dienstverlening worden ingezet zal per land verschillen. Zo zal het bedrijfsleven in de zogenaamde BRICS landen in de volle breedte worden ondersteund. In andere landen richt de inspanning zich met name op de economische topsectoren. In partnerlanden zal worden aangehaakt bij het ontwikkelingssamenwerkingsprogramma en in enkele landen wordt een transitiefaciliteit opgezet.

C. Beleidswijzigingen

  • Er zal meer nadruk komen op de productieve sectoren, dit in navolging van de conclusies van de WRR in zijn rapport «Minder pretentie, meer ambitie 28».

  • Naar het verstrekken van algemene begrotingssteun zal zeer kritisch worden gekeken, resulterend in een verdere inkrimping van landen waaraan deze steun gegeven wordt. Hiervoor gelden strikte voorwaarden inzake mensenrechten, corruptie en voldoende goed bestuur, waarbij wel de nog lopende verplichtingen op behoorlijke wijze worden afgehandeld.

  • Economische diplomatie zal een veel belangrijker plaats gaan innemen in het werk van de posten, om de Nederlandse open economie verder te ondersteunen 29.

  • N.a.v. het WRR-rapport «Minder pretentie, meer ambitie» en het debat met de Kamer is een traject ingezet met als doel OS fundamenteel te herzien en beter te integreren in het buitenlandbeleid. De regering heeft de Tweede Kamer in dit kader toegezegd een praktische beleidsagenda te ontwikkelen. Deze zal zich richten op de ontwikkelingsdimensie van een aantal prioritaire global public goods: handel en financiering, klimaatverandering, voedselzekerheid, migratie en vrede en veiligheid.

  • Er wordt geïnvesteerd in economische diplomatie. Het postennetwerk wordt specifieker toegerust voor het behartigen van de economische belangen. Bijzondere aandacht is er voor het MKB.

De beleidswijzigingen zijn opgenomen in de Basisbrief Ontwikkelingssamenwerking30, Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking31 en Modernisering Nederlandse diplomatie32.

D. Operationele Doelstellingen

Operationele Doelstelling 4.1

Voedselzekerheid

Financiële inzet

Via het multilaterale kanaal zijn de grootste programma’s:

  • ondersteuning van het Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP) (EUR 25 miljoen) ter ondersteuning van private sectorontwikkeling in relatie tot voedselzekerheid.

  • ondersteuning aan IFAD (EUR 18 miljoen) voor leningen en subsidies aan ontwikkelingslanden ter ondersteuning van de uitvoering van landbouw ontwikkelingsprojecten.

  • ondersteuning van nationale overheden in ontwikkelingslanden op het terrein van landbouwketenontwikkeling via het International Center for Soil Fertility and Agricultural Development (EUR 10 miljoen) en het Comprehensive Africa Agricultural Development Programme (CAADP) van EUR 1 miljoen.

  • steun aan internationaal landbouwonderzoek via de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR), International Centre for Agricultural Research in the Dry Areas (ICARDA) en Forum for Agricultural Research in Africa (FARA).

Via bilaterale ambassadeprogramma’s wordt onder meer aan de volgende programma’s bijgedragen:

  • In Ethiopië zal gewerkt worden aan de verhoging van de landbouwproductiviteit onder meer via productieve vangnetprogramma's voor districten waar veel chronische honger wordt geleden.

  • In Rwanda worden via arbeidsintensieve programma's rurale wegen, terrasbouw en bosaanplant-projecten aangelegd en onderhouden.

  • In Mozambique worden lokale gemeenschappen geholpen om hun recht op landgebruik beter te beschermen.

  • In Mali wordt geïnvesteerd in de uitbreiding van irrigatie-infrastructuur en waterbeheer in samenwerking met boerenorganisaties.

  • In Benin zal geïnvesteerd worden in diversificatie van de landbouw door ontwikkeling van voedselketens.

De grootste programma’s voor samenwerking met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zijn:

  • EUR 22 miljoen voor het Initiatief Duurzame Handel (IDH) met als doel verduurzaming van internationale agro-ketens.

  • EUR 13 miljoen voor versterking van boerenorganisaties via het Programma Ondersteuning Producentenorganisaties (POP).

  • EUR 30 miljoen voor publiek private partnerschappen (met onder meer Heineken, Solidaridad, Unilever en DSM) ter verbetering van de voedselkwaliteit, versterking van capaciteit van ondernemers, versterken van business support centres, en de overschakeling van geïmporteerde naar lokaal geproduceerde grondstoffen.

Naast bovengenoemde programma’s zullen er voor de nieuwe beleidsprioriteit voedselzekerheid in de loop van 2012 nieuwe programma’s worden ontwikkeld.

Operationele Doelstelling 4.2

Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

Financiële instrumenten

Multilaterale inzet via de Internationale Financiële instellingen, via VN-organisaties (als UNDP en UNICEF) en schuldverlichtingsinitiatieven. Uitgesplitst naar categorie gaat het in 2012 daarbij om:

  • EUR 93 miljoen aan de «zachte loketten» van de Afrikaanse en de Aziatische ontwikkelingsbank voor concessionele project- en programmaleningen en schenkingen aan de overheden van de armste lage-inkomenslanden. Iedere drie jaar worden de financiële middelen van deze fondsen aangevuld, waarbij ook afspraken worden gemaakt over de beleidsprioriteiten voor de komende periode.

  • Deelname aan kapitaalverhogingen bij de Afrikaanse en de Aziatische ontwikkelingsbank om de regionale ontwikkelingsbanken meer financiële armslag te geven bij bestrijding van de gevolgen van de financiële crisis.

  • Multilaterale schuldverlichtingsinitiatieven. Afspraken over schuldverlichting in de Club van Parijs leiden ook tot verlaging van de vorderingen van ontwikkelingsbanken op ontwikkelingslanden. Deze middelen dienen ter compensatie voor de mis te lopen terugbetalingen.

  • Bijdrage aan UNDP voor armoedebestrijding door bevordering van duurzame ontwikkeling. Binnen het mandaat van UNDP valt een coördinerende rol voor de verschillende VN-organisaties en een operationele rol als uitvoerder van programma’s.

  • Bijdrage aan UNICEF. De door Nederland ondersteunde programma’s richten zich op nood/humanitaire hulp, water en sanitatie, voedselzekerheid, seksuele- en reproductieve gezondheid en rechten, bestrijding van besmettelijke ziektes als HIV/AIDS, en onderwijs in fragiele staten.

  • EUR 2 miljoen als bijdragen aan programma’s gericht op versterking van schuldenmanagement in ontwikkelingslanden. Het gaat hier om 1) een bijdrage aan DMFAS (Debt Management Financial Analysis System), een softwareprogramma van UNCTAD voor het administreren van overheidsschulden; 2) een bijdrage aan MEFMI (Macroeconomic and Financial Management Institute of Eastern and Southern Africa), dat trainingsprogramma’s op het terrein van Public Finance Management in zuidelijk Afrika verzorgt; en 3) een bijdrage aan de Debt Management Facility van de Wereldbank voor trainingsprogramma’s ten behoeve van overheidsfunctionarissen.

  • EUR 13 miljoen voor het assistent-deskundigenprogramma. Dit biedt Nederlandse academici en academici uit OS-landen de mogelijkheid volwaardige werkervaring op te doen bij internationale organisaties. De totstandbrenging van een kweekvijver van deskundigen en het versterken draagvlak gaan daarbij hand in hand met NL-presentie en zichtbaarheid bij internationale organisaties.

Bilaterale ondersteuning van het armoedebeleid van partnerlanden:

  • algemene begrotingssteun.

  • EUR 12 miljoen voor sector-overstijgende projecten, zoals de inzet op gezonde overheidsfinanciën en verantwoord financieel beheer, voor het opbouwen van nationale capaciteit op het terrein van belastingen, en gerichte bilaterale ondersteuning van enkele ontwikkelingslanden.

  • voor bijdragen aan de beleidscoherentie voor ontwikkeling en de effectiviteit en kwaliteit van de Nederlandse financiële inspanningen gericht op ontwikkeling (EUR 0,5 miljoen).

Beleidsinstrumenten

  • In samenwerking met het ministerie van Financiën inzetten op het verhogen van belastinginkomsten in ontwikkelingslanden. De inzet beoogt het tegengaan van internationale belastingontduiking en -ontwijking door personen en bedrijven en versterking van nationale belastingstelsels. De OESO informele Taskforce Tax and Development werkt samen met ontwikkelingslanden aan de implementatie van voorstellen op het gebied van capaciteitsontwikkeling, verrekenprijzenmethodieken, uitwisseling van informatie tussen landen en transparantie in rapportages door multinationale ondernemingen. Ook in de EU zet Nederland zich in op het verbeteren van transparantie in de financiële rapportages door multinationals.

  • Om negatieve gevolgen van Nederlands en Europees beleid voor ontwikkelingslanden zoveel mogelijk te voorkomen ondergaat al dit beleid dat derde landen raakt een beleidscoherentie voor ontwikkeling-toets. Hierbij wordt synergie tussen het Nederlands belang en de belangen van ontwikkelingslanden gezocht. Het creëren van handelsmogelijkheden door de aanpak van handelsbarrières, bijvoorbeeld, biedt ontwikkelingslanden de ruimte de armoede te bestrijden door eigen industrie- en dienstensectoren te ontwikkelen. In Nederland is beleidscoherentie voor ontwikkeling verantwoordelijkheid van de regering als geheel.

  • In navolging van het 4de High Level Forum on Aid Effectiveness in Busan (eind 2011) wordt in 2012 verder uitvoering gegeven aan het internationale partnerschap tussen donoren, partnerlanden, opkomende economieën, NGO’s en private sector om de effectiviteit van ontwikkelingsinspanningen te verhogen. Het basisraamwerk rondom resultaten, transparantie en accountability staat hierbij centraal. Op landenniveau zullen zogeheten country compacts een maat gesneden kader bieden voor resultaatbereiking en accountability.

Operationele Doelstelling 4.3

Private sector ontwikkeling

Financiële instrumenten

De grootste programma’s binnen het multilaterale kanaal zijn:

  • technische assistentie aan ontwikkelingslanden via het Netherlands IFC Partnership Programme (NIPP, EUR 20 miljoen) ter ondersteuning van onder meer het lokale investeringsklimaat, ontwikkeling van de financiële sector en infrastructuurontwikkeling.

  • via het (World) Bank Netherlands Partnership Programme (BNPP) en de Investment Climate Facility wordt gewerkt aan de verbetering van het ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden en het stimuleren van investeringen. Overheden worden geholpen in het vereenvoudigen van procedures en het verminderen van de tijdsduur en kosten voor het bedrijfsleven die daaraan zijn verbonden.

De inzet via het bilaterale kanaal en samenwerking met het bedrijfsleven behelst vooral de volgende instrumenten:

  • (publieke) infrastructuurontwikkeling via het ORET/ORIO programma, het Infrastructure Development Fund (IDF) van de FMO (EUR 20 miljoen) en Private Infrastructure Development Group (PIDG).

  • stimuleren van innovatieve investeringen door middel van joint-ventures tussen het MKB, via het PSI programma (EUR 60 miljoen).

  • financieringsmogelijkheden van het MKB in ontwikkelingslanden worden ondersteund via MASSIF (EUR 20 miljoen), het Fonds Mesofinanciering (EUR 3 miljoen) en FOM-OS (EUR 13 miljoen), alle drie programma’s van de FMO.

  • Publiek-private partnerschappen, o.a. gericht op de ontwikkeling van de financiële sector (Triodos, Rabobank) en bevordering van technologische innovaties (Base of the Pyramid Innovation Lab) (EUR 14 miljoen).

  • verbetering van de toegang tot internationale afzetmarkten voor individuele ondernemingen via programma’s van het CBI.

  • versterking van kennis en capaciteit van ondernemingen via PUM (EUR 12 miljoen).

  • In 2012 zal de transitiefaciliteit van start zijn gegaan met als doel het transitieproces van bilaterale relaties op het terrein van ontwikkelingssamenwerking naar reguliere economische relaties te faciliteren. Dit zal plaatsvinden in Zuid-Afrika, Vietnam en Colombia.

Operationele Doelstelling 4.4

Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevordering

Financiële instrumenten

  • Steun aan Netherlands Business Support Offices (NBSO’s) en Netherlands Agricultural Business Support Offices (NABSO’s). De belangrijkste taak is het ondersteunen van Nederlandse bedrijven bij het betreden van kansrijke markten. Binnen de eerstelijns dienstverlening verstrekken N(A)BSOs maatwerkvoorlichting bij de marktoriëntatie door individuele bedrijven. Afgeleide taken zijn onder andere de beantwoording en behandeling van handelsaanvragen; het faciliteren van contacten van Nederlandse bedrijven met relevante zakenpartners en vertegenwoordigers van lokale overheden; ondersteuning van inkomende delegaties, economische missies en bezoekers; individuele marktbewerking (marktscans).

Beleidsinstrumenten

  • Diplomatieke inspanningen van ambassades en consulaten richten zich op de volle breedte van economische dienstverlening en economische diplomatie die kan bijdragen aan het succes van Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven in het buitenland. Nederland zal zich vooral inzetten in de landen waar de Nederlandse overheid de meeste toegevoegde waarde heeft, namelijk landen met veel economisch potentieel (snelgroeiende, opkomende markten) en landen waar de overheidsinmenging groot is.

  • Naast de inzet van bilaterale economische diplomatie, zal ingezet worden op multilaterale economische diplomatie gericht op versterking van het multilaterale stelsel en op het afsluiten van vrijhandelsakkoorden via de EU.

E. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

2 128 486

1 595 323

1 006 398

967 643

846 599

1 007 641

1 119 570

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

1 046 907

689 398

881 135

981 748

1 048 898

1 192 389

1 315 028

                 

4.1

Voedselzekerheid

108 923

152 768

218 907

286 610

411 140

343 500

434 500

                 
 

Juridisch verplicht

   

57%

36%

26%

17%

10%

 

Overig verplicht

   

43%

64%

74%

83%

90%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

4.2

Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden

627 109

173 328

317 833

293 561

204 536

348 878

471 517

                 
 

Juridisch verplicht

   

64%

63%

56%

56%

56%

 

Overig verplicht

   

35%

34%

40%

40%

40%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

1%

3%

4%

4%

4%

                 

4.3

Private sector ontwikkeling

304 811

356 642

337 735

394 917

426 562

403 001

403 001

                 
 

Juridisch verplicht

   

55%

47%

35%

25%

20%

 

Overig verplicht

   

44%

53%

65%

75%

80%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

1%

0%

0%

0%

0%

                 

4.4

Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevordering

6 064

6 660

6 660

6 660

6 660

6 010

6 010

                 
 

Juridisch verplicht

   

100%

100%

100%

0%

0%

 

Overig verplicht

   

0%

0%

0%

100%

100%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

Ontvangsten

11 208

20 483

20 136

24 163

28 067

28 067

28 067

                 

4.20

Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen

11 208

20 483

20 136

24 163

28 067

28 067

28 067

Beleidsartikel 5: Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

A. Algemene Doelstelling

De kern van ontwikkeling ligt in de mogelijkheden en kansen die mensen, mannen én vrouwen, krijgen om zich te ontplooien en bij te dragen aan de sociale en economische ontwikkeling van hun land. Een sterk maatschappelijk middenveld geeft een stem aan groepen uit de samenleving en zorgt voor het nodige tegenwicht voor de overheid.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Faciliterende rol

  • De minister stelt voldoende financiële en personele middelen beschikbaar voor het realiseren van de operationele doelstellingen en is aanspreekbaar op effectieve en doelmatige inzet van die middelen.

Stimulerende rol

  • Internationaal versterken van het politiek draagvlak voor gelijke rechten en kansen voor vrouwen en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen, ongeacht leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, leefstijl of religie, zowel in donorlanden als in ontvangende landen.

Beleidstheorie

Van de acht Millenniumdoelen hebben er vijf betrekking op gezondheid, HIV/Aids, onderwijs en gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. In het nieuwe beleid is meer focus aangebracht en geeft Nederland prioriteit aan die Millennium Development Goals waarop een relatief grote achterstand is en waar Nederland specifieke meerwaarde heeft. Vanuit deze overwegingen is gekozen voor het speerpunt seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, inclusief HIV/Aids. Er rust in veel landen een taboe op seksualiteit en dat belemmert voortgang op het terrein van SRGR en HIV preventie. Oppositie tegen reproductieve en seksuele rechten is groot en groeit, veelal religieus geïnspireerd. Wereldwijd bestaan legio taboes over zelfbeschikkingsrecht van vrouwen over hun eigen lichaam, over seksueel gedrag van jongeren maar ook over veilige abortus. Dit leidt tot stigma en discriminatie, en tot gevangenisstraffen voor vrouwen die hun zwangerschap hebben afgebroken en voor hun hulpverleners. Daarnaast leiden stigma, discriminatie en criminalisering van LGBT 33, sekswerkers en injecterende druggebruikers («key populations») tot uitsluiting van deze mensen en verdere verspreiding van de aidsepidemie. Seksueel geweld tegen vrouwen, jongeren en seksuele minderheden blijft te vaak ongestraft. Nederland geeft specifieke aandacht aan mensenrechten gerelateerd aan seksualiteit en voortplanting. Deze inzet is ook gericht op jongeren zodat zij betere kennis verwerven over seksualiteit, zwangerschap en HIV en zelf keuzes kunnen maken bij het aangaan van seksuele relaties, veilig vrijen en het gebruik van anticonceptie. Ook wordt ingezet op betere toegang tot en keuze uit kwalitatief goede anticonceptie, mannen- en vrouwencondooms, medicijnen, vaccins en andere medische middelen voor reproductieve gezondheid en HIV preventie. Een belangrijk aandachtspunt is het optimaliseren van complementaire publieke en private dienstverlening voor seksuele en reproductieve gezondheid inclusief veilige abortus en HIV/Aids. 34 Op deze manier wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het verminderen van moedersterfte.

Onderwijs en onderzoek

Basisonderwijs is niet benoemd als een van de speerpunten in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. De keuze voor de speerpunten is gemaakt op basis van de meerwaarde van de Nederlandse deskundigheid die Nederland ontwikkelingslanden op bepaalde terreinen kan bieden. De meerwaarde op terreinen als voedselzekerheid en water blijkt groter dan op basisonderwijs. Het Nederlandse onderwijskundig onderzoek wordt internationaal hoog gewaardeerd. Tegelijkertijd is het zo dat de Nederlandse onderwijsexpertise voornamelijk is gericht op de oplossing van onderwijsvraagstukken in een Nederlandse of westerse setting. Er is op dit moment geen center of excellence op het terrein van onderwijs in OS-landen in Nederland. Voor de thans gekozen speerpunten zullen Nederlandse kennisinstituten die zich wel expliciet bezig houden met de specifieke problematiek van ontwikkelingslanden zoveel mogelijk benut worden. Ze krijgen de gelegenheid zich aan de nieuwe speerpunten aan te passen.

De inzet op basis- en beroepsonderwijs in fragiele staten wordt voorgezet. De resterende onderwijsprogramma’s, waaronder die voor hoger onderwijs, worden zoveel mogelijk omgevormd naar onderwijs en training die de vier speerpunten van het OS-beleid ondersteunen.

Genderongelijkheid is een maatschappelijke kwestie en de politiek dient een leidende rol te spelen om verbetering te realiseren. Vrouwen kunnen daar zelf een katalyserende rol bij spelen wanneer zij zich bewust zijn van hun rechten en kansen en wanneer zij de capaciteiten hebben om deze op te eisen. Het is daarom van groot belang dat vrouwen en mannen uit de lokale gemeenschap vanaf het begin bij besluitvorming worden betrokken. Lokale (vrouwen)organisaties spelen een belangrijke rol in het creëren van maatschappelijk draagvlak onder zowel vrouwen als mannen. Zij hebben toegang tot de wortels van de samenleving en staan aan de basis van duurzame initiatieven op het gebied van de creatie en verdeling van welvaart, van vrede en stabiliteit en van mensenrechten voor iedereen.

Nederland ondersteunt lokaal ingezette processen die bijdragen aan veranderingen gericht op verschillende niveaus: institutioneel (zoals nieuwe wetgeving en betere arbeidsvoorwaarden), cultureel (zoals politiek leiderschap van vrouwen) en individueel (zoals kennis van vrouwen over hun rechten, toegang tot onderwijs, gezondheid en werk). Daarnaast is Nederland internationaal actief om te komen tot betere standaarden en betere naleving daarvan om mondiaal gelijke rechten en kansen te bevorderen.

Sterkere maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden zijn nodig die volwaardig en zelfstandig gesprekspartner zijn bij een beleidsdialoog ten aanzien van alle aspecten van armoedebestrijding en duurzame sociale en economische ontwikkeling. Maatschappelijke organisaties kunnen indien nodig overheid en markt tegenwicht bieden en aanspreken op hun verantwoordelijkheden. Een sterk en divers maatschappelijk middenveld is essentieel voor een vitale samenleving en daarmee voor ontwikkeling.

C. Beleidswijzigingen

  • Bij gezondheid zal meer dan voorheen de focus op SRGR inclusief HIV/Aids liggen met nadruk op preventie en mensenrechten. De inzet op het terrein van algemene gezondheid wordt vooral ondersteunend aan deze prioriteit met als doel dat het gezondheidssysteem maximaal resultaten op dit thema kan behalen.

  • Het accent in het onderwijs- en onderzoeksbeleid verschuift naar activiteiten die bijdragen aan de vier beleidsspeerpunten. Er is minder geld beschikbaar voor algemeen basisonderwijs in (bilaterale) partnerlanden en voor het Education for All – Fast Track Initiative (FTI). Een aantal activiteiten wordt geheel afgebouwd, zoals basisonderwijs in de partnerlanden waaruit Nederland zich terugtrekt en het SII-programma voor Samenwerking tussen Internationale (hoger onderwijs) Instituten 35.

  • De inzet op beroepsonderwijs ten dienste van de speerpunten wordt voortgezet of mogelijk vergroot. Binnen de onderwijsprogramma's blijft er speciale aandacht bestaan voor het inhalen van achterstanden door meisjes/jonge vrouwen 36.

  • Centrale onderwijsactiviteiten ter ondersteuning van een specifiek speerpunt, zoals het programma ten behoeve van fragiele staten, zijn ondergebracht onder het betreffende beleidsartikel.

D. Operationele Doelstellingen

Operationele doelstelling 5.1

Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten.

Financiële instrumenten

Hoger onderwijs.

  • EUR 75 miljoen voor de hoger onderwijsprogramma’s: het Netherlands Fellowship Programma (NFP) en het Netherlands Initiative for Capacity Development in Higher Education (NICHE). NICHE richt zich op de versterking van de capaciteit, en verbetering van kwaliteit en relevantie, van hoger (beroeps)onderwijs in de vier prioritaire sectoren in de partnerlanden. Het NFP verleent studiebeurzen aan mid-career professionals uit 60 ontwikkelingslanden om hun capaciteiten te vergroten en bij te dragen aan de ontwikkeling van de organisaties waar zij werkzaam zijn. Ook het NFP zal zich meer gaan richten op de vier prioritaire sectoren. In zowel NFP als NICHE is een belangrijke rol weggelegd voor Nederlandse kennisinstellingen. NICHE is in 2012 operationeel in tenminste negen partnerlanden, waaronder twee fragiele staten (Jemen en Zuid-Soedan).

Beroepsonderwijs:

  • Naast de NICHE-activiteiten op het gebied van beroepsonderwijs zullen ook in bilaterale partnerlanden nieuwe en waar mogelijk innovatieve onderwijsactiviteiten op het gebied van voedselzekerheid en water worden opgezet. In de aanloop naar 2013 wordt een verkenning gedaan naar het aantal landen en de aard van de partnerschappen. Voor intensivering van beroepsonderwijs is (afgezien van NICHE) EUR 2 miljoen beschikbaar.

Basisonderwijs:

  • Nederland blijft zowel donor (EUR 30 miljoen) als medebestuurder bij het Education for All - Fast Track Initiative. Nederland zal als bestuurslid blijven aansturen op meer aandacht voor fragiele staten en gender. In 2012 worden naar verwachting 42 landen (waarvan 8 nieuw door FTI ondersteund bij de verbetering van hun onderwijsbeleid. Daarvan zijn 14 staten fragiel (waaronder 3 nieuwe landen).

  • Overige centrale programma's voor basisonderwijs die niet specifiek op de speerpunten zijn gericht, worden afgebouwd. In de partnerlanden wordt de onderwijssteun omgebogen ter ondersteuning van de beleidsprioriteiten of afgebouwd. Steun aan basisonderwijs in de exit-landen wordt de komende jaren op verantwoorde wijze afgebouwd.

Onderzoek:

  • EUR 20 miljoen is beschikbaar voor het Programma Onderzoek & Innovatie, dat zich sterker zal richten op de beleidsprioriteiten. EUR 2,1 miljoen hiervan is bestemd voor academisch beleidsonderzoek en kennisplatforms op relevante ontwikkelingsterreinen. Een nieuwe algemene bijdrage aan de Consultative Group for International Agricultural Research (CGIAR) is voorzien.

  • EUR 1,6 miljoen is beschikbaar voor de bevordering van de interactie tussen het ministerie en de externe kenniswereld. Een substantieel deel van dit bedrag is vastgelegd in lopende IS Academie-trajecten.

Operationele doelstelling 5.2

Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden

Financiële instrumenten

De totale financiële inzet bij deze operationele doelstelling die via Nederlandse maatschappelijke organisaties geleverd wordt bedraagt EUR 472 miljoen. Daarnaast gaat directe financiering van zuidelijke maatschappelijke organisaties vanuit het bilaterale kanaal in de toekomst onder deze operationele doelstelling vallen.

Onder de bijdragen aan Nederlandse maatschappelijke organisaties vallen:

  • EUR 382 miljoen aan twintig allianties van Nederlandse maatschappelijke organisaties binnen het Medefinancieringsstelsel II (2011–2015). MFS II richt zich op de versterking van maatschappelijke organisaties in het Zuiden zodat zij een volwaardige en zelfstandige gesprekspartner kunnen zijn van de (lokale) overheid over duurzame ontwikkeling. Maatschappelijke organisaties fungeren in een samenleving als countervailing power. Een sterk en divers maatschappelijk middenveld is een voorwaarde voor duurzame ontwikkeling. Door versterking van het maatschappelijk middenveld in het Zuiden levert MFS II tevens een bijdrage aan armoedebestrijding, het realiseren van de (prioritaire) beleidsthema’s en meer specifiek aan het behalen van diverse thematische doelstellingen (inclusief capaciteitsopbouw voor versterking van het maatschappelijk middenveld).

  • EUR 65 miljoen aan SNV dat zich door middel van capaciteitsontwikkeling van ngo’s, private sector en lokale overheden in ontwikkelingslanden richt op armoedebestrijding en het verbeteren van lokaal bestuur.

  • EUR 12 miljoen aan PSO met het doel de capaciteit van het maatschappelijk middenveld in het Zuiden te bevorderen door de kwaliteit en de effectiviteit van Nederlandse ontwikkelingsorganisaties te versterken.

  • EUR 13 miljoen aan het Vakbondsmedefinancieringsprogramma (VMP) dat capaciteitsopbouw van vakbonden in ontwikkelingslanden ondersteunt teneinde arbeids- en vakbondsrechten te bevorderen als bijdrage aan duurzame armoedebestrijding.

Beleidsinstrumenten

  • Coördinatie van MFS II op stelselniveau en monitoring van MFS II organisaties. De monitoringprotocollen van de MFS II-allianties zullen monitoring en rapportage door deze allianties op MFS II-resultaatgebieden mogelijk maken.

  • De in het MFS II verankerde afstemming en samenwerking tussen ambassades en Nederlandse maatschappelijke organisaties én tussen Nederlandse maatschappelijke organisaties onderling om meer synergie en toegenomen doelmatigheid van hulpinspanningen te bereiken via het maatschappelijke kanaal.

Operationele doelstelling 5.3

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen.

Financiële instrumenten

De bijdragen aan gendermainstreaming van het algemene beleid zijn onderdeel van de respectievelijke operationele doelstellingen. Onder deze operationele doelstelling zijn de bijdragen aan specifieke genderinitiatieven samengebracht. Conform het amendement Hachchi (32500 V, nr.17) is het beschikbare bedrag in 2011 verhoogd naar EUR 42 miljoen (waarvan ca. EUR 3 miljoen is overgeheveld vanwege de bundeling van de uitgaven ten behoeve van het maatschappelijk middenveld onder OD 5.2). De meerjarige financiële inzet is hiermee in lijn gebracht.

  • De nadruk ligt op het leveren van bijdragen aan internationale maatschappelijke initiatieven op het gebied van gelijke rechten en kansen: Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) en afronding MDG3 fonds. EUR 20 miljoen zal worden besteed aan maatschappelijke initiatieven op het gebied van bestrijding van geweld tegen vrouwen, actieve deelname van vrouwen aan processen van vrede, veiligheid en wederopbouw, vergroting van economische zelfredzaamheid en de toename van het aandeel vrouwen in politiek en bestuur.

  • Via bilaterale programma’s wordt EUR 13 miljoen besteed aan activiteiten van overheid en maatschappelijk veld om lokaal duurzame stappen te zetten op institutioneel en sociaal cultureel vlak. Een zwaartepunt ligt op de bestrijding van geweld tegen vrouwen.

  • Multilateraal draagt Nederland bij aan de verdere versterking en institutionele opbouw van UN Women (EUR 6 miljoen), inclusief de bijdrage aan het UN Trust Fund to Eliminate Violence Against Women)

Operationele Doelstelling 5.4

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS

De totale financiële inzet bij deze Operationele Doelstelling bedraagt ongeveer EUR 337 miljoen. Van dit bedrag gaat EUR 113 miljoen naar SRGR, EUR 113 miljoen naar HIV/Aids en EUR 111 miljoen naar gezondheid algemeen ter ondersteuning van SRGR en HIV/Aids.

Bijdrage OD 5.4 in miljoen euro's

Bijdrage OD 5.4 in miljoen euro's

Bijdragen aan internationale organisaties (EUR 216 miljoen)

Internationale organisaties zijn van belang voor internationale beleidsontwikkeling, het ontwikkelen van internationale normen en standaarden op basis van onderzoek en hun technische rol ter ondersteuning van landen om nationaal beleid te ontwikkelen. Internationale NGO’s zijn belangrijke spelers voor zowel SRGR en HIV/Aids dienstverlening als belangrijke pleitbezorgers van de SRGR en HIV/Aids agenda. Multidonorfondsen dienen voor schaalvergroting en efficiëntie.

  • EUR 71 miljoen gaat naar UNFPA (waarvan 35 miljoen voor het Global Programme for Reproductive Health Commodity Security) Hierdoor draagt NL bij aan het inlopen van de achterstand op MDG 5. Het aantal landen dat intensieve meerjarige ondersteuning krijgt van het GP-RHCS neemt toe van 11 naar 13. Het eerste van de 11 ondersteunde landen is in 2012 in staat om zonder intensieve steun de logistiek, planning en management zelf uit te voeren. Het aantal donoren van het GP-RHCS neemt toe met twee.

  • EUR 20 miljoen gaat naar UNAIDS Ter ondersteuning van de adviserende rol van UNAIDS ten behoeve van nationaal beleid.

  • EUR 16 miljoen gaat naar de WHO t.b.v. het uitoefenen van haar normerende en standaard zettende rol als wel technische ondersteuning van landen bij beleidsvorming en onderzoek op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid. Dit is inclusief EUR 6 miljoen contributie aan WHO/PAHO.

  • EUR 55 miljoen gaat naar het GFATM als bijdrage aan mondiale lopende programma's ter bestrijding van HIV/Aids, TB en malaria. Indien de bestaande programma's worden gecontinueerd, worden in 2015 naar verwachting 4.4 miljoen Hiv-geïnfecteerden met ARVs behandeld, 3,9 miljoen TB-patiënten behandeld en zijn 110 miljoen bed netten in gebruik. UNFPA, UNAIDS en WHO leveren technische assistentie voor het opstellen van financieringsaanvragen bij het GFATM.

  • EUR 25 miljoen gaat naar de Global Alliance for Vaccination and Immunization (GAVI) en het International Finance Facility for Immunization (IFFim). In 2012 worden via GAVI 39 miljoen kinderen gevaccineerd, waardoor 607 000 kinderlevens worden gered. Ook worden een aantal nieuwe en te weinig gebruikte vaccins in 28 landen geïntroduceerd en worden immunisatie- en gezondheidssystemen versterkt.

  • EUR 20 miljoen gaat naar publiek private partnerschappen voor productontwikkeling (nieuwe vaccins, microbiciden, nieuwe voorbehoedsmiddelen en medicijnen).

  • Een budget van EUR 10 miljoen is beschikbaar voor internationale NGO’s zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF, jongeren en seksualiteit programma’s), IPAS (voorwaarden scheppend voor veilige abortus), Population Services International (PSI, social markering van voorbehoedsmiddelen) en International HIV/Aids Alliance (IHAA, harm reduction programma’s).

Bilaterale programma’s (EUR 88 miljoen)

  • De inzet in partnerlanden is enerzijds gericht op een effectieve dienstverlening voor SRGR en HIV/Aids en anderzijds om randvoorwaarden voor effectief beleid zoals wetgeving, naleving van mensenrechten en pleitbezorging te realiseren. Van het totaal bedrag is ongeveer 20 miljoen voor HIV/Aids programma’s, inclusief het regionale programma in Zuidelijk Afrika, 38 miljoen voor Gezondheid ter ondersteuning van SRGR en HIV/Aids en 30 miljoen voor SRGR specifieke programma’s.

Speciale Programma’s tbv «Key Populations», onderzoek en andere ondersteunende en innovatieve activiteiten (EUR 52 miljoen)

  • Op basis van de Nederlandse meerwaarde op het terrein van HIV preventie voor en rechten van «Key populations» wordt onder andere een aantal NGO’s gefinancierd om dergelijke programma’s uit te voeren in landen waar de aidsepidemie wordt gedreven door juist deze «key populations» (EUR 7 miljoen). Het Health Insurance Fund (EUR 20 miljoen) heeft een innovatief karakter om te werken aan alternatieven voor meer duurzame financiering van de gezondheidszorg.

Beleidsinstrumenten

  • Het mandaat van de Aids-ambassadeur wordt uitgebreid tot Ambassadeur voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en HIV/Aids. Zij zal in internationale fora het Nederlands beleid uitdragen en bruggen slaan om meer politiek draagvlak te creëren voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen.

  • Diplomatie voor SRGR inclusief HIV/Aids krijgt ook vorm in onze partnerlanden en via de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de VN. Inzet zal zijn om het internationale beleid voor SRGR en Aids aan te scherpen vanuit de mensenrechtenbenadering en met meer aandacht voor preventie.

E. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 5 Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

2 652 374

533 045

1 110 031

411 462

309 425

502 468

502 468

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

1 492 076

1 283 531

1 088 142

1 062 948

1 068 001

1 052 266

1 052 266

                 

5.1

Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten

433 049

334 069

238 656

212 400

189 796

173 896

173 896

                 
 

Juridisch verplicht

   

18%

64%

34%

17%

17%

 

Overig verplicht

   

81%

31%

57%

74%

74%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

1%

5%

9%

9%

9%

                 

5.2

Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden

591 055

539 700

473 788

454 000

448 000

448 000

448 000

                 
 

Juridisch verplicht

   

97%

100%

100%

96%

96%

 

Overig verplicht

   

3%

0%

0%

0%

0%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

4%

4%

                 

5.3

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

40 151

39 322

39 000

39 000

39 000

39 000

39 000

                 
 

Juridisch verplicht

   

91%

89%

86%

81%

81%

 

Overig verplicht

   

0%

7%

4%

0%

0%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

9%

4%

10%

19%

19%

                 

5.4

Seksuele en reproductieve gezondheiden rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS

427 821

370 440

336 698

357 548

391 205

391 370

391 370

                 
 

Juridisch verplicht

   

67%

53%

44%

36%

36%

 

Overig verplicht

   

33%

46%

56%

61%

61%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

1%

0%

3%

3%

Beleidsartikel 6: Duurzaam water- en milieubeheer

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

A. Algemene Doelstelling

Het bevorderen van een duurzame en veilige leefomgeving door verantwoord milieu- en waterbeheer

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regiefunctie

  • De minister heeft de regieverantwoordelijkheid voor de interdepartementale coördinatie van het internationale- en Europese milieu- en klimaatbeleid.

Faciliterende rol

  • Met inachtneming van de vele factoren en actoren die van invloed zijn op doelbereiking is de minister verantwoordelijk voor de effectieve inzet van middelen om de doelstellingen voor verbeterd milieu- en waterbeheer te realiseren.

Beleidstheorie

Nederland heeft belang bij een duurzame en veilige leefomgeving wereldwijd. Als gevolg van een groeiende wereldbevolking en toenemende consumptie neemt de druk op het milieu en beschikbare natuurlijke hulpbronnen exponentieel toe. Klimaatverandering verergert de druk op de fysieke omgeving. Ongelijke toegang tot hulpbronnen houdt armoede in stand en belemmert economische ontwikkeling. Waterzekerheid en -veiligheid komen steeds sterker in het gedrang.

Het doel is economische groei die niet ten koste gaat van cruciale ecosystemen, zodat deze groei ook op de lange termijn kan worden gewaarborgd en internationale publieke goederen (zoals klimaat, ecosystemen en grondstoffen) worden veilig gesteld. Dit geldt zowel voor de Europese Unie zelf als voor de rest van de wereld. Goed beheerde ecosystemen en duurzame productieketens dragen bij aan productieve landbouwsystemen, verhoogde voedselzekerheid, duurzame inkomsten uit de handel in hout, soja, palmolie en biomassa, een betrouwbare watervoorziening en aanpassing aan klimaatverandering. Nederland intervenieert op diverse niveaus en fora om dit te bewerkstelligen. Via inbreng in Europese en multilaterale fora (o.a. VN-onderhandelingen over klimaat, biodiversiteit, Rio+20) en bijdragen aan internationale organisaties die zich richten op de opbouw van institutionele capaciteit, wordt ingezet op verbeterd beheer en veiligstellen van internationale publieke goederen.

Nederland neemt actief deel aan EU-trajecten ten behoeve van een grondstoffen-efficiënte en koolstofarme economie. Buitenlandse Zaken coördineert de afstemming met de andere departementen voor Nederlandse positiebepaling in Brussel en internationale fora via de CIM (Coördinatie Internationaal Milieubeleid). Via de inzet op duurzaam ecosysteembeheer, energietransitie, klimaatverandering (mitigatie en adaptatie) en duurzame winning van natuurlijke hulpbronnen (voorkomen van milieuschade bij de ontginning, alsook voorkomen van toekomstige grondstoffen schaarste), wordt invulling gegeven aan verbeterd milieubestuur (via UNEP, GEF, OESO, Rio+20) en worden landen bilateraal en via multilaterale organisaties ondersteund om beleid te ontwikkelen en toe te passen. Daarmee geeft Nederland invulling aan bindende internationale milieuverdragen.

Op het terrein van klimaatmitigatie en -adaptatie zijn voor de korte termijn (2010–2012) additionele fondsen beschikbaar ter financiering van maatregelen om de CO2-uitstoot te verminderen (mitigatie) en aanpassing aan onvermijdelijke temperatuurstijging (adaptatie). In de klimaatonderhandelingen wordt ingezet op adequate klimaatfinanciering op de lange termijn en het integreren van klimaatadaptatie in water en voedselzekerheid. De Nederlandse bijdrage aan Fast Start Finance wordt conform regeerakkoord betaald uit het ODA budget. Daarnaast worden specifieke activiteiten ondersteund waarbij in samenwerking met multilaterale instellingen, andere donoren, het bedrijfsleven en lokale partners de toegang van armen tot hernieuwbare energie wordt vergroot.

Met het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse kennisinstituten wordt samengewerkt aan de verduurzaming van handelsketens, met name op het gebied van hout, soja, biomassa en palmolie.

Milieu is een dwarsdoorsnijdend aandachtsgebied bij de ontwikkeling van de vier speerpunten, met name bij voedselzekerheid en water en wordt geïntegreerd in ontwikkelingsplanning. Er zal worden geanticipeerd op mogelijke gevolgen van klimaatverandering. Inzet is dat resultaten van ontwikkelingsinterventies duurzaam zijn en programma's bijdragen aan terugdringing van uitstoot van broeikasgassen en ondersteuning van partnerlanden bij aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering. Omdat ontwikkelingslanden extra gevoelig zijn voor klimaatverandering wordt aansluiting gezocht bij nationale plannen voor klimaatverandering, zoals de in de LDC's ontwikkelde NAPA's. Via inzet van de Commissie MER (Milieueffectrapportage) en ondersteuning van het Climate and Development Knowledge Network en het World Resources Institute wordt bijgedragen aan opbouw van kennis, toetsing van programma's op milieueffecten en het nemen van aanvullende maatregelen ter voorkoming en vermindering van schade aan ecosystemen.

Voor wat betreft water is de Nederlandse inspanning gericht op zowel waterzekerheid als waterveiligheid. Waterzekerheid betekent de beschikbaarheid van voldoende water (kwaliteit, kwantiteit) voor huishoudens, energie, landbouw, industrie en instandhouding van ecosystemen. Waterveiligheid is de bescherming van mensen, economische sectoren en infrastructuur tegen ernstige overstromingen (rivieren, kusten). Tegen 2025 woont naar schatting twee derde van de wereldbevolking in gebieden met «waterstress». Van de mondiale zoetwaterconsumptie gaat 70–80% naar de landbouw. Effectief watergebruik in de landbouw is daarom cruciaal. Waterschaarste is in toenemende mate een bron van conflict, zowel op lokaal, nationaal als regionaal niveau. Wateroverlast in de vorm van overstromingen veroorzaakt elk jaar aanzienlijke economische schade en dodelijke slachtoffers. Klimaatverandering zal leiden tot een grotere variabiliteit van neerslag- en weerpatronen en afname van waterzekerheid. Ten slotte sterven meer dan 5 000 mensen dagelijks door gebrek aan schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen, de meesten van hen kinderen. Water gerelateerde ziektes verminderen de arbeidsproductiviteit en deelname aan het onderwijs (vooral van meisjes) en verhogen de ziektekosten.

Er is gekozen voor focus op drie terreinen:

  • Efficiënt en duurzaam watergebruik, vooral in de landbouw, ter verhoging van de voedselzekerheid;

  • Veilige delta's en beter beheer van stroomgebieden met het oog op klimaatverandering;

  • Duurzame toegang tot veilig drinkwater en sanitatie.

Bij de ontwikkeling en uitvoering van het beleid wordt gebruik gemaakt van de in Nederland aanwezige kennis en ervaring op het gebied van water. De ontwikkeling van programma’s wordt afgestemd met relevante departementen en vormgegeven in samenwerking met vertegenwoordigers van kennisinstellingen, waterbedrijven en NGO’s. Het beleid streeft ernaar, zowel in de Water Mondiaal landen als in de partnerlanden waar op water zal worden geïntensiveerd 37, om op termijn te komen tot een gelijkwaardige economische relatie waarbij een langjarige samenwerkingsrelatie tot stand komt tussen Nederlandse waterbedrijven en instellingen en hun «counterparts» in deze landen.

C. Beleidswijzigingen

  • Als uitvloeisel van het regeerakkoord geeft de focusbrief OS aan dat de Nederlandse inspanningen onder beleidsartikel 6 zich zullen richten op het thema water, met milieu en klimaat als dwarsdoorsnijdend thema, dienstbaar aan de prioritaire thema’s van het OS-beleid.

  • De inzet op het gebied van bossen is gerelateerd aan de inzet op verbeterd waterbeheer en verduurzaming van productieketens (w.o. hout).

  • Op het terrein van water richt Nederland zich de komende jaren in toenemende mate op waterbeheer in brede zin. De inzet op verbeterde toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen wordt ten opzichte van geïntegreerd waterbeheer geleidelijk verminderd. Hiervoor in de plaats komen interventies op terrein van waterveiligheid (zoals beheer van delta’s en stroomgebieden) en de relatie van water en het prioritaire thema voedsel.

  • Uit verschillende IOB evaluaties van bilaterale drinkwater- en sanitatie programma’s blijkt dat er bij onderhoud van systemen, hygiënevoorlichting en de opslag van water op huishoudelijk niveau nog veel winst te behalen valt. Om deze reden gaat extra aandacht uit naar zowel duurzaamheid van interventies als naar verbeterde voorlichting. Hierop zal door uitvoerende organisaties expliciet worden gemonitord.

D. Operationele Doelstellingen

Operationele Doelstelling 6.1

Duurzaam milieugebruik wereldwijd

Financiële instrumenten

De totale financiële inzet in 2012 bedraagt ongeveer EUR 249 miljoen. Onderstaand de verdeling van dit bedrag met een toelichting op enkele van de grotere uitgaven.

Klimaat, (hernieuwbare) energie en milieutechnologie (EUR 146 miljoen)

  • Via het Promoting Renewable Energy Programme (PREP, EUR 115 miljoen)wordt geïnvesteerd in hernieuwbare energie in Sub Sahara Afrika en Indonesië. Er wordt samengewerkt met multilaterale organisaties38, andere donorlanden met Nederlandse organisaties en bedrijven zoals FMO, Nuon, Philips, HIVOS, ECN en de Vrije Universiteit. Met dit programma geeft Nederland uitvoering aan de in Kopenhagen toegezegde EUR 300 miljoen als Nederlandse bijdrage aan de korte termijn financiering voor Klimaat (2010–2012). Beoogd resultaat is het vergroten van de toegang tot moderne vormen van energie voor armen in ontwikkelingslanden door middel van capaciteitsopbouw, investeringen in diverse hernieuwbare energie technologieën en marktontwikkeling.

    Aantal aansluitingen tot energie (Cumulatief)

    Aantal aansluitingen tot energie (Cumulatief)
  • Samen met de Britse overheid wordt via het Climate and Development Network (CDKN, EUR 3,2 miljoen) in 60 landen gewerkt aan capaciteitsopbouw voor klimaat. Nederland heeft het voornemen bij te dragen aan speciale fondsen voor klimaatadaptatie zoals het Least Developed Countries Fund en het Pilot Program for Climate Resilience (PPCR).

Ecosystemen en duurzame productieketens (EUR 41 miljoen)

  • Het Forest Carbon Partnership Facility (FCPF) van de Wereldbank stelt ontwikkelingslanden in staat om door middel van het tegengaan van ontbossing en bosdegradatie reductie van de CO2-uitstoot te bewerkstelligen. Dit levert bosrijke ontwikkelingslanden op den duur verhandelbare koolstofkredieten op. De voorgenomen Nederlandse bijdrage aan dit programma is EUR 6 miljoen.

  • Door bijdragen aan diverse instellingen, waaronder International Union for the Conservation of Nature (IUCN, EUR 3 miljoen) en de Organisatie van de Overeenkomst voor Amazonische Samenwerking (EUR 2 miljoen) wordt ondersteuning gegeven aan regionale samenwerking gericht op duurzaam gebruik van bosecosystemen

  • Via het European Forest Institute (EUR 1 miljoen) wordt een bijdrage geleverd aan het tegengaan van illegale houtkap door middel van de ontwikkeling van een licentiesysteem in diverse hout exporterende landen waaronder Indonesië, Ghana, en DR Congo.

  • De milieuprogramma’s in Bolivia, Guatemala, Mongolië, Suriname en de sectorale begrotingssteun in Colombia worden de komende jaren afgebouwd (EUR 10 miljoen).

Internationaal milieubeleid en instrumenten (EUR 62 miljoen)

  • Via de Global Environment Facility (GEF, EUR 20 miljoen) wordt uitvoering gegeven aan de internationale milieuverdragen voor klimaatverandering, biodiversiteit, duurzaam landgebruik, internationale wateren en niet-afbreekbare organische giftige stoffen. VN organisaties en ontwikkelingsbanken voeren op basis van nationale programma's uit. De investeringen en activiteiten dragen bij aan verbetering van het milieubestuur en hebben een positieve invloed op het wereldwijde milieu.

  • Nederland draagt bij aan de zes thematische prioriteiten van United Nations Environment Program (UNEP, EUR 7,1 miljoen): klimaatverandering; rampen en conflicten; ecosysteem beheer; milieubestuur; schadelijke stoffen en gevaarlijk afval; duurzame consumptie en productie. UNEP heeft als doel het milieu te agenderen, milieu te integreren in het ontwikkelingsbeleid en in andere VN programma’s, milieuanalyses uit te voeren, beleidsadvies te geven en ondersteuning te bieden bij de implementatie van milieubeleid en -wetgeving.

  • De Commissie MER (Milieueffectrapportage) ondersteunt landen bij de uitvoering van de MER en toetst programma's op milieueffecten (EUR 1,5 miljoen).

  • Met het oog op vermindering van schade aan ecosystemen worden kennisinstituten zoals het World Resources Institute ondersteund en worden publiek private partnerschappen (bedrijfsleven, kennisinstituten, NGO’s) gefinancierd.

  • Via bilaterale milieuprogramma’s in een aantal partnerlanden (o.a. Ghana, Indonesië, Kenia) wordt bijgedragen aan de uitvoering van nationaal milieubeleid (EUR 12 miljoen).

  • De ondersteuning van de uitvoering van nationaal milieubeleid via bilaterale programma’s in Guatemala, Mongolië, Pakistan en Senegal wordt in de komende jaren afgebouwd (bijdrage in 2012 EUR 20 miljoen).

Beleidsintrumenten

  • Nederlandse milieudiplomatie richt zich meer en meer op het verbeteren van de nationale en internationale coherentie met economisch-, handels-, landbouw- en visserijbeleid om de afgesproken milieudoelen te halen. Hiervoor wordt samengewerkt met andere departementen, met het bedrijfsleven en met maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

  • De Nederlandse Ambassadeur Duurzame Ontwikkeling zal in internationale fora het Nederlandse duurzaamheidsbeleid uitdragen en bruggen slaan naar publiek, bedrijfsleven en politiek. In 2012 zal een nieuwe VN-top over Milieu en Ontwikkeling in Brazilië moeten leiden tot hernieuwbare inzet en internationale samenwerking om de achteruitgang van ecosystemen en biodiversiteitsverlies te stoppen en klimaatverandering tegen te gaan.

Operationele Doelstelling 6.2

Efficiënt en duurzaam watergebruik, veiliger delta’s en stroomgebieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden

Financiële instrumenten

De totale inzet op het thema water bedraagt in 2012 ongeveer EUR 181 miljoen. Dit bedrag is als volgt verdeeld:

Integraal waterbeheer (EUR 100 miljoen)

  • Het bilaterale programma (totale reservering 65 miljoen) in 2012 wordt op basis van meerjarige programmering in overleg met de ontvangende landen vorm gegeven, waarbij nadrukkelijk de link tussen landbouw, voedselzekerheid en duurzaam beheer van ecosystemen wordt gelegd. In vijf partnerlanden zal de samenwerking op het gebied van water worden geïntensiveerd, waarbij de uitgangspunten van het interdepartementale programma «Water Mondiaal» centraal staan. Dit betekent dat nauw wordt samengewerkt met bedrijven, kennisinstellingen en het maatschappelijk middenveld in Nederland en ontvangende landen.

  • Er zal een faciliteit worden gestart voor de financiering van publiek-private partnerschappen op het gebied van water (EUR 30 miljoen). In de bilaterale programma’s voor water en voedselzekerheid wordt specifiek aandacht geschonken aan de problematiek van klimaatverandering.

  • Via multilaterale kanalen worden activiteiten ondersteund ter verbetering van stroomgebied beheer en de noodzakelijke capaciteitsopbouw daaromtrent. Via de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank worden trust funds gefinancierd, waaruit grensoverschrijdend waterbeheer in belangrijke stroomgebieden (Nijl, Mekong, Ganges) wordt ondersteund (in totaal EUR 3 miljoen).

  • Ook wordt bijgedragen aan capaciteitsopbouw via ondersteuning van internationale programma’s van o.a. UNESCO-IHE (EUR 4 miljoen).

Drinkwater en sanitatie (EUR 81 miljoen)

  • Het bilaterale, meerjarige programma op het gebied van drinkwater en sanitatie komt in overleg met de ontvangende landen tot stand. Bilaterale steun wordt zowel via sectorprogramma’s als via particuliere en/of non-gouvernementele organisaties verstrekt, bijvoorbeeld via de NGO Bangladesh Rural Advancement Committee (BRAC) en het Mozabikaanse National Urban Water Investment en Asset Holding Fund (FIPAG). In totaal wordt er EUR 30 miljoen geïnvesteerd in bilaterale programma’s in de lanen Bangladesh, Benin, Ethiopië, Indonesië en Kenia. De programma’s in Mongolië, Pakistan en Tanzania (in 2012 10 miljoen) worden afgebouwd.

  • Met multilaterale organisaties wordt gewerkt aan internationale agendering (bijvoorbeeld het Water and Sanitation Program/Wereldbank en Sanitation and Water for All/UNICEF), wereldwijde monitoring en ondersteuning van anti-corruptieprogramma’s (EUR 6 miljoen). Daarnaast worden met Nederlandse ondersteuning drinkwater en sanitatie programma’s van UNICEF en UN-HABITAT op lokaal en regionaal niveau uitgevoerd (EUR 12 miljoen). Via maatschappelijke organisaties wordt ingezet op bewustwording en versterking van maatschappelijke partners in het zuiden. Belangrijke partners zijn Simavi, Plan Nederland en de Water Supply and Sanitation Collaborative Council (Totaal EUR 10 miljoen).

  • In publiek-private partnerschappen (o.a. Aqua for All, Vitens Evides International) wordt de Nederlandse kennis en kunde van de brede watersector gebruikt om de capaciteit van lokale waterbedrijven te verbeteren (EUR 6 miljoen).

Door NL inzet bereikte mensen met verbeterde toegang tot sanitaire voorzieningen

Door NL inzet bereikte mensen met verbeterde toegang tot 					 sanitaire voorzieningen

Door NL inzet bereikte mensen met verbeterde toegang tot veilig drinkwater

Door NL inzet bereikte mensen met verbeterde toegang tot 					 veilig drinkwater

Door Nederlandse inzet hebben in de periode 2004–2010 20 miljoen mensen toegang tot sanitaire voorzieningen en 10 miljoen mensen toegang tot schoon drinkwater gekregen (zie de grafiek hierboven). De verwachting is dat in 2011 en 2012 deze aantallen voor zowel de sanitatie als drinkwater met 3 miljoen mensen per jaar zullen toenemen.

Beleidsinstrumenten

  • Waterdiplomatie wordt ingezet om grensoverschrijdende conflicten gerelateerd aan water te voorkomen en te reguleren. Daarbij wordt samengewerkt met partners zoals het Water Governance Centre (WGC) en Clingendael, die beschikken over hoogwaardige kennis over water en bestuur.

E. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 6 Duurzaam water- en milieubeheer

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

183 158

213 466

591 027

438 414

301 882

165 349

165 349

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

363 521

418 846

430 620

459 280

500 243

499 360

499 110

                 

6.1

Duurzaam milieugebruik wereldwijd

231 857

262 678

249 219

242 866

242 713

245 366

245 116

                 
 

Juridisch verplicht

   

97%

85%

55%

42%

42%

 

Overig verplicht

   

3%

15%

44%

56%

56%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

1%

2%

2%

                 

6.2

Efficient en duurzaam watergebruik, veiliger delta's en stroomgebieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden/partnerlanden

131 664

156 168

181 401

216 414

257 530

253 994

253 994

                 
 

Juridisch verplicht

   

61%

47%

25%

29%

29%

 

Overig verplicht

   

39%

53%

75%

71%

71%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

Beleidsartikel 7: Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

Algemene doelstelling

Het verlenen van bijstand aan Nederlanders in nood in het buitenland. De minister voert daarnaast activiteiten uit die ertoe bijdragen dat Nederlanders in het buitenland aan de benodigde (reis)documenten kunnen komen. De minister levert zijn bijdrage aan een gereguleerd personenverkeer door visa af te geven, ambtsberichten te schrijven over de situatie in bepaalde landen en de samenwerking te faciliteren met niet-EU-staten op het punt van migratie.

Rol en verantwoordelijkheid

Resultaatverantwoordelijk voor:

  • Visumbeleid kort verblijf van het Koninkrijk der Nederlanden

Indicator als resultaatverantwoordelijke:

Indicator

Realisatie 01.04.10 t/m 31.03.11

Streefwaarde 2011

Streefwaarde 2012

Percentage visumaanvragen kort verblijf dat binnen 15 dagen wordt afgehandeld

81%

75%

75%

Bron: ministerie van Buitenlandse Zaken

Voor het Schengengebied is de standaard die door de EU visumcode (gestart per 5.4 2010) wordt gehanteerd 15 dagen. Deze periode kan in bijzondere gevallen worden verlengd tot 60 dagen. Over de periode van 1 april 2010 t/m 31 maart 2011 is het gerealiseerde percentage 81,24%. Echter, gezien regionalisering en bezuinigingsmaatregelen zal dit percentage in 2012 niet te realiseren zijn en is gekozen de streefwaarde van 75% voor 2012 te handhaven.

NB: De doorlooptijd is het aantal dagen dat zit tussen het indienen van een ontvankelijke visumaanvraag tot aan het moment van bekendmaken of uitreiken van de beslissing op de aanvraag.

Procesverantwoordelijk voor:

  • de bijstand aan Nederlanders in nood in het buitenland

  • gedetineerdenbegeleiding

  • uitbrengen van reisadviezen

  • crisisbeheersing

  • de afgifte van Nederlandse reisdocumenten in het buitenland en van diplomatieke en dienstpaspoorten

  • de afgifte van consulaire akten

  • de afgifte van machtigingen voorlopig verblijf (MVV’s)

  • de afname van inburgeringsexamens buitenland

Faciliterende rol bij/in:

  • het terugkeer- en herintegratiebeleid van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland.

  • de brede samenwerking met niet-EU-staten op het vlak van asiel en migratie.

Beleidstheorie

Nederlanders in het buitenland krijgen bijstand in situaties waar zij zichzelf niet kunnen helpen of niet door anderen kunnen worden geholpen. Het gaat daarbij om zaken als evacuaties in crisissituaties, bijstand aan gedetineerden en het afgeven van nooddocumenten. Daarnaast speelt de Minister een rol in de regulering van het personenverkeer van vreemdelingen naar en van Nederland. De belangrijkste activiteiten op dit terrein zijn de afgifte van visa, het afnemen van inburgeringsexamens en het legaliseren van documenten. Ook worden ambtsberichten uitgebracht en wordt de samenwerking met niet-EU-staten gefaciliteerd bij o.m. terugkeer en herintegratie van niet tot Nederland toegelaten migranten en de opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio. Er wordt samengewerkt met een groot aantal binnen- en buitenlandse partners. In de meeste gevallen is sprake van rechtstreekse dienstverlening aan de individuele burger. De afgifte van visa vindt plaats in het kader van de Schengenovereenkomst.

Omschrijving

aantal 2007

aantal 2008

aantal 2009

aantal 2010

Reisdocumenten

167 368

158 352

176 278

169 432

Consulaire bemiddeling ongeval en ziekte

343

363

419

446

Consulaire bemiddeling overlijden

387

441

469

517

Consulaire bemiddeling overlijden tgv misdrijf

18

40

17

34

Consulaire bemiddeling misdrijf zonder overlijden

303

399

330

363

Consulaire bemiddeling welstand en vermissing

331

440

351

405

Consulaire bijstand algemeen 1

1 382

1 683

1 586

1 765

Reclassering Nederland bezoeken

7 389

6 422

7 025

6 000

Epafras bezoeken

1 413

1 679

1 616

1 951

BZ bezoeken gedetineerden

6 950

6 106

6 058

4 616 2

Totaal bezoeken gedetineerden

15 752

14 207

14 699

12 567

Alleen MVV's

31 748

38 532

37 339

40 839

Visumaanvragen niet MVV

429 250

405 377

363 518

397 570

Visumaanvragen (incl. MVV)

460 998

443 909

400 857

438 409

Documentenlegalisaties

136 374

151 745

153 259

156 837

Verificaties

206

191

214

124

Inburgeringsexamens

8 500

8 100

9 186

10 141

Individuele ambtsberichten

250

132

68

46

Algemene ambtsberichten

26

26

27

23

Hervestiging

500

544

509

484

Terugkeer (met financiële bijstand aan de vreemdelingen)

-

-

-

1 000

Terugkeer (zonder financiële bijstand aan de vreemdeling)

-

-

-

150

Beroep-/Bezwaarschriften BZ

645

473

537

612

X Noot
1

Betreft de 5 meest voorkomende categorieën consulaire bijstand

X Noot
2

Betreft periode 01.04 2010 t/m 31.3 2011

C. Beleidswijzigingen

  • Nadruk bij consulaire bijstand komt te liggen op de eigen verantwoordelijkheid. Het accent ligt meer dan voorheen op noodgevallen en/of schrijnende gevallen.

  • Hulp aan gedetineerden voor wie de doodstraf dreigt, wordt geïntensiveerd.

  • Een robuustere crisisrespons in het geval van crises in het buitenland.

  • Meer aandacht voor zorg aan Nederlanders na crisissituaties, in samenwerking met gespecialiseerde organisaties.

  • Geldigheidsduur paspoorten wordt verlengd tot 10 jaar.

  • Leges voor reisdocumenten welke worden afgegeven op de Nederlandse posten in het buitenland, worden verhoogd tot kostendekkend niveau.

  • Extra inzet op de thema’s duurzame terugkeer, opvang en herintegratie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, duurzame terugkeer van gezinnen met minderjarige kinderen, en opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio42.

  • Gestreefd wordt, vooruitlopend op mogelijke overdracht van consulaire taken naar EDEO, met een aantal gelijkgezinde EU-partners pilots te starten op het gebied van consulaire diensten.

  • Digitalisering van de processen voor aanvraag en behandeling van visa en paspoorten.

  • Regionalisering van consulaire back office-taken van de posten (de grote dan wel risicovolle consulaire posten uitgezonderd) in een tiental regiokantoren om de kwaliteit en efficiency van de consulaire processen te verbeteren.

Met deze maatregelen wordt beoogd de consulaire functie moderner, gerichter en efficiënter te maken. Verwezen wordt naar de brieven van de Minister in zake consulaire dienstverlening43 , de IOB doorlichting* , gedetineerdenbegeleiding* , en migratie en ontwikkeling* .

D. Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 7.1

Op basis van eigen verantwoordelijkheid consulaire dienstverlening bieden aan Nederlanders in het buitenland.

Financiële instrumenten

  • Verlenen van consulaire bijstand aan Nederlanders. Hiervoor is een budget beschikbaar van EUR 0,3 miljoen.

  • Gedetineerdenbegeleiding inclusief maandelijkse gift van EUR 30 aan gedetineerden buiten Europa en bijdragen aan Epafras en Reclassering Nederland. (financiële inzet EUR 2 miljoen)

  • Consulaire informatiesystemen om de primaire consulaire processen te kunnen afhandelen. De verwachte kosten hiervoor zijn EUR 7 miljoen.

  • Inkoop van reisdocumenten ten behoeve van afgifte in het buitenland. (EUR 4 miljoen)

  • Houden van opleidingen gericht om de consulaire werkprocessen te optimaliseren. (EUR 0,5 miljoen)

Beleidsinstrumenten

  • Verlenen van niet-financiële consulaire bijstand aan Nederlanders in nood en/of schrijnende gevallen.

  • Adviseren en ondersteunen van Nederlandse gedetineerden tijdens lokale rechtsgang en na hun veroordeling.

  • (Stille) diplomatie met oog op eerlijke rechtsgang voor Nederlandse gedetineerden.

  • Verstrekken van reisadviezen.

  • Organiseren, waar mogelijk met partnerlanden, van evacuaties en bijstaan van Nederlanders in geval van crises.

  • Verstrekken van reisdocumenten en opmaken van consulaire akten.

Operationele doelstelling 7.2

Samen met (keten)partners het personenverkeer reguleren

Financiële instrumenten

  • Subsidies aan niet-gouvernementele organisaties op het gebied van migratie en ontwikkeling. (EUR 9 miljoen)

  • Bijdragen aan nationale en internationale organisaties op gebied van migratie en terugkeer. (EUR 0,6 miljoen)

  • Consulaire informatiesystemen om de primaire consulaire processen te kunnen afhandelen. De kosten voor deze systemen zijn opgenomen onder operationele doelstelling 7.1.

Niet financiële instrumenten

  • Verstrekken van visa kort verblijf.

  • Inname van aanvragen voor MVV’s

  • Afnemen van inburgeringsexamens.

  • Verrichten van legalisaties en uitvoeren van verificatieonderzoeken.

  • Schrijven van algemene en individuele ambtsberichten voor besluitvorming door IND inzake toelating van asielzoekers.

  • Diplomatie voor het bemiddelen bij terugkeer van vreemdelingen zonderrechtmatig verblijf. Samenwerking met instanties in en buiten Nederland, de EU en internationale organisaties.

E. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 7 Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

29 976

27 653

25 014

25 014

25 014

25 014

25 014

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

25 845

27 291

25 014

25 014

25 014

25 014

25 014

                 

7.1

Op basis van eigen verantwoordelijkheid consulaire dienstverlening bieden aan Nederlanders in het buitenland

19 522

17 026

14 809

14 809

14 809

14 809

14 809

                 
 

Juridisch verplicht

   

31%

21%

19%

19%

19%

 

Overig verplicht

   

51%

61%

59%

56%

56%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

18%

18%

22%

25%

25%

                 

7.2

Samen met (keten) partners het personenverkeer reguleren

6 323

10 265

10 205

10 205

10 205

10 205

10 205

                 
 

Juridisch verplicht

   

28%

7%

3%

1%

1%

 

Overig verplicht

   

8%

11%

8%

8%

8%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

64%

82%

89%

91%

91%

                 

Ontvangsten

41 789

39 450

39 450

41 300

41 300

41 300

41 300

                 

7.10

Consulaire dienstverlening

41 789

39 450

39 450

41 300

41 300

41 300

41 300

Beleidsartikel 8: Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling

Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele 					 doelstelling

A. Algemene doelstelling

De inzet op de internationale belangen van Nederland en Nederlanders is de basis van de communicatieactiviteiten van het ministerie van Buitenlandse Zaken, in binnen- en buitenland. Met culturele diplomatie wordt de Nederlandse positie in het buitenland versterkt, zowel in cultureel, buitenlandpolitiek als economisch opzicht.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regiefunctie

De uitvoering van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) is een gedeelde verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van OCW. In de huidige regering is het ICB onderdeel van de portefeuille van de Minister van Buitenlandse Zaken. Communicatie over het buitenlandbeleid is de primaire verantwoordelijkheid van Buitenlandse Zaken. Beeldvorming over Nederland raakt regeringsbrede onderwerpen. Buitenlandse Zaken werkt dan ook nauw met andere departementen samen om een realistisch beeld over Nederland in het buitenland uit te dragen.

De minister is verantwoordelijk voor:

  • Het communicatie- en mediabeleid van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de coördinatie van de communicatie over de beleidsterreinen van Buitenlandse Zaken, waaronder Ontwikkelingssamenwerking en Europese Zaken. De communicatie is hierbij altijd gericht op de inhoud van beleid.

  • Aansturing van de posten en van de culturele instituten in Parijs en Jakarta.

  • Verdeling van publieksdiplomatie- en cultuurmiddelen over de posten.

  • Financiering voor grootschalige manifestaties in het buitenland.

  • Buitenlandse Bezoekersprogramma’s.

  • Synergie tussen cultuur en het buitenlandpolitieke en economisch beleid.

  • Ondersteuning van cultuur in ontwikkelingslanden.

  • Het bestendigen van Den Haag als goede vestigingsstad voor internationale organisaties, in goede samenwerking met andere betrokkenen, zoals de gemeente Den Haag.

De minister is samen met de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ook verantwoordelijk voor:

  • Beleidsvorming en uitvoering ten aanzien van het Internationaal Cultuurbeleid.

  • De promotie van Nederlandse kunst in het buitenland (in het bijzonder Nederlands topsegment) en identificatie van internationale kansen en ontwikkelingen voor de Nederlandse culturele sector.

  • Aansturing van het Nederlands-Vlaams Huis «deBuren».

  • Afstemming met de SICA, fondsen en sectorinstituten over internationale activiteiten. De algemene aansturing van fondsen en sectorinstituten is de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris OCW.

  • Beleidsvorming en uitvoering op het gebied van Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed.

Beleidstheorie

Een belangrijke rol is weggelegd voor de contacten met de media middels actief nieuwsmanagement. De media zijn immers de grootste multiplier en brengen kennis en informatie over buitenlandbeleid tot in de huiskamer van de burger. Buitenlandse Zaken maakt in toenemende mate gebruik van nieuwe media: online-informatie via rijksoverheid.nl en de sites van de Nederlandse ambassades, maar ook van sociale media zoals Facebook, Twitter en LinkedIn.

Buitenlandse Zaken hecht aan dialoog met de Nederlander en ontvangt daarom regelmatig groepen studenten en andere geïnteresseerden op het departement. Diplomaten en ambassadeurs worden ondersteund de burger in Nederland op te zoeken en met hen het debat over buitenlandbeleid aan te gaan. Strategische beleidscommunicatie vindt niet alleen in Nederland plaats, maar speelt ook een grote rol in het behalen van onze doelen op het terrein van buitenlands beleid in het buitenland. Democratisering van beleid en de razendsnelle opkomst van nieuwe media zorgen er wereldwijd voor dat niet-statelijke actoren een steeds prominentere rol spelen. Diplomatie beperkt zich allang niet meer tot het klassieke interstatelijke verkeer. Ook in het buitenland betekent dit dialoog met media, ngo’s, academici en bijvoorbeeld het bedrijfsleven. De term publieksdiplomatie wordt door het ministerie van Buitenlandse Zaken gebruikt als overkoepelende term voor communicatie met buitenlandse doelgroepen en is gebaseerd op het aangaan van samenwerking en dialoog. Publieksdiplomatie is een taak van alle diplomaten.

Duiding is nodig op die dossiers die vragen oproepen in het buitenland, bijvoorbeeld rond ethische kwesties als abortus of het homohuwelijk, een mogelijk verbod op ritueel slachten of een boerkaverbod. Nederland is een sterk merk. Het is daarom zaak alert te blijven op ontwikkelingen in binnen- en buitenland die afbreuk kunnen doen aan dit sterke imago. In zijn publieksdiplomatie richt Buitenlandse Zaken zich dan ook op die thema’s waar Nederland aantoonbare relevantie heeft in de wereld, zoals water bijvoorbeeld of innovatie.

Diplomatie is ook luisteren naar schrijvers, filmers, kunstenaars en bloggers om te weten wat er in een samenleving speelt. Met kunst en cultuur is het mogelijk om verschillende doelgroepen aan te spreken en nieuwe vormen van media te bedienen waardoor internationale beleidsdoelstellingen effectiever kunnen worden bereikt. Via cultuur worden vriendschappelijke banden met landen aangehaald en krijgt gemeenschappelijke geschiedenis een nieuwe dynamiek. Culturele netwerken zijn dan ook van positieve waarde voor de internationale betrekkingen. Bovendien staat Nederlandse kunst in het buitenland hoog aangeschreven. Dit is niet alleen voor het imago van Nederland, maar ook voor onze economie van belang. Culturele diplomatie wordt kosteneffectief ingezet: bij de ondersteuning van culturele activiteiten in het buitenland wordt nauw samengewerkt met lokale partners, die doorgaans het leeuwendeel van de kosten op zich nemen

C. Beleidswijzigingen

De prioriteiten van ICB hangen samen met de prioriteiten in het regeerakkoord en zijn nader uitgewerkt in de paragraaf «internationalisering» van de kamerbrief over het nieuwe cultuurstelsel. 47 Het internationaal cultuurbeleid sluit aan bij het uitgangspunt van de regering om het economisch belang meer centraal te stellen. Het internationale verkeer neemt toe, markten raken steeds meer verweven, goederen en diensten bewegen zich steeds sneller over de wereld. Dit biedt Nederlandse culturele instellingen kansen om hun markt te verruimen. Die kansen liggen vooral bij de ons omringende landen en opkomende economieën. Daarnaast draagt het internationaal cultuurbeleid bij aan de bredere belangen van het buitenlandbeleid. De doelen voor het internationaal cultuurbeleid voor de komende periode zijn:

  • een internationaal niveau van Nederlandse topinstellingen, door gerichte keuzes binnen de culturele basisinfrastructuur;

  • het blijven versterken van de internationale marktpositie van Nederlandse kunstenaars en instellingen

  • versterken van het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.

  • culturele diplomatie: kunst en cultuur benutten voor buitenlandse betrekkingen.

Naast deze sectorale focus is opnieuw gekeken naar de geografische focus van het internationaal cultuurbeleid. Voor de komende subsidieperiode zal deze komen te liggen op Duitsland, Frankrijk, België (Vlaanderen), Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Italië, Spanje, Brazilië, Turkije, Rusland, China, India, Zuid-Afrika, Indonesië en Japan. Voorts zal de culturele samenwerking met de Arabische regio en Centraal- en Oost-Europa worden gestimuleerd.

Eén van de prioriteiten van het internationaal cultuurbeleid is de promotie van Nederlandse creatieve industrie in landen waar zich bijzondere kansen voordoen. Tot 2012 zetten brancheverenigingen, fondsen en de ministeries van OCW, EL&I en BZ strategisch in op de sectoren design, mode en architectuur in een beperkt aantal landen. Zij hebben daarvoor het programma DutchDFA in het leven geroepen. Het kabinet gaat bekijken of samen met brancheverenigingen ook na 2012 gericht kan worden ingezet op creatieve sectoren, vooral in landen die zowel uit cultureel als uit economisch oogpunt interessant zijn. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de ervaring met het programma DutchDFA en de aanbevelingen van het topteam creatieve industrie. 48

Het Europafonds, waarvoor in 2011 2,3 miljoen euro was gereserveerd, zal niet worden voortgezet. Deze regering is van mening dat een subsidiefonds niet het aangewezen middel is om het debat onder het Nederlandse publiek over Europa te stimuleren 49.

D. Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 8.1

Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur

Financiële instrumenten:

  • SICA (sector overstijgende organisatie voor uitvoering van ICB met een belangrijke netwerk- en informatiefunctie) ontvangt ca. EUR 1 miljoen van OCW en Buitenlandse Zaken gezamenlijk.

  • Voor activiteiten van het programma DutchDFA (design, mode en architectuur) stellen de ministeries van BZ, EL&I en OCW elk EUR 1 miljoen per jaar beschikbaar gedurende vier jaar (2009–2012).

  • Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van OCW stellen gezamenlijk in totaal EUR 2 miljoen per jaar beschikbaar voor Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed. Daarvan is EUR 1 miljoen gedelegeerd aan de ambassades in acht prioriteitslanden en EUR 1 miljoen aan het Nationaal Archief en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

  • Voor het Buitenlands Bezoekersprogramma is EUR 0,4 miljoen beschikbaar.

  • De coördinatie van de culturele component van de bilaterale vieringen met Turkije in 2012 en Rusland in 2013 ligt bij de SICA. Voor Turkije 2012 en Rusland 2013 is thans totaal EUR 1,5 miljoen beschikbaar.

  • Voor culturele activiteiten in ontwikkelingslanden en uitwisseling is een bedrag van ca. 8 miljoen euro beschikbaar, dat deels via ambassades in partnerlanden wordt ingezet en deels via Nederlandse cultuur- en ontwikkelingsorganisaties, zoals het Prins Clausfonds, het Hubert Bals Fonds en het Jan Vrijman Fonds.

Operationele doelstelling 8.2

Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organisaties in Nederland

Financiële instrumenten

  • Nederlandse bijdrage van EUR 3,6 miljoen aan de huur van het in Nederland gevestigde Libanon-Tribunaal.

  • Nederlandse bijdrage van EUR 11,6 miljoen aan het Internationaal Strafhof (jaarlijkse contributie en kosten die gemoeid zijn met de voorbereidingen voor de nieuwbouw)

  • Nederlandse bijdrage van EUR 4,8 miljoen aan de Carnegiestichting tbv de instandhouding van het Vredespaleis (zetel International Gerechtshof en Permanent Hof van Arbitrage)

  • Nederlandse bijdrage van EUR 175 000 aan de bedrijfsvoering en huur van het kantoor van de Hoge Commissaris voor de Nationale Minderheden

Beleidsinstrumenten

  • Inzet binnen de NAVO voor het behoud van het Joint Forces Command in Brunssum en het NAVO C3 Agentschap in Den Haag

  • Begeleiden van de geleidelijke afbouw en afwikkeling van de taken van het Speciale Hof voor Sierra Leone en van het Joegoslavië-Tribunaal, onder andere door faciliteren van een soepele uitstroom van expat- en Nederlands personeel

  • Praktische en juridische voorbereiding van de vestiging in Den Haag van de residual mechanisms voor het Joegoslavië-Tribunaal en het Rwanda-Tribunaal en het Speciale Hof voor Sierra Leone, door het opstellen van een zetelverdrag voor deze nieuwe instellingen en begeleiding bij het realiseren van geschikte huisvesting

  • Begeleiding bij het realiseren van geschikte huisvesting van het Internationaal Strafhof en Eurojust

  • Opstellen van een zetelverdrag voor het European Air Transport Command

  • Praktisch uitvoering geven aan de zetelovereenkomsten met, en andere internationaalrechtelijke verplichtingen ten opzichte van de in Nederland gevestigde internationale organisaties

  • Logistieke ondersteuning van de in Nederland gevestigde internationaal juridische instellingen, onder andere met gevangenisruimte, beveiliging en medewerking bij het in- en uitreizen van verdachten en getuigen

  • Coördinatie met andere departementen, uitvoerende diensten en decentrale overheden en regelmatig overleg met de internationale organisaties zelf

Operationele doelstelling 8.3

Vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandse zienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenlandbeleid.

Financiële instrumenten

De totale financiële inzet bedraagt ca. EUR 43 miljoen.

  • Via strategische beleidscommunicatie richt Buitenlandse Zaken zich op die doelgroepen die van belang zijn bij het ontwikkelen, bereiken en uitdragen van beleidsdoelstellingen op het terrein van buitenlandbeleid. Buitenlandse Zaken gelooft niet in groots opgezette, dure publiekscampagnes om draagvlak te creëren onder het Nederlands publiek. In plaats daarvan worden communicatie-inspanningen gericht ingezet, middels dialoog met NGO’s, de academische wereld en bijvoorbeeld het bedrijfsleven. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de media. Daarnaast worden online kanalen ingezet, zoals internet en Facebook. In totaal is EUR 5,5 miljoen geserveerd voor strategische beleidscommunicatie.

  • Voor voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking is ongeveer EUR 18 miljoen beschikbaar.

  • Voor de communicatie met de Nederlandse burger over Europese samenwerking is EUR 0,7 miljoen gereserveerd. Dit staat los van de al aangegane verplichtingen voor de nog lopende projecten uit het Europafonds over 2012 (totaal zo’n EUR 0,5 miljoen).

  • In totaal is EUR 8 miljoen beschikbaar voor publieksdiplomatie, waarmee Nederlandse ambassades activiteiten op het gebied strategische beleidscommunicatie, beeldvorming over Nederland en internationaal cultuurbeleid kunnen ondersteunen of opstarten.

  • Instituut Clingendael ontvangt een subsidie van zo’n EUR 2,9 miljoen.

  • EUR 1,7 miljoen is bestemd voor staatsbezoeken.

  • Voor het Programmafonds Ondersteuning Buitenlands Beleid (POBB algemeen) is een budget beschikbaar van EUR 3,7 miljoen. Hieruit worden eenmalige activiteiten gefinancierd ter ondersteuning van de doelstellingen van het Nederlandse buitenlandbeleid.

Beleidsinstrumenten

  • In Nederland versterking van de mondiale dimensie van burgerschap door kennis en advies ter beschikking te stellen. Verbinding met burgerschap op nationaal niveau en een betere aansluiting op de bredere context van internationale en ontwikkelingssamenwerking.»

    E. Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 8 Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

105 638

45 502

46 019

45 404

43 298

40 798

40 798

                 

Uitgaven:

             
                 

Programma-uitgaven totaal

87 268

100 447

81 892

66 454

57 748

55 248

55 248

                 

8.1

Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur

23 944

23 710

20 418

19 189

17 901

17 401

17 401

                 
 

Juridisch verplicht

   

86%

69%

70%

71%

71%

 

Overig verplicht

   

14%

31%

21%

20%

20%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

9%

9%

9%

                 

8.2

Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organisaties in Nederland

14 133

21 800

17 775

7 775

4 175

4 175

4 175

                 
 

Juridisch verplicht

   

100%

100%

100%

100%

100%

 

Overig verplicht

   

0%

0%

0%

0%

0%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

0%

0%

0%

0%

0%

                 

8.3

Vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandse zienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenlandbeleid

49 191

54 937

43 699

39 490

35 672

33 672

33 672

                 
 

Juridisch verplicht

   

80%

50%

44%

7%

7%

 

Overig verplicht

   

11%

36%

38%

77%

77%

 

Beleidsmatig nog niet ingevuld

   

9%

14%

18%

16%

16%

                 

Ontvangsten

922

790

790

790

790

790

790

                 

8.10

Doorberekening Defensie diversen

922

790

790

790

790

790

790

Niet-Beleidsartikel 9: Geheim

Op dit artikel worden geheime uitgaven verantwoord.

Niet-beleidsartikel 9 Geheim

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

                 

Verplichtingen

0

0

pm

pm

pm

pm

pm

                 

Uitgaven

27

123

pm

pm

pm

pm

pm

Niet-Beleidsartikel 10: Nominaal en Onvoorzien

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord die samenhangen met de HGIS-indexering en onvoorziene uitgaven.

Niet-beleidsartikel 10 Nominaal en onvoorzien

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

5

36 416

65 429

25 713

120 616

178 703

130 890

                 

Uitgaven:

             
                 

Uitgaven totaal

5

36 416

65 429

25 713

120 616

178 703

130 890

                 

10.1

Nominaal en onvoorzien

5

34 472

63 535

25 713

120 616

178 703

130 890

Niet-Beleidsartikel 11: Algemeen

Personele en materiële uitgaven:

Dit artikel behandelt de apparaatsuitgaven van zowel het postennetwerk als het departement in Den Haag, exclusief de uitgaven voor vak-attachés van andere ministeries. Het omvat de verplichtingen voor- en uitgaven aan het ambtelijk personeel, de overige personele uitgaven en het materieel.

  • Het ambtelijk personeel betreft de algemene leiding van het departement (inclusief de ministers en de staatssecretaris), de beleidsdirecties, de ondersteunende diensten, het uitgezonden personeel op de ambassades, inclusief themadeskundigen en het lokaal aangenomen personeel op de ambassades.

  • Ook worden in dit artikel de buitenlandvergoedingen aan uitgezonden personeel, overige vergoedingen, diverse overige personele uitgaven en de uitgaven voor het post actieve personeel verantwoord.

  • De materiële uitgaven hebben betrekking op de uitgaven voor de exploitatie van en investeringen in het departement in Den Haag en de vertegenwoordigingen in het buitenland.

  • Hieronder vallen onder andere de verplichtingen en uitgaven voor huur van kanselarijen, residenties, personeelswoningen en het gebouw in Den Haag, beveiligingsmaatregelen, automatisering en communicatiemiddelen, klein onderhoud en bouwkundige projecten.

Op de personele en materiële kosten zijn jaarlijks loon-, prijs-, en koersontwikkelingen van toepassing. Deze ontwikkelingen dekt Buitenlandse Zaken af binnen de daarvoor in de HGIS getroffen voorziening (zie artikel 10). Loonkostenstijgingen vloeien vooral voort uit afgesloten CAO’s; de prijsstijgingen waarmee Buitenlandse Zaken te maken heeft passen binnen het kader van algehele (mondiale) inflatie. Daarnaast spelen koersfluctuaties tussen vooral de Euro en de Amerikaanse dollar een belangrijke rol.

Verdeling apparaatsuitgaven naar beleid

De minister van Financiën heeft de Kamer toegezegd om te bezien hoe de apparaatsuitgaven indicatief kunnen worden verdeeld over de beleidsartikelen. Bij de verdeling van de apparaatsuitgaven hieronder wordt onderscheid gemaakt per thema en tussen de uitgaven voor posten in het buitenland en het kernministerie. Van de totale apparaatskosten van EUR 739,2 miljoen in 2012 kan ca. EUR 234 miljoen toe worden gerekend aan het kernministerie. Bij de verdeling van deze kosten hieronder is het aantal fte’s per directoraat generaal (consulair en bedrijfsvoering is één directoraat generaal) toe te rekenen. Het restant (EUR 504 miljoen.) zijn uitgaven die toegerekend kunnen worden aan het postennetwerk. Omdat in 2010 een inventarisatie heeft plaatsgevonden over de thematische invulling van de personele inzet op de post is het mogelijk een schatting te maken van de kosten van het postennetwerk op een aantal terreinen (stand 2010). Deze categorieën zijn: economie, cultuur, politiek, ontwikkelingssamenwerking, management, consulair en beheer. In onderstaand overzichten is schematisch de verdeling opgenomen.

Verdeling apparaatskosten kernministerie EURO 234 miljoen

Verdeling apparaatskosten kernministerie EURO 234 					 miljoen

Verdeling apparaatskosten posten EURO 504 miljoen

Verdeling apparaatskosten posten EURO 504 miljoen

Uitwerking regeerakkoord:

In het regeerakkoord is, als onderdeel van de bezuinigingen, afgesproken om een kleinere overheid te realiseren. Onderdeel hiervan is een taakstelling op het Rijk. Inclusief de laatste taakstelling van de regering Balkenende IV dient Buitenlandse Zaken (inclusief het postennetwerk) oplopend tot 2015 EUR 74 miljoen te besparen op personele en materiële kosten. Daar boven op dient ruimte te worden gemaakt voor door de regering gewenste intensiveringen en flankerend beleid. Omdat er sprake is van bezuinigingen op het postennetwerk dragen ook andere departementen bij aan de taakstelling, voornamelijk via het attaché netwerk op de posten. Met ingang van begrotingjaar 2012 worden de effecten van de hieronder genoemde maatregelen merkbaar.

Het grootste deel van de bezuinigingen (EUR 55 miljoen in 2015) wordt behaald op het postennetwerk. In de Kamerbrief Modernisering Diplomatie is een aantal maatregelen opgenomen die leiden tot een efficiënter en goedkoper postennetwerk, alsook tot meer flexibiliteit. Het postennetwerk zal hierdoor beter toegerust zijn voor de eisen van deze tijd.

  • Als onderdeel van herstructurering van het postennetwerk worden tien posten gesloten.

  • Administratieve en consulaire ondersteunende diensten worden geconcentreerd in een aantal regiokantoren. Door deze schaalvergroting ontstaat meer efficiency en kennisborging.

  • Zoals in de focusbrief Ontwikkelingssamenwerking is opgenomen zal het aantal partnerlanden teruggebracht wordt tot 15. Hierdoor vermindert het aantal medewerkers belast met ontwikkelingssamenwerking.

  • Door focus, dynamisering en flexibilisering zal het aantal medewerkers op posten, inclusief attachés van vakministeries, verminderen.

  • In enkele gevallen zal worden geïntensiveerd. Dit in het bijzonder op het gebied van economische diplomatie en expertise op OS-thema’s.

  • Om de economische belangen van Nederland in opkomende markten te ondersteunen wordt gestreefd naar opening van een tweetal posten geopend.

  • Ten slotte draagt versobering van arbeidsvoorwaarden voor personeel in het buitenland, van huisvesting voor personeel en van kantoorruimte ook bij aan het verminderen van uitgaven.

De maatregelen binnen het postennetwerk hebben ook invloed op het kernministerie (EUR 19 miljoen in 2015). Hierdoor zal het aantal fte’s afnemen en worden directies samengevoegd. Verder draagt ook rijksbrede samenwerking bij aan de taakstelling. Bepaalde diensten worden gecentraliseerd waardoor een efficiencybesparing mogelijk is. Ten slotte zal op een aantal terreinen ook een versobering plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan representatie en dienstreizen.

Budgettaire verdeling van de taakstelling Kleinere overheid in miljoen EURO

Omschrijving

2012

2013

2014

2015

2016

Struc.

Kleinere overheid

           

Taakstelling Rijk, Agentschappen en uitvoerende ZBO’s*

7

25

55

74

77

85

waarvan:

           

– Taakstelling Balkenende IV

7

7

7

7

7

7

– Efficiencykorting personeel en materieel (generieke deel)

0

7

14

21

23

25

– Aanvullende korting (additionele deel, indien van toepassing)

0

11

34

46

47

53

X Noot
*

Inclusief taakstelling Balkenende IV (motie Koolmees)

Detacheringen:

BZ werkt nauw samen met zowel andere ministeries als nationale en internationale publieke en private partijen. In dit kader voert het Ministerie een actief detacheringsbeleid, waarbij ambtenaren voor bepaalde tijd actief zijn bij partnerorganisaties en medewerkers van elders de kans wordt geboden om voor het Ministerie werkzaam te zijn. Dit al dan niet in de vorm van uitwisseling van personeel. Hoewel er, mede door de bezuinigingen, beperkingen zijn wat betreft beschikbaarheid van medewerkers/middelen en het daardoor niet mogelijk is om aan alle detacheringsverzoeken om te voldoen, zal het Ministerie voorstellen voor nieuwe detacheringen (inclusief niet statelijke actoren) welwillend bezien 51.

Bijdrage aan Shared Service Organisatie (SSO) in miljoen EURO

SSO

2012

2013

2014

2015

2016

P-direct

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

FMHaaglanden

11,0

10,5

10,0

10,0

10,0

Doc-direct

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

Werkmaatschappij

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

RGD

12,0

12,0

12,0

12,0

12,0

Totaal

30,1

29,6

29,1

29,1

29,1

Budgettaire gevolgen:

Niet-beleidsartikel 11 Algemeen

Bedragen in EUR 1 000

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

769 094

746 417

730 691

713 179

686 744

670 396

670 359

                 

Uitgaven:

             
                 

Uitgaven totaal

788 802

768 410

739 203

701 510

695 952

720 673

678 071

                 

11.1

Apparaatsuitgaven

788 802

768 410

739 203

701 510

695 952

720 673

678 071

                 

Ontvangsten

75 005

65 626

58 626

58 626

58 626

58 626

58 626

                 

11.10

Diverse ontvangsten

75 005

65 626

58 626

58 626

58 626

58 626

58 626

                 

11.20

Koersverschillen

0

0

0

0

0

0

0

Kengetallen personeel en materieel
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Personeel

             

Loonkosten departement

             

Gemiddelde bezetting

1 740

1 725

1 701

1 688

1 657

1 634

1 634

Gemiddelde prijs

71 728

76 000

76 000

75 000

75 000

75 000

75 000

Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000)

124 799

131 114

129 288

126 608

124 283

122 583

122 583

               

Loonkosten posten (incl. themadeskundigen)

             

Gemiddelde bezetting

1 123

1 095

1 076

1 085

1 035

983

983

Gemiddelde prijs

88 916

95 000

95 500

96 000

96 000

96 000

96 000

Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000)

99 895

104 049

102 799

104 129

99 399

94 404

94 404

               

Totaal loonkosten ambt. Personeel

             

Gemiddelde bezetting

2 863

2 820

2 778

2 773

2 693

2 618

2 618

Gemiddelde prijs

78 482

83 378

83 557

83 215

83 076

82 889

82 889

Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000)

224 694

235 163

232 087

230 737

223 682

216 987

216 987

               

Vergoedingen

             

Gemiddelde bezetting

1 123

1 095

1 076

1 085

1 035

983

983

Gemiddelde kosten

66 755

70 769

71 282

69 067

68 876

68 768

68 768

Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000)

74 997

77 510

76 730

74 915

71 315

67 625

67 625

               

Lokaal personeel

             

Gemiddelde bezetting

2 305

2 311

2 264

2 197

2 150

2 112

2 112

Gemiddelde prijs

39 289

42 000

41 000

41 000

41 000

41 000

41 000

Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000)

90 545

97 041

92 844

90 080

88 153

86 578

86 578

               

Materieel

             

Gemiddelde bezetting (inclusief attachés)

5 536

5 501

5 407

5 330

5 193

5 069

5 064

Gemiddelde kosten

53 296

44 444

43 373

38 983

40 288

50 738

42 377

Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000)

295 050

244 483

234 523

207 772

209 201

257 217

214 615

               

Totaal toegelicht begrotingsbedrag

685 286

654 197

636 184

603 504

592 351

628 407

585 805

(x EUR 1 000)

             
               

Overige apparaatskosten (x EUR 1 000)

103 516

114 213

103 019

98 006

103 601

92 266

92 266

               

Totaal artikel 11 Apparaatsuitgaven

(x EUR 1 000)

788 802

768 410

739 203

701 510

695 952

720 673

678 071

Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en -kosten Buitenlandse Zaken

Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor één Baten-lastendienst, het CBI. In de onderstaande tabel zijn de apparaatskosten de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement en voor de Baten-lastendienst en bij elkaar gevoegd. In de baten-lastenparagraaf worden de kosten van het CBI nader toegelicht.

Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en – kosten ministerie van Buitenlandse Zaken (bedragen x EUR 1000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Kerndepartement

788 802

768 410

739 203

701 510

695 952

720 673

678 071

Baten-lastendiensten (CBI)

29 376

34 895

27 604

30 170

26 059

26 231

24 648

AGENTSCHAPSPARAGRAAF

Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI)

Het CBI is het agentschap van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het heeft als opdracht het duurzaam versterken van de concurrentiekracht van bedrijven uit OS-landen op de Europese markt. Het agentschap CBI draagt bij aan het realiseren van operationele doelstelling 4.3: Een beter ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden en versterking van hun concurrentievermogen, zowel nationaal als internationaal.

De agentschapsparagraaf is afwijkend van voorgaande jaren door het vernieuwde kostprijsmodel wat in 2010 is geïmplementeerd. Het kostprijsmodel is modulair qua opbouw, de programma’s kenmerken zich door een kortere doorlooptijd (met de benodigde aandacht voor het vernieuwde landenbeleid) waardoor sturing, door de Opdrachtgever van het CBI, eenvoudiger realiseerbaar is en er adequater kan worden ingespeeld op veranderingen.

Het Agentschap CBI zal in 2012 opgaan in het Agentschap NL en in die hoedanigheid met ingang van 1 januari 2013 geen baten-lastendienst meer zijn van het Ministerie van Buitenlandse Zaken c.q. geen zelfstandig Agentschap meer zijn. In deze Agentschapsparagraaf is voor wat betreft de productie uitgegaan van een ongewijzigde opdracht tot en met 2016.

1. Baten en Lasten

Tabel 2 Meerjaren baten en lasten (bedragen in EUR 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

A Baten

             

Opbrengst

moederdepartement

28 577

32 975

26 529

29 300

25 231

25 451

23 884

opbrengst derden

1 239

1 500

1 800

1 500

1 250

1 250

1 250

rentebaten

0

0

2

2

4

4

4

Totale baten

29 816

34 475

28 331

30 802

26 485

26 705

25 138

               

B Lasten

             

apparaatskosten

             

– personele kosten

212

244

197

217

187

189

177

waarvan eigen personeel

 

183

148

163

140

142

133

waarvan externe inhuur

 

61

49

54

37

47

44

– materiele kosten

28 675

33 174

26 807

29 388

25 307

25 527

23 956

waarvan ICT

 

450

250

250

250

250

250

rentelasten

0

7

25

10

10

10

10

afschrijvingskosten

             

– materieel

489

570

570

550

500

450

400

Dotaties voorzieningen

0

900

5

5

5

5

5

Totale lasten

29 376

34 895

27 604

30 170

26 059

26 231

24 648

               

C Saldo van baten en

lasten

440

-420

727

632

476

524

590

A. Baten

Opbrengsten moederdepartement

In onderstaande tabel worden de financiële waarden weergegeven van de verleende en verwachte opdrachten per product.

Tabel 3 Productie (bedragen in EUR 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

ECP-opdracht 1

5 556

2 800

ECP-modules

7 510

16 070

8 423

17 357

15 367

15 511

15 511

BSOD-modules

2 376

7 749

6 722

4 035

2 387

2 741

1 156

Marktinformatie-modules

2 540

4 140

4 180

4 180

4 180

4 180

4 180

Training-modules

10 458

3 947

3 525

3 225

2 940

2 653

2 671

Strategische modules

37

969

779

403

257

266

266

ITC

100

100

100

100

100

100

100

Totaal

28 577

32 975

26 529

29 300

25 231

25 451

23 884

De productie die voor 1 januari 2006 is opgestart wordt afgerekend tegen kostprijs (ex-post). Productie die vanaf 1 januari 2006 is gestart wordt afgerekend tegen vooraf vastgestelde prijzen (ex-ante). Als efficiencyprikkel en om het risico uit te sluiten dat kosten van de nieuwe productie (vanaf 1 januari 2006) ten onrechte wordt toegerekend aan de oude productie, is een vast bedrag voor het totaal van de oude productie bepaald. Ook zijn er marges ingebouwd binnen welke de prijs en de aantallen dienen te bewegen. In 2012 wordt het laatste programma ECP-opdracht 1 opgeleverd.

Met ingang van 2010 wordt afgerekend tegen de kostprijs van het herziene kostprijsmodel. In de nieuw vastgestelde verkoopprijzen zit een tijdelijke discrepantie qua prijsstelling. Deze vloeit voort uit het gegeven dat met de nieuwe prijzen rekening is gehouden met het nieuwe landenbeleid (en de daarmee moeilijkere werkomgeving voor het CBI) en de daaraan gekoppelde hogere kostprijs. In de lopende programma’s nemen bedrijven deel uit landen die goedkoper waren klaar te stomen voor de EU markt. Dit gegeven wordt tijdelijk gecompenseerd middels een kortingspercentage, dit is reeds meegenomen in de productiecijfers.

Opbrengst derden

In het licht van de complementariteit tussen CBI producten en programma’s van onder andere de Europese Commissie, Ministerie van Handel van Ecuador en het Ministerie van EL&I worden additionele opdrachten verwacht.

Van organisaties uit Europa, waaronder Zwitserland en Zweden, worden additionele opdrachten verwacht voor het product marktinformatie.

Daarnaast wordt door de aan programma’s en trainingen deelnemende bedrijven en organisaties een eigen bijdrage (commitment fee) betaald.

Rentebaten

De rentebaten worden verkregen door het positieve saldo op de rekening courant bij de Rijkshoofdboekhouding. Het vermelde bedrag is een schatting op basis van ervaringscijfers.

B. Lasten

Personele kosten

In 2012 werken er bij het CBI 12 fte ambtenaren en 38 fte niet-ambtenaren. De personele lasten bedragen in 2012 EUR 197 000.

Het verschil tussen de personele uitgaven (volgens het kasstelsel) en personele lasten (volgens het baten- lastenstelsel) wordt veroorzaakt door productie met een productietijd van meer dan één jaar. Voor deze productie worden de personele uitgaven, voor zover die verband houden met productie die nog niet is opgeleverd, aan het onderhanden werk toegevoegd. Pas in het jaar dat de productie wordt opgeleverd worden deze uitgaven als last genomen. Een gevolg van deze systematiek is dat de personele uitgaven in 2012 voor een gedeelte als personele lasten worden genomen in latere jaren.

Daarnaast worden direct toerekenbare personele uitgaven doorberekend aan de programma’s. Dit betekent dat de personele kosten lager zijn ten koste van de materiële kosten. De verwachtte personele uitgaven voor het jaar 2012 (ambtenaren) bedraagt EUR 900 000.

Materiële kosten

Tabel 4 Categorieën materiële kosten (bedragen in EUR 1 000)

Uitbesteding ondersteunende werkzaamheden

167

Huisvestingskosten (huur, schoonmaak, energie, diensten)

690

Kantoor, o.a. mailings, porti, alg. drukwerk, telefoon, fax

294

Algemeen, o.a. representatie

225

Bankkosten en koersverschillen

36

Onttrekking aan onderhanden werk

-1 394

Salariskosten personeel

2 592

waarvan eigen personeel

480

waarvan externe inhuur

2 112

Externe experts, o.a. honoraria en reis- en verblijfskosten

16 628

Deelnemers aan seminars en beurzen, o.a. reis- en verblijfskosten

3 850

Organisatie seminars, o.a. logistieke ondersteuning

700

Organisatie/deelname beurzen, o.a. beurshuur en standbouw

1 457

CBI-publicaties, o.a. honoraria, drukwerk, porti

1 562

Totaal

26 807

Het CBI is gehuisvest in de Beurs-WTC in Rotterdam. In 2011 wordt de kantoor- en archiefruimte gehuurd van de Rijksgebouwendienst voor een huurbedrag van EUR 290 000.

Rentelasten

De rentelasten vloeien voort uit rente- en aflossingsdragend vermogen dat via de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën zal worden verkregen.

Afschrijvingskosten

De materiële vaste activa bestaat uit: inventaris, hard- en software en verbouwingen. De afschrijvingstermijnen zijn respectievelijk 5 jaar, 3 jaar, en 5 jaar.

Dotaties aan voorzieningen

CBI houdt een voorziening aan voor dubieuze debiteuren. Deze voorziening is bedoeld voor de opvang van het risico van wanbetaling door contractpartijen.

Het CBI zal een voorziening opnemen in verband met de verhuizing naar Den Haag en de integratie in Agentschap NL gedurende 2012.

C. Saldo van baten en lasten

Het resultaat wordt aan het vermogen van het agentschap toegevoegd.

2. Kasstroomoverzicht

Tabel 6 Kasstroomoverzicht (bedragen in EUR 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1. Rekening courant RHB 1 januari

1 890

2 493

2 173

873

550

550

550

2. Totaal operationele kasstroom

– 1 210

350

850

27

350

350

350

– /- totaal investeringen

592

570

350

350

350

350

350

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

– 5

– 100

– 100

– 

– 

– 

– 

3. Totaal investeringskasstroom

– 597

– 670

– 450

– 350

– 350

– 350

– 350

– /- eenmalige uitkeringen aan moederdepartement

– 

– 

– 

– 

– 

– 

– 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

– 

– 

– 

– 

– 

– 

– 

– /- aflossingen op leningen

– 10

– 

– 

– 

– 

– 

– 

+/+ beroep op leenfaciliteit

– 

– 

– 

– 

– 

– 

– 

4.Totaal financieringskasstroom

– 10

– 

– 

– 

– 

– 

– 

5. Rekening courant RHB 31 december

2 493

2 173

873

550

550

550

550

3. Doelmatigheidsparagraaf

ECP – modules:

Jaar t

BSOD – modules:

Jaar t

Bedrijfsaudit en actieplan

8 200

BSO diagnose & interventie ontwerp

63 000

Bedrijfsontwikkeling

26 000

BSOD Export Intelligentie – beperkt

169 000

Export capaciteit opbouw

28 000

BSOD Export Intelligentie – regulier

354 000

Certificering

14 000

Exportontwikkeling – beperkt

169 000

Markttoegang regionaal

23 000

Exportontwikkeling – regulier

354 000

Markttoegang EU

43 000

   
       

MI – modules:

 

HRD – modules:

 

Markt intelligentie

140 000

Training – EU

1 500

Export intelligentie

100 000

Training – doelgroeplanden

5 400

Tailored intelligentie

40 000

Online training

125

Business intelligentie

40 000

   

Import intelligentie

40 000

   
       

Strategische advisering

 

ITC – account management

 

Sectorale analyse

63 000

Vergoeding beheerskosten

100 000

Strategische conferentie groot

83 000

   

Strategische conferentie klein

37 000

   

Omschrijving Generieke deel

t

t+1

t+2

t+3

t+4

Omzet per productgroep

         

Sectorale Export Ontwikkeling opdr. 1

kostprijs

nvt

nvt

nvt

nvt

ECP modules

8 423

17 357

15 367

15 511

15 511

BSOD Modules

6 722

4 035

2 387

2 741

1 156

Marktinformatie modules

4 180

4 180

4 180

4 180

4 180

Training modules

3 525

3 225

2 940

2 653

2 671

Strategische modules

779

403

257

266

266

ITC

100

100

100

100

100

FTE totaal

12

12

12

12

12

           

Saldo van baten en lasten (%)

5%

5%

5%

5%

5%

           

Impact kwaliteitsindicatoren

         

Totaal gerealiseerde export EU/EFTA

167 000

167 000

167 000

167 000

167 000

Aangegeven verbeterde dienstverlening onder cliënten

60%

60%

60%

60%

60%

Kennis over de EU-markt vergroot

75%

75%

75%

75%

75%

Hogere export c.q. effectievere dienstverlening

60%

60%

60%

60%

60%

           

Omschrijving specifiek deel

         
           

Ziekteverzuim (%)

3.9%

3.9%

3.9%

3.9%

3.9%

In het derde kwartaal van 2011 zal het kostprijsmodel door de interne accountantsdienst worden geëvalueerd. De kwaliteitsindicatoren dienen nog nader met de Opdrachtgever aangepast en uitgebreid te worden.

Taakstelling

De afgelopen jaren is de formatie van het CBI gekrompen met 10 fte ambtenaren in het kader van de Taakstelling 2008, waarvan de laatste 3 fte in 2011 zijn uitgestroomd.

Met de in 2010 geïmplementeerde integrale werkwijze in een gewijzigde organisatorische setting is zowel op een personele als een kostprijs reductie ingezet. De komende jaren wordt een neerwaartse bijstelling van de kostprijs verwacht om zodoende met dezelfde middelen tot een hogere productie te komen.

Het genomen besluit tot integratie van het CBI binnen Agentschap NL dient daarnaast na realisatie hiervan een efficiency bereikt te worden welke tussen de Euro 700 000 en 1 000 000 structureel gaat opleveren. Hierin is inbegrepen een verwachte reductie van 12 medewerkers (payrollers/externe inhuur).

BIJLAGE 1 LIJST VAN AFKORTINGEN

AABs

Algemene Ambtsberichten

ACS

Association of Caribbean States

Adept

Accession-oriented Dutch-European Proficiency Training

AERC

African Economic Research Consortium

AMISOM

African Union Mission on Somalia

AIVD

Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

ANA

Aruba en de Nederlandse Antillen

ANDS

Afghan National Development Strategy

ASEAN

Association of Southeast Asian Nations

ATAF

African Tax Administration Forum

ATT

Arm Trade Treaty (Internationaal wapenhandelsverdrag)

AU

Afrikaanse Unie

AVVN

Algemene Vergadering Verenigde Naties

BBP

Bruto Binnenlands Product

BNP

Bruto Nationaal Product

BSOD

Business Support Organisation Development

BTWC

Biologisch en Toxische Wapens Verdrag (155)

BZ

Ministerie van Buitenlandse Zaken

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CAADP

Comprehensive Africa Agriculture Development

 

Programme

CAO

Collectieve arbeidsovereenkomst

CBI

Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden

CBRN

Chemische, Biologische, Radiologische of Nucleaire middelen

CD

Capacity Development

CDM

Clean Development Mechanism

CERF

Central Emergency Response Fund

CGIAR

Consultative Group on International Agricultural

 

Research

CICIG

Comisión Internacional Contra la Impunidad en Guatemala (Internationale commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala)

COHRED

Council on Health Research for Development

CPI

Corruptie Perceptie Index

CTBT

Comprehensive Test Ban Treaty (Alomvattend Kernstopverdrag (138) )

CTITF

Counter Terrorism Implementation Task Force

CvP

Club van Parijs

CWC

Chemical Weapons Convention (Chemisch Wapenverdrag)

DAC

Development Assistance Committee

DDR

Disarmament Demobilization and Reintegration

DFA

Design, Fashion, Architecture

DfID

United Kingdom Department for International Development

DGIS/CE

Directeur Generaal Internationale Samenwerking

 

Coherentie Eenheid

DPKO

Department of Peacekeeping Operations

DRC

Democratische Republiek Congo

EBRD

European Bank for Reconstruction and Development

ECDPM

European Centre for Development Policy Management

ECOWAS

Economic Community Of West African States

ECP

Export Coaching Programme

EDEO

Europese Dienst voor Extern Optreden

EFA

Education for All

EHRM

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

EITI

Extractive Industries Transparency Initiative

EIU

Economist Intelligence Unit

EKI

Exportkredietverzekering en Investeringsgaranties

ENP

Europees Nabuurschaps Programma

ENPI

European Neighbourhood and Partnership Instrument

EOF

Europees Ontwikkelings Fonds

EPA

European Partnership Agreements (Europese Partnerschapsakkoorden)

ERP

Enterprise Resource Planning

EU

Europese Unie

EUBAM Rafah

EU Border Assistance Mission at Rafah

EUJUST LEX

EU Integrated Rule of Law Mission for Iraq

EULEX

EVDB missie in Kosovo

EUPM

European Union Police Mission

EUPOL

European Union Police Mission

EUPOL COPPS

European Union Police Coordinating Office for Palestinian Police Support (EU Police Mission for the Palestinian Territories)

EUSEC

European Union Security (in the Democratic Republic Congo)

EUVIS

European Union Visuminformatie Systeem

EVD

Economische Voorlichtingsdienst

EVDB

Europees Veiligheids- en Defensiebeleid

EVRM

Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens

EZ

Ministerie van Economische Zaken

FAO

Food and Agriculture Organization

FAWE

Forum for African Women Educationalists

FLEGT

Forest Law Enforcement Governance

and Trade

FMCT

Verdrag betreffende een verbod op de productie van splijtstoffen voor explosiedoeleinden

FMO

Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden

FSAP

Financial Sector Assessment Programs

FTI

Fast Track Initiative

GCE

Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed

GFATM

Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria

GMR

Global Monitoring Report (UNESCO)

GRPI

Genetic Resources Policy Initiative

GtZ

Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit

GVDB

Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid

G20

Groep bestaande uit 19 van de landen met de grootste nationale economieën en de EU

HALO

HALO Trust:NGO die zich vooral met ontmijning en ontwapening bezig houdt

HCNM

Hoge Commissaris voor de Nationale Minderheden

HCOC

Hague Code of Conduct against Ballistic Missile Proliferation (Haagse Gedragscode tegen de proliferatie van Ballistische Wapens)

HGIS

Homogene Groep Internationale Samenwerking

HIF

Health Insurance Fund

HiiL

Hague Institute Internationalisation of Law

HRP

Human Reproduction Programme

IAEA

International Atomic and Energy Agency

IASC

Inter-Agency Standing Committee

IBF

International Bureau Fraude Informatie

ICARDA

International Centre for Agricultural Research in Dry

 

Areas

ICB

Internationaal Cultuurbeleid

ICC

International Criminal Court

ICTR

International Criminal Tribunal for Rwanda

ICTY

International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia

IDEA

International Institute for Democracy and Electoral

 

Assistance

IDF

Infrastructure Development Fund

IDH

Initiatief Duurzame Handel

IDLO

International Development Law Organization

IDRC

International Development Research Centre

IEF

International Energy Forum

IFAD

International Fund for Agricultural Development

   

IFPRI

International Food Policy Research Institute

IIEP

International Institute for Educational Planning

ILO

International Labour Organization

IMF

Internationaal Monetair Fonds

IND

Immigratie- en Naturalisatiedienst

IOB

Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en

 

Beleidsevaluatie

IPA

Europese Instrumenten voor pre-Accessie

IRC

International Water and Sanitation Centre

IRENA

International Renewable Energy Association

IS-academie

Internationale Samenwerking-Academie

ISAF

International Security Stability Force

IUCN

International Union for Conservation of Nature

KAZA

Kavango-Zambezi Transfrontier Conservation

KFOR

Kosovo Force

KIT

Koninklijke Instituut voor de Tropen

LNV

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

LRRD

Linking Relief, Rehabilitation Development

MASSIF

Ontwikkelingsfonds voor de financiële sector

MATRA

Maatschappelijke Transformatie

MDG’s

Milleninium Development Goals (Millennium Ontwikkelingsdoelen)

MFS

Medefinancieringsstelsel

MIVD

Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

MKB

Midden en Klein Bedrijf

MNA

Mean Nuclear Area

MOL

Minst Ontwikkelde Landen

MONUC

United Nations Organization in the Democratic Republic Congo

MONUSCO

United Nations Organization Stabilization Mission in the Democratic Republic Congo

MOVP

Midden-Oosten Vredes Proces

MRR

Mensenrechtenraad

MTES

Matra Training voor Europese Samenwerking

MVO

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MVV

Machtiging tot Voorlopig Verblijf

NAPA

Nederlandse Actieplan Parijs

NAVO

Noord-Atlantische Verdrags Organisatie

NBSO

Netherlands Business Support Offices

NCAP

Netherlands Climate Assistance Programme

NCDO

Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling

NFP

Netherlands Fellowship Programme

NIMD

Netherlands Institute for Multiparty Democracy

NIMF

Netherlands Investment Matching Fund

NGO

Non-Gouvernementele Organisatie

NICHE

Netherlands Initiative for Capacity Development in Higher Education institutions

NPT

Netherlands Programme for institutional strengthening of education and Training capacity

NPV

Non-Proliferatie Verdrag (189)

NTM-A

NATO Training Mission Afghanistan

NVIS

Nieuw Visum Informatie Systeem

NSS

Nuclear Security Summit

NWO-WOTRO

Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek – Wetenschappelijk Onderzoek in de Tropen

OCW

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OD

Operationele Doelstelling

ODA

Official Development Assistance (officiële ontwikkelingshulp)

ODIHR

Office for Democratic Institutions and Human Rights

OESO

Organisatie Economische Samenwerking en Ontwikkeling

OHCHR

Hoge commissaris voor de Rechten van de Mens

OPCAT

Optional Protocol to the UN Convention against Torture, Inhuman and Degrading Treatment

ORET

Programma Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties

ORIO

Ontwikkelingsrelevante Infrastructuurontwikkeling

OS

Ontwikkelingssamenwerking

OVSE

Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa

PBC

Peace Building Commission

PEGASE

Mécanisme Palestino-Européen de Gestion de l'Aide

 

Socio-Economique

PFM

Public Finance Management

POI

Programma Onderzoek en Innovatie

POP

Programma Ondersteuning Productenorganisaties

PRSP

Poverty Reduction Strategy Papers

PSE

Producer Support Estimate

PSI

Private Sector Investment

PSO

Praktische Sectororiëntatie

PSOM

Programma Samenwerking Opkomende Markten

PUM

Programma Uitzending Managers

RBV

Rijksbegrotingsvoorschriften

REDD

Reducing Emissions from Deforestation and forest Degradation in developing countries

RHB

Rijkshoofdboekhouding (ministerie van Financiën)

RTR

Regeringsstandpunt Tropisch Regenwoud

RvE

Raad van Europa

R2P

Responsibility to Protect

SACMEQ

Southern and Eastern Africa Consortium for Monitoring Educational Quality

SADAA

Strategic Alliance for the Development of Agriculture in Africa

SCSL

Special Court Sierra Leone

SGACA's

Strategische Goed Bestuur en Corruptie Analyses

SICA

Stichting Internationale Culturele Activiteiten

SNV

Stichting Nederlandse Vrijwilligers

SRGR

Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten

SSA

Sub Sahara Africa

SSR

Security Sector Reform

TB

Tuberculose

TDR

Special Programme for Research and Training in Tropical Diseases

TI

Transparency International

TK

Tweede Kamer

UEMOA

Union Economique et Monétaire Ouest-africaine

UIS

Unesco Institute for Statistics

UNAIDS

Joint United Nations Programme on HIV/AIDS

UNAMA

United Nations Assistance Mission in Afghanistan

UNAMID

African Union/ United Nations Hybrid Operation in Darfur

UNCED

United Nations Conference on Environment and Development

UNCCD

United Nations Convention to Combat Desertification

UNDGO

United Nations Development Group Office

UNDP

United Nations Development Programme

UNESCO

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization

UNESCO-IHE

UNESCO- Institute for Water Education

UNFCCC

United Nations Framework Convention on Climate

 

Change

UNFPA

United Nations Population Fund

UN-HABITAT

United Nations Human Settlements Programme

UNICEF

United Nations Children’s Fund

UNIFEM

United Nations Development Fund for Women

UNMIS

United Nations Mission in Sudan

UNODC

United Nations Office on Drugs and Crime

UNRWA

United Nations Relief and Works Agency

UNSGAB

United Nations Secretary General’s Advisory Board on Water and Sanitation

UNU-MERIT

Joint research and training centre of United Nations University and Ùniversity of Maastricht

VK

Verenigd Koninkrijk

VN

Verenigde Naties

VNVR

Veiligheidsraad van de Verenigde Naties

VR

Veiligheidsraad

VROM

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

V&W

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wbp

Wet bescherming persoonsgegevens

WFP

World Food Programme

WHO

World Health Organisation

Wob

Wet openbaar bestuur

WSSD

World Summit on Sustainable Development

WTO

World Trade Organization (Wereldhandelsorganisatie)

BIJLAGE 2 TREFWOORDENLIJST

3D-aanpak 16

Accountability 43, 57

Acquis 49

Afghanistan 16, 23, 39, 102, 103

Afrika 21, 39, 55, 56, 66, 71, 99

Agentschap 6, 41, 52, 84, 91, 94, 96, 97, 98

Aids 61, 66

Ambassade 18, 19, 20, 23, 26, 27, 28, 35, 55, 58, 64, 66, 72, 82, 84, 85, 89

Ambtsberichten 26, 76, 77, 79, 99

Antipiraterijmissies 16

Apparaatsuitgaven 4, 9, 89, 92, 93

Armoede 1, 8, 9, 22, 23, 30, 52, 53, 55, 56, 58, 68

Armoedebestrijding 10, 22, 55, 62, 64

Asiel 15, 24, 25, 77, 79

ATT 99

Balkan 42

Basisonderwijs 61, 62, 63

Bedrijfsleven 10, 13, 16, 17, 18, 21, 22, 28, 29, 34, 41, 53, 55, 57, 69, 72, 73, 82, 85

Bedrijfsvoering 4, 11, 84, 89

Begrotingssteun 14, 53, 54, 56, 72

Belastingen 56

Beleidsprioriteiten 8, 30, 49, 55, 62, 63, 67

Benelux 25, 49, 50

Beroepsonderwijs 38, 61, 62, 63

Bezuinigen 22, 24

Biodiversiteit 47, 68, 72, 73

Bretton Woods 13

Buitenlandbeleid 5, 6, 9, 10, 12, 16, 20, 21, 23, 26, 31, 32, 37, 52, 54, 81, 82, 83, 85, 86

Burundi 16, 23

BZK 99

Capaciteitsopbouw 16, 40, 53, 64, 71, 73

CAP 43, 101

CBI 1, 3, 6, 57, 93, 94, 95, 96, 98, 99

CERF 43, 99

China 10, 18, 27, 83

Civil society 8

Clingendael 75, 85

CO2 71

Coherentie 14, 21, 36, 37, 46, 52, 56, 72, 99

Colombia 23, 57, 72

Concurrentievermogen 94

Conflictpreventie 43

Consulaire bijstand 77, 78

Consulaire dienstverlening 5, 9, 11, 26, 78, 80

Corruptie 17, 25, 43, 53, 54, 73, 99, 102

Corruptiebestrijding 43

Crisis 11, 26, 27, 41, 42, 55, 77, 78

Crisisbeheersing 7, 24, 27, 36, 41, 42, 76

CTBTO 40

CTITF 39, 99

Cultureel erfgoed 28

Cultureel profiel 1, 9, 31, 81, 86

Cultuur 8, 9, 20, 25, 27, 28, 31, 81, 82, 83, 84, 86, 89, 102

Cultuurbeleid 81, 82, 83, 85, 101

Cultuurmiddelen 81

Defensie 9, 16, 22, 27, 36, 37, 42, 44, 86, 100

Democratisering 19, 38, 42, 43, 82

Den Haag 12, 19, 39, 82, 84, 89, 96

Dialoog 20, 26, 28, 39, 41, 42, 62, 82, 85

Discriminatie 11, 23, 61

Diversificatie 55

Doha 17

Donorlanden 23, 60, 71

Doodstraf 19, 27, 78

Draagvlak 9, 19, 22, 25, 26, 31, 32, 33, 34, 39, 40, 56, 60, 61, 66, 85, 86

Drinkwater 8, 22, 31, 70, 73, 74, 75

Duurzaamheid 13, 18, 70, 72

Duurzame ontwikkeling 14, 50, 55, 63

Duurzame Ontwikkeling 72, 101

Economische dienstverlening 58

Economische diplomatie 12, 18, 19, 41, 53, 54, 58, 91

EDEO 25, 26, 27, 78, 99

Education for All 62, 63, 99

Energie 10, 12, 14, 16, 18, 20, 26, 37, 38, 41, 53, 69, 71, 96

Energievoorziening 7, 30, 41, 44

Energievoorzieningszekerheid 7, 18, 26, 38, 41

EOF 7, 100

ESM 24

EU-afdrachten 6, 48

EU 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 69, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 102

Europa 4, 10, 13, 15, 20, 23, 24, 25, 28, 34, 46, 47, 49, 78, 83, 84, 85, 95, 102

Europees Parlement 48

Europese Commissie 26, 48, 49, 95

Europese Dienst voor Extern Optreden 99

Europese Raad 49

Europese samenwerking 1, 7, 9, 25, 29, 30, 32, 46, 47, 50, 85

Europese Unie 5, 6, 7, 10, 13, 14, 15, 18, 20, 23, 30, 47, 48, 49, 50, 68, 100

Evaluatie 2, 5, 6, 38, 70, 101

Evaluatieonderzoek 4

EVRM 20, 35, 100

Externe beleid 25, 46

Financieel beheer 56

Financieel-economische crisis 17, 24, 46

FMO 57, 71, 100

Fragiele staten 21, 23, 37, 42, 56, 61, 62, 63

FTI 62, 63, 100

GBVB 49

Gedetineerden 11, 26, 27, 76, 77, 78, 79

GEF 69, 72

Gelijke rechten 8, 19, 23, 30, 60, 62, 64, 67

Gelijkgezinden 39, 48

Gender 8, 19, 23, 30, 33, 39, 61, 63, 64, 72, 73

Genderongelijkheid 61

Gezondheidszorg 14, 23, 66

GFATM 66, 100

Global public goods 14, 22, 54

Godsdienst 11, 19, 33, 34

Goed bestuur 1, 7, 9, 19, 23, 30, 36, 38, 41, 42, 43, 44, 54

Groei 6, 7, 8, 10, 13, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 30, 33, 34, 46, 48, 50, 52, 53, 58, 60, 68

GVDB 37, 39, 100

Handel 8, 10, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 20, 24, 26, 27, 28, 30, 34, 35, 37, 39, 40, 41, 47, 48, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 66, 68, 69, 72, 76, 78, 79, 83, 89, 95, 101, 103

Harmonisatie 38, 41

Hervormingsproces 34

HGIS 6, 13, 14, 42, 88, 89, 100

HIV/AIDS 8, 23, 30, 56, 60, 61, 62, 65, 66, 67, 103

HIVOS 71

Humanitaire hulp 7, 21, 30, 43, 44, 49, 56

Humanitaire hulpverlening 1, 7, 9, 30, 36, 43

IAEA 40, 100

ICCT 39

IFC 57

ILO 34, 101

IMF 11, 13, 21, 101

India 18, 27, 83

Infrastructuur 17, 20, 26, 52, 53, 55, 57, 69, 83, 102

Internationaal cultuurbeleid 27, 83

Internationaal Strafhof 19, 32, 33, 84, 85

Internationale organisaties 7, 9, 13, 56, 65, 68, 79, 82, 85

Internationale rechtsorde 1, 7, 12, 15, 19, 30, 32, 33, 35

Investeringsklimaat 57

IOB 70, 78, 101

IPPF 66

Iran 15, 40

ISAF 101

Juridische hoofdstad 19

Justitie 15, 21, 34, 36, 42, 49, 50

Kanaal 21, 23, 54, 57, 63, 64

Kandidaat-lidstaten 25

Kernwapens 15

Kinderarbeid 33

Kinderen 8, 66, 70, 78

KIT 101

Klimaat 17, 26, 68, 69, 70, 71

Klimaatbeleid 43, 68

Klimaatverandering 14, 22, 47, 54, 68, 69, 70, 72, 73

Kopenhagen 71

Kopenhagen-criteria 24

Korting 1, 6, 91, 95

Krijgsmacht 36, 42

LGBT 33, 61

Libanon-Tribunaal 34, 84

Maatschappelijk middenveld 8, 21, 30, 40, 41, 62, 63, 64, 67

Maatschappelijk verantwoord ondernemen 11, 20, 34

Maatschappelijk 13, 19, 20, 22, 23, 29, 33, 38, 39, 41, 42, 43, 53, 55, 60, 61, 62, 63, 64, 72, 73, 74, 101

Markttoegang 18, 20, 53, 97

Marokko 21

Marteling 19, 33

Massavernietigingswapens 7, 15, 17, 30, 37, 40, 44

MATRA 41, 49, 101

MDG 64, 65, 101

Medefinancieringsprogramma 64

Medefinancieringsstelsel 63, 101

Mensenrechten 1, 6, 7, 10, 11, 12, 14, 16, 19, 20, 24, 30, 32, 33, 34, 35, 38, 47, 49, 53, 54, 61, 62, 66, 101

Mensenrechtenbeleid 11, 20, 33

Mensenrechtenfonds 11, 19, 32, 34

Mensenrechtenverdedigers 11, 33, 34

MFS II 63, 64, 65

Midden-Oosten 14, 21, 26, 101

Migratie 14, 15, 20, 24, 25, 26, 37, 46, 54, 76, 77, 78, 79, 101

Migratiebeleid 25

Milieu 8, 23, 30, 52, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 75

Milieubeheer 1, 8, 30, 68, 75, 103

Milieubeleid 69, 72

Militaire 15, 16, 27, 37, 39, 42, 101

Millennium Development Goals 60

MKB 21, 54, 57, 101

Mondiaal 22, 53, 62, 70, 73

Multilateraal 20, 34, 64

Multilaterale instellingen 69

MVO 33, 34, 101

Nabuurschapsbeleid 15, 21, 49

Natuurlijke hulpbronnen 68, 69

Natuurrampen 21, 43

NAVO 10, 13, 15, 16, 24, 36, 37, 38, 39, 42, 84, 101

NBSO 57, 101

NCDO 101

Nederland 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 56, 57, 58, 60, 61, 62, 63, 64, 66, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 91, 99, 100, 101, 102

NGO 33, 43, 56, 65, 66, 70, 72, 73, 85, 100, 101

NIMF 101

NIO 9

Non-proliferatie 17, 37, 40

Non-Proliferatieverdrag 15, 17

Noodhulp 43

Noord-Afrika 21, 26

NPDI 17, 40

NPV 40, 102

Nucleaire wapens 39

NVIS 102

OCW 81, 82, 83, 84, 102

ODA 6, 11, 14, 41, 42, 69, 102

OESO 19, 33, 56, 69, 102

OHCHR 34, 102

Ondernemingsklimaat 10, 22, 53, 57, 94

Onderwijs 8, 14, 18, 20, 23, 30, 41, 56, 60, 61, 62, 63, 67, 70, 82, 102

Onderzoek 2, 6, 8, 18, 23, 27, 30, 34, 54, 61, 62, 63, 65, 66, 67, 79, 102

Ontwapening 7, 17, 30, 40, 44, 100

Ontwikkelingsbeleid 72

Ontwikkelingsdoelstellingen 14

Ontwikkelingssamenwerking 4, 6, 8, 10, 12, 13, 14, 16, 21, 22, 26, 49, 53, 54, 57, 61, 62, 81, 85, 86, 89, 91, 101, 102

OPCW 40

ORET 57, 102

ORIO 57, 102

OVSE 24, 34, 35, 36, 39, 41, 102

Pakistan 72, 73

Partnerlanden 8, 21, 23, 34, 38, 54, 56, 62, 63, 66, 69, 70, 72, 73, 75, 79, 84, 91

Partnerschappen 13, 22, 55, 57, 63, 66, 72, 73, 74

Personenverkeer 1, 9, 15, 25, 31, 76, 77, 79, 80

Piraterij 10, 13, 15, 16, 37, 42

POBB 38, 39, 85

Postennetwerk 10, 11, 12, 13, 23, 27, 28, 29, 33, 34, 39, 48, 50, 52, 54, 89, 90, 91

Pre-accessiesteun 49

Prioritaire sectoren 11, 14, 62

Private sector 8, 10, 11, 14, 22, 23, 30, 52, 53, 54, 56, 57, 58, 64

Programma 4, 6, 11, 14, 15, 22, 23, 27, 35, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 49, 50, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 61, 62, 63, 64, 66, 67, 69, 70, 71, 72, 73, 75, 80, 81, 83, 84, 85, 86, 94, 95, 96, 100, 102

PSI 57, 66, 102

PSO 64, 102

PSOM 102

Publieksdiplomatie 18, 38, 81, 82, 85

PUM 57, 102

R2P 33, 34, 102

Raad van Europa 7, 9, 24, 35, 47, 49, 51, 102

Rechtsorde 7, 8, 10, 14, 22, 30, 32, 37, 41, 44, 49

Reisdocumenten 77, 78, 79

Reproductieve gezondheid 8, 10, 14, 21, 22, 23, 30, 56, 60, 61, 65, 66, 67

Rusland 10, 18, 27, 39, 83, 84

Rwanda 23, 33, 55, 85, 101

Samenhang 5, 6, 15, 16, 20, 25, 28, 39, 42, 53, 88

Samenwerking 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 18, 22, 25, 26, 27, 28, 30, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 49, 50, 52, 53, 55, 56, 57, 62, 64, 69, 70, 72, 73, 76, 77, 78, 79, 82, 83, 91, 99, 100, 101, 102

Sancties 19

Sanitatie 22, 56, 70, 73, 75

Schengengebied 25, 76

Schuld 17, 55, 56

Schuldenmanagement 56

Schuldverlichtingsinitiatieven 55

SCSL 34, 102

Sectorale 72, 83, 97, 98

SICA 82, 84, 102

SNV 64, 102

Sociale ontwikkeling 67

Soedan 16, 23, 38, 42, 63, 70

SRGR 23, 33, 60, 62, 65, 66, 102

Stabiliteit 1, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 26, 30, 36, 38, 39, 43, 53, 61

Stabiliteitsfonds 39, 41

Statuut van Rome 34

Strategische partnerschappen 43

Subsidie 27, 38, 54, 79, 83, 85

Subsidieoverzicht 2, 4, 6

Suriname 72

Terrorisme 7, 15, 16, 20, 30, 37, 39, 40, 44, 46

Terrorismebestrijding 16, 40

Terrorismesancties 36

Uitbreiding 25, 28, 32, 55

Uitbreidingsbeleid 25

UNAIDS 65, 66, 103

UNDP 55, 103

UNESCO 73, 100, 103

UNFPA 65, 66, 103

UN-HABITAT 73, 103

UNICEF 41, 55, 56, 73, 103

Unie 5, 6, 7, 10, 13, 15, 16, 24, 25, 30, 46, 47, 49, 50, 51, 99

Uruzgan 16

Vakbonden 64

Veiligheid 1, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 28, 30, 31, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 46, 48, 50, 54, 64, 68, 69, 70, 76, 80, 99, 100, 101, 102

Veiligheidsraad 16, 34, 37, 103

Verdeling 1, 8, 9, 30, 32, 33, 36, 46, 52, 58, 60, 61, 68, 71, 76, 81, 89, 90, 91

Verdrag van Lissabon 25, 49

Verenigde Naties 13, 15, 99, 103

Verenigde Staten 19, 27, 83

Vestigingsklimaat 7, 9, 31, 84, 86

Vietnam 18, 23, 57, 70

Visa 27, 76, 77, 78, 79

Visumaanvragen 76, 77

Visumproces 27

Voedselzekerheid 8, 10, 14, 21, 22, 26, 30, 38, 53, 54, 55, 56, 58, 61, 63, 68, 69, 70, 73

Voorzitterschap 5, 34, 40, 50

Vrede 14, 15, 16, 19, 24, 38, 42, 54, 61, 64, 84, 101

Vredeshandhaving 42

Vredesmissies 42

Vredesopbouw 16, 42, 43

Vredesproces 22

Vrijhandelsakkoorden 58

Vrijheid 6, 7, 10, 11, 12, 13, 19, 20, 21, 23, 24, 28, 30, 33, 34, 46, 48, 50

Vrijwillige bijdragen 12, 14

Vrouwen 8, 11, 16, 19, 22, 23, 30, 33, 37, 38, 42, 60, 61, 62, 64, 67

Wapenbeheersing 7, 30, 40, 44

Wapenexportbeleid 7, 30, 36, 38, 40, 41, 44

Wapenhandelsverdrag 41, 99

Water 1, 8, 10, 14, 18, 21, 22, 26, 30, 31, 38, 53, 56, 61, 63, 68, 69, 70, 72, 73, 74, 75, 82, 101, 103

Waterbeheer 8, 22, 55, 68, 70, 73

Waterschaarste 70

Wederopbouw 16, 21, 38, 41, 64

Welvaart 1, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 28, 30, 33, 46, 48, 50, 52, 58, 61

Wereldbank 21, 42, 56, 71, 73

Wereldhandelssysteem 17

WEU 38

WHO 65, 66, 103

WRR 33, 54

WTO 103

Zetelovereenkomst 85

Zuid-Afrika 23, 27, 57, 83


X Noot
1

Kamerstuk 31 865, nr.26

X Noot
2

Grondstoffennotitie, kamerstuk: 32 582, nr.1

X Noot
3

Basisbrief en Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking Kamerstukken 32 500 V, nr. 15 en 32 605, nr. 2.

X Noot
4

Notitie Verantwoordelijkheid voor Vrijheid, kamerstuk 32 735, nr. 1.

X Noot
5

Brief modernisering Nederlandse diplomatie kamerstuk: 32 734, nr. 1

X Noot
6

Brief modernisering Nederlandse diplomatie kamerstuk: 32 734, nr. 1.

X Noot
8

Zie verder brief Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten kamerstuk: 32 623 nr. 40.

X Noot
9

Opgenomen in motie Eigeman Kamerstuk 32 500 V, K.

X Noot
10

In lijn met de toezegging gedaan tijdens AO SRGR en HIV/AIDS

X Noot
11

Kamerstuk 32 735, nr. 11.

X Noot
12

Kamerstuk 32 735, nr. 2.

X Noot
13

Brief regering – minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal – 11 februari 2011 Regeringsreactie op AIV-advies: Nederland en de «Responsibility to Protect» – 32 500 V, nr. 147

X Noot
14

Brief regering – minister van Algemene Zaken, M. Rutte – 3 februari 2011 Regeringsreactie op het adviesrapport «Aan het buitenland gehecht» van de

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – 32 635, nr. 1.

X Noot
15

Brief regering – minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal – 8 april 2011

Modernisering Nederlandse diplomatie – 32 734, nr. 1.

X Noot
16

Refererend naar motie Peters Kamerstuk 32 735 V, nr. 15.

X Noot
17

Kamerbrief 22 054, nr. 165.

X Noot
18

Kamerbrief 29 237, nr. 136.

X Noot
19

Samenwerking is ook van toepassing bij operationele doelstellingen 2.3, 2.4 en 2.5

X Noot
20

Staat van de Unie 2010–2011, Kamerstuk 35 502, nr. 1.

X Noot
21

Kamerstuk 32 502, nr. 3.

X Noot
22

Kamerstuk 32 502, nr. 3

X Noot
23

Kamerstuk 21 501-20 nr. 529.

X Noot
24

Deelnemers zijn Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije.

X Noot
25

Deelnemers zijn Estland, Letland en Litouwen.

X Noot
26

In lijn met motie Ferrier 32 500 V, nr. 36.

X Noot
27

Zoals opgenomen in de basisbrief Ontwikkelingssamenwerking Kamerstuk 32 500 V, nr. 15.

X Noot
28

Regeringsreactie op het WRR-rapport: Minder pretentie, meer ambitie (32 605, nr. 1).

X Noot
29

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/06/24/buitenlandse-markten-nederlandse-kansen.html

X Noot
30

Kamerstuk 32 500 V, nr. 15.

X Noot
31

Kamerstuk 32 605, nr. 2.

X Noot
32

Kamerstuk 32 734, nr. 1.

X Noot
33

Lesbian, Gay, Bisexual and Transgender.

X Noot
34

Zie ook brief aan Tweede Kamer kenmerk AMBA-12/2011van 18 april 2011.

X Noot
35

Zoals opgenomen in de Basisbrief en Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking.

X Noot
36

In lijn met motie van der Staaij 32 500 V, nr. 49.

X Noot
37

De Water Mondiaal landen zijn Bangladesh, Egypte, Indonesië, Mozambique en Vietnam. De partnerlanden waar op water zal worden geïntensiveerd zijn Benin, Ghana, Kenia, Mali en Zuid-Soedan.

X Noot
38

Zo ondersteunt Nederland de toegang tot efficiëntere vormen van energie via UNF en activiteiten van de Global Alliance for Clean Cookstoves.

X Noot
42

Zie ook brief Tweede Kamer 2010–2011 Kamerstuk 30 573, nr. 74.

X Noot
43

Kamerbrief inzake consulaire dienstverlening van 30 juni 2011 met kenmerk DCM-024/2011

XNoot
*

Kamerbrief inzake Consulaire dienstverlening doorgelicht 2007–2010 van 30 juni 2011 met kenmerk DCM-038/2011

XNoot
*

Kamerbrief inzake Jaarlijkse rapportage over Nederlandse gedetineerden in het buitenland (motie Pechtold 32 500-V, nr. 137) van 30 juni 201, kenmerk DCM/CA-058/2011.

XNoot
*

Kamerbrief inzake Internationale Migratie en Ontwikkeling van 10 juni 2011 Kamerstuk 30 573, nr. 74.

X Noot
47

Nota Meer dan kwaliteit: een nieuwe visie op cultuurbeleid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011 32 820.

X Noot
48

Dit topteam brengt advies uit aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

X Noot
49

Zie Kamerstuk 32 502 nr. 18.

X Noot
51

Toezegging van de minister tijdens het AO modernisering Nederlandse diplomatie (31-05-2011)

Naar boven