Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-20192517

Vragen van het lid Van Raak (SP) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over een betalingsherinnering door overheden (ingezonden 3 december 2018).

Antwoord van Minister Dekker (Rechtsbescherming), mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 1 mei 2019) Zie ook Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 1012

Vraag 1, 4, 5 en 10

Waarom zijn bedrijven wel, maar is de overheid niet verplicht om mensen eerst een betalingsherinnering te sturen?1

Is het volgens u wenselijk dat overheden, waaronder gemeenten en waterschappen, soms wel, maar vaak niet een «herinnering» sturen? Vindt u het bestaan van deze verschillen tussen deze overheden onwenselijk? Zo nee, waarom niet?

Deelt u de opvatting dat kosten nooit een reden mogen zijn om geen «herinnering» te sturen? Zo nee, waarom niet?

Bent u bereid om een norm te stellen en uit te spreken dat overheden en andere organisaties met een publieke taak mensen altijd eerst een betalingsherinnering moeten sturen? Bent u bereid om dit ook aan alle betrokken organisaties te laten weten? Bent u bereid om dit ook wettelijk vast te leggen?

Antwoord 1, 4, 5 en 10

Burgers moeten kunnen rekenen op een goede bejegening door de overheid en overheidshandelen moet niet bijdragen aan het onnodig vergroten van problemen bij de burger.

Zo heeft de overheid net als bedrijven een verplichting om eerst een aanmaning (betalingsherinnering) te sturen, met dien verstande dat het bestuursorganen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in veel gevallen daarvoor een wettelijk gefixeerde aanmaningsvergoeding mogen vragen (€ 7 voor schulden lager dan € 500 en € 16 voor schulden van € 500 of hoger). De wetgever heeft het uitdrukkelijk mogelijk willen maken voor bestuursorganen om deze vergoeding in rekening te brengen, zodat die kosten niet automatisch ten laste van de algemene middelen komen. De gevolgen van niet-tijdige betaling vallen immers in beginsel binnen de risicosfeer van degene die moet betalen en daarom werd het redelijk geacht om de daaruit voortvloeiende kosten bij hem in rekening te brengen (zie MvT bij wetsvoorstel vierde tranche Awb; Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 60).

De wetgever heeft in zijn algemeenheid de afweging om wel of niet de vaste aanmaningsvergoeding bij overheidsvorderingen in rekening te brengen uitdrukkelijk willen overlaten aan de bestuursorganen zelf.2 Daarmee kunnen verschillen ontstaan tussen overheden. Ik acht dat aanvaardbaar omdat het bestuursorgaan in kwestie zelf het beste kan bepalen of in de gegeven omstandigheden het in rekening brengen van de vergoeding wenselijk is, waarbij bijvoorbeeld een afweging kan worden gemaakt tussen de hoogte van de aanmaningsvergoeding en de lasten die het in rekening brengen van die vergoeding met zich meebrengt voor degene die moet betalen en voor het betrokken bestuursorgaan. In sommige bijzondere wetten zijn overigens bijzondere regels vastgelegd met betrekking tot verhogingen of boetes bij niet betaling. De grondslag hiervoor is dan gelegen in de bijzondere aard van de vordering.

Daarbij vind ik het belangrijk dat overheidsorganisaties rekening houden met individuele omstandigheden. De overheidsorganisaties zetten zich daarom op verschillende manieren in om te voorkomen dat mensen in problematische schulden terecht komen. Dan kan het gaan om de wijze waarop brieven worden geschreven om ze makkelijker leesbaar te maken en informatie over rechten en plichten in minder juridische taal aan te reiken. Ook wordt door veel grote uitvoeringsorganisaties gestuurd op het kunnen treffen van betalingsregelingen. Betalingsregelingen dragen meer bij aan de aanpak van schuldenproblematiek dan betalingsherinneringen. Dit betekent echter niet dat er nooit een vergoeding in rekening zou mogen worden gebracht voor een aanmaning of dat er aan een aanmaning altijd eerst een kosteloze betalingsherinnering vooraf zou moeten gaan. Daar komt bij dat niet vast staat of mensen met problematische schulden ook geholpen zijn met een (kosteloze) betalingsherinnering op het moment dat zij zodanig in de problemen zijn geraakt dat zij hun post niet meer openen.

Vraag 2

Deelt u de opvatting dat overheden en andere organisaties met een publieke taak mensen niet onnodig met wantrouwen moeten benaderen?

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3

Begrijpt u de boosheid van burgers als zij een aanmaning of boete krijgen als zij een keer vergeten een rekening te betalen, of zelfs nooit een rekening hebben ontvangen?

Antwoord 3

Ik begrijp dat die boosheid kan ontstaan. Tegelijkertijd vind ik dat iedereen een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de tijdige betaling van vorderingen. Bij niet-tijdige betaling kan horen dat een bestuursorgaan kosten in rekening brengt.

Vraag 6

Vindt u het wenselijk dat onder meer de Belastingdienst stelt dat als een brief niet retour komt deze als bezorgd kan worden beschouwd? Hoe kan het dat een individuele burger zo verantwoordelijk wordt gesteld voor de kwaliteit van de postbezorging?

Antwoord 6

Bestuursorganen, dus ook de Belastingdienst, sturen hun post naar het laatst bekende adres, zoals dat voorkomt in de basisregistratie personen. Een individuele burger is verantwoordelijk voor het doorgeven van zijn juiste adres aan de basisregistratie. Bestuursorganen moeten, desgevraagd, aannemelijk maken dat post door hen is verzonden.

Vraag 7

Zou volgens u een overheid of andere organisatie met een publieke taak die zelf een rekening in de verkeerde maand heeft geboekt een aanmaning of boete moeten sturen?

Antwoord 7

Fouten die de overheid begaat, behoren voor rekening van de overheid zelf te komen.

Vraag 8

Zou volgens u een overheid of andere organisatie met een publieke taak een boete moeten innen als mensen een rekening voor het ontvangen van de aanmaning alsnog hebben betaald?

Antwoord 8

Een belangrijke maatregel uit het regeerakkoord, en onderdeel van de zogeheten brede schuldenaanpak, is het maximeren van de stapeling van boetes vanwege te laat betalen en het maximeren van bestuursrechtelijke premies.3 De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft u over de stand van zaken van de uitwerking van deze maatregel bij brief van 13 februari 2019 mede namens de Minister voor Medische Zorg en Sport, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en mij geïnformeerd.4 Een tijdige betaling voorkomt dat een verhoging dan wel boete wordt opgelegd. Als iemand binnen de in de aanschrijving gestelde termijn het verschuldigde bedrag heeft betaald, is een verhoging of boete niet aan de orde.

Vraag 9

Deelt u de opvatting dat het niet zinvol is dat gemeenten mensen uit de schulden proberen te helpen, maar andere overheden of organisaties met een publieke taak diezelfde mensen in de schulden steken, door een aanmaning of boete? Hoe zouden we dit in de toekomst kunnen voorkomen?

Antwoord 9

Het is belangrijk dat extra kosten zo veel mogelijk worden voorkomen bij mensen met schulden. Daar heeft de betrokkene zelf een verantwoordelijkheid in. Ook het kabinet zet zich ervoor in om extra kosten zoveel mogelijk te voorkomen. Met de brief van 13 februari 2019 is uw Kamer geïnformeerd over de aanpak van het kabinet om de stapeling en ophoging van bestuurlijke boetes en bestuursrechtelijke premies te maximeren. Daarnaast wordt naar aanleiding van een motie van de leden Raemakers (D66) en Peters (CDA) gewerkt aan plan van aanpak om een noodstopprocedure bij het CJIB in te richten voor mensen met schulden.5 Deze procedure houdt in dat verhogingen van verkeersboetes tijdelijk kunnen worden stopgezet onder de voorwaarde dat schuldhulp wordt aanvaard. De komende tijd wordt gewerkt aan een plan voor deze noodstopprocedure. De Kamer zal voor de zomer geïnformeerd worden over de voorgenomen inrichting daarvan.


X Noot
2

Voor Rijksbelastingen zijn de kosten voor het verzenden van een aanmaning bijvoorbeeld opgenomen in de Kostenwet invordering Rijksbelastingen – deze liggen dus wettelijk vast.

X Noot
3

Kamerstukken II 2017/18, 24 515, nr. 431 + bijlage

X Noot
4

Kamerstukken II 2018/19, 24 515, nr. 466

X Noot
5

Kamerstukken II 2018/19, 24 515, nr. 469