Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Regels inzake het aanhouden van voorraden aardolieproducten (Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001) (27170).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Voorzitter! Ik zal proberen mijn bijdrage in tweede termijn zo kort mogelijk te houden. Misschien lukt dat niet helemaal...

De voorzitter:

We hebben de hele avond voor ons!

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

In eerste termijn hebben wij een aantal kernaspecten behoorlijk uitvoerig behandeld. Ik dank de minister voor de uitvoerige wijze waarop zij is ingegaan op de zorgen die bij de Kamer over dit wetsvoorstel leven. Daarbij gaat het vooral om het ticketsysteem en het nationaal en internationaal toezicht.

Ik meen dat ik duidelijk heb gemaakt dat mijn fractie hecht aan de ontwikkeling van een meer fundamentele visie op de internationale oliemarkt, met het doel om een stabiele samenwerking te bevorderen tussen de OPEC-landen en de rest van de wereld. Ons inziens kan de EU in dit geheel een actieve rol spelen. Ik heb de minister gevraagd om de Kamer het standpunt van de Nederlandse regering met betrekking tot het voorliggende Europese document inzake de olievoorziening van de EU toe te zenden. Zij sprak in dit verband over het Groenboek energievoorziening van de Commissie. Natuurlijk zullen wij het ook daarover moeten hebben; dat hebben wij afgesproken naar aanleiding van moties die ik heb ingediend bij de behandeling van de Gaswet. Daarnaast blijf ik vasthouden aan een afzonderlijke bespreking van het document over de olie. In het genoemde groenboek komen veel onderwerpen aan de orde en de kans is bepaald niet klein dat daarbij het onderwerp olie wat ondergesneeuwd raakt. Ik vraag de minister dan ook, op afzienbare tijd een aparte reactie op dat document aan de Kamer toe te zenden.

De minister heeft een heldere toelichting gegeven op het functioneren van het ticketsysteem. Ik heb er goede nota van genomen dat zij dit systeem garandeert als een instrument om op een zo goedkoop mogelijke manier te voldoen aan de verplichting betreffende het aanhouden van voorraden. Zij heeft voorts aangegeven dat het daadwerkelijk zal gaan om fysiek aanwezige voorraden. Niettemin zijn mijn aarzelingen nog niet geheel weggenomen. Zij betreffen niet zozeer de toepassing van het systeem in vredestijd maar meer de toepassing in crisissituaties. In dergelijke situaties wil iedereen voor zichzelf optimale zekerheden creëren, of het nu gaat om de markt, het bedrijfsleven of de overheid. Echter, het is de overheid die voor haar burgers het algemeen belang moet dienen.

Toen ik mij in eerste termijn samen met de minister probeerde voor te stellen hoe een en ander concreet in zijn werk zou kunnen gaan in crisissituaties – binnen een bepaalde tijd moet men de olie hebben op de plaats waar daaraan de grootste behoefte bestaat – vroeg ik mij af of het ticketsysteem en de daarmee gepaard gaande flexibiliteit volstrekt beheersbaar zouden blijven. De minister gaf aan dat dan vanzelf de markt zijn werk zou doen via swaps en misschien nog wat andere instrumenten, maar daar kan ik me niet zo verschrikkelijk veel bij voorstellen, want er kan sprake zijn van volstrekt tegengestelde belangen. Ook de complexiteit van de hele opslaginfrastructuur speelt daarbij een rol. Ik ben erg nieuwsgierig wat de indieners van het amendement op stuk nr. 8 gaan doen. Ik hoop dat de minister nog iets kan zeggen ter ondersteuning van mijn stelling dat daarmee toch eigenlijk de kern uit het wetsvoorstel zou worden gehaald.

Het lijkt mij in ieder geval wel nuttig dat de minister zo spoedig mogelijk het rapport dat PA-consultants voor EZ/COVA heeft opgesteld, aan de Kamer toezendt. Mag ik ervan uitgaan dat zij dit zal doen? Ik herhaal ook de vraag of er nu al Nederlandse voorraden zowel verticket als onder sale voor een bank zijn. Dit heeft allemaal te maken met de garanties die er zijn om het ticketsysteem zo goed mogelijk te laten functioneren.

Het is voor mijn fractie overigens volstrekt duidelijk dat toezicht in het algemeen heel belangrijk is, maar voor het welslagen van ticketsysteem zelfs doorslaggevend. Ik dank de minister dan ook voor haar positieve reactie op mijn verzoek om heel hard te gaan werken aan een Europees toezichtorgaan. Maar juist omdat men bij het Internationale energieagentschap de Handelingen over deze discussie heel goed zal lezen, lijkt het mij van belang om een motie op dit punt in te dienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat het ministerie van Economische Zaken zelf toezicht houdt op de naleving van de Wet voorraadvorming aardolieproducten;

overwegende, dat reserveringen op aardolie ook in het buitenland kunnen worden gemaakt;

overwegende, dat het toezicht daar niet door het ministerie van Economische Zaken wordt uitgevoerd, maar door buitenlandse toezichthoudende instanties;

overwegende, dat twijfel gerezen is aan de kwaliteit en de doeltreffendheid van het buitenlandse toezicht;

van oordeel, dat het wenselijk zou zijn om in Europees verband te komen tot meer samenwerking op dit punt in de vorm van een Europees toezichthoudend orgaan;

verzoekt de regering de totstandkoming van een dergelijk Europees toezichthoudend orgaan te bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Witteveen-Hevinga, Blaauw, Van Walsem en Van den Akker. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (27170).

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Voorzitter! Wat het amendement op stuk nr. 9 betreft, ik ga ervan uit dat de heer Blaauw er nog nader op zal ingaan, maar mijn indruk is dat de meerderheid van de Kamer en de minister eigenlijk hetzelfde doel nastreven, namelijk het voorkomen van een situatie waarin relatief kleine oliehandelaren verplicht worden om een grotere voorraad aan te houden dan hun eigenlijke werkvoorraad. Alleen over de manier waarop dit verwerkelijkt zou moeten worden, zijn er verschillen van inzicht. De minister heeft een brief toegezegd waarin een en ander zal worden vastgelegd. Zij heeft ook de bereidheid getoond om in knelsituaties een soort uitzonderingsclausule toe te passen. Wanneer kan deze brief Witteveen-Hevingaverwacht worden?

Gelet op het argument van de minister dat aanneming van het amendement op stuk nr. 10 in strijd zou zijn met internationale verplichtingen, overweeg ik om dit amendement in te trekken.

De heer Blaauw (VVD):

Overweegt u het amendement in te trekken of trekt u het in?

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Ik overweeg het.

De heer Blaauw (VVD):

Dan blijft het hangen.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Als ik het intrek, doe ik dat uiteraard nog vóór de stemmingen. Het gaat om een heel ingewikkelde materie, dat zult u toch ook niet ontkennen, mijnheer Blaauw. Wij hebben behoorlijk diep gegraven in de materie. Wij hebben erover nagedacht hoe je de problemen van de voorzieningszekerheid zo goed mogelijk kunt aanpakken en hoe het ticketsysteem zo gaat functioneren als wij graag willen. Deze amendementen zijn in die onderlinge samenhang te beschouwen. Ik wil dat nog eens goed op mij laten inwerken. Ik zeg nogmaals dat de minister argumenten heeft aangedragen die wel reëel zijn.

De heer Blaauw (VVD):

U wilt dus nog nieuwe argumenten van de minister horen voordat u tot finale besluitvorming komt?

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Nee, ik wil er zelf nog even goed over nadenken. Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 11.

Het amendement op stuk nr. 12 gaat over het tegengaan van speculatie. De minister verwees naar de Distributiewet. Ik twijfel echter aan de toereikendheid van de Distributiewet, die uit 1939 stamt. De Distributiewet kent een algemeen karakter. Zij is niet specifiek op een oliecrisis gericht. Daarom lijkt het ons toch goed om juist in deze wet zelf antispeculatiebepalingen op te nemen. Ik overweeg dan ook, dit amendement wel in stemming te brengen. Dat geldt ook voor de volgende motie die ik aan de Kamer voorleg.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de beoogde aanpassing van de systematiek van de voorraadverplichting volgens de memorie van toelichting in een tijdsbestek van 5 tot 7 jaar een kostendaling van 50 mln. op zou kunnen leveren;

overwegende, dat het bedrag van de kostendaling gebruikt zou moeten worden om de voorraadheffing te verlagen;

overwegende, dat het kostenvoordeel uiteindelijk bij de consument terecht zou moeten komen;

van oordeel, dat het kostenvoordeel bij de consument nauwelijks merkbaar zal zijn en dat in het verleden gebleken is dat niet uit te sluiten is dat vergelijkbare kostenvoordelen niet bij de consument terechtkomen, maar toegevoegd worden aan de contributiemarge;

van mening, dat de conventionele energievoorziening zou moeten bijdragen aan de overgang naar een duurzame energievoorziening;

verzoekt de regering om de voorraadheffing niet te verlagen, maar de eventuele kostenvoordelen...

Ik zie dat ik de verkeerde motie bij mij heb. Ik heb de goede tekst nu niet voorhanden. Het verzoek aan de regering is om de voordelen ten goede te laten komen aan maatregelen ten behoeve van energiebesparing en duurzame energie.

De voorzitter:

Het lijkt mij het meest praktische dat u aan het einde van de tweede termijn van de Kamer nog even terugkomt met de goede motie.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Dat zal ik doen. Dit is mij nog nooit overkomen.

De voorzitter:

Geeft niks, want ik zei al dat wij de hele avond de tijd hebben.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Voorzitter! Over de gedachte die de fractie van de Partij van de Arbeid naar voren heeft gebracht, zei de minister dat er eigenlijk geld genoeg is. Wij denken dat bijvoorbeeld alleen al de verdere ontwikkeling en toepassing van de brandstofcel in de autosector de 50 mln. kan gebruiken.

Ten slotte dank ik de minister voor de steun aan het amendement op stuk nr. 13, waarin een breed evaluatieartikel wordt geregeld.

De heer Blaauw (VVD):

Voorzitter! Wanneer een bewindspersoon hier in dit huis zegt "jullie moeten opschieten, want anders loopt het verkeerd, omdat ik de zaak vóór 1 april moet regelen in verband met de statistieken", dan word ik toch wat dwarsig. Wij bepalen in dit huis trajecten. Als het om bepaalde redenen niet lukt om per 1 april iets te regelen, dan is het "pech gehad". Dan hadden wij andere wetgeving moeten plegen. De Kamer kan echter nooit onder druk gezet worden omdat iets per 1 april geregeld moet worden in verband met de statistieken. Dit is een opmerking die misschien niet helemaal in het debat hoort, maar ik maak haar toch als de minister zo'n argument gebruikt, want ik heb andere bewindspersonen op andere momenten dezelfde soort drukmiddelen bij zeer zware dingen horen gebruiken. Dat gooien wij nu opzij, wij zijn nu allemaal vriendelijk voor elkaar en wij gaan inhoudelijk in op het onderwerp.

De minister heeft ons op vele punten nader ingelicht. Dat is het grote voordeel van een debat. Dat is ook het grote voordeel van een debat in de Kamer ten opzichte van briefings vooraf met ambtenaren. Vaak kennen die een andere benadering dan het debat hier ter plekke. Wij hebben een zwaar element in het debat gehad met twee amendementen. Ik denk dat wij ons daarop moeten concentreren.

Het eerste amendement is dat van de heer Van den Akker en mij over 90% vast en 10% in de vrije ruimte met tickets. De minister heeft mij een heel eind overtuigd. Ik heb er uiteraard met de heer Van den Akker over gesproken. Ik wil de minister de ruimte geven en haar niet vastleggen op datgene wat nu in het amendement staat. Voorzitter! U bent hier bijna net zo lang als ik. Ik denk dat ik niet eerder de ondertekening onder een amendement heb teruggetrokken, maar ik doe het nu wel. Ik heb van de minister begrepen dat zij ertoe bereid is, de Tweede Kamer per jaar een overzicht te geven van de ticketing, die immers nationaal en internationaal gemeld moet worden bij Economische Zaken. Deze toezegging wil ik van de minister hebben. Met dat overzicht is te analyseren in hoeverre de strategische aardolievoorraad is gebaseerd op solide feiten. Ik kom dan weer op mijn verhaal dat Nederland ticket in België, dat België hierdoor ruimte heeft en zijn olie ticket in Spanje, dat Spanje zijn olie vervolgens ticket in Marokko. Op een gegeven moment wordt er in Marokko een kruis gezet en zitten wij allemaal met fouten. Met die toezegging van de minister trek ik mijn handtekening terug onder het amendement op stuk nummer 8.

De voorzitter:

Dat betekent dat er een tweede herdruk van het amendement op stuk nummer 8 komt, met een tweede wijziging in de ondertekening.

De heer Van den Akker (CDA):

Het is natuurlijk mooi als de minister toezegt dat zij elk jaar of elke twee jaar naar de Kamer zal komen om uit te leggen hoe het precies zit en hoe het controlesysteem werkt. Wat is er echter inhoudelijk veranderd dat de heer Blaauw ertoe heeft doen besluiten, zijn handtekening onder het amendement weg te trekken? Strategische voorraden worden natuurlijk niet gebouwd voor normale tijden, maar voor tijden van crisis, en hij kan niet weten hoe een en ander uitpakt in tijden van crisis. Zoals in het voorbeeld dat hij zelf gaf, kan ergens een tekort ontstaan als een land in de keten zich niet aan zijn verplichtingen houdt.

De heer Blaauw (VVD):

U heeft helemaal gelijk. Dat blijft mijn zorg. Wel is het zo dat de crisis niet iedere twee weken optreedt en voorts is het een nieuwe systematiek, hoewel de minister in het debat zei dat andere landen dat ticketingsysteem wel hebben. Wij hebben dit echter niet of hoogstens een beetje, maar niet wat betreft dit element van strategische voorraadvorming van aardolieproducten. Ik wil de ruimte geven om dit nader te kunnen aanschouwen. Ik heb daarbij een gevoel van: zit dat allemaal wel goed? U komt uit het bedrijfsleven en weet dat het bedrijfsleven gewoon geld wil maken. Dan kom je precies op het systeem waarover ik sprak. U kunt een ticket kopen voor driekwart dollar, een halve dollar enz., maar de vraag is: wat voor een windhandel kan daar in zitten?

Nu, die windhandel zit er misschien niet in, maar ik wil dan wel graag het volgende van de minister weten. Daarbij gaat het om de essentie, niet alleen nationaal, maar ook internationaal. Ik neem althans aan dat zij beschikt over de ingangen om in de Europese Unie te vragen aan onze medelidstaten: hoe doet u dat in Spanje? Hoe zit dat precies? Wat dat betreft steun ik ook de benadering van mevrouw Witteveen in de zin van een Europees controlemechanisme. Daar vaar ik op en vandaar dat ik het nu laat lopen, maar wij kunnen terugkomen. Dat is een ander punt: wij zijn nooit buiten het circuit; wij kunnen altijd terugkeren in het systeem.

De heer Van Walsem (D66):

Voorzitter! Ik heb in eerste termijn de heer Blaauw al gevraagd of het wel zo verstandig was dat zijn handtekening eronder stond. Hij heeft de woorden die de minister in eerste termijn sprak, gewogen en inderdaad gedacht dat hij hem beter kan weghalen. Immers, de heer Van den Akker blijkt vol te houden. Ik ben het er van harte mee eens dat de heer Blaauw zijn handtekening weghaalt en wel om de volgende redenen: 1. de ticketing betreft alleen maar landen binnen de Europese Unie; 2. daar moet dan bovendien nog een bilateraal verdrag mee zijn gesloten; 3. de voorraad op ticket moet fysiek aanwezig is. Ten vierde hoort daar nog een monitoringsysteem bij dat de minister, zo neem ik aan, straks zal toezeggen. Op grond van die vier elementen, mijnheer Blaauw, kunnen u en ik zeggen dat we zonder het amendement verder kunnen gaan.

De heer Blaauw (VVD):

Het ligt zelfs een beetje bruiner, denk ik, om de kleur van de "main product item" te volgen. Bilateraal "ja", maar dat zijn dan maar drie landen. In de Europese Unie zijn er zes andere landen. Echter, wie garandeert mij dat een ander EU-land niet een bilateraal verdrag daarbuiten afsluit? Ik wil gaarne weten, in het bijzonder met betrekking tot de komende jaren, hoe dat spel zich verder ontwikkelt. Ik heb "uiteraard" alle vertrouwen in onze collega-lidstaten in de Europese Unie en de minister verschaft ons ieder jaar een duidelijk beeld over hoe het loopt. Thans loopt het nog niet zo moeizaam, want er zijn maar drie landen waar wij bilaterale verdragen mee hebben. Het ticketingsysteem kan dus niet verder gaan dan die drie landen, maar de minister praat wel met zes andere. Ik wil graag van de minister weten welke andere landen met die zes landen praten. Krijg je dan op een gegeven ogenblik een keten opgebouwd, waarbij een systeem gecreëerd wordt dat toch buiten ons gezichtsveld komt? Ik vind dat wij als Kamer er belang bij hebben om te weten in hoeverre wij zicht kunnen hebben op de strategische voorraadvorming in Nederland met het oog op de behoeften.

Voorzitter! Ik kom bij het volgende harde punt – want we zitten in het afronden van een aantal punten – en dat is mijn eigen amendement op stuk nr. 9. Wij hebben er in eerste termijn heel indringend over gediscussieerd met de minister. Ik heb toch het gevoel dat wij naast elkaar hebben geopereerd. In het debat heb ik tot drie keer toe geïnterrumpeerd en gevraagd hoe het nu precies zit. Nalezend wat wij in eerste termijn allemaal hebben bediscussieerd, kom ik tot de volgende conclusie. De minister is bereid om nader te kijken naar de basislijn van 50.000 ton. Die kan worden opgehoogd naar 100.000 ton. Zij staat er positief tegenover. Over de gedachtegang in de samenleving – dan bedoel ik niet Jan-Piet om de hoek die citroenen verkoopt, maar de bedrijven in deze sector – zegt zij dat het niet gaat om die vaste 16 2/3 dagen, maar dat zij in haar AMvB zal insteken op datgene wat in het verleden al normaal was voor de bedrijven. Dat was hun werkvoorraad zonder dat er een verplichting was. Met andere woorden, het is geen verplichting; zij hebben het toch al. Alleen krijgen zij nu de verplichting om niet onder hun normale economic level te komen. Dat vind ik een interessante benadering. Heel belangrijk is dat, voordat hun verplichting gaat gelden, eerst een aftrek van 50.000 en mogelijk 100.000 ton geldt. Als de minister dat zo kan verwoorden, vind ik dat heel knap. Daarom wilde ik twee AMvB's hebben waarin het veel simpeler wordt gezegd: je hebt die ene club en je hebt die andere club. Als zij dat denkt te kunnen verwerken in een AMvB, waarom zouden wij daartegen zijn? Maar goed, zij heeft problemen met de voorhang.

Dan kom ik op mijn opmerking over 1 april, etc. Ik heb begrepen – dat fluisterde iemand in mijn oor toen ik toevallig op weg was naar huis; ik weet niet of dat de minister was – dat wij dat op papier krijgen. Dat is wat anders dan wat nu bekend is in de sector. Daaraan kun je niet anders dan toegeven. Zoveel toezeggingen kan ik niet anders dan accepteren. Daarom trek ik het amendement op stuk nr. 9 in en wacht ik af waarmee de minister komt.

De voorzitter:

Aangezien het amendement-Blaauw c.s. (stuk nr. 9) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Blaauw (VVD):

Daarmee hebben wij waarschijnlijk dat probleem opgelost. Zo niet, dan heeft de Kamer altijd het recht om de minister terug te roepen. Ik hoef ook het debat in de Eerste Kamer niet af te wachten, want daar houd ik niet van. Wij bepalen hier hoe het loopt. Ik heb de indruk dat de minister dit punt goed zal invullen.

De heer Van Walsem (D66):

Voorzitter! Ik ben uiteraard onder de indruk van het betoog van de heer Blaauw, die dat haarfijn heeft ontrafeld. Hij heeft het nu begrepen, maar volgens mij heeft de minister het altijd al zo bedoeld.

De heer Blaauw (VVD):

Dat is dus het probleem. Daarmee geef ik u chapeau, want u heeft het dus altijd begrepen, maar met mij duizenden anderen niet. Die hebben allerlei berichten afgegeven. Dat volg ik dan maar, zo denk ik dan; ik zal het toch niet goed hebben begrepen. Ik ben zeer verheugd dat u het in uw eentje altijd heeft geweten. Het is nu opgeklaard.

De heer Van den Akker (CDA):

Voorzitter! Ik dank de minister voor de beantwoording in eerste termijn. Mijn fractie is niet overtuigd van haar argumenten waar het gaat om de hoogte van de strategische voorraden, het ticketsysteem en de besparing die ermee kan worden gerealiseerd.

Het argument van de minister dat de hoogte van de voorraden is gebaseerd op een internationale afspraak, geloof ik graag, maar er zijn veel internationale afspraken waarbij Nederland zichzelf een andere taak oplegt – in de EU heet dat subsidiariteit – zolang die maar niet onder de internationale verplichting uitkomt. Gezien de energie-intensieve economie in ons land, is het aantal van ongeveer 115 dagen geen overbodige luxe. Ik zie ook niet in wat er zodanig wezenlijk veranderd is in de wereld om je te baseren op een veel lagere voorraad of een ander systeem.

Op het belang van de strategische voorraden hebben alle fracties gewezen. De overheid heeft met het aanhouden van strategische voorraden naar mijn mening een duidelijke nutsfunctie te vervullen. Zij heeft te garanderen dat wanneer een crisis uitbreekt, wij het een behoorlijke tijd kunnen uitzingen met de strategische voorraden. Het verlagen van de hoogte daarvan in combinatie met een ticketsysteem vindt mijn fractie dan ook te riskant. De gemiddelde strategische voorraden in de afgelopen tien jaar bedroegen ongeveer 115 dagen. Mijn fractie zou dat niveau dan ook willen handhaven.

Ik vergelijk het maar met een verzekering van een huis. Je kunt een huis voor een lager bedrag verzekeren dan de waarde van dat huis, waardoor je tegen jezelf kunt zeggen dat je een leuke besparing hebt gerealiseerd omdat je minder premie behoeft te betalen. Het probleem doet zich echter voor bij een brand of iets dergelijks. Zo ook met de strategische voorraden wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een crisis of een olieboycot. Dat is dan ook de reden waarom die voorraden op een voldoende peil moeten zijn, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet nodig omdat we 25 jaar geen crisis of iets dergelijks hebben gehad. Het moge dan ook duidelijk zijn dat mijn fractie het amendement op stuk nr. 14 handhaaft.

Zoals aangegeven, geloven wij ook niet in een ticketsysteem, omdat het fraudegevoelig is. Voorraden veranderen continu van eigenaar. Vergelijk het maar met de verhandelbaarheid van oude metalen, waarmee ik zelf enige ervaring heb. Het vereist ook een zeer stringent controlesysteem, zo dat al te organiseren is. Het zou wellicht in normale tijden nog wel kunnen werken, maar daarvoor worden strategische voorraden niet opgebouwd. Niemand in dit huis kan bewijzen dat het ticketsysteem crisisproef is. Daarom wil ik ook ons amendement op stuk nr. 8 handhaven.

Wat betreft de kosten en de besparingen heeft de minister mij helemaal niet overtuigd.

De heer Van Walsem (D66):

Volgens mij klopt uw redenering niet. Als wij een ticket uitschrijven op een gedeelte van een olievoorraad in een ander land waarmee wij een bilateraal verdrag hebben, dan moet die voorraad fysiek daar zijn. Dat kan ook gecontroleerd worden. Je moet enig vertrouwen hebben in je Europese partners dat zij ook leveren in een tijd van crisis. Anders moeten alle voorraden in Nederland liggen. Ik ben het ermee eens dat de fysieke aanwezigheid gecontroleerd moet worden. Als dat gebeurt, zie ik niet de gevaren die u ziet.

De heer Van den Akker (CDA):

Het is een inschatting. Ik ben het geheel met u eens dat een goed controlesysteem noodzakelijk is. Als dat goed geregeld is, moet het ook werken. Ik woonde echter tijdens de olieboycot in 1975, die ons land en de Verenigde Staten trof, in Amerika. Ik heb de consequenties daarvan gezien. Om die reden ben ik ook zo bezorgd. In een tijd van crisis gelden er geheel andere wetten. Er is geen marktwerking meer. Het klopt dat er, als iedereen zich aan de afspraken houdt, niets mis kan gaan. Er is ook afgesproken dat er op de snelweg niet harder dan 100 of 120 km gereden mag worden. Daar houdt ook niet iedereen zich aan. Internationaal doet een en ander zich ook voor. In 1975 was er een Europese Gemeenschap en toen is het ook niet geheel perfect gelopen.

De heer Van Walsem (D66):

Wij hadden olie genoeg.

De heer Van den Akker (CDA):

Prima, maar op basis van het ticketsysteem kunt u niet garanderen dat de olie fysiek hier ligt. Als iedereen tickets in het buitenland koopt, kan er wel eens te weinig fysieke voorraad in Nederland aanwezig zijn. Ik zie niet in waarom dat niet mogelijk is.

De heer Blaauw (VVD):

Het ticketsysteem wordt al dan niet fysiek ondersteund. Ik heb in eerste termijn al aangegeven dat ik daarbij enige vraagtekens plaats. Ik dacht dat ik overtuigd was, maar ik ga nu weer twijfelen. De minister moet hierover duidelijkheid geven, want als een ticketsysteem ook maar enige aanleiding kan geven tot windhandel, is het oneigenlijk. In eerste termijn sprak de minister over een econo misch delict, want dan wordt de samenleving belazerd.

De heer Van den Akker (CDA):

Inderdaad, want de wet wordt dan overtreden. De minister zou kunnen toezeggen, jaarlijks of tweejaarlijks in een rapportage inzicht te verschaffen in de verschuivingen van de voorraden en aan te geven of iedereen aan zijn verplichtingen voldoet. Ik wil daar echter nu niet op inzetten. Het is geen eenentwintigen, waarbij ik eerst moet inzetten voordat ik mijn volgende kaart te zien krijg. Laten wij eerst inzicht krijgen voordat wordt ingezet op een nieuw systeem waarvan niemand de uitkomst weet, zeker niet in crisistijd. Op dit punt is er een verschil van opvatting en inschatting.

Voorzitter! De minister spreekt over besparingen. Zij gelooft niet dat de tickets 3,5 tot 5 en zelfs 6 dollar hebben gekost. Naar haar mening zou eerdere inwerkingtreding van het wetsvoorstel geen verschil hebben uitgemaakt in de kosten, ook niet op basis van de huidige kennis. Ik ben daar geheel niet van overtuigd. Ik zou dan wel eens een berekening willen zien. Zij heeft mij niet van mening doen veranderen. Het maakt wezenlijk verschil uit of er, zoals in de memorie van toelichting, sprake is van een bedrag van ƒ 25 of van 3,5 tot 5 dollar.

De minister stapt veel te gemakkelijk over de waarschuwingen heen die worden geuit door mevrouw Van der Linden van Clingendael, de zorgen van de secretaris-generaal in zijn rapport aan de Europese Commissie, de heer Fransen, topambtenaar bij het Internationale energieagentschap, de heer Huggins, hoofd planning van Emergency stocks van het Internationale energieagentschap, van PA consultancy en anderen. Zij zijn niet de eersten de besten. Daarom zou ik graag van de minister horen waarom zij het allemaal bij het verkeerde eind hebben.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Dan zou ik wel eens van de heer Van den Akker willen horen, waarom degenen die zo veel bezwaren hebben tegen het Nederlandse systeem dat niet kenbaar maken aan de Nederlandse regering! Die heeft in eerste instantie dit wetsvoorstel gemaakt. De minister heeft duidelijk gezegd dat hetgeen de heer Van den Akker naar voren brengt, niet aan de orde is geweest. Als het allemaal zo verschrikkelijk zorgwekkend zou zijn, dan moet men dat volgens mij deponeren op de plaats waar dat hoort. Men moet dan niet als mosterd na de maaltijd, terwijl wij het wetsontwerp behandelen, publicaties plaatsen. Het wetsvoorstel is al in mei 2000 bij de Kamer ingediend. Hoe verklaart de heer Van den Akker dat?

De heer Van den Akker (CDA):

Mevrouw Witteveen stelt deze vraag aan de verkeerde persoon. Zij moet dat aan die mensen zelf vragen.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Nee, ik had dezelfde zorgen als de heer Van den Akker. Ik heb daar vragen over gesteld aan de minister. Nu vraag ik de heer Van den Akker gewoon hoe hij verklaart dat her en der dergelijke geluiden worden gehoord, maar dat zij niet kenbaar worden gemaakt aan de Nederlandse regering. Die is toch de eerstverantwoordelijke voor dit wetsvoorstel? Ik vind dat vreemd.

De heer Van den Akker (CDA):

Zij bewandelen mijns inziens de juiste route. Zij gaan naar de Kamerleden die uiteindelijk beslissen over het wetsontwerp. Zo is een aantal van hen ook bij mij gekomen. Zij hebben mij gebeld of stukken toegestuurd. Verschillenden van hen heb ik gesproken. De topambtenaar van de Europese Commissie heeft zijn zorgen via die kanalen kenbaar gemaakt. Op die manier heeft de Nederlandse regering daarvan kennis kunnen nemen. Waarom zij niet naar de minister zijn gegaan, moet mevrouw Hevinga hun vragen. Mij hebben zij wel ingelicht. Ik heb er ook naar gevraagd. Ik ben ook zelf op pad gegaan.

De heer Van Walsem (D66):

Voorzitter! De beoogde winst van dit wetsvoorstel is, zoals ik in mijn eerste termijn al heb gezegd, de flexibilisering, de mogelijke verlaging van de kansen en aanzienlijke vermindering van administratieve lasten alleen al door een ondergrens van 50.000 ton of meer. Dat laatste zou ik overigens met vreugde begroeten. Het gevolg is dat van een paar honderd handelaren er slechts 20 of minder voor deze regeling in aanmerking komen. Ik vind dat positief. De flexibilisering heeft te maken met de toegenomen technische kennis. Toepassing van IT kan een goede ondersteuning zijn van de flexibiliteit. Met het ticketsysteem moet eerst nog wel ervaring worden opgedaan, maar als je uit vrees er niet aan begint, betekent dat stilstand. Mij lijkt dat niet best.

Zou de minister willen toezeggen dat dit systeem gemonitord wordt? Een jaarlijkse evaluatie van het ticketsysteem, zowel in het binnenland als in het buitenland zou ik zeer op prijs stellen. Wij gaan met verstand te werk. Als dit nieuwe systeem per 1 april van start gaat, is dat ook niet meteen voor 80%. Je begint waarschijnlijk kalm.

Ik ben van mening dat de kosten op een rechtvaardige manier worden verdeel over de opslagbedrijven, de handelaren en de productiebedrijven. Ik zal dan ook voor het wetsvoorstel stemmen. Het amendement van de heer Van den Akker zal ik niet steunen. Ik neem aan dat zijn andere amendement onder nr. 9 zal worden ingetrokken.

De heer Blaauw (VVD):

We kunnen het heel erg over de techniek hebben, over monitoring etc., maar de basis van dit wetsvoorstel, dat in feite een wijziging van de huidige wet is, is verzekering van de voorziening van aardolieproducten gedurende 90 dagen. Is dat ook bij een ticketingsysteem en bij datgene wat de minister naar voren brengt, verzekerd? Dat punt is veel belangrijker dan het feit dat het flexibel en leuk is. Dat geeft het bedrijfsleven een verantwoordelijkheid die wij een beetje van ons afhouden, want wij gaan het als overheid niet alleen doen: producenten en handelaren zijn medepartij in dezen; dat geeft verantwoordelijkheid en dat willen wij een beetje in de hand houden.

De heer Van Walsem (D66):

Daar zult u als liberaal toch weinig angst voor hebben? Ik ben daar althans niet bang voor. Het feit dat de voorraadvorming conform de werkvoorraad moet zijn, gebaseerd op de cijfers van het voorgaande jaar, stelt mij alleszins tevreden. De minister heeft al gezegd dat de beste manier om die voorziening te verzekeren, bestaat uit heel goede en nauwe samenwerking met de OPEC-landen. Economische belangenverstrengeling tussen die landen en ons land, is waarschijnlijk de beste garantie. Het tweesporenbeleid dat de minister blijkbaar wil inzetten, heeft dus de steun van de fractie van D66.

De voorzitter:

Ik geef het woord nogmaals aan mevrouw Witteveen voor het indienen van haar tweede motie.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Dank u, voorzitter. Ik zal de motie snel voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de beoogde aanpassing van de systematiek van de voorraadverplichting volgens de memorie van toelichting in een tijdsbestek van 5 tot 7 jaar een kostendaling van 50 mln. op zou kunnen leveren;

overwegende, dat het bedrag van de kostendaling gebruikt zou moeten worden om de voorraadheffing te verlagen;

overwegende, dat dit kostenvoordeel uiteindelijk bij de consument terecht zou moeten komen;

van oordeel, dat het kostenvoordeel bij de consument nauwelijks merkbaar zal zijn en dat het in het verleden gebleken is dat niet uit te sluiten is dat vergelijkbare kostenvoordelen niet bij de consument terechtkomen, maar toegevoegd worden aan de contributiemarge;

van mening, dat de conventionele energievoorziening zou moeten bijdragen aan de overgang naar een duurzame energievoorziening;

verzoekt de regering om de voorraadheffing niet te verlagen, maar de eventuele kostenvoordelen ten goede te laten komen van energiebesparing en de toepassing en ontwikkeling van duurzame energie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Witteveen-Hevinga. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (27170).

De heer Blaauw (VVD):

Mevrouw Witteveen, hebt u uitgerekend hoeveel kosten de kleine consument hiermee op het punt van de groene stroom bespaart? Wij weten immers hoeveel het de automobilist gaat kosten, maar hoeveel kosten worden hiermee bespaard als het geld bijvoorbeeld photovoltaïsch wordt besteed aan groene stroom?

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Nee, dat heb ik niet uitgerekend. Als u dat interessant vindt, zou u dat aan de minister kunnen vragen. Het gaat mij om de algemene lijn: wij moeten ervoor zorgen dat wij omschakelen naar een huishouding die is gebaseerd op duurzame energie. Als er middelen vrijkomen binnen de conventionele energievoorziening, moeten wij die middelen dus in die richting sturen. Wat wel een rol speelt, is dat de mogelijke kostenbesparingen tot een benzineprijsverlaging van 0,2 tot 0,3 cent zou leiden. Dan wordt die 50 mln. dus zeer breed uitgesmeerd. Als je dat bedrag inzet voor een bepaald doel, bijvoorbeeld voor groenere brandstof, kan ik inderdaad niet zeggen hoeveel kostenbesparing dat oplevert voor de consument. Het gaat mij echter om de richting.

De heer Blaauw (VVD):

Kunnen wij, uitgaande van het feit dat er tussen automobilisten en huishoudens bijna een "1 op 1"-relatie is, de 50 mln. gebruiken om de REB op elektriciteit te verminderen? Dat vraagt u immers in feite, maar dat is nu helemaal krankzinnig.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Dat vraag ik niet. Het gaat mij om de ontwikkeling in de richting van een duurzame energiehuishouding. Daar kun je verschillende instrumenten voor gebruiken, zoals ecotaks en groene stroom. Daarover vinden ook steeds discussies plaats. Wij hebben bijvoorbeeld voorgesteld om de ecotaks flexibel te maken in relatie tot de flexibele olieprijs. Ik kan nog een paar zaken noemen die gezamenlijk tot die duurzame energiehuishouding leiden. Dat is ook de gedachte achter deze motie.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Voorzitter! Ik dank de Kamer voor haar inbreng in tweede termijn. Ik denk dat dit debat zeer zinvol is geweest. Ik moet bekennen dat ik helaas met de heer Van den Akker de indruk heb dat het debat een beetje mislukt is. Uit zijn tweede termijn maak ik op dat hij niet echt geluisterd heeft naar wat in eerste termijn gezegd is. Maar goed, daar kom ik dadelijk op terug.

Het was aardig dat de heer Van Walsem eindigde waar mevrouw Witteveen mee begon, namelijk de internationale oliemarkt. Voor ons is het ideaal om de verknoping tussen de economieën wereldwijd zo goed mogelijk tot stand te brengen. Dat is een onderwerp dat mij zeer aan het hart gaat. Dat geldt overigens niet alleen voor de oliemarkt. Wij moeten sowieso proberen om de markten wereldwijd aan elkaar te verknopen. Ik was dan ook blij met de uitspraken van de Amerikaanse regering dat wij binnenkort weer een volgende WTO-ronde krijgen, zodat wij op dat terrein voortgang boeken. De Kamer begrijpt dat de Amerikaanse regering inmiddels ook die kant op denkt. Wij gaan natuurlijk verder, zowel Europees als nationaal, met onze eigen dialoog met de olieproducerende landen. Dat is breder dan alleen OPEC. Wij hebben daar een goede institutie voor en die proberen wij ook verder te intensiveren. Mevrouw Loyola de Palacio is zeer actief bezig om daar een belangrijke rol in te spelen. Ik hoop dat ook de Amerikanen, net als in het verleden, constructief bij die dialoog betrokken blijven. Communicatie voorkomt veel meer ellende dan wij kunnen bedenken.

Mevrouw Witteveen heeft nog gevraagd of het rapport over de olievoorziening apart kan worden besproken. De Europese Commissie heeft in het Groenboek zelf de koppeling gemaakt met het oliedocument. Het lastige is dat het daardoor in het Groenboek is geïntegreerd. Ik zeg toe dat ik bij het standpunt over het Groenboek in april een zeer uitgebreid verhaal over de oliemarkt opneem, ook gebaseerd op dat papier. Dan lijkt het mij verstandig om op een apart moment te discussiëren over dat onderdeel. Ik ben in ieder geval graag bereid om dat apart te bespreken.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Er is een document van de Europese Commissie van oktober 2000. Het gaat mij om een reactie op dat document. Natuurlijk zal dat stroomlijnen met het standpunt dat de regering zal innemen over het Groenboek, waar de olie inmiddels in is geïntegreerd.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Dat papier is inmiddels geïntegreerd in het Groenboek. Daar krijgt mevrouw Witteveen dus een reactie op.

Dan heeft mevrouw Witteveen nog gevraagd of de olie op de juiste plek in het ticketsysteem komt bij een crisis. Ik hoor de heer Van den Akker de hele tijd zeggen dat je in crisistijd niet kunt kopen, maar dat klopt niet. In crisistijd verkoop je, want dat is juist de bedoeling daarvan.

De heer Van den Akker (CDA):

De minister moet niet mijn woorden verdraaien. Ik heb gevraagd hoe je over die voorraden kunt beschikken in een crisis. Ik heb niet gevraagd of ik dan tickets kan kopen, want dat is dan niet meer interessant.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Laat ik beginnen met te zeggen dat het bij een crisis altijd om internationale samenwerking gaat. Wij besluiten nooit alleen om daar iets mee te doen, want het is een internationaal systeem. Wij besluiten internationaal of wij onze crisisvoorraden inzetten. Het is dus altijd internationale samenwerking. In eerste instantie zorgen bedrijven ervoor dat de olie daar komt waar het nodig is, maar de regie ligt bij IEA en bij de lidstaten. Als de markt niet goed werkt, kunnen overheden ingrijpen en dat zal dan ook gebeuren.

Ik heb het gevoel dat er nog veel misverstanden zijn over de drempel en het percentage en hoe het precies in elkaar zit. De heer Blaauw en mevrouw Witteveen hebben daarnaar gevraagd. Het systeem leidt voor kleinere bedrijven tot een lagere voorraadplicht dan vijftien dagen. Ik geef een voorbeeld. Stel dat de drempel inderdaad op 100.000 ton wordt gelegd – ik verwacht dat dit mogelijk zal zijn – en het percentage 4 bedraagt. Alle bedrijven met minder dan 100.000 ton zijn dan vrijgesteld. Een middelgroot handelsbedrijf slaat ongeveer 200.000 ton uit. Daarvan gaat eerst de drempel van 100.000 ton af, de 4% wordt berekend over de resterende 100.000 ton. Dat bedrijft krijgt bij 4% dus een voorraadplicht van 4000 ton. Over zijn totale uitslag is dat 2% of 7 dagen. Een gemiddelde oliemaatschappij slaat 1,5 miljoen ton uit; minus de drempel is dat 1,4 miljoen ton en 4% daarvan is 56.000 voorraadplicht. Op de 1,5 miljoen ton is dat dus een voorraadplicht van 13,5 dagen. Door de combinatie van de drempel en het percentage krijg je dus automatisch een differentiatie in de dagen voorraadplicht. Dat is volgens mij wat wij beiden beoogden. Daarmee kom je uit op de gemiddelde voorraad van bedrijven. Wij zullen dat checken.

Ik ben graag bereid om jaarlijks informatie over de ticketmarkt naar de Kamer te zenden. Na dit wetsontwerp zullen wij alle reserveringen zien. Bedrijven en COVA moeten het melden als zij willen reserveren; zie artikel 11. Voor buitenlandse reserveringen moeten zij van tevoren toestemming vragen; zie artikel 26 plus de bilaterale akkoorden. Nieuw is dat voor alle reserveringen moet worden aangegeven hoe duur zij zijn; zie artikel 13. Zo krijgen wij een perfect inzicht in de kosten en de omvang van het ticketsysteem. Ik ben zeer bereid om de Kamer hiervan jaarlijks een inzicht te verschaffen. Bij zijn vraag over het internationaal inzicht wordt de heer Blaauw op zijn wenken bediend, want dit jaar doet het IEA een studie naar het internationale ticketsysteem. Overigens mag geen enkel EU-land over zijn EU-voorraden tickets afsluiten buiten EU-landen. Het laatste land in de ketting kan dus nooit een land buiten de Europese Unie zijn. De voorraad van de Europese Unie moet dus binnen de Europese Unie liggen. De zes landen waarmee ik praat zijn dan ook EU-landen.

De leden Witteveen en Blaauw vroegen of ik het rapport over de tickets van PA-consultants aan de Tweede Kamer kan sturen. Dat kan ik niet, want ik heb het niet. Ik kan het dus ook niet geven. Ik weet dat het bestaat. De directie van COVA heeft het voor zichzelf laten maken omwille van haar strategie ten aanzien van de tickets. COVA wil dit niet vrijgeven, want de aanbieders van tickets zouden daaruit zijn strategie kunnen halen. Het rapport is voor COVA dus bedrijfsvertrouwelijk en ik heb daar begrip voor. Dat rapport gaat niet dus over kritiek op het ticketsysteem, maar over de beste strategie rond de tickets; dat is het PA-advies dat COVA heeft gevraagd en heeft gekregen, dat ik niet ken en dat ik ook niet hoor te hebben.

Mevrouw Witteveen vroeg naar de mogelijkheid van het samengaan van het ticket en het schrijven van een sale bij een bank. Ik ben niet op de hoogte van het samengaan van ticket en sale. Reserveringen zijn nu alleen op voorraden in Nederland, van Nederlandse voorraadplichtigen, voor een bepaalde termijn. De sale zou geen betrekking mogen hebben op deze periode. Zijn er nu al Nederlandse voorraden geticket? Van voorraden van buitenlanders in Nederland is ongeveer 2 miljoen ton geticket. Andersom is het beperkt: op dit moment 250.000 ton in het buitenland.

De heer Van den Akker (CDA):

Voorzitter! Heeft de minister de directie van COVA gemeld dat zij geen bedrijfsgeheimen wil, maar dat het haar gaat om de kritische opmerkingen in het rapport van PA-consultants met betrekking tot ticketing?

Minister Jorritsma-Lebbink:

PA-consultants heeft een advies geschreven aan COVA over de wijze waarop met het ticketsysteem moet worden omgegaan en over de vraag wat vanuit bedrijfseconomisch oogpunt de verstandigste weg zou zijn. Daar gaat dat rapport over.

De heer Van den Akker (CDA):

Daar staan geen kritische opmerkingen in over ticketing?

Minister Jorritsma-Lebbink:

Ik zou het niet weten. Ik ken het rapport niet.

De heer Van den Akker (CDA):

Maar u zegt net wat erin staat.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Nee, het rapport gaat over de strategie. Ik ken het rapport verder niet. COVA zegt mij dat het rapport niet afgegeven kan worden, omdat het juist over de strategie gaat. Punt.

Voorzitter! Mevrouw Witteveen heeft gezegd dat zij nog wil nadenken over een aantal amendementen. Zij heeft natuurlijk het volste recht om dat te doen. Zij zou mij zeer veel plezier doen als zij ze wil intrekken, maar dat merk ik dan nog wel. Inzake het amendement op stuk nr. 12...

De heer Blaauw (VVD):

Voorzitter! Ik ben wat langzaam, maar naar aanleiding van de discussie met de heer Van den Akker heb ik nog een vraag. Wie betaalt COVA?

Minister Jorritsma-Lebbink:

Dat is het lastige. COVA wordt betaald uit de opbrengst van de heffingen. Dat is een sluitend systeem – ik kom daar dadelijk nog op in relatie tot de motie – maar COVA is wel georganiseerd als een bedrijf. COVA is nadrukkelijk niet van de overheid. Wij gaan overigens in het kader van de discussie over ZBO en Kaderwet nog eens goed bekijken hoe wij in de toekomst COVA moeten positioneren. In de wet heb ik een aantal voorzieningen opgenomen voor de ZBO-achtige kanten van COVA, maar op dit ogenblik heeft COVA nadrukkelijk een eigen verantwoordelijkheid.

De heer Blaauw (VVD):

Financieel zit u er dus wel in, maar omdat het gaat om COVA, wilt u niet weten wat daar gebeurt? Wij hebben niet de beste ervaringen met bedrijven waar de overheid zo inzit.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Sterker nog, in het bestuur van COVA zitten ook ambtenaren van Economische Zaken. Maar al zou ik dat rapport vertrouwelijk onder ogen mogen zien, dan kan ik het nog niet aan u toesturen. Het rapport gaat niet over de wet. Het is een strategisch advies van PA over de wijze waarop men moet omgaan met het ticketsysteem.

De heer Blaauw (VVD):

Ik leg gewoon neer bij de minister dat wij wederom in zo'n constructie zitten – wij hebben daar eerder over gediscussieerd – waarin ambtenaren wel in het systeem zitten, maar dat op bepaalde momenten niet gepraat kan worden over hoe de zaak loopt. Neemt zij COVA mee in de modernisering van dit soort relaties tussen de overheid en het bedrijfsleven?

Minister Jorritsma-Lebbink:

Zeker. Maar ik laat toch wel graag de situatie bestaan waarin COVA zo bedrijfsmatig mogelijk kan werken. De afstand met de politiek, en dus ook met mijzelf, moet wat dat betreft zo groot mogelijk zijn. Anderzijds moet ik natuurlijk gewoon eindverantwoordelijkheid kunnen dragen. Daarom zit op bepaalde plekken ook ambtelijke vertegenwoordiging. In het kader van de discussie over ZBO en Kaderwet moeten wij aanpassingen van wet bekijken en ons afvragen of wij het in de toekomst zo blijven doen.

Ik kom bij het amendement inzake de Distributiewet. Mevrouw Witteveen vond het een heel oude wet. Die wet is misschien wel oud, maar ook nu nog goed bruikbaar. Wij hebben daar nog een keer goed naar gekeken toen wij bezig waren met de millenniumovergang. Toen is nog eens goed op een rij gezet wat er allemaal kan en niet kan onder de Distributiewet. Wij kunnen allerlei noodmaatregelen baseren op de Distributiewet. Destijds bleken die gelukkig niet nodig te zijn, maar het kan wel degelijk. De reikwijdte van de Distributiewet – ik spreek nu over het amendement op stuk nr. 12 en over artikel 8, speculatie – is heel ruim. Maar de Distributiewet biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling maatwerk te leveren. Dat kan ook per afzonderlijk product, bijvoorbeeld wel voor aardolieproducten en niet voor gas, als wij dat zouden willen. Volgens het amendement moet ik bij AMvB regels maken voor de spreiding. Dat is in mijn ogen vérgaande en ook overbodige regelgeving. Als het nodig is, kan ik op grond van de Distributiewet altijd regels stellen, óók voor onderdelen van de markt. Wij hebben het dan natuurlijk wel over een serieus probleem. Dan is er sprake van een crisissituatie.

Mevrouw Witteveen-Hevinga (PvdA):

Als ik het goed begrijp, richt uw bezwaar zich ook tegen de algemene maatregel van bestuur, omdat het daarmee minder snel zou kunnen dan met de Distributiewet.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Wij kunnen al beschikken over de Distributiewet die voor alle soorten goederen, inclusief olie, ons de mogelijkheid geeft om op het moment dat zich een echt groot probleem voordoet, in te grijpen, óók op onderdelen van markt. Wij moeten voorkomen dat in twee wetten hetzelfde wordt geregeld.

Wat de motie over het thema duurzaam betreft, moet ik zeggen dat ik haar nooit kan uitvoeren. Deze wet bevat een sluitend systeem. Als men zou willen dat geen verlaging van de heffing plaatsvindt, zou men de wet moeten wijzigen. In dat geval zou een doelheffing moeten worden opgenomen en daar heb ik principiële bezwaren tegen. Immers, wij hebben afgesproken dat wij proberen om zoveel mogelijk doelheffingen te voorkomen. In feite wordt mij met deze motie gevraagd om de wet te overtreden. Overigens ben ik het helemaal niet oneens met degenen die prioriteiten met betrekking tot duurzame energie bepleiten. Het afgelopen jaar hebben wij er voor dit doel 200 mln. bijgedaan. Straks gaan wij spreken over Voorjaarsnota en begroting-2002 en dan kan worden nagegaan of nog meer middelen moeten worden ingezet. Men zal mij dan niet op zijn weg vinden, om het voorzichtig te zeggen, hoewel wij natuurlijk vanaf 1 januari via de REB een veel mooier instrument hebben gekregen. Door de verhoging daarvan en de vrijstelling voor duurzame energie is dit alleen maar aantrekkelijker geworden. Ik constateer dat nauwelijks aan de vraag kan worden voldaan.

Voorzitter! Mevrouw Witteveen heeft voorts een motie over toezicht op Europees niveau ingediend. Ik wijs erop dat de Commissie zelf in primaire zin het toezichthoudend orgaan is. Men doet hieraan al het nodige. Lidstaten melden maandelijks hun voorraadposities. De Commissie kan dus al controleren, maar wat zij nog niet doet, is vervolgen. Daar wil ik haar zeker toe aansporen en in die zin beschouw ik deze motie als een ondersteuning van mijn beleid. Een apart toezichtorgaan zou mijns inziens niet moeten, maar de Commissie moet het toezicht op de staten, inclusief vervolgen en sanctioneren, degelijk realiseren. Voorzitter! Als ik de motie in deze zin mag uitleggen, heb ik er geen problemen mee. Sterker nog, deze motie laat dan zien dat ook ons parlement van mening is dat hieraan op Europees niveau méér moet worden gedaan dan tot nu toe is gebeurd.

De heer Blaauw wijs ik erop dat 1 april het begin is van het boekjaar van de IEA. Dat betekent dat al hun gegevens, inclusief statistieken, ingaan per 1 april. Ik kan dus niet anders dan ofwel op 1 april van dit jaar ofwel op 1 april 2002 de zaak laten ingaan. Anders klopt het niet.

Ik dank de heer Blaauw voor zijn woorden over het ticketsysteem. Ik heb zojuist een poging gedaan om het zo duidelijk mogelijk aan te geven. Volgens mij zijn wij het eens over het doel en ik ben graag bereid om zo snel mogelijk te voldoen aan de wens van de Kamer om dit goed te kunnen volgen. Waar het om de bedrijven gaat, hoop ik dat mijn uitleg en mijn toezegging om begin maart een brief te sturen – dan hebben wij de gegevens – volstaan. Inderdaad zijn er, als gevolg van het gekozen systeem, verschillen waar het gaat om de aantallen dagen. De kleinere bedrijven hebben relatief minder dagen, de grotere automatisch wat meer, dankzij het percentage- en het drempelsysteem. Ik hoop dat dit bevredigend kan worden opgelost en dat hiermee de misverstanden bij een aantal bedrijven zijn weggenomen.

Het spijt mij zeer dat ik de heer Van de Akker blijkbaar niet heb kunnen overtuigen. Ik wil nog een poging doen om aan te tonen waarom wij in Nederland geen extra voorraden behoeven te hebben. Internationaal helpt het niet, want bij een crisis zijn wij verplicht om te delen met alle andere IEA-landen. Het zou dus alleen helpen als wij in IEA-verband tot de conclusie kwamen dat wij gezamenlijk het aantal dagen moeten vergroten. Als Nederland het alleen doet, helpt het niet. Het zou toch ook de heer Van den Akker moeten aanspreken dat het geen kwestie van "ieder voor zich" meer is. Als hij bedoelt dat die supplementaire voorraden uitsluitend voor Nederland bestemd zouden zijn, dan zou ik daar tegen zijn. Ik dacht dat juist ook het CDA een warm voorstander was van deze Europese en internationale samenwerking. Als wij extra voorraden aanhouden, doen wij dat grotendeels voor andere landen, terwijl de kosten daarvan voor 100% in Nederland worden gedragen. Ik snap dan ook de ratio ervan niet. Als wij in IEA-verband tot de conclusie komen dat een voorraad voor 90 dagen te klein is en dat wij een grotere voorraad moeten aanhouden, zal de heer Van den Akker mij absoluut niet op zijn weg vinden. Bovendien komt er dan een richtlijn, c.q. een afspraak in IEA-verband, en dan doen alle landen dat. Maar het lijkt mij bizar om nu verder te gaan dan de afspraken. Bovendien hebben wij nog het grote voordeel dat wij die andere 10% in Nederland vrijwel altijd beschikbaar hebben, in tegenstelling tot sommige andere landen. Ook mag je niet uitsluiten – ik denk even aan de jaren zeventig – dat wij door de aanwezigheid van Rotterdam binnen onze grenzen heel vaak al meer voorraden hebben dan andere landen. En nogmaals, het gaat om internationale afspraken.

De heer Van den Akker (CDA):

Ja, maar die internationale afspraken verhinderen ons helemaal niet om een voorraad voor 10 of 15 dagen meer dan het internationaal vereiste minimum aan te houden. En als er een crisis uitbreekt, zou ik niet weten waarom Nederland niet over die voorraden zou kunnen beschikken.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Dan gaan volgens u de grenzen dicht, dan is er plotseling geen internationale handel meer en dan zeggen wij dat alleen Nederland over die extra voorraad mag beschikken.

De heer Van den Akker (CDA):

Ik heb al eerder gezegd dat in tijden van een echte oliecrisis de markt niet meer werkt. Dan gelden heel andere wetten.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Dit is een internationaal systeem, Nederland neemt er nooit alleen een beslissing over. Er is nooit sprake van een Nederlandse crisis, het gaat altijd om een Europese crisis en daarover maken wij in Europees verband afspraken. En als de markt niet meer werkt, hebben wij de Distributiewet om dat probleem op te lossen. Dat kan alleen maar Europees, want de Europese voorraden waarover de Europese landen gezamenlijk beschikken, worden Europees ingezet. Als wij voorraden aanhouden voor 15 dagen meer, dan gaat het nog steeds om Europese voorraden. Ik vind het onzin om Nederland dat alleen te laten doen. Als de landen gezamenlijk uitspreken dat de voorraad groter moet zijn, dan moeten wij dat ook doen. Overigens is het misschien een veel grotere zorg dat echt ieder land aan zijn verplichtingen voldoet. Maar ik zou het bizar vinden om de Nederlandse burgers kosten te laten betalen voor extra voorraden die per saldo grotendeels niet aan hen ten goede komen.

De heer Van den Akker (CDA):

Voorzitter! Wij blijven van mening verschillen. Ik zou niet weten waarom Nederland niet over die extra voorraden zou kunnen beschikken. Vrije handel werkt in crisistijd niet meer.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Ik begrijp dat ik met u in ieder geval voorlopig geen serieus debat over administratieve lasten en lasten in het algemeen behoef te houden. Wij houden week in, week uit verhalen over hoe wij ervoor kunnen zorgen dat wij efficiënt met geld omgaan, maar u bent bereid om de Nederlandse burgers 30 mln. per jaar te laten betalen voor een 15% grotere voorraad waarover Nederland in crisistijd niet kan beschikken. Onbegrijpelijk!

De heer Van den Akker (CDA):

Als de minister tegen de Nederlandse burger zegt dat hij die 0,2 cent per liter, dus dat dubbeltje per 40 liter, aan de pomp bespaart ten opzichte van het risico dat hij loopt als wij kleinere voorraden hebben, dan is dat dubbeltje 101 keer terugbetaalt als er echt een crisis komt. De minister moet het risico tegen de besparing afzetten.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Zo is dat. Het risico dat u denkt te mitigeren, is nul! Dat is gewoon nul. U denkt dat wij 15 dagen extra voorraad hebben, maar dat is niet zo. Onze voorraden zijn internationaal.

De heer Van den Akker (CDA):

Voorzitter!...

De voorzitter:

Nee, mijnheer Van den Akker. U zei zelf zojuist al dat u van mening blijft verschillen. U constateerde zelf al dat u er niet uitkomt. Het heeft dan ook geen zin meer om hierover nog verder te discussiëren. De argumenten zijn gewisseld.

De heer Blaauw (VVD):

Voorzitter! Ik stel een vraag over de vrije 10%, die niet gevonden kan worden, maar wel een overschot is bij onze voorraden. Zit die wel in bijvoorbeeld de tank die door COVA wordt betaald? Kan dat bodempje er niet uit? Is dat wel of niet een voorraad? Is het niet winbaar of is het niet gebruikelijk? Voor mij zit er toch een heel merkwaardige denktrant in.

Minister Jorritsma-Lebbink:

Dat heeft gewoon te maken met unavailables. Het is mij uitgelegd en ik hoop dat ik het een beetje snap. Wij hebben in dit land nogal veel tanks en wij hebben dus relatief veel unavailables, die je in crisistijd wel degelijk kunt gebruiken. Waar geen of weinig fysieke voorraden zijn, schijnt dat moeilijker te zijn.

De heer Blaauw (VVD):

Fleuril plus?

Minister Jorritsma-Lebbink:

Ja, zoiets.

Wat de tickets betreft is het een vergelijkbaar verhaal in de richting van de heer Van den Akker. Ook rond de tickets worden nationale voorraden in crisistijd gepooled. Er is dus geen risico dat ticketolie niet beschikbaar zal zijn. Al die olie is immers in de Europese Unie. Als wij Europees poolen, ligt die olie in onze pool. In 1975 was er overigens nog geen pool. Was die er maar geweest!

Ik blijf zeggen dat ik echt heel verbaasd ben over de benauwdheid van het CDA ten aanzien van de internationale rechtsorde. Ik hoor van het CDA altijd vrolijke verhalen over Europa. Misschien zijn die verhalen zelfs wel vrolijker dan mijn verhalen. Ik vind het dan ook jammer dat er nu plotseling geen enkel geloof is dat de Europese Unie ook zal functioneren in crisissituaties. Ik ben heel verbaasd over die opstelling.

De heer Van den Akker heeft gezegd dat het wetsvoorstel zoveel critici heeft. Ik ken die kritiek echter niet. Ik heb de reactie van het IEA gelezen in de krant, maar die reactie gaat helemaal niet over Nederland. Het was juist een signaal dat andere landen niet aan de voorraadplicht voldoen. Het rapport van PA ken ik niet, maar wat ik van COVA heb begrepen, bevat dat helemaal geen kritiek op het ticketsysteem, maar een strategie hoe COVA ermee kan omgaan.

Ten slotte. Ik ben de heer Blaauw nog een antwoord schuldig met betrekking tot het amendement dat inmiddels alleen van de heer Van den Akker is. Is het misbruik van tickets een economisch delict? Het antwoord is ronduit "ja". Ik dacht dat ik dat in eerste termijn al gezegd had. Het is absoluut een economisch delict. Het mag helemaal niet.

Ik ben van mening dat ik de vragen van de heer Van Walsem over de evaluatie van het ticketsysteem heb beantwoord.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, aanstaande dinsdag te stemmen over dit onderwerp.

Daartoe wordt besloten.

Sluiting 21.35 uur

Naar boven