Vragen van het lid Jasper vanDijk (SP) aan de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over scholen die geld oppotten (ingezonden 23 december 2015).

Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 2 maart 2016). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1267.

Vraag 1

Is het waar dat schoolbesturen het overgrote deel van het geld van het Nationaal Onderwijsakkoord en het Herfstakkoord (2013) op de bank hebben gezet en dat slechts een klein deel naar de klas is gegaan?1

Antwoord 1

Schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs hebben in 2013 en 2014 in totaal 891 miljoen euro meer ontvangen in vergelijking met 2012. Een fors deel hiervan betreft de extra middelen in het kader van het Nationaal Onderwijsakkoord en het Begrotingsakkoord 2014. In deze twee jaren hebben beide sectoren gezamenlijk een netto resultaat van 485 miljoen euro geboekt. Dit betekent dat van de extra middelen in de jaren 2013 en 2014 406 miljoen euro is uitgegeven.

Een deel van deze extra middelen is vrij besteedbaar toegekend. Het andere deel is gekoppeld aan specifieke doelen. Het is uiteraard de bedoeling dat deze middelen daadwerkelijk aan deze doelen worden besteed. Dat deze middelen in 2014 nog niet zijn besteed komt mede doordat pas halverwege 2014 duidelijkheid is gekomen over het structurele karakter hiervan. Nu deze duidelijkheid er is, is er voor schoolbesturen echter geen reden meer om deze extra middelen niet daadwerkelijk uit te geven. Op basis van de jaarrekeningen over 2015 kan worden geconcludeerd in hoeverre dit ook echt is gebeurd. Deze jaarrekening komt eind 2016 beschikbaar.

Vraag 2

Is inderdaad bijna 1 miljard euro door schoolbesturen opgepot?2

Antwoord 2

Tussen 2012 en 2014 is het eigen vermogen van alle schoolbesturen in alle onderwijssectoren gezamenlijk met 1,2 miljard euro toegenomen. Deze stijging is met name ontstaan ultimo 2013, toen de extra middelen in het kader van het Nationaal Onderwijsakkoord en het Begrotingsakkoord 2014 zijn verstrekt. In het primair en voortgezet onderwijs is het eigen vermogen tussen 2013 en 2014 afgenomen.

Vraag 3

Erkent u dat de doelstelling uit het Nationaal Onderwijsakkoord om 3.000 jonge leraren in dienst te houden of in dienst te nemen, niet is gehaald? Zo nee, op welke manier kunt u aantonen dat deze doelstelling wel is gehaald?

Antwoord 3

Schoolbesturen zijn niet gevraagd om zich te verantwoorden over de besteding van de extra middelen in het kader van het Nationaal Onderwijsakkoord. Wel is de PO-Raad en VO-raad gevraagd hier onder hun leden onderzoek naar te doen. Uw Kamer is op 2 november 2015 in de brief over de Onderwijsarbeidsmarkt over de uitkomsten van dit onderzoeken geïnformeerd. Het inspectierapport geeft verder geen inzicht in de hoeveelheid jonge leraren die door de extra middelen zijn behouden of aangenomen. Voor de zomer van 2016 zal uw Kamer een overzicht ontvangen waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel leraren er in het afgelopen jaar in het primair en voortgezet onderwijs zijn bijgekomen of zijn behouden.

Vraag 4

Deelt u de mening dat schoolbesturen de vrijheid hebben om dit soort doelstellingen te negeren, vanwege de zogenaamde lumpsumfinanciering? Vindt u dat deze situatie recht doet aan een goede democratische controle op besteding van overheidsmiddelen? Bent u bereid om de lumpsumfinanciering opnieuw tegen het licht te houden?

Antwoord 4

Met de PO-Raad en de VO-raad zijn afspraken gemaakt over doelstellingen die zijn gekoppeld aan extra investeringen. Deze afspraken zijn tot stand gekomen nadat beide sectorraden hun achterban hebben geraadpleegd over de genoemde doelstellingen. In het veld is er dus steun voor deze doelstellingen. Dit geldt ook voor de doelstelling om jonge leraren in dienst te houden of te nemen. Het lumpsummechanisme stelt schoolbesturen in staat om, gebaseerd op lokale afwegingen, passende keuzes te maken over de besteding van de bekostiging. De instellingsaccountants, raden van toezicht, medezeggenschapsraden en inspectie zien toe op een rechtmatige, efficiënte en effectieve besteding. Zoals aangegeven in reactie op de motie-Duisenberg (Vergaderjaar 2015–2016 Kamerstuk 34 300-VIII nr.3, wordt uw Kamer dit voorjaar per brief geïnformeerd over het principe van lumpsumbekostiging en mogelijke alternatieven daarvoor.

Vraag 5

Hoe beoordeelt u het onderzoek van de VO-Raad, waarin wordt gesteld dat schoolbesturen in het voortgezet onderwijs de extra 65 miljoen euro uit het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA) hebben ingezet voor jonge docenten? Deelt u de mening dat dit onderzoek niet in overeenstemming is met de conclusies van de Inspectie? Kunt u uw antwoord toelichten?4

Antwoord 5

De VO-raad concludeert dat de extra middelen die de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs eind 2013 ontvingen voor het in dienst nemen of houden van jonge leraren, ook voor dat doel zijn ingezet. In het inspectierapport wordt geconcludeerd dat de personeelslasten in 2014 zijn toegenomen, terwijl de totale baten zijn afgenomen. Dit wordt mede in verband gebracht met de doelstelling omtrent het in dienst nemen of houden van jonge leraren. Hiermee wordt de conclusie van het onderzoek van de VO-raad niet weersproken.

Vraag 6

Hoe ver bent u met de uitvoering van de motie van de leden Jasper van Dijk en Ypma, die stelt dat schoolbesturen inzichtelijk moeten maken hoeveel leraren er in het afgelopen jaar zijn bijgekomen?5

Antwoord 6

Om het gevraagde overzicht te maken voor het jaar 2014, zijn zowel de gegevens van het schooljaar 2013/2014 als die van het schooljaar 2014/2015 vereist. De gegevens van 1 oktober 2013 en 1 oktober 2014 zijn inmiddels beschikbaar en heeft uw Kamer ontvangen. De gegevens van 1 oktober 2015 worden in het voorjaar van 2016 gepubliceerd. Uw Kamer ontvangt het gevraagde overzicht dan ook voor de zomer van 2016.

Vraag 7

Hoe beoordeelt u de conclusie in het artikel in de Groene Amsterdammer, waarin staat dat Nederlandse universiteiten «grote risico’s lopen bij hun gedane vastgoedinvesteringen en bij de bouwplannen die nog op de rol staan»?6

Antwoord 7

Verzelfstandiging van huisvesting in het hoger onderwijs legt de verantwoordelijkheid voor investeringen in huisvesting, in combinatie met investeringen in onderwijs en onderzoek, bij de instelling en draagt daarmee bij aan meer transparantie en integrale afweging binnen de instelling over bestedingsrichtingen. Dat is nog eens versterkt met de instemming van de medezeggenschap op hoofdlijnen van de begroting als onderdeel van het studievoorschot. Er moet daarbij sprake zijn van een heldere verantwoordelijkheidsverdeling en rolvastheid als basis van good governance als het gaat om investeringsbeslissingen. Het is aan de interne toezichthouder om het bestuur kritisch te volgen en waar nodig te interveniëren in geval van grote projecten als huisvesting en ict. Het streven daarbij is om excessen te voorkomen. In het wo en hbo kan en wordt meer gedaan aan het gezamenlijk investeren in gebouwen en apparatuur. Ik ben daarmee met deze sectoren in overleg en zal hun ook aanspreken wanneer ik bemerk dat daar te weinig aan wordt gedaan. Daarnaast is de governance aangescherpt door de mogelijkheid van het geven van een bestuurlijke aanwijzing en de introductie van «early warning» instrumenten, als de continuïteitsparagraaf (waar onder meer voorgenomen grote investeringen in zijn opgenomen) in het jaarverslag.

De inspectie heeft de opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de huidige huisvesting en investeringsplannen. Zie verder het antwoord op vraag 9.

Vraag 8

Hoe verklaart u dat men in bovengenoemd artikel spreekt van «dertien Nederlandse universiteiten die momenteel voor zo’n zes miljard aan vastgoedplannen op de rol hebben staan», terwijl de Inspectie meldt dat «twaalf van de achttien universiteiten in hun jaarverslag over 2013 hebben aangegeven dat zij de komende jaren (...) een bedrag van circa 1,25 miljard euro investeren in vastgoed»? In hoeverre zijn de conclusies van de Inspectie correct?

Antwoord 8

De conclusies van de inspectie zijn gebaseerd op de continuïteitsparagrafen in de jaarverslagen 2013 van de achttien universiteiten. Daarin hebben de instellingen informatie gegeven over hun vastgoedplannen over de jaren 2014 tot en met 2016. Deze hebben dus een tijdshorizon van drie jaar. Het kan zijn dat de meldingen in het bovengenoemde artikel gebaseerd zijn op de gegevens over een langere tijdhorizon. Het artikel geeft daarover geen uitsluitsel.

Vraag 9

Hoe ver bent u met de uitvoering van de motie van het lid Jasper van Dijk, waarin wordt verzocht een overzicht te verschaffen van de vastgoedlasten en financiële risico’s van de afzonderlijke instellingen in het hoger onderwijs?7

Antwoord 9

Mede naar aanleiding van die motie van het lid Van Dijk heeft de inspectie de opdracht gekregen om een onderzoek te doen naar de huisvesting in het ho en mbo. De inspectie zal een beeld schetsen van de omvang van het vastgoed en de daaraan gerelateerde leningen per sector en een overzicht bieden van de instellingen waar zij financiële risico’s heeft geconstateerd in de huisvestingssituatie. Het rapport van de inspectie met beleidsreactie zal in het voorjaar aan uw Kamer worden aangeboden.


X Noot
1

De financiële situatie in het onderwijs 2014. Inspectie van het Onderwijs, december 2015.

X Noot
2

NRC Handelsblad, 21 december 2015

X Noot
3

NRC Handelsblad, 21 december 2015

X Noot
5

Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 17

X Noot
6

«De Bouwwoede van de universiteiten. De campus-economie», De Groene Amsterdammer, 10 december 2015

X Noot
7

Kamerstuk 31 288, nr. 451

Naar boven