Vragen van het lid RemcoBosma (VVD) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over het uitblijven van support voor nieuwe veredelingstechnieken (ingezonden 6 oktober 2016).

Antwoord van Staatssecretaris Van Dam (Economische Zaken) (ontvangen 2 december 2016). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 348.

Vraag 1

Deelt u de opvatting dat nieuwe veredelingstechnieken, zoals Oligo Directed Mutagenesis (ODM), Zinc Finger Nuclease Technology, Cisgenesis and Intragenesis, Grafting non-GM scion on GM rootstock, Agro-infiltration, RNA-dependent DNA methylation, Reverse Breeding en Synthetic Genomics, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan maatschappelijke doelen zoals voedselzekerheid en verduurzaming van de landbouw?1

Antwoord 1

Ja. Nieuwe veredelingstechnieken kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen zoals voedselzekerheid, verduurzaming van de landbouw en voedselkwaliteit en ook op het gebied van een betere gezondheid en medische zorg, duurzamer grondstoffengebruik, energievoorziening en de aanpak van de oorzaken van klimaatverandering.

Vraag 2

Bent u ook trots op het feit dat bijvoorbeeld nieuwe veredelingstechnieken als ODM (ontwikkeld door het bedrijf KeyGene) en cisgenese (ontwikkeld door Wageningen University & Research centre) ontwikkeld is in Nederland? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2

Het is van belang dat Nederlandse bedrijven zich continu blijven oriënteren op innovatieve technieken, waaronder nieuwe veredelingstechnieken, en ik vind het goed dat Nederlandse bedrijven en wetenschappelijke instituten hieraan een bijdrage leveren. Ik steun dan ook onderzoeksprojecten in publiek-private samenwerking in het kader van de Topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, waaronder op dit moment programma’s gericht op onderzoek aan nieuwe genetische en genoom tools voor polyploïde gewassen, aan «small RNA» van belang voor plantenveredeling en aan vegetatieve vermeerdering van siergewassen, en in het verleden het programma van WUR gericht op cisgenese.

Vraag 3

Deelt u de mening dat uitsluitsel over de vraag of nieuwe veredelingstechnieken wel of niet onder de Europese genetische modificatie-regelgeving vallen lang op zich laat wachten? Ze nee, waarom niet? Wanneer verwacht u dat er eindelijk uitsluitsel is te geven over deze technieken? Welke activiteiten heeft u ondernomen om versnelling te brengen in deze lang lopende procedure?

Antwoord 3

De door de Europese Commissie toegezegde duidelijkheid over de toepasselijkheid van gg-regelgeving op producten van nieuwe veredelingstechnieken laat inmiddels al enkele jaren op zich wachten. Kansen die deze technieken bieden voor de landbouw kunnen hierdoor niet ten volle worden benut. Met name het mkb geeft aan dat het op de Europese markt brengen van ggo’s voor hen niet haalbaar is vanwege de uitvoeringslasten en onzekerheden die samenhangen met de Europese risicobeoordelingen en het toelatingssysteem.

Dit is een van de redenen om duidelijkheid te willen krijgen van de Europese Commissie. Het kabinet heeft bij de Europese Commissie meermalen aangedrongen op voortgang waarbij de wens van Nederland is dat technieken – voor zover deze als gg-technieken worden aangemerkt – van de gg-regelgeving worden vrijgesteld als de producten die hiermee tot stand worden gebracht niet meer risico’s met zich meebrengen dan producten van conventionele veredeling, zoals voor cisgenese geldt2. Nederland dringt er, evenals een aantal andere lidstaten, in bilaterale contacten met de Europese Commissie en in Europese vergaderingen regelmatig op aan spoedig duidelijkheid te verstrekken. De Europese Commissie heeft echter meermalen een toegezegde reactie uitgesteld.

Recent ontving ik een brief van de Eurocommissaris Andriukaitis (SANTÉ), waarin hij meldt dat hij het «wetenschappelijk adviesmechanisme» van de Europese Commissie3 heeft gevraagd om in de eerste helft van 2017 een advies uit te brengen over nieuwe technieken. Ik voeg deze brief ter informatie als bijlage bij deze antwoorden4. Het voorstel om een dialoog te houden steun ik van harte en ik zal mijn bijdrage hieraan leveren. Tegelijkertijd zal ik in mijn antwoordbrief blijven aandringen op spoedige juridische duidelijkheid over de toepasselijkheid van nieuwe plantveredelingstechnieken in relatie tot de bestaande gg-regelgeving.

Vraag 4

Bent u bekend met het «innovatie principe», waarbij naast de afweging van risico’s volgens het voorzorgsprincipe ook de mogelijke voordelen worden bekeken?

Antwoord 4

Ja.

Vraag 5

Kunt u zich voorstellen dat het zeer wrang is voor de veredelingssector dat de Nederlandse overheid zich niet hard maakt voor de vrije toepassing van onder meer Nederlandse veredelingstechnieken? Kunt u zich voorstellen dat het voor de sector nog wranger voelt dat (een aantal van) deze technieken vooralsnog wel binnen de Europese Unie worden toegepast in de landen Zweden en Duitsland? Wat bent u van plan om hier aan te doen?

Antwoord 5

De ontwikkelingen in de biotechnologie gaan snel, zoals ook blijkt uit de Trendanalyse Biotechnologie 2016, die de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu u heeft doen toekomen5. In antwoord op eerdere vragen van uw Kamer6 heb ik u laten weten dat, in afwachting van besluitvorming door de Europese Commissie, deze technieken als genetische-modificatietechnieken worden beschouwd en de organismen die het product zijn van de toepassing van deze technieken als ggo worden beschouwd en onder de Europese regelgeving ter zake vallen. Toepassing van deze technieken in Europa, inclusief Nederland, is mogelijk met inachtneming van de geldende gg-regelgeving.

Enkele Europese lidstaten blijken inmiddels unilateraal en ondanks een oproep van de Europese Commissie om dat niet te doen, te hebben besloten dat zij producten van bepaalde nieuwe plantveredelingstechnieken in hun land niet beschouwen als genetisch gemodificeerd organisme ingevolge de gg-richtlijnen (richtlijn 2001/18/EG en 2009/41/EG). De Europese Commissie ziet toe op de geharmoniseerde toepassing van de EU-regelgeving en heeft aangegeven dat als onwenselijk te zien.

Het behoud van een level playing field in Europa vergt een geharmoniseerde uitvoering. Nieuwe technieken moeten in dat verband in alle Europese landen onder dezelfde condities worden toegepast en in de interne markt moet de veiligheid ervan op Europees niveau worden vastgesteld. Mede daarom zal ik blijven aandringen bij de Europese Commissie op het spoedig verstrekken van de toegezegde duidelijkheid over de toepasselijkheid van Europese regelgeving op nieuwe plantveredelingstechnieken en vrijstelling in gevallen waarbij de producten niet meer risico’s met zich meebrengen dan producten van conventionele veredeling.

Vraag 6

Kunt u aangeven welk risico wordt beperkt indien uitgangsmateriaal gecreëerd met nieuwe veredelingstechnieken via andere (Europese) landen gewoon op de Nederlandse markt komt, doordat het niet valt te onderscheiden van op traditionele wijze verkregen uitgangsmateriaal?

Antwoord 6

Als producten worden verkregen door gebruikmaking van genetische-modificatietechnieken, vereist de Europese regelgeving dat die producten worden beoordeeld op de veiligheid ervan voor mens, dier en milieu. Als EU-lidstaten die Europese regelgeving niet toepassen of afwijkend interpreteren, vindt voor deze producten geen geharmoniseerde EU-toelatingsprocedure plaats en evenmin een daarvoor vereiste geharmoniseerde milieuveiligheidsbeoordeling.

Een kenmerk van de nieuwe biotechnologische ontwikkelingen, dat ook optreedt bij nieuwe plantveredelingstechnieken, is dat uit het eindproduct niet altijd valt af te leiden hoe het product is vervaardigd. De toepasselijkheid van de Europese ggo-regelgeving wordt overigens niet alleen bepaald door de eigenschappen van het product maar ook door het proces waarmee dat product is vervaardigd zodat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of sprake is van een gg-product.

Vraag 7

Waarom wijkt u met uw besluit7 8 af van het staande beleid ten aanzien van nieuwe veredelingstechnieken en het innovatie principe?

Antwoord 7

De antwoorden op de Kamervragen waaraan u refereert over nieuwe technieken om ggo’s te ontwikkelen, zijn in lijn met het staande beleid. Voor gg-planten hanteert het Nederlandse kabinet het beleid «Ja, mits veilig voor mens, dier en milieu». In lijn hiermee hanteert het kabinet de wens dat nieuwe technieken worden vrijgesteld van de verplichtingen onder de EU gg-wet- en regelgeving onder de voorwaarde dat de producten ervan niet meer risico’s met zich meebrengen dan producten van traditioneel veredelde gewassen, zoals bijvoorbeeld voor cisgenese het geval is.9 Dit is in lijn met het innovatieprincipe voor zover dat principe ervan uitgaat dat kansen van innovatieve ontwikkelingen zoveel mogelijk moeten kunnen worden benut.

Vraag 8

Kunt u inzichtelijk maken wat het economische verlies is voor Nederlandse veredelaars door het uitblijven van een beslissing over de nieuwe veredelingstechnieken, terwijl de Duitse en Zweedse veredelaars al lang gebruik van kunnen maken van deze innovatieve en kosteneffectievere methoden?

Antwoord 8

Ik heb geen kwantitatieve gegevens over de gevolgen daarvan voor de Nederlandse veredelaars en evenmin over de kosteneffectiviteit van nieuwe plantveredelingstechnieken. Het kunnen benutten van nieuwe veredelingstechnieken zonder dat verplichtingen uit de gg-regelgeving daarvoor gelden, levert uiteraard (economische) voordelen op omdat plantenveredeling sneller en gerichter kan plaatsvinden. Daarom is duidelijkheid over de juridische status van producten van deze technieken, en vrijstelling van technieken onder de eerder beschreven voorwaarden, zo belangrijk.

Vraag 9

Deelt u de opvatting dat het voortduren van deze situatie de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven aantast, gezien het concurrentievoordeel dat veredelingsbedrijven in Zweden en Duitsland hebben? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 9

Zoals ik al aangaf in mijn antwoord op vraag 5, zorgt geharmoniseerd Europees beleid ervoor dat er een level playing field blijft bestaan in Europa. De Europese Commissie hanteert vooralsnog het standpunt dat producten van nieuwe veredelingstechnieken onder de gg-regelgeving moeten vallen. De toegezegde duiding zal duidelijkheid bieden over welke producten als gg-producten worden beschouwd.

Vraag 10

Kunt u begrijpen dat biotech-bedrijven overwegen om zich buiten de Europese Unie gaan vestigen als gevolg van het uitblijven van support? Zo ja, tot welke actie leidt dat bij u? Zo nee, waarom heeft u zo weinig waardering voor dit type hoogopgeleide arbeid?

Antwoord 10

In aansluiting op mijn antwoord op uw vraag 3, meen ik dat een gevolg van het uitblijven van een duiding van de Europese Commissie kan zijn dat veredelingsbedrijven in Europa, waaronder ook de Nederlandse, zowel economisch als qua kennisontwikkeling achter gaan lopen op bedrijven in andere delen van de wereld waar deze waar toelatingsprocedures minder langdurig en kostbaar zijn. We zien al bewegingen van veredelingsbedrijven die delen van hun R&D buiten de EU brengen en dat is geen goede ontwikkeling. Ik blijf mij dan ook onverminderd inzetten voor het verkrijgen van duidelijkheid en vrijstelling van technieken onder de eerder aangegeven voorwaarden.

Vraag 11

Kunt u uiteenzetten hoe het kan dat de overheid in het kader van het bedrijfslevenbeleid de sectoren AgriFood en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen aanwijst als topsectoren, terwijl deze sectoren juist door het beleid hun concurrentiepositie verliezen?

Antwoord 11

In het bedrijvenbeleid is bijzondere aandacht voor negen Topsectoren waaronder AgriFood en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. Topsectoren zijn kennisintensief, export-georiënteerd, kennen veelal specifieke wet- en regelgeving en kunnen een grote bijdrage leveren aan maatschappelijke vraagstukken. Inzet van het beleid is om de concurrentiekracht van de topsectoren, onder andere via samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid, te versterken. Deze inzet is breder dan alleen nieuwe plantveredelingstechnieken.

Daarnaast blijf ik, mede vanwege de concurrentiepositie van (veredelings)bedrijven in Europa, samen met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu druk op de Europese Commissie uitoefenen om zo snel mogelijk met de toegezegde duiding te komen.


X Noot
1

«Exportkampioen daagt Van Dam uit», Plantum, 27 september 2016

(https://plantum.nl/321519665/Nieuws-detail?newsitemid=1077313536).

X Noot
2

Kamerstuk 27 428, nr. 260

X Noot
3

Ingesteld bij Commissiebesluit C(2015) 6946 van 16 oktober 2015 onder verantwoordelijkheid van de Commissaris van Onderzoek, Wetenschap en Innovatie

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
5

Kamerstuk 27 428, nr. 330

X Noot
6

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1640

X Noot
7

Antwoord op eerdere vragen over nieuwe technieken om genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) te ontwikkelen (Aanhangsel Handelingen, 2015/2016, nr. 1640), in het bijzonder de passage: «Het standpunt van Nederland is dat, in afwachting van besluitvorming door de Europese Commissie, de genoemde technieken als genetische modificatietechnieken worden beschouwd en de organismen die het product zijn van de toepassing van deze technieken als ggo worden beschouwd en dus onder de Europese regelgeving ter zake vallen».

X Noot
8

De passage «Dit komt tot uitdrukking in het «ja, mits» beleid dat het kabinet hanteert voor genetische modificatie bij planten» in de beleidsnota Biotechnologie (Kamerstuk 27 428, nr. 270).

X Noot
9

Kamerstuk 27 428, nr. 270

Naar boven