Vragen van de leden Van den Hul en Dijksma (beiden PvdA) aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over het tekort aan opvanglocaties voor slachtoffers van geweld achter
de voordeur (ingezonden 20 april 2018).
Antwoord van Minister De Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 18 mei
2018).
Vraag 1 en 2
In welke mate is sprake van echte extra middelen voor de bestrijding van huiselijk
geweld en de opvang van vrouwen vanuit de huidige druk op deze voorzieningen, gelet
op uw antwoord op de Kamervraag over de noodzaak om hiervoor extra geld beschikbaar
te stellen?1
Klopt het dat de middelen waar u in de beantwoording naar verwijst, waarbij de indruk
wordt gewekt dat het om extra middelen gaat, uit de bestaande middelen van het gemeentefonds
zijn gehaald en daarmee gezien kunnen worden als een «sigaar uit eigen doos» voor
de desbetreffende gemeenten? Zo ja, waarom is niet gekozen om extra middelen beschikbaar
te stellen aan de algemene uitkering?
Antwoord 1 en 2
Het gaat hier om extra middelen. Op grond van het Regeerakkoord geldt een nieuwe normeringsystematiek
voor het bepalen van de omvang van het gemeentefonds. In plaats van een koppeling
(trap op/trap af) met de Rijksuitgaven in enge zin (RBG-eng), is vanaf dit jaar sprake
van een koppeling met de Rijksuitgaven inclusief zorguitgaven en sociale zekerheidsuitgaven.
Hierdoor ontvangen gemeenten aanvullend accres zonder oormerk.
Uitkomst van het IBP is dat specifiek voor de taak Veilig Thuis vanuit het aanvullend
accres in de algemene uitkering middelen zijn toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering
vrouwenopvang, zodat het geld terechtkomt bij de gemeenten die de aanpak van huiselijk
geweld en kindermishandeling vormgeven. Veilig Thuis maakt hier deel van uit. Het
gaat om een bedrag van € 11,9 miljoen in 2018 oplopend tot € 38,6 miljoen structureel
vanaf 2021.
Het gaat hier dus om extra middelen die zonder oormerk allereerst aan de algemene
uitkering zijn toegevoegd en waarvan vervolgens een deel specifiek voor Veilig Thuis
is ingezet.
Vraag 3
In hoeverre is afgestemd of deze middelen en de inzet ervan voldoen aan de signalen
van de 22 centrumgemeenten die in februari 2018 hun zorgen hebben geuit over de financiële
druk op de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang?
Antwoord 3
In de brief van de gemeenten van 15 februari jongstleden spreken de 22 centrumgemeenten
onder andere over de aanscherping van de meldcode kindermishandeling en huiselijk
geweld. Het genoemde bedrag in de maartcirculaire gemeentefonds 2018 komt hieraan
tegemoet en is mede gebaseerd op de impactanalyse van de gevolgen van de invoering
van de radarfunctie voor het primaire proces bij Veilig Thuis2.
Daarnaast wordt in de brief ingegaan op mensenhandel. De extra structurele middelen
uit het Regeerakkoord voor mensenhandel worden ingezet voor het creëren van extra
opvangplekken. Met de VNG en Comensha ben ik in overleg om te komen tot een precieze
invulling hiervan op basis van geconstateerde knelpunten.
Voorts geldt dat in 2014 een kwaliteitsimpuls is gegeven van € 10 miljoen structureel
per jaar (vanaf 1 januari 2015) voor onder andere ouderenmishandeling en kinderen
in de opvang. In 2016 en 2017 is door de ministeries VWS en JenV een overbruggingsfinanciering
(€ 2,1 miljoen in 2016 en € 2,1 miljoen in 2017) beschikbaar gesteld aan 16 gemeenten
(via de decentralisatie- uitkering vrouwenopvang) voor een landelijk dekkend netwerk
van CSG’s (centra voor seksueel geweld) om gemeenten de ruimte te geven het hulpaanbod
voor slachtoffers van seksueel geweld structureel te borgen in het gemeentelijke zorg-
en ondersteuningsaanbod. In het bestuurlijk overleg van 29 mei 2017 heeft de VNG de
gemaakte afspraak over de financiering en borging van de CSG’s vanaf 1 januari 2018
binnen het gemeentelijke domein bevestigd.
Tot slot geldt dat naast de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang voor de centrumgemeenten
(als Rijksbijdrage voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling) alle
gemeenten de beschikking hebben over de middelen voor de Jeugdwet en de Wmo 2015 in
het gemeentefonds. Deze middelen kunnen ook worden ingezet voor de aanpak van huiselijk
geweld en kindermishandeling (bijvoorbeeld voor jeugdhulp en ondersteuning).
Vraag 4
Hoe zullen de besteding en de bestemming van deze middelen, evenals de effecten op
de door gemeenten aangegeven financiële druk op vrouwenopvang, gemonitord worden?
Antwoord 4
De extra middelen die gemeenten hebben ontvangen dankzij de nieuwe normeringsystematiek
zijn vanuit de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering
vrouwenopvang. Daarmee komen deze middelen terecht bij de gemeenten die de aanpak
van huiselijk geweld en kindermishandeling vormgeven.
De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de besteding binnen het daarvoor aangegeven
kader (intensivering van de taken van Veilig Thuis naar aanleiding van de aanscherping
meldcode en de radarfunctie Veilig Thuis). Uiteraard ben ik bereid de VNG te vragen
één en ander te monitoren ook in relatie tot de door de 22 centrumgemeenten aangegeven
financiële druk op de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang.
X Noot
1Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1635