Vragen van het lid Asante (PvdA) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over hogescholen en universiteiten die extra eigen bijdragen vragen van studenten
bovenop het collegegeld (ingezonden 9 februari 2017).
Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 23 maart
2017).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving rond hogescholen en universiteiten die oneigenlijke
eigen bijdrages vragen van studenten, bovenop het collegegeld?1 Zo ja, hoe beoordeelt u deze berichten over onderwijsinstellingen die aanvullende
bedragen vragen, waarbij deze betaling ook nodig zou zijn om studiepunten te behalen
en heeft u een beeld van de schaal waarop dit gebeurt en bij welke instellingen?
Antwoord 1
Ik heb kennis genomen van deze berichtgeving. Wanneer instellingen oneigenlijke bijdrages
bovenop het collegegeld vragen van studenten dan werpt dit een onwenselijke drempel
op. Dit onderwerp is behandeld in de Studentenkamer van 8 februari 2017. Het ISO heeft
mij de inventarisatie inmiddels doen toekomen en deze is vervolgens gedeeld met de
Inspectie van het Onderwijs. Ik heb de inspectie gevraagd dit te beoordelen. Mochten
instellingen zich niet aan de wet houden, dan zal de inspectie de instelling hierop
aanspreken en zo nodig handhavend optreden.
Vraag 2
Deelt u de mening dat deze aanpak door onderwijsinstellingen strijdig is met het principe
dat er geen aanvullende drempels mogen worden opgeworpen voor de betaalbaarheid van
een studie, los van het collegegeld zoals dat dient te worden voldaan door studenten?
Zo ja, wat betekent dit voor uw reactie richting onderwijsinstellingen die zich hieraan
bezondigen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Ja, die mening deel ik. Dit blijkt ook uit mijn brief aan uw Kamer van 29 april 2015
over de ruimte die instellingen hebben om naast collegegeld een bijdrage aan studenten
te vragen.2
Deze brief is op 28 april 2015 verstuurd naar alle onderwijsinstellingen, de Inspectie
van het Onderwijs, de VSNU, de Vereniging Hogescholen, de LSVb en het ISO. In deze
brief is uiteengezet in welke situaties een instelling geen bijdrage naast het collegegeld
mag vragen en in welke situaties de instelling dat wel mag. De hoofdregel is dat kosten
die voortvloeien uit de wettelijke taak van de instellingen niet mogen worden doorberekend
aan de student. Er mogen bijvoorbeeld geen kosten in rekening worden gebracht voor
het verzorgen van onderwijs, het gebruik van de bibliotheek, de toegang tot gebouwen
en maken van tentamens. Voor de kosten van studiematerialen zoals boeken, syllabi
en (digitale) leermiddelen, materialen en bepaalde kosten verbonden aan practica (bijvoorbeeld
een veiligheidsbril en een laboratoriumjas) mag dit wel. De student wordt geacht zelf
de kosten van deze onderwijsbenodigdheden te dragen. Als instellingen deze materialen
verstrekken, mag hiervoor een eigen bijdrage worden gevraagd. De instelling mag niet
voorschrijven dat studenten deze materialen moeten afnemen bij de instelling. Instellingen
die daadwerkelijk oneigenlijke eigen bijdrages vragen, worden daarop aangesproken
en de Inspectie van het Onderwijs zal zo nodig hierop handhaven.
Vraag 3
Hoe beziet u deze praktijken van onderwijsinstellingen in relatie tot uw antwoorden
op eerdere vragen3, waarin naar voren kwam dat er geen wettelijke basis is (anders dan het collegegeld)
om studenten om een eigen bijdrage voor bepaalde activiteiten en onderwijsonderdelen
te vragen en hier ook studiepunten en daarmee een verplichting te koppelen?
Antwoord 3
Door duidelijke wetgeving en communicatie borg ik wat wel en niet is toegestaan. Zie
ook het antwoord op vraag 2. Wanneer uit het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs
blijkt dat instellingen inderdaad oneigenlijke eigen bijdrages vragen van studenten,
dan zal de inspectie de instelling aanspreken en zo nodig handhavend optreden. Echter,
zoals ook opgenomen in mijn brief aan uw Kamer van 29 april 2015 is het – mede in
verband met de toename van het gebruik van digitale hulpmiddelen in het hoger onderwijs
– niet ondenkbaar dat er zich in de toekomst opnieuw situaties voordoen waarbij het
niet geheel duidelijk is of een eigen bijdrage van studenten mag worden gevraagd of
niet. Hierbij is van belang dat het instellingsbestuur en de medezeggenschap hierover
(decentrale) afspraken maken.
Vraag 4
Bent u bereid om instellingen aan te spreken op deze praktijken en om ze wederom te
wijzen op het feit dat er geen wettelijke basis bestaat voor dergelijke aanvullende
eigen bijdragen? Zo ja, bent u ook bereid om instellingen die dit blijven doen te
sanctioneren en om ze te wijzen op de noodzaak om studenten te restitueren voor onterechte
eigen bedragen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Ja, daartoe ben ik bereid. Aan het ISO heb ik toegezegd dat ik samen met hen wil optrekken
richting instellingen die zich niet houden aan de regels omtrent het vragen van een
eigen bijdrage naast collegegeld. Tevens wil ik in de bestuurlijke overleggen met
de VH en de VSNU dit bespreken en bezien hoe dit nog beter onder de aandacht van de
besturen kan worden gebracht.
De inventarisatie van het ISO is gedeeld met de Inspectie van het Onderwijs, zodat
zij dit kan onderzoeken. Wanneer blijkt dat instellingen inderdaad oneigenlijke eigen
bijdrages vragen, dan zal de inspectie de instelling daarop aanspreken en zo nodig
handhavend optreden.
X Noot
3Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1967