31 239 Stimulering duurzame energieproductie

Nr. 126 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 november 2011

Op 6 juni 2011 heb ik de brief van uw vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie inzake de notitie «knelpunten biogas Nederland» van Biogas Branche Organisatie, d.d. 17 mei 2011, ontvangen. De knelpunten die u naar voren brengt, zijn bekend en op een groot aantal van deze knelpunten zijn al acties gaande, zoals ook aangegeven in de brief aan uw Kamer inzake openstelling SDE+ in 2012, d.d. 3 november 2011 (Kamerstuk 31 239, nr. 125). Hier volgt een overzicht van de huidige stand van zaken van de door u gemelde knelpunten.

Knelpunten subsidieregeling MEP/OV-MEP/SDE

Knelpunt 1: hoogte van de subsidiebedragenReactie

ECN en KEMA berekenen jaarlijks de kosten van de opwek van duurzame energie. In de SDE+ neem ik die getallen van ECN en KEMA over en stel ik deze basisbedragen open. Wel krijgen producenten de kans om voor een lager basisbedrag aan te vragen in de vrije categorie als zij met minder geld uitkunnen dan hun collega’s. Door de bedragen van ECN en KEMA over te nemen is al aan de wens van de Biogas Branche Organisatie voldaan.

Knelpunt 2: Stuwmeer van aanvragersReactie

De Biogas Branche Organisatie spreekt van een stuwmeer van aanvragers. Er zijn inderdaad veel initiatieven voor duurzame energieprojecten die klaar zijn om een subsidieaanvraag in te dienen. Dat is ook gebleken uit de grote belangstelling voor de SDE+ in 2012. In het verleden was te weinig budget voor groen gas beschikbaar; nu heeft er een inhaalslag plaatsgevonden van projecten, getuige dat 2/3 van het budget naar groen gas is gegaan. Bij meer belangstelling dan budget werd in het verleden geloot. Dat werd door de sector als oneerlijk ervaren. In de SDE+ krijgen goedkopere projecten eerder de kans om subsidie aan te vragen. Vanaf 2012 wil ik bij overtekening het resterende budget verdelen op de dag van overtekening op volgorde van basisbedrag. Kosteneffectieve projecten krijgen voorrang en het budget wordt dus eerlijker verdeeld.

Knelpunt 3: Beperkt aantal vollasturen per jaarReactie

Per categorie wordt er een maximaal aantal subsidiabele vollasturen vastgesteld. Het subsidiebedrag is berekend op basis van dit aantal vollasturen. Voor de productie daarboven heeft een producent nog wel inkomsten uit de verkoop van duurzame energie, maar krijgt hij geen subsidie meer. Als de grens zou worden verhoogd, moet de subsidie ook berekend worden op een hoger aantal vollasturen, omdat er anders sprake is van oversubsidiëring. Dat betekent dat het bedrag per geproduceerde kWh of m3 groen gas lager zal zijn. Voor de meeste installaties is het halen van het gestelde aantal vollasturen al een uitdaging en zou het verhogen van het aantal vollasturen ongunstig uitpakken.

Knelpunt 4: Restwarmte gebruik voor drogen digestaat wordt niet gestimuleerdReactie

Vanaf juli 2011 is het al mogelijk om een warmtebonus te krijgen voor het drogen van digestaat. Dit geldt niet alleen voor nieuwe installaties, maar ook voor bestaande installaties met een SDE-beschikking.

Vanaf 2012 wil ik warmte apart subsidiëren in de SDE+. Daarbij is ook het drogen van digestaat subsidiabel. Ook geef ik in de SDE+ 2012 de mogelijkheid om MEP-vergisters uit te laten breiden met een warmtebeschikking.

Knelpunt 5: Looptijd subsidieregeling, ruimte voor ondernemerschapReactie

Een subsidiebeschikking heeft een eindige looptijd. De Biogas Branche Organisatie geeft aan dat ze graag zou zien dat deze wat wordt verruimd. Vanaf 2012 wil ik het in de SDE+ mogelijk maken om eventueel te veel geproduceerde vollasturen mee te nemen naar een volgend jaar om tegenvallers te compenseren. Het maximum te subsidiëren aantal vollasturen blijft bestaan, maar daarbij mogen dus wel vollasturen uit een vorig jaar opgeteld worden. Aan het einde van de subsidieperiode wil ik de producenten nog één extra jaar geven om eventueel opgespaarde vollasturen te gebruiken. Ik wil het tevens mogelijk maken voor bestaande projecten met een SDE-beschikking om subsidiabele productie die met ingang van 2012 wordt gemist mee te nemen naar een volgend jaar.

MEP-vergisters kunnen vanaf 2012 in de SDE+ subsidie aanvragen voor een verlengde levensduur.

Knelpunt 6: Nieuwe subsidieregeling geldt niet voor bestaande installatiesReactie

De SDE+ regeling staat niet open voor installaties die al een subsidiebeschikking hebben uit de MEP, SDE of een eerder jaar van de SDE+. Als ik projecten die al een beschikking hebben gekregen, laat aanvragen in de SDE+, gaat dat ten koste van de bestedingsruimte voor nieuwe projecten die nog geen subsidiebeschikking hebben. Bij iedere subsidieregeling geldt dat men op basis van de vooraf gestelde voorwaarden en subsidiebedragen een afweging moet maken of een project daarmee gerealiseerd kan worden. Zoals ook van producenten met een MEP- of SDE-beschikking verwacht werd, vraag ik ook van nieuwe projecten in de SDE+ dat ze vooraf goed bekijken of het aangevraagde subsidiebedrag voldoende is om het project te realiseren.

Knelpunt 7: Een aangepaste subsidiemogelijkheid voor installaties waarvan de beschikking is afgelopenReactie

De Biogas Branche Organisatie pleit voor subsidie voor installaties die aan het einde van hun subsidieperiode zijn gekomen en nog door kunnen draaien. Vanaf 2012 wil ik in de SDE+ inderdaad een categorie openstellen voor de verlengde levensduur van biomassainstallaties. Voor biomassaprojecten zijn de variabele kosten (de aankoop van biomassa) dusdanig hoog dat nog een kleine subsidie nodig is om de projecten door te laten draaien.

Knelpunten Bijlage AA Uitvoeringsregeling MeststoffenwetReactie

Voor een reactie op de knelpunten verwijs ik u naar een eerder verzonden brief over hetzelfde onderwerp (Kamerstukken II, 2010–2011, 28 385, nr. 210).

Knelpunten digestaat

Knelpunt 1. Digestaat vergroot hoeveelheid mest

Knelpunt 2. Input mest en co-producten afgestemd outputReactie

Co-vergiste mest dat bestaat uit tenminste 50% uitwerpselen van dieren, met één of meer van de producten van bijlage Aa onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, wordt in zijn geheel beschouwd als dierlijke mest. Dit houdt verband met de ruime definitie van «dierlijke meststoffen» in de Meststoffenwet, zoals deze uit de Nitraatrichtlijn (91/676 EEG) voortvloeit. Op grond van die definitie valt een product, zodra het, in welk aandeel dan ook, dierlijke meststoffen bevat, in zijn geheel onder het begrip «dierlijke meststoffen».

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

Naar boven