Vragen van de leden VanOosten en DeCaluwé (beiden VVD) aan de Ministers van Veiligheid
en Justitie en voor Wonen en Rijksdienst naar aanleiding van de meerjarenplannen van
de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) (ingezonden 1 september 2015)
Antwoord van Minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) mede namens de Minister
voor Wonen en Rijksdienst (ontvangen 30 september 2015) Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2015–2015, nr. 67
Vraag 1
Kunt u, naar aanleiding van de meerjarenplannen van de Raad voor de Rechtspraak, nadere
duiding geven hoe de toegang tot het recht op bereikbare afstand voor iedere inwoner
van Nederland gewaarborgd blijft?
Antwoord 1
Nederland kent sinds de herziening van de gerechtelijke kaart 32 bij algemene maatregelen
van bestuur aangewezen zittingsplaatsen die de geografische toegankelijkheid van rechtspraak
waarborgen, en dit blijft ook zo. Bij de keuze voor de 32 rechtspraaklocaties is onder
andere rekening gehouden met een goede toegankelijkheid van rechtspraak en het belang
van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. De zittingsplaatsen zijn gelijkwaardig,
maar dit betekent niet dat het zaakspakket identiek is.
Vraag 2
Heeft overleg met het lokale bestuur plaatsgevonden, danwel – voor zover dit onverhoopt
nog niet heeft plaatsgevonden – zal dit nog worden opgezet? Welke rol ziet de Minister
van Veiligheid en Justitie daarbij voor zichzelf weggelegd?
Antwoord 2
Ik verwijs u ter beantwoording van deze vraag naar mijn brief van 31 augustus 2015
(TK 32 891, nr. 27) aan uw Kamer.
Vraag 3
In hoeverre deelt u de zorgen van diverse organisaties dat regionaal forse werkgelegenheidseffecten
of reductie in inwoners, dienstverlening of koopkracht zouden kunnen optreden ten
gevolge van de uitvoering van de meerjarenplannen? Acht u het bijvoorbeeld reëel dat
juridisch georiënteerde werkgelegenheid bepaalde regio's in Nederland zal verlaten?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Het voorgenomen locatiebeleid, zoals beschreven in het voorgenomen MJP, leidt tot
een verschuiving van arbeidsplaatsen binnen een aantal gerechten. Dit kan werkgelegenheidseffecten
hebben op lokaal niveau, maar zal niet leiden tot krimp van de totale werkgelegenheid
van de rechtspraak. Ik heb contact met de Minister voor Wonen en Rijksdienst over
de voorgenomen plannen van de rechtspraak. Hij heeft in dat verband aandacht gevraagd
voor eventuele werkgelegenheidseffecten in de provincies die in de motie-De Vries
(TK 31 490, nr. 126) worden genoemd en in de krimpgebieden.
Vraag 4
Bestaan er marges waarbinnen effecten ten gevolge van verplaatsing van overheidsdiensten
aanvaardbaar kunnen worden geacht en wordt in uw optiek met de plannen van de RvdR
aan die marges voldaan? Zo nee, waar leidt dat toe?
Antwoord 4
Het kabinet besteedt in het bijzonder aandacht aan provincies waar eerder door uw
Kamer aandacht voor is gevraagd, zoals genoemd in de motie-De Vries (TK 31 490, nr. 126). Daarnaast worden de krimpgebieden waar mogelijk ontzien door het kabinet. In verband
met de plannen van de Rechtspraak heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst aandacht
gevraagd voor deze provincies en gebieden.
Vraag 5
In hoeverre is getracht de plannen van de RvdR en overige verplaatsingen van overheidsdiensten
in ons land gelijktijdig en gecoördineerd te laten plaatsvinden?
Antwoord 5
De verplaatsing van Rijkskantoren vindt planmatig plaats. Deze zogenaamde masterplannen
kantoorhuisvesting zijn door uw Kamer met de Minister voor Wonen en Rijksdienst besproken.
Ook andere Rijksonderdelen deelden hun plannen met uw Kamer. De Minister voor Wonen
en Rijksdienst wil op voorhand coördineren dat de regionale werkgelegenheidseffecten
voor de rijksoverheid als totaal niet onevenredig neerslaan in gebieden waar eerder
aandacht voor is gevraagd door uw Kamer. In het najaar zal hij rapporteren over de
eventuele veranderingen in de regionale werkgelegenheidseffecten van de rijksoverheid
als totaal. Het voornemen is om daarin de cijfers die de Rechtspraak meegeeft, te
verwerken.
Vraag 6
Wordt bij toekomstige verplaatsingen van andere overheidsdiensten rekening gehouden
met de keuzes gemaakt in het plan van de RvdR? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 6
Elke rijksdienst kent zijn eigen vestigingsplaatsfactoren. Het is primair aan een
rijksdienst zelf om op basis daarvan te bepalen wat geschikte locaties zijn. Voor
de kantoorhuisvesting zijn in masterplannen samenhangende keuzes gemaakt over locaties.
Rijksonderdelen zoals de rechtspraak hebben een eigen plan. Voor andere diensten,
die hun eigen vestigingsplaatsfactoren kennen, zijn de locatiebeslissingen van de
rechtspraak niet op voorhand bepalend.
Vraag 7
Wanneer worden de plannen van de Minister van Wonen en Rijksdienst waar het gaat om
eventuele verplaatsing van de andere overheidsgerelateerde diensten gepresenteerd?
Hoe wordt het lokale bestuur daarbij betrokken?
Antwoord 7
De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal in het najaar rapporteren over eventuele
veranderingen in de regionale werkgelegenheid van de rijksoverheid als totaal als
gevolg van nieuwe plannen. Daarin wordt het beeld van defensie, de rechtspraak, de
nationale politie en de rijkskantoren meegenomen. Over veranderingen rond de rijkskantoren
wordt primair met de provincies afgestemd waarbij het de provincies vrij staat om
daarbij ook gemeenten uit te nodigen.