Vragen van het lid Van den Hul (PvdA) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over voortzetting en verharding van de ontgroeningsrituelen bij studentenverenigingen
(ingezonden 24 mei 2017).
Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 14 juni
2017)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van een serie artikelen over ontgroeningsrituelen bij studentenverenigingen,
zoals de ontgroeningsrituelen bij de Groningse studentenvereniging Vindicat?1 2 3
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de signalen en opvattingen die uit deze artikelen naar voren komen
over de verharding van de ontgroeningscultuur, ondanks de roep een einde te maken
aan excessen met geweld, vernedering en seksisme en zelfs de beëindiging van ontgroeningen?
Antwoord 2
Die signalen vind ik zeer ernstig. Zoals ik eerder heb aangegeven, is het van belang
dat beginnende studenten in contact komen met andere studenten. Verenigingen vormen
in beginsel een belangrijk onderdeel van het studentenleven en geven de mogelijkheid
zulke contacten te leggen, ook buiten de directe studieomgeving. De grens van het
toelaatbare ligt wat mij betreft daar waar geweld wordt gebruikt, er onvrijwillige
of abjecte handelingen plaats (moeten) vinden, er sprake is van stelselmatige vernedering,
er sprake is van seksuele intimidatie en/of er op manieren strijdig met het Nederlandse
strafrecht wordt gehandeld.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat het erg zorgwekkend is dat een noodzakelijke cultuur van
transparantie en rapportage over en van grensoverschrijdende «incidenten» door de
betrokken onderwijsinstellingen nog steeds problematisch is en dat hiermee ook een
voortzetting en verharding dreigt van de bovengenoemde ontgroeningen en de zwijgcultuur
hierover?
Antwoord 3
Ik vind het zorgwekkend als inderdaad blijkt dat onderwijsinstellingen geen volledig
beeld hebben van voorkomende excessen bij studentenverenigingen en daar onvoldoende
tegen optreden. Ik heb hen daar in het verleden ook al meermaals op aangesproken.
Zolang er nog instellingen zijn die geen waterdichte afspraken hebben gemaakt met
studentenverenigingen, zal ik hen daar op blijven aanspreken. Het is van een groot
belang dat hogeronderwijsinstellingen hun verantwoordelijkheid nemen en zowel structurele
afspraken maken met studentenverenigingen, als bij ieder voorkomend incident een indringend
gesprek voeren met de betreffende vereniging.
Vraag 4
Herinnert u zich nog uw antwoord op eerdere vragen4 om universiteiten en hogescholen te dwingen tot een duidelijkere houding en hardere
sancties tegen studentenverenigingen, ook via de bekostiging daarvan door de universiteit,
in geval van ontgroeningen met geestelijke en fysieke mishandeling, intimidatie en
seksisme richting medestudenten?
Bent u in het licht van deze berichtgeving en naar aanleiding van uw antwoord «dat
u in gesprek was met universiteiten en hogescholen en stevig optreden verwacht bij
ontoelaatbare incidenten» bereid om sancties richting onderwijsinstellingen niet te
schuwen, indien zij dergelijke ontgroeningspraktijken onvoldoende en niet transparant
aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Zoals ik ook onder vraag 3 heb aangegeven, vind ik het primair aan instellingen om
hier daadkrachtig tegenop te treden. Het instrument «normeren» en wijzen op de rol
en verantwoordelijkheden van instellingen, acht ik op dit moment vanuit mijn positie
krachtiger dan financiële en juridische begrenzingen vanuit het Rijk.
Vraag 5
Op welke wijze denkt u bij te kunnen dragen aan voorkoming van een eventuele verharding
van de ontgroeningscultuur en het tegengaan van ontoelaatbare excessen bij ontgroeningen
door studentenverenigingen?
Antwoord 5
Uiteraard ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het welzijn van (aspirant-) leden
van studentenverenigingen, bij die verenigingen zelf. Ik vertrouw er op dat zij, mede
gelet op de maatschappelijke onrust, hun rol nemen, zich houden aan de aangepaste
afspraken met onderwijsinstellingen en er alles aan doen om morele en fysieke grenzen
niet te overschrijden. Studenten zijn immers waardendragers van de toekomst.
Ik monitor de ontwikkelingen en normeer in voorkomende gevallen. Ook wil ik dat universiteiten
en hogescholen meer vertrouwenspersonen aanstellen, waar studenten (maar ook ouders
of andere betrokkenen) anoniem misstanden bij verenigingen kunnen melden.
Ook laat ik geen gelegenheid onbenut om de instellingen te wijzen op hun rol bij het
voorkomen van ontoelaatbaar gedrag bij verenigingen. Ik doe dat door de onderwijsinstellingen
te wijzen op het belang van het hebben van een adequate inventarisatie van incidenten
en er op aan te dringen dat zij zowel over alle incidenten als de onderliggende cultuur
steeds in gesprek moeten gaan met de betreffende verenigingen.
X Noot
4Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 278