Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-20171119

Vragen van het lid Omtzigt (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën over de eerdere en herhaalde bewering dat er geen waarschuwingen voor een RVU-heffing gevonden waren bij de Belastingdienst, terwijl er nu minstens drie aan het licht gekomen zijn (ingezonden 30 januari 2017).

Antwoord van Staatssecretaris Wiebes (Financiën) (ontvangen 2 februari 2017) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1093

Vraag 1

Herinnert u zich dat u aan de Kamer meedeelde dat u «... alle stukken met een formele status, een nota of een notitie of een memo of wat dan ook...» heeft doorzocht en daar geen waarschuwingen aantrof dat de reorganisatie van de belastingdienst als een verkapte VUT-regeling aangemerkt zou kunnen worden en dat dit zou kunnen leiden tot een RVU-heffing?1

Antwoord 1

Ja. Dit is een citaat uit het AO van 2 november 2016. Ik heb in dit debat duidelijk gemaakt dat ik hiermee sprak over de formele stukken die zijn opgenomen in het feitenrelaas2, wat kort gezegd stukken over de totstandkoming van de vertrekregeling zijn waarvan de status en inhoud niet ter discussie stond. Mede omdat het beeld over de totstandkoming van de regeling op basis van het feitenrelaas nog niet volledig was, is de Commissie onderzoek Belastingdienst (hierna: Commissie) ingesteld, die voor haar onderzoek de vrije hand kreeg om te kijken naar meer dan alleen de feiten uit het feitenrelaas. De Commissie heeft ook andere stukken bij haar onderzoek betrokken, zoals de stukken met betrekking tot vergaderingen van de Raad van Bestuur. Met de wetenschap in het achterhoofd dat de Commissie op dat moment naar meer documenten aan het kijken was dan alleen de formele documenten in het feitenrelaas had ik bij mijn uitspraak in het AO van 2 november jl. een nuance daarover moeten aanbrengen.

Vraag 2

Klopt het dat u schat dat die RVU-heffing, een soort boete om verkapte VUT-regelingen zwaar te ontmoedigen, waarschijnlijk rond de € 170 miljoen gaat bedragen bij de vertrekregeling van de Belastingdienst?

Antwoord 2

De meest actuele raming van de te betalen RVU-heffing in relatie tot de vertrekregeling van de Belastingdienst bedraagt € 178 miljoen.3

Vraag 3

Herinnert u zich dat u aan de Kamer ook meedeelde: «Ik heb alle stukken uit DigiDoc, de hele formele stukkenstroom, blootgelegd en daarin tref ik geen waarschuwingen aan» en dat deze opmerkingen gingen over waarschuwingen dat de vertrekregeling bij de Belastingdienst zou kunnen leiden tot een RVU-heffing?4

Antwoord 3

Ja.

Vraag 4

Heeft u kennisgenomen van het rapport «Onderzoek naar de besluitvormingsprocedures binnen de Belastingdienst», dat op 27 januari jl. verschenen is?

Antwoord 4

Ja.

Vraag 5

Heeft u kennisgenomen van het feit dat in dat rapport beweerd wordt dat in

  • a. «Het verslag van de Raad van Bestuur (i.o.) van 31 augustus 2015»

  • b. «memo van DGBel van 13 november 2015, bestemd voor de leden van de Raad van Bestuur (i.o.)»,

  • c. «Het verslag van een vergadering op 16 november 2015 van de Raad van Bestuur (i.o.).»

  • d. Memo «Invulling VWNW beleid bij Belastingdienst», waarschuwingen zijn opgenomen over een RVU-heffing?

Antwoord 5

Ja.

Vraag 6

Kunt u van elk van deze vier stukken aangeven of ze opgenomen zijn in Digidoc en of ze passen in uw definitie van «stukken met een formele status, een nota, of een notitie of wat dan ook»?

Antwoord 6

Deze stukken zijn geen van allen opgenomen in het formele systeem voor het in de lijn brengen en archiveren van stukken, wat nu Digidoc is en welk systeem voorheen Docman was. Verder geldt voor alle vier deze stukken dat ze niet in het feitenrelaas zijn opgenomen omdat het geen stukken met een formele status zijn. Dit sluit ook aan bij de conclusie van de Commissie over de besluitvorming:

«Vastgesteld moet worden dat de voorbereiding van deze besluitvorming informeel is geweest; zonder formele notities voor interne afstemming binnen de Belastingdienst, noch voor afstemming met de secretaris-generaal of de Staatssecretaris.»

In de persconferentie gaf de Commissie aan dat de informele werkwijze ook het onderzoek van de Commissie heeft bemoeilijkt. De Commissie heeft al deze stukken dus wel betrokken bij haar onderzoek. Daarbij merkt de Commissie over de stukken met betrekking tot de vergaderingen van de Raad van Bestuur het volgende op:

«De commissie heeft desgevraagd verslagen van de vergaderingen van de Raad van Bestuur (i.o.) ontvangen. Die verslagen worden volgens de Belastingdienst in beperkte kring binnen de Belastingdienst verspreid. Uit de ontvangen verslagen kan niet worden afgeleid dat de tekst daarvan op enig moment wordt vastgesteld. Een aantal van de verslagen vermeldt uitdrukkelijk dat het gaat om een «informeel verslag». In dat licht moeten de passages uit de verslagen die in deze paragraaf worden vermeld dan ook worden bezien.»

Over stuk d, door de Commissie onderzoek Belastingdienst geduid als het memo onder de arm, merkt de Commissie op;

«Het memo en de daaraan gehechte impactanalyse zijn ongedateerd en vermelden niet de auteur of aan wie deze zijn gericht.

Het is de commissie onduidelijk of en hoe deze informele stukken zijn betrokken in het besluitvormingsproces.»

«Illustratief voor de informele communicatievormen is in dit verband een «memo-voor-onder-de arm» waarin een aantal aspecten van de vertrekregeling werd beschreven, inclusief een financiële impactanalyse. Dit memo is niet gedateerd, noch is de herkomst aangegeven. De commissie is gemeld dat één van de leden van het ambtelijke driemanschap dit memo op 23 november 2015 bij zich had in zijn gesprek met de Staatssecretaris en het vervolgens weer heeft meegenomen. De commissie heeft niet kunnen achterhalen welke rol dit memo in de afstemming met de Staatssecretaris heeft gespeeld en of de strekking ervan is besproken en op haar consequenties geanalyseerd.»

Vraag 7

Sinds wanneer bent u bekend met het feit dat er officiele stukken bestaan die waarschuwen voor een RVU-heffing?

Antwoord 7

Op 26 januari 2016 zijn de Minister en ik voor het eerst formeel, per notitie geïnformeerd over een mogelijke fiscale eindheffing. In die notitie (bijlage 21 bij het feitenrelaas dat op 11 oktober 2016 aan uw Kamer is gezonden) wordt aangegeven:

«Vanwege die onduidelijkheid kan er ook nog geen uitspraak worden gedaan over het verschuldigd worden van een fiscale eindheffing: zou het merendeel van de medewerkers die opteren voor vertrek uit zestigers bestaan en zou de inspecteur vervolgens concluderen dat in wezen sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding, dan kan de fiscale eindheffing aan de orde komen.»

Vraag 8

Sprak u de waarheid in de Kamer toen u zei dat u alle officiele stukken doorzocht had en geen waarschuwing gevonden had voor een RVU-heffing?

Antwoord 8

Ja.

Vraag 9

Kunt u elk van deze drie stuken (a, b en c) onmiddellijk aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord 9

Nee. Artikel 68 van de Grondwet bepaalt: «De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat». In het antwoord op de vragen 12 t/m 15 wordt uitgebreider ingegaan op de kabinetslijn m.b.t. artikel 68 van de Grondwet.

De Commissie onderzoek Belastingdienst heeft deze stukken betrokken bij haar onderzoek en is mede op basis daarvan gekomen tot conclusies over de wijze van besluitvorming binnen de top van de Belastingdienst. Op deze wijze is invulling gegeven aan de door uw Kamer gevraagde informatie.

Vraag 10

Kunt u nogmaals heel zorgvuldig zoeken in DigiDoc naar stukken van voor 15 januari 2016 die de mogelijkheid tot een RVU-heffing bespreken en een volledige lijst aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord 10

Er zijn geen stukken in het systeem voor het archiveren van stukken (Digidoc, voorheen Docman) van voor 15 januari 2016, waarin het risico op een RVU-heffing wordt besproken. Dit sluit aan bij de conclusie van de Commissie op dit punt:

«Vastgesteld moet worden dat de voorbereiding van deze besluitvorming informeel is geweest; zonder formele notities voor interne afstemming binnen de Belastingdienst, noch voor afstemming met de secretaris-generaal of de Staatssecretaris.»

Vraag 11

Herinnert u zich dat u deze uiterst curieuze passage aan de Kamer heeft geschreven afgelopen vrijdagavond: «Uit die emails wordt duidelijk dat binnen de Belastingdienst diverse medewerkers, waaronder ook leden van de Raad van Bestuur, op de hoogte waren van het risico op een RVU-heffing. Ook wordt in deze emails gesteld dat ik zou zijn geïnformeerd over de mogelijke fiscale gevolgen. Deze emails lijken te wijzen op een gesprek in november 2015, dat ook aan de orde komt in het vandaag verschenen rapport van de Commissie in de passage over het «memo-onder-de-arm». In mijn gesprek met de Commissie heb ik aangegeven dat ik mij herinner dat dit gesprek niet op basis van een memo heeft plaatsgevonden. Een gesprek over een RVU-heffing herinner ik mij niet.»?5

Antwoord 11

Ja.

Vraag 12, 13, 14 en 15

Hoeveel emails van voor 15 januari 2016 heeft u gevonden, waarin over het risico van een RVU-heffing gesproken wordt? Kunt u daarvan een inventarisatielijst geven?

Bent u bereid om, nu ik voor de vierde keer persisteer dat ik deze mail relevant vind, het openbaar ter beschikking stellen van deze mails als een verzoek conform artikel 68 van de Grondwet voor te leggen aan de ministerraad, omdat alleen de ministerraad kan besluiten of het belang van de staat in het spel is en daarom het toezenden van deze mails kan weigeren?

Kunt u de uitkomst van dit artikel 68-verzoek binnen twee weken aan de Kamer doen toekomen?

Hoeveel mensen stellen in hun mails dat u op de hoogte was van de mogelijkheid van een RVU-heffing? Kunt u van elke van deze waarschuwingen de datum geven en de functie van de persoon?

Antwoord 12, 13, 14 en 15

Artikel 68 van de Grondwet bepaalt: «De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat». In eerdere Kamervragen is de informatie uit e-mails geobjectiveerd verstrekt aan de Kamer, waarbij is aangegeven dat uit e-mails duidelijk wordt dat binnen de Belastingdienst diverse medewerkers, waaronder ook leden van de Raad van Bestuur, op de hoogte waren van het risico op een RVU-heffing. Op deze wijze heb ik invulling gegeven aan de door uw Kamer gevraagde informatie.

De kabinetslijn in het kader van artikel 68 van de Grondwet omtrent het verstrekken van inlichtingen staat beschreven in de Kamerbrief van 25 april 2016 van de Minister van BZK6. In deze kabinetslijn is aangegeven wat de motivatie is waarom interne documenten met persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren niet in het openbaar aan uw Kamer kunnen worden gezonden. Op grond van deze kabinetslijn verstrek ik de e-mails en de inventarislijst niet. In het bijzonder wijs ik daarbij op de onwenselijkheid als communicatie tussen ambtenaren onderdeel van het publieke debat wordt. De e-mails hebben betrekking op de fase van beleidsvoorbereiding. In dit deel van het beleidsproces is het essentieel om in een beschermde en veilige werkomgeving opvattingen te kunnen delen om tot goede besluitvorming te kunnen komen. Door het wegvallen van deze bescherming bij ambtenaren zal risicomijdend gedrag ontstaan en daarmee de scherpte van advisering afnemen. Hiermee zou ook de kwaliteit van advisering en besluitvorming afnemen.

De vraag naar interne waarschuwingen maakt bovendien onderdeel uit van de opdracht aan Commissie onderzoek Belastingdienst. De Commissie heeft, alles afwegende, de conclusie getrokken dat sprake is geweest van informele vormen van communicatie en besluitvorming. Verder constateert de Commissie dat intern, binnen de Belastingdienst, in de periode voor 15 januari 2016 is gesproken over het risico op RVU.

Vraag 16

Wanneer heeft het gesprek plaatsgevonden waaraan u refereert in de passage onder vraag 11 en wie waren er aanwezig bij dat overleg?

Antwoord 16

Op maandag 23 november 2015. Bij dat gesprek was naast mijzelf één lid van de toenmalige Raad van Bestuur (i.o.) aanwezig.

Vraag 17

Heeft iemand een formeel of informeel gespreksverslag gemaakt van dat gesprek of persoonlijke aantekeningen of wat voor een soort notulen dan ook? Zo ja, kunt u die dan met de Kamer delen?

Antwoord 17

Nee, tijdens dit gesprek zijn geen verslag, aantekeningen of notulen gemaakt. Uit navraag blijkt dat het lid van de dienstleiding enkel mondeling een terugkoppeling heeft gegeven van dit gesprek. Verder is mij bekend dat hij later, in een e-mail, uitspraken heeft gedaan waarbij hij refereerde aan dit gesprek. In die e-mail wordt, zoals ik in antwoord op eerdere Kamervragen heb aangegeven, gesteld dat ik zou zijn geïnformeerd over de mogelijke fiscale gevolgen. De Commissie haalt dit gesprek en dit «memo onder de arm» aan als «illustratief voor de informele communicatievormen».

Vraag 18

Vindt u zelf dat u de Kamer correct, tijdig en volledig heeft ingelicht over de vertrekregeling en de (mogelijke) RVU-heffing?

Antwoord 18

In het antwoord op vraag 1 heb ik aangegeven dat ik een nuance had moeten aanbrengen tijdens het AO van 2 november 2016, in de wetenschap dat de Commissie op dat moment naar meer documenten aan het kijken was dan alleen de formele documenten die zijn meegenomen in het feitenrelaas. Verder heb ik in het AO van 13 oktober jl. aangegeven dat ik uw Kamer beter had moeten informeren toen bekend werd dat de vertrekregeling uit de hand liep.

Vraag 19

Indien u voor het vorige antwoord meer dan twee letters nodig had, kunt u dan aangeven op welke punten u de Kamer niet tijdig, niet correct en/of niet volledig geïnformeerd heeft?

Antwoord 19

Zie antwoord 18.

Vraag 20

Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en wel vóór dinsdag 31 januari 13.30 uur, zodat de documenten betrokken kunnen worden bij de besluitvorming in de Kamer over de regeling van werkzaamheden die dag?

Antwoord 20

Deze vragen zijn, mede vanwege de samenhang en overlap daarmee, tegelijk beantwoord met de set feitelijke vragen over de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie onderzoek Belastingdienst.


X Noot
1

Kamerstuk 31 066, nr. 317

X Noot
2

Het feitenrelaas van oktober 2016 over de totstandkoming van de vertrekregeling is opgebouwd aan de hand van stukken rondom het Investment Committee, stukken met betrekking tot het GOBD en interne notities met betrekking tot deze regeling, zie ook Kamerstuk 31 066, nr. 307, blz. 2.

X Noot
3

Rapportage Continuïteit Belastingdienst, bijlage 2, update cijfers vertrekregeling in het kader van de Investeringsagenda, tabel 2.

X Noot
4

Idem

X Noot
5

Antwoord op vragen van het lid Omtzigt over de vertrekregeling voor ambtenaren, 2017D02640, van 27 januari 2017

X Noot
6

Kamerstuk 28 362, nr. 8.