Vragen van het lid Kuiken (PvdA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de
«Hoornse zedenzaak» (ingezonden 29 november 2017).
Antwoord van Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 1 februari 2018).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 833.
Vraag 1
Kent u het bericht «Blunders Hoornse zedenzaak» en «Politie diep door het stof»?1 2
Vraag 2, 3 en 4
Deelt u de mening dat het (ook naar aanleiding van het rapport en het feitenrelaas
van de Inspectie Justitie en Veiligheid) onbegrijpelijk blijft en diepgaander verklaard
moet worden wat er die bewuste nacht bij de aangifte is gebeurd? Waarom is de aangifte
van het slachtoffer niet meteen adequaat opgepakt?
Waarom is er niet meteen gebruikgemaakt van de toestemming van de piketofficier van
justitie om camerabeelden op te vragen en vervolgens over te gaan tot aanhouding buiten
heterdaad van de verdachte?
Waarom is er nooit een buurtonderzoek gehouden, zoals het voornemen was?
Antwoord 2, 3 en 4
In de brief van 21 december 2016 heeft mijn voorganger uiteen gezet op welke wijze
de Tweede Kamer kan worden geïnformeerd over (lopende) strafrechtelijke onderzoeken.3
In deze brief is uw kamer gemeld dat bij strafrechtelijke onderzoeken het opsporingsbelang,
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het respecteren van de onafhankelijke
rechtsgang in de weg staan aan het onverkort delen van informatie met uw Kamer.
Naar de werkwijze van de politie in de onderhavige casus is onderzoek gedaan door
de Inspectie JenV. Uw Kamer is over de uitkomsten van dit onderzoek op 22 november
2017 geïnformeerd.4 De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer staat concrete
beantwoording van uw vraag in de weg. Zoals uit mijn brief van 22 november 2017 blijkt,
is door de politie al erkend dat het begin van het aangifteproces beter had gemoeten.
Er had eerder een afspraak ingepland moeten worden om de aangifte op te nemen.
Vraag 5
Bent u van oordeel dat het feit dat de verdachte binnen de daartoe geldende termijn
is opgespoord grotendeels te danken is aan de acties die het slachtoffer zelf heeft
ondernomen, waaronder het aanleveren van een naam, adres, foto van de aanrander en
het laten opsporen van de ooggetuigen? Zo ja, wat is uw mening hierover? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 5
Zoals ik u in mijn brief van 22 november 2017 heb laten weten heeft de Inspectie geconcludeerd
dat de politie in deze zaak de verdachte heeft opgespoord binnen de daartoe geldende
termijn.5 De Inspectie plaatst wel een aantal kritische kanttekeningen bij de wijze waarop
de politie in deze casus het onderzoek heeft uitgevoerd. De eerste kritische kanttekening
betreft de communicatie met het slachtoffer. Ten tweede geeft de Inspectie aan dat
de politie op verschillende momenten in het onderzoek voortvarender had kunnen optreden.
Tot slot heeft het relatief lang geduurd voordat het referentiemateriaal is onderzocht.
Ik onderschrijf de bevindingen van de Inspectie en ik betreur dat in deze casus niet
voortvarend is gehandeld en de gevolgen die dit heeft voor het slachtoffer. Dit incident
laat zien dat de politie haar eigen handelen moet blijven evalueren en waar nodig
verbeteren.
Vraag 6
Worden de ooggetuigen die blijkbaar geen melding hebben gedaan van hun kennis in deze
zaak en zelfs een kledingstuk van het slachtoffer hebben verduisterd en kennis hebben
van meer strafbare feiten waaronder de mishandeling van een portier, hiervoor strafrechtelijk
aangepakt? Zo ja, wat is de stand van het onderzoek of vervolging? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 6
Het Openbaar Ministerie heeft tijdens het – inmiddels afgesloten – strafrechtelijk
onderzoek besloten om de ooggetuigen niet strafrechtelijk te vervolgen. Voor een strafrechtelijke
vervolging was geen aanleiding.
Vraag 7
Deelt u de mening dat uit het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid vooral
blijkt wat er mis is gegaan maar dat er onvoldoende uit blijkt waarom het is misgegaan?
Zo ja, hoe gaat u deze vele «waarom-vragen» beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
De inzichten van de Inspectie zijn besproken met de eenheidsleiding Noord-Holland
en de korpsleiding en hebben geleid tot verbeteringen in de taakuitvoering. Zo is
bijvoorbeeld nu geregeld dat er binnen het zedenteam Noord Holland een duidelijk aanspreekpunt
voor het slachtoffer wordt aangewezen.
Ik zie geen aanleiding om nader onderzoek te laten doen naar dit incident, maar zal
wel een onderzoek doen naar de belemmeringen die slachtoffers ervaren bij het doen
van aangifte en in het verdere strafproces. Dit heb ik u toegezegd in mijn brief van
27 november 20176 en naar aanleiding van de motie Kuiken/Buitenweg die uw Kamer bij de begrotingsbehandeling
van Justitie en Veiligheid heeft aangenomen.